Blog

Hoe letters en cijfers de kleutergroep binnen kwamen tuimelen

.

‘Weet je wat er in mijn rugzak zit? Mijn konijn!’ Enthousiast houdt Tim een grote, zwarte rugzak omhoog. ‘Hij is heel groot maar hij past er in. Als je ‘m aan de lettertak hangt moet je zo dat kleine knijpertje aan zijn oor doen want anders kan het niet. Zijn oor is het dunste, verder is ‘ie dik. Zal ik ‘m even pakken?’ We staan nog op het plein te wachten tot iedereen er is en we naar binnen kunnen. Voorzichtig, zonder zijn enthousiasme te temperen maan ik hem het Konijn nog even veilig in zijn tas te laten voordat we hem aan zijn oor aan de ‘lettertak’ met de letter K hangen.

Bijna veertig jaar geleden, tijdens de kleuterleidsters-opleiding, kregen we ieder jaar vele uren Nederlands. Dat ging over de taalontwikkeling van jonge kinderen. De ontwikkeling van ‘één-woords-zinnen’ naar ‘twee-woords-zinnen’ naar ‘meer-woords-zinnen’. We merkten dat een jongste kleuter vaak nog maar net ‘meer-woords-zinnen’ gebruikt. Het ging over de ontwikkeling van Nederlands als tweede taal. Het ging over ‘overgeneralisatie’: het ontdekken van (werkwoord-)regels waardoor kinderen ineens bijvoorbeeld ‘loopte’ gaan zeggen. En dat je dan onnadrukkelijk de zin kunt herhalen met het woordje ‘liep’ erin, zodat ze ook de uitzondering op de regel leerden kennen. Allemaal zonder het expliciet te benoemen of uit te leggen. Het ging heel veel over voorlezen; waarom en hoe en welke boeken. Het ging over het voeren van kringgesprekken, over ‘taal-denkrelaties’, over het uitbreiden van de woordenschat, over taalgrapjes en taalspelletjes en rijmen. We ontdekten hoe een kleuter in taal een hele wereld weet op te roepen die nog niet te onderscheiden is van de realiteit; als je een verhaal vertelde over een brandweerauto had net toevallig de helft van de kinderen gisteren een brandweerauto gezien met als het even kan het brandende huis erbij. Maar over letters ging het nooit.

Toen ik jaren later weer terugkwam voor de klas had de ontwikkeling van ‘geletterdheid’ zijn intrede gedaan in de groepen 1/2. In de huishoek kwamen agenda’s en kranten en een kladblok om een boodschappenlijstje te ‘schrijven’. De kinderen dicteerden teksten bij een tekening, we schreven samen brieven in de kring of maakten tekeningen bij een voorgelezen verhaal. Maar echt over letters ging het nog steeds niet.

Ongemerkt werden die letters echter steeds belangrijker. Eerst onnadrukkelijk, vol verwondering opgemerkt op een gestolen moment. Want wat een feest is het om de letter van je naam te ontdekken op een melkpak of in de brief die juf aan het schrijven is. Daarna verschenen er steeds meer letterlesjes in de kleine kring, werkten we met de letter van de week op lettertafels en in letterkoffertjes, gingen we toetsen hoeveel letters een vijfjarige al kende, gonsde het door de wandelgangen dat een kind zeker 16 letters moest beheersen voordat het naar groep 3 zou kunnen.

En nu hangt er dus alweer jaren een ‘lettertak’ bij ons in de klas. Wanneer we in de kring zitten en Jelle het Konijn van Tim ziet, herinnert hij zich ineens dat hij Kat Kitty en Kleine Kraai meegenomen heeft. Ik vraag de jongens waarom nou juist het konijn en de kat en de kraai? Het is even zoeken, ze weten het ook niet meer zo precies. En al snel verlies ik de aandacht van de meeste kinderen in de kring voor zoiets abstracts als een letter. Ik doe het gebaar voor dat hoort bij de klank Kuh; je duim onder je kin, je wijsvinger samen met de andere vingers tegen je lip en dan klik je je hand naar voren. Bijna iedereen doet mee: ‘Kuh-àààà-tuh, Koh-oooo-nnnn-ijijijij-nnnnn’ zingen we samen. Voel je het klikje achter op je tong? Ja ze voelen het, en nog een keer, en nog een keer. Al snel ontstaan er onzinwoorden na die grappige Kuh. Guus ontdekt voor het eerst dat je woorden kunt maken na die Kuh-klank. ‘Kuh-euken, juf! En Kuh-ikker!’ De rest van de dag blijven er woorden op-poppen in zijn hoofd.

Rosalie, net op school en nog helemaal in haar eigen wereld, ontgaat volledig wat er gebeurt. Ze kijkt naar buiten, plukt aan een plantje op de vensterbank, bekijkt de schoenen van haar buurvrouw. Maar als ik de woorden ‘Kat Kitty’ met grote gebaren op een blaadje schrijf is ze er ineens helemaal bij. Zij heeft ook een poes! Ik moet háár poes ook opschrijven! En dan blijken er heel veel poezen thuis te zijn met allemaal een eigen naam. Hoe vaak ik poes ook corrigeer in Kat het gaat er niet meer in. De kinderen roepen door elkaar heen de naam van hun phoe-oeoeoe-sssss. Want wie weet; als je net zo gek praat als juf schrijft ze jouw poes misschien ook wel op.

Ik besluit dat we lang genoeg in de kring hebben gezeten. Je aandacht richten samen met 23 andere kinderen, wachten met iets vertellen tot je aan de beurt bent; het is al heel wat zo in de eerste weken van het schooljaar. En dan ook nog de naam van je knuffel zien als een woord dat begint met de Kuh-klank; eigenlijk is bijna geen van deze kinderen daar al aan toe. ‘Mogen Kat Kitty en Kleine Kraai aan de lettertak’, vraag ik aan Jelle. Ik zie de aarzeling, het slikken. ‘Van mama moeten ze wel weer mee terug naar huis.’ Een half uur voordat we naar huis gaan komt hij het vragen. Kunnen ze weer terug in zijn tas? Zijn stem bibbert een beetje, alsof hij er rekening mee houdt dat er onbegrijpelijke regels zijn die maken dat je knuffels zomaar aan die lettertak moeten blijven hangen. En natuurlijk mogen Kat Kitty en Kleine Kraai weer mee naar huis.

Het is zeker niet verkeerd om kleuters kennis te laten maken met klanken en letters, net zoals met cijfers en hoeveelheden. Maar laten we niet denken dat de kinderen in mijn groep nu de letter K hebben geleerd. Wij speelden met de klanken van betekenisvolle woorden. En die betekenis kunnen ze nog helemaal niet los zien van het woord zelf. Het woord ‘Kat-Kitty’ is onderdeel van het hele wezen van de onmisbare knuffel, dat je haar ook ‘Chat Minou’ zou kunnen noemen is ondenkbaar, dan zou het niet meer dezelfde knuffel zijn.

Het mooie is dat uiteindelijk het abstracte begrip van woorden en letters vanzelf ontstaat wanneer kinderen spelen met dingen die ze steeds een andere betekenis geven. De tak wordt een zwaard of een hengel of een paard. Ze onderzoeken de functie van letters en klanken wanneer ze spelen dat ze een boodschappenlijstje ‘schrijven’ of ‘lezen’ in een krant, wanneer ze rijmspelletjes doen, taalgrapjes maken, onzin-liedjes verzinnen. Kinderen ontwikkelen een abstracte, symbolische manier denken wanneer ze verhalen vertellen en uitspelen, voorgelezen worden, steeds beter leren redeneren, wanneer ze een verhaal vertellen in een tekening. Kortom, bij alles wat er in een kleuterklas gebeurt.

‘Ik wil leren om dokter te worden in de huishoek’

.

Vorig jaar hing er wekenlang een lijst op de deur van de klas; een lijst met antwoorden op de vraag wat de kinderen dat jaar zouden willen leren. Gijs vertelde dat hij wilde leren om dokter te worden in de huishoek. Inderdaad was hij vaak te vinden in de huishoek waar hij altijd meteen de plastic handschoenen opviste uit het laatje met doktersattributen. Isa wilde leren toveren. Veel kinderen wilden leren om netjes binnen de lijntjes te kleuren, ze wilden letters leren of goed leren luisteren.

De kinderen hadden enthousiast antwoord gegeven op de vraag. En je bewust worden van wat je leren wilt past goed binnen het ‘Actieve Didactische Instructie Model’ en ‘doelgericht’ onderwijs. Dus zou het de ‘leeropbrengsten’ moeten verhogen. Toch bleek Sara helemaal niet bezig met tussen de lijntjes kleuren, ze wilde vooral snel klaar zijn om zoveel mogelijk tekeningen te kunnen maken. Isa wilde misschien wel leren toveren maar het was geen enkel probleem dat ze het na twee maanden nog steeds niet kon. Of misschien kon ze het eigenlijk al lang?

Er schuurde iets. Wat betekent “leren” eigenlijk voor jonge kinderen. Hebben kinderen en leerkrachten het wel over hetzelfde als ze het begrip “leren” gebruiken? Voor de meeste leerkrachten is “kinderen iets leren” het hart van hun werk. Daarvoor komen ze naar school. Maar kleuters? Wat hebben zij voor plannen als ze de klas binnenstappen? Waarvoor gaan zij naar school?

Afgelopen zomer las ik een onderzoek van Y. Colliver & M. Fleer: I already know what I learned dat gaat over juist het perspectief van jonge kinderen op leren. Niet zomaar leren, maar “leren door spel”. Het idee dat jonge kinderen leren door te spelen is wijdverbreid maar hoe de kinderen daar zelf over denken vragen we ons eigenlijk nooit af. Al lezend viel alles op zijn plek. Dit was waar ik maar niet de vinger op kon leggen.

In het onderzoek werd, na een korte introductie over leren en spelen, aan 28 twee- tot vijfjarigen gevraagd wat ze leerden van een bepaalde (op film vastgelegde) speelsituatie. Het commentaar van de kinderen op 638 spelepisodes werd geanalyseerd en liet zien dat zelfs de jongste kinderen al een autoriteit zijn op het gebied van hun eigen leren. Het perspectief van jonge kinderen op “leren” verschilt wel duidelijk van het perspectief van volwassenen. Toen een begeleider aan de driejarige Daniella vroeg wat ze leerde toen ze een schat aan het begraven was, antwoordde ze overtuigd: ‘piraat’. De begeleider herhaalde haar vraag: ‘wat leerde je?’ Iets minder overtuigd herhaalde het meisje haar antwoord waarna de begeleider nog eens vroeg: ‘je leerde piraat, wat bedoel je?’. Toen bleef het meisje stil, keek naar de grond, schuifelde met haar voeten en friemelde met haar handen. Daniella en haar begeleider leken een andere taal te spreken.

Voor de meeste volwassenen staat het begrip “leren” voor het verwerven van nieuwe kennis en/of vaardigheden. Daarbij ben je je er vooraf min of meer van bewust dat je iets nog niet kunt of weet. En je constateert terugkijkend hoe goed het is gelukt om dat gebrek aan kennis en vaardigheden op te lossen. Een jongetje dat zegt dat hij leert om thee te maken terwijl hij een theezakje in het water doet en dus duidelijk al weet hoe je thee maakt, denkt anders over leren. “Leren” betekent voor jonge kinderen niet iets nieuws weten of kunnen. Het gaat niet om het verwerven van kennis en vaardigheden; het leren van jonge kinderen draait veel meer om het deelnemen aan een (culturele) activiteit. Terwijl het volwassen leren individueel is, draait het leren van kinderen om het (kunnen) participeren in de groep. Jonge kinderen hebben al hun voelsprieten uitstaan om op te pikken hoe ze kunnen meespelen. Wat zijn de regels van het spel? Hoe kun je meedoen?

In hun commentaar op de verschillende spelepisodes bleken kinderen steeds de regels van het spel te benoemen. En niet zomaar regels, steeds ging het om de hoofdregel: The Aim of the Game. Toen Daniella in het onderzoek antwoordde dat ze leerde ‘piraat’ te zijn, was duidelijk dat ‘een piraat zijn’ het doel van haar spel was. Regels zoals; een piraat zoekt een schat, vaart op een schip, heeft een zwaard, waren onderdeel van dit hoofddoel: een piraat zijn. Zonder dit doel zou het spel weinig betekenis hebben gehad voor Daniella. Sterker; weten hoe je een piraat wordt, maakte het voor Daniella mogelijk mee te doen aan het spel. Het antwoord ‘piraat’ was een perfecte samenvatting van alle grote en kleine regels over hoe je een piraat speelt in een verbeelde wereld.

Is het belangrijk dat leerkrachten weten wat kinderen denken te leren van hun eigen spel? Dat ze weten wat hun intenties zijn als ze spelen? Of is het zo dat leerkrachten eigenlijk beter weten wat jonge kinderen leren dan de kinderen zelf?

In het onderzoek wordt een speelepisode beschreven waarin Bella en Gwen fluisterend potjes en pannetjes vullen met zand terwijl op de achtergrond een groepje grote jongens wild rond rent. In haar observatie constateert de leerkracht dat de meisjes veel fijn-motorische vaardigheden gebruiken. Bella pakt het zand zorgvuldig tussen haar vingertoppen en laat het voorzichtig in het pannetje glijden. Zachtjes praten Bella en Gwen over hun kookverhaal en bijna als vanzelf leren ze de eigenschappen van nat en droog zand kennen terwijl het in potjes van verschillende grootte glijdt. Om aan te sluiten bij dit leren zou de leerkracht kunnen besluiten de sensomotorische ervaringen uit te breiden door meer materiaal aan te bieden. Maar de meisjes zelf zeggen iets heel anders: ze hebben geleerd hoe ze kapitein Hook dood kunnen maken want hij is slecht. Ze doen dat door gif te maken van kruidig eten en sterke koffie en ze bedenken waar het geurige eten moet staan om kapitein Hook te verleiden tot een hapje. In het spelverhaal verbinden de kinderen hun kennis over de reële wereld met hun verbeelding, steeds met het “hoofddoel” in hun achterhoofd. Op zich een prestatie van formaat. Als je dit weet als leerkracht zou je dan op een andere manier aansluiten bij het spel van de kinderen?

Als ik terugdenk aan de “wat-wil ik-leren” lijst op de deur met het idee dat het leren van de kinderen draait om het kennen van de regels om te kunnen deelnemen aan een activiteit, lees ik het heel anders. Sara hield van tekenen. Ze had begrepen dat de praktijk van het naar school gaan draait om iets goed kunnen. Goed tekenen is tussen de lijntje kleuren. Dat was ze aan het doen als ze koos voor de tekentafel op school. Net zoals Isa vooral aan het spelen was dat ze toverde of dat nu in de huishoek, aan de knutseltafel of al tekenend was.

Voor ons als leerkrachten is dat nog een hele wereld om te ontdekken.

 

Groepsvorming in een kleuterklas

.

Het is de laatste dag voordat de school weer begint. Mijn klas is ingericht. Alles is georganiseerd. De kinderen en hun ouders zijn geïnformeerd. En ik besluit een laatste dagje te genieten van zon, wind, zee en strand. Vlak voor we weg gaan stop ik nog snel Raai de Kraai in mijn fietstas. Misschien kan ik wat foto’s maken. Misschien helpt het de kinderen om te vertellen over hun eigen vakantieverhalen.

Onderweg neemt Jan het over. Als ik bij de kiosk een emmer met schepje koop zie ik Jan uit mijn ooghoek rommelen met Raai. Hij blijkt begonnen met een beeldverhaal. Waar we anders nooit langer dan 10 minuten samen, in de zon, op het strand doorbrengen kan ik nu zeker een uur pootje baden in zee, lezen op mijn handdoekje en gewoon zonder iets te doen over de zee zitten staren. Jan maakt foto’s.

.

En dan is het maandagochtend. Natuurlijk verloopt alles meteen al heel anders dan gepland. Blij, opgetogen, schoorvoetend, huppelend of verscholen achter vader of moeder komen de kinderen het plein op lopen. Voor een aantal kinderen is het best een stap; weer naar school. Na een kwartier staat onze intern begeleider met de snikkende Annemeike in haar armen, de directeur probeert een intens verdrietige Mick ervan te overtuigen dat school echt wel leuk is, ik hoor van Gijs hoe eng hij gedroomd heeft omdat hij weer naar school moet en ondertussen zie ik twee ouders met de twee nieuwe kinderen achter in de gang geduldig wachten tot ook zij een plekje kunnen vinden in hun nieuwe groep. Alle voorbereidingen veranderen in een soort voetnoot. Je kunt niet anders dan in die zee van gebeurtenissen springen.

Ik balanceer tussen het luisteren naar alle kleine verhalen van al die individuele kinderen en de groep weer zien als groep. Tussen ruimte geven en de regels weer duidelijk neerzetten. Tussen dat wat ik heb voorbereid en reageren op wat ontstaat.

Zonder dat ik het merk registreer ik wat er gebeurt. Dat onze nieuwe atelierhoek erg in trek is maar dat we het nog wel over het opruimen moeten hebben. Dat Kaat op haar allereerste schooldag, volop experimenteert en prachtige, gedetailleerde tekeningen maakt van de kleine poesjes die bij haar thuis geboren zijn. Dat alle huilende kinderen grote indruk maken op Jelle.

Zoals we weer opnieuw kennis maken met elkaar, is er ook de hernieuwde kennismaking met Raai, onze klassenpop, die weer terug is van vakantie. De foto’s hangen achter het tafeltje met zijn gevonden schelpen en wat zand. Raai zit op zijn nieuwe nest in de boom naast de kijktafel. ‘Ik heb zelf foto’s gemaakt van toen ik op vakantie was’, reageert Isa. ‘Ik kan ze wel even meenemen’. Later kijkt ze peinzend voor zich uit: ‘Hoe kan het nou dat jij op die foto staat? Wie heeft hem dan gemaakt?’ Anna ordent telkens opnieuw de schelpen en het zand op het tafeltje. En regelmatig bekijken een paar kinderen de foto’s en praten erover. Het is één van de dingen die je kunt ontdekken in de nieuwe klas. Onnadrukkelijk, zoals het hoort.

Af en toe doen we een kennismakingsspelletje. Alle kinderen hebben een nieuw maatje en regelmatig roep ik: ‘vraag maar aan je maatje’, ‘zorg goed voor je maatje’ of ‘help je maatje even’. Maar als Annemeike weer hard en ontroostbaar begint te huilen aan het eind van de dag, ik me laat ontvallen dat ik het er nu wel warm van krijg en Loïs, die vlak naast mij staat, verbaasd vraagt ‘wat is er dan met je, juf?’, vraag ik me ineens af waar de kinderen eigenlijk mee bezig zijn zo’n eerste week op school.

Hoe de kinderen deze dagen ervaren merk ik later die week. De onderwijsassistent kondigt aan dat ze in alle klassen zal vertellen dat zij vertrouwenspersoon is. Dat ze helpt als er gepest wordt in de klas of als er iets naars gebeurt wat je niet met je juf of meester op kunt lossen. Het lijkt me een nogal verwarrend en abstract verhaal voor jonge kinderen maar we zien wel hoe het gaat. Als we samen, elkaar aanvullend en voorbeelden gevend, vertellen wat je kunt doen als het niet zo leuk is op school, steekt Lars al snel zijn vinger op. ‘Isa en ik zijn maatjes en wij helpen altijd als de kinderen een probleem hebben’. Isa lijkt niet helemaal te weten wat hij bedoelt maar knikt heftig van ja. En ik herinner me weer hoe ze met de snikkende Annemeike een tekening maakte tegen het missen van haar moeder (‘Wil je een bloem?’ ‘Nee, ik wil hartjes.’ ‘Moet ‘ie in het midden?’ ‘Nee, hij moet zo aan die kant.’ …). Loïs vertelt hoe ze alle kinderen helpt met in de rij staan als ze ‘s ochtends verdrietig zijn. Dat is waar. Er zijn zelfs ouders die in de ochtend aan haar vragen te helpen met een handje of een knuffel. En dan buitelen de kinderen over elkaar heen om te vertellen hoe, wanneer en waarom ze elkaar heel goed kunnen helpen en troosten, en wat je moet doen als er iets gebeurt dat je niet leuk vindt. Er is nog tijd voor een laatste vraag aan de onderwijsassistent. ‘Juf, ik vind je heel erg lief’, zegt Lars.

Ik ben trots op mijn groepje. De kinderen doen zo ongelofelijk hun best om er met elkaar een fijne groep van te maken. Niet omdat het moet, maar omdat ze het willen. En ik heb er alle vertrouwen in!

Nog meer tekeningen van treinen, boten, auto’s, wegen en huizen

.

Als ik nog snel wat spulletjes bij elkaar zoek voor een paar laatste dagen fietsen in de provincie Groningen, vind ik een mapje met tekeningen. Zonder naam dit keer maar overduidelijk van Chiel. Mijn vorige blog ging over het verhaal dat hij vertelde in zijn tekeningen. Ik blader ze door en kan het niet laten. Ze passen zo mooi; ik kies er een paar uit en plak ze op verschillende plekken in het verhaal over het afscheid van onze treinen-man. Dus niet helemaal nieuwe, maar toch een beetje: nog meer tekeningen van Chiel.

Afscheid van onze ‘treinenman’

.

.

De tekening moet ergens op mijn bureau liggen, het is een opsomming van treinen; stoomtrein, goederentrein, hondenkop, dubbeldekker. Ik vind hem half verscholen onder allerlei andere schoolspullen die moeten worden uitgezocht, geordend en opgeborgen. Het is een van de klusjes die me in het begin van de vakantie altijd helder voor ogen staan. Maar die jammerlijk achter de horizon verdwijnen als de echte ontspanning gaandeweg eindelijk intreedt.

De tekening kreeg ik op de laatste dag voor de vakantie van Chiel. Er waren weken dat ik bijna iedere dag een tekening van hem kreeg. Soms overleefden ze de weg van mijn juffen-bureau via mijn schooltas naar mijn atelier thuis. Daar maakte ik een apart stapeltje, waar ik een dubbelgevouwen A4tje omheen vouwde en ‘tekeningen van Chiel’ op schreef. Ik pluk de tekening van mijn ateliertafel, sluit mijn ogen voor alle blaadjes, boeken, lapjes, lintjes, papiertjes, aantekeningen, frutsels, … en schuif hem tussen het stapeltje ‘tekeningen van Chiel’.

Twee jaar geleden kwam hij bij mij in de klas. Een kleine jongen met bijna rechtopstaand wit haar, een rond koppie, een innemende lach en rode wangen. In het eerste kringgesprek vertelde hij over de ingestorte Morandi-brug in Genua in Italië. Hij deed dat met zoveel details dat ik geschrokken vroeg of hij daar soms langs was gekomen in de vakantie. ‘Nee hoor juf, ik had het op de TV gezien en van mijn vader gehoord.’

Al snel krijg ik de eerste tekening. Er hoort een verhaal bij over de wegen tussen verschillende huizen, de A9, de afsluitdijk en hoeveel kilometer dat allemaal uit elkaar ligt.

.

De tekeningen ontwikkelen zich tot twee schema’s; huizen en auto’s. Vaak staat er aan de ene kant een auto en aan de andere kant een huis. Hij maakt ze geconcentreerd, ergens op een verloren moment in de dag met het materiaal dat toevallig voorhanden is. Soms verbaas ik mij over de nauwkeurigheid waarmee hij vastlegt hoe de wereld in elkaar zit, hoe hij samenvat wat voor hem belangrijk is. En bijna altijd komt hij de tekeningen brengen bij mij. Alsof ik de hoeder ben van zijn gedachten en ideeën.

.

En dan worden huizen en voertuigen voorzichtig met elkaar verbonden. In de tekening van het huis met de weg bijvoorbeeld.

de weg naar

het huis

meer wegen

Als je heel goed kijkt zie je hoe Chiel een ingericht huis tekende, vanuit de voordeur kom je op de weg. Die weg leidt naar een volgend huis of je kunt de afslag nemen het papier af.

.

.

Als snel blijkt de wereld van Chiel eigenlijk te draaien om treinen. Buiten maakt hij treinen door verschillende karren aan elkaar te bevestigen. Binnen construeert hij ingewikkelde treinbanen met bruggen, viaducten en knooppunten. Duplo-huizen met zwembaden, speeltuinen, auto’s voor de deur, slaapkamers en ‘chill-plekjes’ maken het tot een wereld in het klein. Hij woont vlak bij het station waar je vanaf een brug over het spoor alle bewegingen van de verschillende treinen kunt gadeslaan. ‘Morgen ga ik met mijn vader op de trein’, vertrouwde hij me eens toe. ‘Werkt je vader op de trein?’ Maar nee, zijn vader bleek vrachtwagenchauffeur. En zelfs als zijn vader tijdens het project ‘vervoer’ met zijn wagen het schoolplein op komt rijden, de kinderen een voor een de cabine inklimmen en we allemaal diep onder de indruk zijn, blijft hij het zeker weten: ‘ik ga later op de trein werken.’

Ook in zijn tekeningen verschijnen treinen. Een sneltrein, de stoomtrein waarmee hij met zijn vader, moeder en zusje van Hoorn naar Enkhuizen reed.

de stoomtrein

Lange stroken plakband zijn over verschillende delen van de tekening heen geplakt.

de stoomtrein

de sneltrein

trein, boot,

huis, trekker

.

Vaak schrijft Chiel iets naast, bij of achterop zijn tekening. Ik vind zelfs een blad waarop hij het alfabet aan het oefenen is. Met de namen van de juffen en hier en daar een trein, huis of boot natuurlijk.

.

Een tijd geleden kreeg ik tijdens de ‘pauze-hap’ een prachtig inkijkje in zijn wereld. Chiel vertelde dat hij later met Nora ging trouwen en dat ze samen in een huis zouden gaan wonen naast het station. Allebei zouden ze gaan werken op de trein. Als ze dan ‘s avonds weer terugkwamen waren ze snel thuis. Ze zouden baby’s krijgen en die mochten af en toe mee op de trein. Nora zit genoeglijk etend en drinkend een paar stoelen bij hem vandaan en beaamt alles met een tevreden knikje. Maar Nienke is het er niet mee eens. Zíj zou juist samen met Chiel in een huis gaan wonen!! Er wordt wat heen en weer gehakketakt totdat iemand oppert dat ze ook met z’n drieën in een huis kunnen wonen. Loïs heeft ook twee moeders, dus dat kan. Dan kan er vast ook wel een vader bij. Maar nu roert Dunia zich: ‘dat mag niet, kinderen mogen niet zelf in een huis wonen, want dan mist je moeder je te veel’. Er klinkt voorzichtig weerwoord: ‘dan ben je groot en dan mag het wel’, ‘dan ben je geen kind meer’. Maar het blijkt moeilijk om je voor te stellen dat je echt een groot mens zult worden. Chiel reageert niet meer. Zo te zien blijft zijn toekomstdroom stevig overeind. Of misschien is het helemaal niet iets wat zich in de toekomst afspeelt maar in zijn verbeelding, in het nu. Iets dat je kunt spelen, kunt tekenen, maken en vertellen. Zo maak je je gedachten en ideeën concreet en kun je ze verder onderzoeken.

Als we na de lock-down weer met de hele groep naar school gaan kan Chiel op een ochtend bijna niet wachten met vertellen wat er is gebeurd. ‘Ik heb mijn huis gezien!’ ‘Je huis?’ Ik weet even niet waar hij het over heeft. ‘Ja, het huis waar ik in ga wonen met Nora. Het staat tegenover het spoorwegmuseum. Daar was ik, want het was weer open. En het staat nog leeg. Het is langs de snelweg en dan kun je zo over de A2 en de A9 terug naar Alkmaar rijden.’ De andere kinderen zien maar één probleem. ‘Misschien gaat er iemand anders in wonen voordat je groot bent.’ Siem lijkt even bezorgd bij zichzelf naar binnen te kijken en lacht dan opgelucht; er staan nog meer huizen leeg daar, dus als het al weg is dan neemt ‘ie gewoon een andere.

Als ik verschillende tekeningen van het stapeltje van Chiel bekijk hoor ik de verhalen weer, zie ik de bouwwerken, het spel buiten met de karren en binnen in de bouwhoek. De treinen, de huizen die steeds verder worden ingericht, auto’s, boten, wegen en de plekjes daartussen.

.

Ik zal ze missen; de tekeningen van Chiel. Zoals ik alle getekende, vertelde en gespeelde verhalen zal missen die de kinderen maakten en met elkaar verweefden tot juist dat ene grote verhaal van deze groep.

Teacher Tom beschrijft in een van zijn blogs hoe kinderen al jong virtuoze verhalenvertellers worden. Die verhalen beginnen klein, verbonden met de mensen dichtbij. Om zich daarna steeds verder uit te breiden naar de steeds groter wordende wereld. We leren veel van het maken van verhalen: ‘making sense of our world, placing our experiences in context, weaving them into narratives that inform and create and explain and question.’

Chiel, Nora en Dunia gaan na de vakantie met de andere zesjarigen naar groep 3, verder de grote wereld in. Ze zijn er helemaal klaar voor. En ik neem me voor om weer volop te gaan genieten van alle verhalen die opnieuw ontstaan in mijn overgebleven en weer groeiende groepje. Heerlijk!

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

.

.

Vakantie. Dat is een beetje doelloos zwerven langs weilanden, vogellandjes en door nog enigszins verlaten musea. Het is fietsen en wandelen. Samen zijn met familie en vrienden. Een biertje drinken op het achtersteven van een bootje. Het is de eerste kop koffie met je blote benen uitgestrekt in het ochtendzonnetje of het laatste tochtje in de schemering. Maar het is vooral veel herkauwen. Eigenlijk heb ik daar helemaal geen zin in maar het gebeurt gewoon. Dit jaar misschien nog wel meer dan anders.

De afgelopen maanden bolderden we met z’n allen hotsend en botsend over een hobbelig pad van de ene gebeurtenis naar de andere. Soms wisten we de ene week niet hoe de volgende eruit zou zien. We improviseerden, reageerden en losten problemen op terwijl we ons nauwelijks realiseerden wat er nu eigenlijk allemaal gebeurde.

Ongemerkt brak toen toch ineens de laatste schoolweek aan. De kinderen wisten het eerder dan ik. Terwijl mijn eigen hoofd nog vol zat met alternatieve rapporten, telefonische oudergesprekken en de vraag hoe ik de klas schoon kreeg zonder ouderhulp, gedroegen de kinderen zich van de ene dag op de andere zoals altijd vlak voor de zomervakantie. Ze waren druk, ongeconcentreerd en wat ik ook zei of deed het leek geen enkel effect te hebben.

.

.

Duuk haalt voor de zoveelste keer een stapel kaarten te voorschijn. Prachtige kaarten met vreemdsoortige monsters vol met magische krachten. Maar we hebben afgesproken dat hij dat alleen buiten doet, niet als we samen in de kring zitten. Vorige week gebeurde het nog schielijk in de gang of ergens verborgen onder tafel, nu haalt hij als een echte grote, stoere jongen de kaarten in het zicht van iedereen uit zijn broekzak, zijn voeten legt hij daarbij zelfs languit op de vensterbank. Zonder erbij na te denken sta ik op, pak de kaarten af en leg ze op kast. ‘Die krijg je weer terug als we naar huis gaan.’ Ik kijk hem aan en voeg eraan toe dat hij zich zo niet moet gedragen bij zijn nieuwe juf in groep 3, dat ík wel weet dat hij een lieve jongen is maar zijn nieuwe juf nog niet. Dat is oneerlijk want ik weet ook wel dat het lang zal duren voordat hij zich zo gedraagt bij zijn nieuwe juf. Maar het komt aan. Meteen zit hij rechtop en mompelt instemmend. Ook de andere kinderen zijn stil en weer helemaal bereid zich goed te gedragen.

Ik vertel dat morgen de laatste dag is voor de vakantie. Dat ze speelgoed mogen meenemen en zich verkleden als ze willen. Liever geen wapens zoals het grote geweer van Duuk of het sabel van de als piraat verklede Mick, maar iets waar ze samen mee kunnen spelen. Dat we morgen ook afscheid nemen van de kinderen die naar groep 3 gaan en van juf Marion. De vragen buitelen al snel over elkaar heen. ‘Mag je wel speelgoed mee dat geluid kan maken?’ ‘Krijgen we een cadeautje?’ ‘Waarom ga ik ook alweer niet naar groep 3?’ ‘In welke groep zit ik na de vakantie?’ ‘Mogen we wel knuffels meenemen morgen?’ Uit mijn ooghoek zie ik dat Jelle, vlak naast mij, al een tijd lang heel rustig met zijn vinger omhoog zit, zonder dat hij, zoals veel kinderen, alvast gaat praten of die vinger begeleidt met aanzwellende en aandacht vragende geluidjes. ‘De laatste vraag is voor Jelle.’

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

De vraag overvalt me. ‘Uhm, ja, nou …, wanneer ben je dan stout?’ vraag ik wat schaapachtig. Het antwoord is helder en duidelijk: ‘Als ik iets heel graag wil en het mag niet en ik doe het toch’. Ik denk aan de keren dat Jelle iets deed dat je misschien stout zou kunnen noemen. Samen met zijn vriendje Xander bakte hij kleikoekjes op de verwarming zodat de klei in straaltjes naar beneden droop, soms vliegen de auto’s herhaaldelijk over een zelf gebouwde schans door de klas of heeft hij ruzie over hoe het spel moet verlopen met zijn vriendjes. Meer kan ik niet bedenken. ‘Als je nou iets heel graag wil dat niet mag’, zeg ik, ‘als je nou een plannetje hebt waarvan je niet zeker weet of dat wel goed is, kun je het ook gewoon vragen. Misschien mag het eigenlijk wel of misschien kunnen we samen iets anders bedenken zodat niemand er last van heeft.’

Pas als niet alleen Jelle ontspant maar er een zucht van verlichting door de hele groep gaat, besef ik wat een spanning er hing na mijn terechtwijzing van Duuk. Ik maakte de grote stap naar groep 3 nog spannender en verbood daarna zelfs nog eens expliciet het prachtige, met afgunst bekeken, geweer dat hij twee dagen eerder mee naar school nam. Ik zie hoe opgelucht ze zijn nu ze weer weten dat je ergens over kunt praten. Dat we dat wat er is kunnen benoemen. Dat we gewoon samen naar een oplossing kunnen zoeken.

Duuk kreeg zijn kaarten terug en een knipoog die hij welwillend in ontvangst nam. En ik ben achteraf, herkauwend in lege vakantiedagen, trots op mijn groepje. Op de vierjarige Jelle die zo treffend de spanning verwoordde die iedereen voelde. Op al die kinderen die eigenlijk altijd proberen het goede te doen. Trots op de momenten waarop het even lukt: naar elkaar luisteren en elkaar begrijpen.

Werken met jonge kinderen betekent heel veel verhalen maken, vertellen en spelen

.

Het is vrijdagmiddag en minstens 30 graden. We zitten in een ‘binnenkring’ en een ‘buitenkring’, anders past het niet. De kinderen zijn dorstig, moe, zwart van het opgestoven zand buiten en ik heb net allerlei maaksels, tekeningen en briefjes uitgedeeld. Volle plastic tasjes staan tussen rugzakken met bekers, fruitbakjes en broodtrommels. Opgerolde verftekeningen worden toeters, een vergeten beker rolt de kring door en veel warme voetjes zoeken daartussen een vrij plekje op de vloer.

Eigenlijk had ik bedacht om ons thema ‘ik zorg voor jonge dieren’ af te sluiten maar ik aarzel, heb het ook niet echt voorbereid. Ik kijk op de klok; we hebben nog een heel kwartier. Zonder dat ik precies weet waar het heen gaat roep ik hard: ‘trrrrring!!’ Ondertussen kijk ik verschrikt om me heen, kom van mijn kruk en loop richting huishoek. Alle kinderen zijn plotseling stil. ‘Trrrring’, ik loop naar de oude (speel)telefoon. ‘Dat doe je zelf’, roept Duuk. Een aantal oudsten beamen dit. ‘Ja.’ ‘Ja, je doet het zelf.’ Toch kijken ze geïnteresseerd hoe het verder gaat. Ik pak de telefoon en begin te praten. ‘Hé Claudi, wat leuk dat je belt. Ja, ik ben op school, in de klas, ja?’ Ineens is alle dorst, vermoeidheid en hitte vergeten. Eenendertig paar ogen zijn in volle concentratie op mij gericht. Ik zie bij de jongste kinderen bijna hoe hun verbeelding ‘aan’ gaat. Ik praat met Claudi, dat is duidelijk, wie dat dan ook is, ze zien het voor zich. De oudsten aarzelen. Ik praat verder. ‘Ja we hebben alle dieren nog. De poesjes, de kip met de kuikentjes…..’

‘Is het echt?’, vraagt Nora voorzichtig. Dit is een lastige vraag, ze wil weten hoe het zit. Ze weet dat je niet echt kunt bellen met de telefoon in de huishoek. Hoe houd ik de magie van het spel vast en geef ik toch antwoord? Ik vertel, als in een bijzin, dat Claudi echt mijn vriendin is maar dat ik speel dat ze belt met de speeltelefoon. Weer terug op de kruk neem ik de telefoon op schoot en praat verder. ‘Ja, het gaat het goed met de poezen en met de kip en haar kuikens. Oh, wil je dat ze weer bij jou komen?’ Ik leg de hoorn neer en leg uit dat Claudi ook juf is, dat wij alle twee een kast hebben met heel veel spulletjes. Dat we die soms van elkaar lenen. Ik vertel hoe ik (echt!) alle jonge dierenknuffels uit de lades onder juf Claudi’s bed gehaald heb. Hoe ik helemaal onder het bed moest kruipen omdat ze in de achterste la zaten. Maar nu moeten ze dus weer terug.

‘Wat? Weet je niet meer precies hoe je voor ze moet zorgen? Of de kinderen dat weten? Misschien …’ Vragend kijk ik de kring rond. Nora is om. Als het een spel is dan doet ze mee: ‘Iedere dag eten en drinken in een bakje, ze moeten leren poepen en plassen op de kattenbak en ze willen spelen. Ze hebben ook hun pootje gebroken, toen kregen ze gips bij …., bij …’ ‘Bij de dierenarts’, maakt Dunya de zin af. ‘Bij de spoedeisende hulp’, corrigeert Nora. ‘En ze hebben daarna nog een checkup gekregen, ze zijn helemaal goed.’ Alle opgedane kennis wordt gedeeld. ‘Het waren geen acht kittens maar vijf’, weet Duuk. ‘Drie zijn tijgertjes, die hadden we al, die moeten niet bij de poezen want dat is gevaarlijk.’ Ook ik vergeet de warmte en geniet van het spel dat ontstaat. De bijna 5 jarige Sara legt voorzichtig de vader en moederpoes met hun 5 kittens op tafel. Ineens weet ze weer dat dit niet zomaar knuffels zijn, maar jonge dieren waar je goed voor moet zorgen.

Zonder dat het nou speciaal mijn bedoeling was hebben we geëvalueerd wat we samen leerden van het afgelopen thema. In de vorm van een verhaal blijken de kinderen informatie veel beter weer te kunnen oproepen dan als ik ze letterlijk vraag wat ze geleerd hebben. Het verhaal organiseert en structureert hun denken. Bij de jongsten zijn dat nog kleine verhaaltjes die dicht bij de eigen (zintuigelijke) ervaringen en ontdekkingen liggen. Bij mijn zes- of bijna zesjarigen zie ik hoe ze steeds meer grip krijgen op de uitgespeelde verhalen. Ze maken vooraf plannen, kunnen tijdens het spelen overleggen, onderhandelen, commentaar geven, de regels aanpassen en soms de volgende dag verder gaan op het eerdere verhaal. En niet zelden zie ik oudste kleuters samen in de bouwhoek of huishoek zitten praten over wat ze gaan spelen of maken zonder dat er ook maar iets wordt aangeraakt. Het verhaal is taal geworden. – Ze zijn klaar voor groep 3 – denk ik dan tevreden. En ik ben ervan overtuigd dat kleuters die een spelplan maken en samen terugkijken op het spel, later kunnen aangeven wat ze gaan leren en achteraf beter weten wat ze hebben geleerd.

Dus werken met jonge kinderen is heel veel investeren in maken, spelen en verhalen vertellen. Wat heb ik toch een heerlijk vak!

een mindmap over hoe je moet zorgen voor jonge poesjes

Samen met kleuters een spelverhaal maken

ook in tijden van Corona

.

.

Het verhaal begon wat terloops in de eerste week van de lock-down. Er was afgesproken om iedere dag een bericht te versturen naar de eigen groep. Hoe gingen we dat aanpakken? Samen met mijn duo-partner keek ik rond in onze lege klas. De verjaardagsstoel voor de verjaardag van Gijs stond klaar in de kring, daarboven hingen wat verloren de slingers voor het feestje dat we de volgende dag zouden gaan vieren. Raai de Kraai, de klassenpop, zat werkeloos op zijn vaste plek. Stille getuigen van een abrupt gestopt schoolleven. Konden we dat niet gebruiken? Raai op de jarige-joppen-stoel om uit te leggen hoe dat toch zo gekomen was? Ons eerste filmpje was geboren.

De handpop ging met juf mee naar huis voor het vervolg. Hoe dat eruit zou zien wisten we nog niet zo precies. Maar de reacties op het eerste filmpje waren positief. In de volgende aflevering van het gefilmde Raai-de-Kraai-bericht zat Raai bij mij aan de keukentafel met een enorme narcis in zijn snavel; gevonden op zijn vlucht naar mijn huis. ‘Goh’, zei ik, ‘ik wist niet dat er al zoveel bloemen bloeiden. Was dat bij de kinderen rond hun huis ook zo?’ Raai vertelde wel dat hij dit weekend weer naar de andere juf zou vliegen. In het volgende filmpje verscheen hij inderdaad bij haar op de schutting. Dat de kinderen meeleefden merkten we aan het berichtje van Evi: ze had post gemaakt, kon Raai onderweg van de ene naar de andere juf niet even langs haar huis fladderen en de post meenemen?

De avonturen van Raai gaven ons de mogelijkheid om alle ‘speel-, knutsel-, beweeg- en lees/schrijf/reken-suggesties’ toch enigszins met elkaar te verbinden. Raai is een vogel, het is lente, dus zou al die onrust niet betekenen dat hij een nest wil bouwen? De kinderen hielpen met het zoeken naar geschikt nestmateriaal, maakten een ordening in zachte-, stevige- en glimmende spullen (Raai is dol op ‘glimmers’) en deden voor hoe je daar een nest van zou kunnen maken. Nu alle interactie met de kinderen digitaal was geworden en ook veel meer via de ouders verliep, was de betrokkenheid van de kinderen bij de activiteiten moeilijker in te schatten. Maar de reacties op de verhalen van Raai gaven zeker een indruk. Isa knutselde voor Raai het vriendinnetje Rosa om mee te trouwen (dus wanneer kon ‘ie komen voor de bruiloft?). Dex legde zijn ouders uit dat Raai geen echte kraai was maar een knuffel, ze hoefden dus niet bezorgd te zijn, hij kon gewoon langs komen om te logeren in het nest dat hij gebouwd had. De vader van Annemeike liet weten dat zijn dochter een aantal keren per dag vroeg of hij niet even wilde kijken op de iPad of er weer een nieuw filmpje was.

Raai verzamelt nestmateriaal: stevig, zacht en glimmend. Maar wat nu?

.

Een enthousiaste collega deelt háár filmpje met een Raai-avontuur. Tijdens de noodopvang ziet ze hem in een boom met een grote roze vogel in de patio van de school. Wat zou er aan de hand zijn? De kinderen hebben allerlei ideeën; van appeltjes plukken, tot lekker slapen, tot een vriendinnetje zoeken waar je een nestje mee kunt bouwen. Met vier kleutergroepen bouwen we verder aan het verhaal. De school blijkt overhoop gehaald op zoek naar nestmateriaal, in dat nest worden eitjes gelegd waar uiteindelijk twee blauwe kraaienkuikens uit tevoorschijn kruipen. Ze lijken als twee druppels water op hun vader. Op de vlucht voor grote gevaarlijke meeuwen belandt de hele familie uiteindelijk veilig in de hal bij onze kleuterlokalen.

De familie Kraai; Raai en zijn vrouw Dot met de kleine Pip en Kaatje

.

Weer naar school

En dan komen de kinderen weer naar school. In de hal wordt de kraaienfamilie al snel bedolven onder de felicitaties; het nest verdwijnt bijna tussen de kaartjes, cadeautjes, tekeningen en knutsels. Een collega gaat met haar groep op kraamvisite. Er verschijnt een oude waterkoker, een theeservies, fruit en ander lekkers. Dat willen onze kinderen ook! We vinden een poppen-flesje waarmee de kuikens iedere keer weer, o zo voorzichtig te drinken krijgen. De theekopjes worden volgeschonken en uitgedeeld. Iedereen wil natuurlijk eventjes zo’n lief klein kuikentje vasthouden en er wordt heel wat afgekletst met Dot en Raai. Af en toe verdwijnt een kind naar de gang om nog een laatste felicitatie te bezorgen. Er wordt gekrabbeld, getekend en soms al echt geschreven. Raai en Dot nemen alles onvermoeibaar in ontvangst.

.

De eerste weken gaan de kinderen om de dag in halve groepen naar school. Om op de thuisdag toch te kunnen werken zeulen de hogere groepen in grote rugzakken en tassen werk mee naar huis en weer terug naar school. Hoe gaan we dat doen met onze kleuters? We vinden ‘(t)huiswerk’ niet zo nodig. Of willen we toch iets vinden om de verbinding te leggen tussen het spelen en leren op school en het spelen en leren thuis? En kunnen de avonturen van Raai daar geen rol in spelen? Er ontstaat een wild plan; in plaats van een rugzak vol huiswerk een klein babykraaitje om voor te zorgen? Een week later wordt er een doos afgeleverd met 200 kleine ‘Raai de Kraai vingerpopjes’.

We genieten van het bedenken van een verhaal, het maken van een brief, het inrichten van manden vol kuikens. Toch voelt het ook een beetje ongemakkelijk. Waarom onze verhalen uitstorten over de kinderen die daar misschien helemaal niet bezig zijn? Een keer per jaar Sinterklaas is misschien wel genoeg?

Maar dan ligt er op een ochtend een brief op tafel van Grietje Karwietje van de ‘vogel-knuffel-bescherming’. Ze schrijft hoe ze in haar huisje aan de rand van het bos wakker werd van het geluid van piepende kuikens. Bij de kinderen voltrekt zich een klein wonder: het lijkt wel of ik op een knopje druk. De kinderen gaan aan! Ze weten het meteen; dat zijn de kuikens van Raai. Of ze ‘m even zullen halen? Ze weten zelf ook wel hoe er voor die kuikens gezorgd moet worden, wat ze eten, waar ze kunnen slapen, wat ze graag doen. Na even schudden met de envelop valt er nog een briefje uit: als de kinderen het goed vinden worden de kuikens om 2 uur gebracht, voor ieder kind 1, zouden zij er voor kunnen zorgen, thuis? Natuurlijk is dat goed. Ze kunnen niet wachten. Onmiddellijk begint het plannen maken. Hoe ga je je kuiken noemen? De meeste kinderen weten het al. Waar moet je kuiken slapen? Jasmijn en Annemeike, tot nu toe nog heel verlegen, zijn ineens helemaal betrokken bij het gebeuren in de kring; dat kleine kuiken dat kan slapen onder een heel speciaal dekentje, dat rode met een beetje geel, in hun eigen bed, aan de onderkant. Of in een nestje dat je kan ophangen vlak onder het plafond of .. of … alles wordt besproken, problemen worden opgelost. Kan je vogeltje wel in je eigen bed slapen? Wat gebeurt er als hij moet poepen en plassen? Het is nu 9 uur en het duurt nog best lang totdat het 2 uur is. Hoe lang eigenlijk? We bestuderen de klok. We zien wel drie wijzers; een hele dunne die snel ronddraait, ieder keer komt ‘ie langs de 2. Er is ook een dikke lange en een dikke korte. Sommige kinderen weten al hoe het moet zijn: de lange op de 12 en de korte op de 2. Maar hoe lang dat duurt? We bekijken de dagplanning; ik vertel dat het 2 uur wordt na de lunch en nadat we nog even hebben gespeeld en gewerkt.

Nora volgt alles met groot enthousiasme; ze is zo blij dat ze een eigen kuiken krijgt schrijft ze later in het woordweb dat we maken. De hele ochtend houdt ze de klok nauwlettend in de gaten. Steeds als één van de wijzers de 2 passeert komt ze voor de zekerheid vragen of het al zover is. In de loop van de ochtend weet ze ook ineens hoe ze haar kuiken gaat noemen: Luiza. Naar het vriendinnetje dat verhuisde naar Luxemburg. En dan is het bijna, bijna zo ver. ‘Ga je nu kijken of ze er al zijn?’ vraagt Nora. Of ze even mee zal lopen. En nog nooit is de klas zo snel opgeruimd. Om 10 voor 2 vind ik dan eindelijk een grote mand in het magazijn. Vol spanning zitten ze klaar in de kring. Een voor een haal ik de vingerpopjes onder het kleed vandaan. De ene springt te voorschijn, de ander blijft verlegen nog even zitten. ‘Mag ik die dappere, die meteen durfde?’ vraagt Duuk. Natuurlijk mag dat. Eén voor één kiezen de kinderen een popje uit.

Tot het laatste kuiken. Als ik opkijk zie ik dat Nora de enige is die nog met lege handen op haar stoel zit; rechtop, keurig wachtend, zonder een woord te zeggen. Ik ben verbaasd over zo veel zelfbeheersing bij een meisje dat twee maanden geleden nog opgesprongen zou zijn en ongetwijfeld als eerste vooraan had gestaan. ‘Ach, ben jij Luiza’ zeg ik richting het kuiken dat zich verschuilt in de mand. ‘Jij wacht natuurlijk op Nora.’ Als een koninginnen-moeder komt ze aangelopen; trots, verantwoordelijk, verwachtingsvol. En heel voorzichtig loopt ze terug naar haar plaats.

Later krijg ik een berichtje van Nora. Het vogeltje heeft een eigen huisje gekregen. Het slaapkamertje is gemaakt van een mondkapje. Ook heeft ze een schatkistje van een ijsje gebruikt om een speelgoedkistje te maken voor Luiza. Daar zit nu al het speelgoed van het kraaitje in.

.

In de weken erna vertellen de kinderen graag en veel over hoe het thuis gaat met hun nieuwe ‘huisdieren’. De poppetjes gaan mee in bad, onder de douche, kijken televisie en er worden hele speeltuinen en vogelparadijzen voor ze gebouwd. De baby’s worden niet alleen verzorgd maar ook opgevoed. Zo was er een brutale kleine babykraai die chips had gepikt, zomaar naar beneden gefladderd om chipjes te pakken uit de kast. Toen moest de eigenaar, die zelf nooit zoiets zou doen maar zo wel kon meemaken hoe dat zou zijn, natuurlijk wel even heel streng zijn en zeggen dat dat echt niet mag. We lossen allerlei problemen op. Xander vertelt over het nest dat hij maakte in de tuin. Maar is hij niet bang dat er boeven komen als zijn vogeltje ‘s nachts buiten in een boom slaapt, vraagt Sara. ‘Nee hoor, wij hebben Boevie de hond, die gaat heel hard blaffen als de boeven komen. En trouwens we hebben ook een poort die op slot kan’. Maar toch; reuzen zouden over de poort kunnen stappen en boeven kunnen misschien klimmen. Tja, misschien moet ‘ie dan toch ‘s nachts maar mee naar bed. Gewoon voor de zekerheid.

.

De kinderen maken volop gebruik van hun verbeelding. Ze stellen zich voor wat er zou kunnen gebeuren, ze ervaren hoe het bij anderen thuis gaat, ze verplaatsen zich in een klein, van hen afhankelijk, knuffeltje. Soms lijkt het of ik kan zien hoe er op dat moment een wereld voor de kinderen opengaat. Met hoeveel gevoel voor autonomie hun eigen vertrouwde wereld zich uitbreidt. En ze leren zo veel nu het gaat over iets waar ze zich mee verbonden voelen. Ineens kunnen ze redeneren, oorzaak-gevolg relaties leggen, leren ze klok kijken of die speciale naam van hun eigen, lieve kraaitje schrijven, ze passen en meten om plekjes te maken waarin hun kraaitje kan slapen en spelen en naar de wc kan gaan. Thuis en op school:

Ik heb een nep-kanonnetje van speelgoed voor hem gemaakt. Daar kan hij mee nepschieten.

Op dat zachte kan ‘ie staan.

En hierop: druk – schiet, druk – schiet, druk – schiet.

Dit is de wc van het kleine kraaitje Rosa.

Aan de zijkant zitten de doortrekkers.

Een bedje voor de kleine kraai.

En dat is het eten.

Water en kleine stukjes van brood.

Mijn kleine kraaitje Bloemetje wil altijd televisie kijken maar dat mag niet van mij.

Daar is het vliegtuig van Bloemetje.

Hier is de wc. Er kunnen heel veel plasjes en poepjes in. Je kunt ook doortrekken. Gelukkig!

Dit huis is voor mijn Raai de Kraaitje.

Ik heb het heel zacht met schapenwol gemaakt. Ik heb de wol met lijm vast gemaakt. Het is heel stevig.
Ik heb de muren met tape aan elkaar gemaakt.

.

.

Als vanzelf vinden de eigen verhalen hun plek in het gezamenlijke verhaal. Het samen maken van spelverhalen is krachtig, verbindend en heerlijk om te doen. Ook of juist in tijden van Corona wanneer de wereld soms verwarrend, onoverzichtelijk en beangstigend kan zijn.

En toen gingen de schooldeuren weer open!

.

Iedereen heeft er ontzettend veel zin en toch is het wennen; weer echt naar school. De kinderen wachten keurig met één ouder op gepaste afstand van elkaar achter het hek. Ik moet ze soms zoeken achter de struiken langs het parkeertrein. Er wordt gewacht tot ik de eerste roep. Dan begint het afscheid nemen, een laatste knuffel, een paar laatste woorden, een aai, nog een kleine inspectie; zit alles in de tas, jas goed, snoet gepoetst, veters gestrikt? En daar komen ze. Of toch nog maar even terug voor een allerlaatste kus? Ik merk dat ik de kinderen er doorheen begin te praten of beter gezegd ‘roepen’. ‘Dag lieve Gijs, wat leuk om je weer te zien! Zoek je een plekje op een stip? Ja, daar is Isa! Wat fijn dat jij er ook bent!!’ Het blijkt nog een behoorlijk stuk lopen van het hek naar de blauwe, op het plein geschilderde cirkel van onze groep. ‘The walk of fame’ grapt mijn directeur die staat toe te kijken. Mijn duopartner helpt Annemeike die blijft aarzelen om aan de tocht te beginnen, hoort een ouder aan die haar verkouden kind toch maar thuishoudt en ik kijk ondertussen met verbazing hoe keurig netjes de kinderen op de voorgetekende rij stippen achter de blauwe cirkel gaan staan.

Maar eenmaal binnen ontstaat de eerste onrust. Dex ontsteekt nog voor het gezamenlijke handen wassen in woede. ‘Wie heeft de bouwhoek opgeruimd! Tim zeker, dat heeft Tim natuurlijk gedaan!!! Het moet NU weer gemaakt!’ Hij wil onmiddellijk beginnen. Het is de eerste dag dat ik werk en ik weet niet meteen hoe ik moet reageren. Toch lukt het om al zingend en tellend handen te wassen en op de voorbedachte plekken in de kring te gaan zitten.

Wat willen ze graag! Wat zijn ze blij om elkaar te zien, samen te zijn, weer in de klas rond te kunnen rennen. Maar hoe leid je dat in goed banen? Nora, vrijdag voor het eerst op school in de tweede shift, kan niet stoppen met rondkijken en benoemen wat er veranderd is en vooral wat allemaal nog onveranderd, heerlijk vertrouwd, hetzelfde blijkt. De blijdschap om het weerzien uit zich in opgewonden (poep en plas) grapjes waarbij de kinderen soms bijna van hun stoel rollen van het lachen. Terwijl de verhalen over elkaar buitelen, balanceer ik tussen ruimte geven en structuur aanbrengen, laat ik al mijn voorbereide activiteiten los om daar dan later toch weer naar terug te grijpen. Enigszins opgelucht beland ik na drie kwartier buiten waar de kinderen mógen rennen, stoeien en roepen. Eigenlijk viel het me helemaal niet mee. Het was hard werken om het gezellig te houden en te reageren op alle onverwachte gebeurtenissen.

Toch merk ik in de loop van de dag dat het werken met 15 in plaats van 31 kinderen een groot verschil uitmaakt. De kinderen kunnen best even opgewonden lachen om vreselijk leuke kleutergrapjes want na een blik of een paar woorden van mij lukt het ze ook weer om te stoppen. Tijdens de pauzehap, anders altijd strak gestructureerd met stilte-momenten en vermaningen om zachtjes te praten, ontstaan nu spontane kringgesprekken. ‘Wil je even zeggen dat iedereen moet luisteren want ik ben nog niet klaar met vertellen?’ De kinderen luisteren meteen en Sara formuleert bedachtzaam en precies hoe ze een nieuw bed gaat krijgen, dat dat een hoogslaper is, waar ze dan slaapt, waar haar zus slaapt, waar ze spelen. Veel kinderen herkennen dit. Er worden vragen gesteld, ervaringen gedeeld en vooral opvallend goed geluisterd. Dunya herinnert zich de timmertafel op de gang. Mag ze daar ook? Ja, waarom eigenlijk niet. De hele ochtend is ze bezig met kleine rode lapjes als roosjes op een blok te timmeren. Daarna moet het blok natuurlijk geschilderd en we organiseren een tafel bij het schilderbord waarbij al snel een groepje kinderen aansluit.

Langzaam begin ik te ontspannen. Ik merk het ook bij collega’s; er wordt meer gelachen, ondanks het ingewikkelde afstand houden, het contact met ouders dat meer moeite kost en alle nieuwe routines die nog moeten ontstaan.

Ik ervaar nu in de praktijk hoe het is om tijd en aandacht te hebben voor ieder kind. Hoe Jasmijn, anders stil en teruggetrokken, na even oogcontact en een beantwoorde glimlach, aansluit in de zandbak. Hoe Bart en Luca hand en hand voor het eerst in hun leven de school binnen komen lopen en meteen hun plekje vinden in de klas. Hoe ik kan reageren op de plannen van de kinderen, hoe ik die plannen bijna als vanzelf kan verbinden met mijn eigen doelen. Samen zoeken we ons oude kastje met postvakjes op om post te kunnen sturen aan de vriendjes uit de andere shift die worden gemist. Ook ik krijg post. Lekker snel gemaakt, met twee strepen op een blaadje; succes verzekerd. Natuurlijk draai ik het blaadje verbaasd om en om; ‘van wie heb ik deze post nou toch gekregen?’ Loïs begrijpt meteen dat er eigenlijk op moet staan wie de post gemaakt heeft en ik vind al snel een prachtige brief in mijn vakje: ‘Livu juf, fan Loïs’. Jelle en Xander komen vertellen dat de koekjes zijn gebakken in de oven en dat ze bijna gesmolten zijn. Als ik kom kijken hebben ze kleikoekjes op de verwarming geplakt die nu inderdaad naar beneden beginnen te druipen. Uhm, tja …, niet iets dat juffen heel erg fijn vinden. Jelle voelt dat onmiddellijk aan: ‘Oké, dan maken we wel ijskoekjes’. De mannen maken een heuse koekjesfabriek op de vensterbank. En ik heb nu tijd om steeds met een aantal kinderen op ‘kraamvisite’ te gaan bij Raai de Kraai, onze klassenpop die tijdens de lock-down de prachtige vogel Dot ontmoette en samen met haar 2 jonge kraaienkuikens kreeg. ‘Ze zijn niet echt, het zijn maar knuffels’, mompelt Chiel een beetje argwanend als hij aan de beurt is. Als ik dat beaam: ‘we spelen dat ze een nest bouwen en eieren leggen en kuikens krijgen’, wordt dat spel meteen heel erg serieus. Het is ontroerend om te zien met hoeveel zorg de al zo grote, zesjarige jongen thee inschenkt voor de andere gasten, het kleine vogeltje laat drinken uit een flesje en daarna kaarsrecht zijn eigen kopje thee drinkt met het kleine kuiken naast zich op de bank.

Nog een week gaan we naar school in halve groepen. Om daarna weer met meer dan 30 kleuters, handen wassend en afstand houdend de schooldagen te vullen. Natuurlijk gaat ook dat ons weer lukken. Maar laten we niet vergeten hoe de onderwijskwaliteit omhoog ging, de werkdruk verminderde en hoeveel plezier en ontspanning er ontstond toen we werkten met (kleuter)groepen van niet meer dan 16 kinderen!

En ik ben niet de enige die er zo over denkt! Zie: Geef mij maar die halve klassen. en Kleine klas beter voor leerling én economie

Lange-afstands-interactie met kleuters

.

‘Jij bent niet in mijn huis hè? Maar hoe kan ik je dan zien?’ Het is voor het eerst in al die weken afstandsonderwijs dat iemand die vraag stelt. En natuurlijk is het de 5 jarige Isa.

Vol daadkracht, werkdrift en positiviteit stortten leerkrachten, ook die van kleutergroepen, zich de afgelopen tijd op het maken van activiteitenplacemats, dagberichten en het organiseren van zoom-gesprekken. Aan de andere kant van de lijn gingen ouders enthousiast met alle activiteiten aan de slag en deden hun stinkende best om, laverend tussen hun eigen thuiswerk en de schoolopdrachten, het gezellig te houden met elkaar. Er werden prachtige filmpjes en foto’s gedeeld en veel hartverwarmende berichtjes geschreven.

Af en toe schuurde het. Gijs die op de noodopvang vertelde dat hij zijn ‘huiswerk’ niet had gedaan, dat mama boos was geworden en hij het opnieuw moest maken. Suggesties die werden opgevat als opdrachten-die-moesten-leiden-naar-een-perfect-eindresultaat. In plaats van dat ze uitnodigden tot spel, ontdekkingstochten of plezier. Isa die ik haar vader tijdens een zoom-gesprek hoorde vragen of alle kinderen haar konden zien en daarna alleen nog maar riep: ‘ik wil het niet!’ De moeder van Sara die voorstelde om de microfoons van de 6 kinderen uit te zetten omdat ik niet te horen was in het geroezemoes dat uit alle 6 de huiskamers opsteeg. De stille kinderen op de schermpjes waren inderdaad veel overzichtelijker maar ik verloor alle contact met wat er in die huiskamers gebeurde. Zag kinderen verdwijnen en terugkomen, boos worden of iets heel anders gaan doen.

Als ik alleen met Isa een zoom-gesprek start neemt ze meteen het voortouw door weg te duiken onder de tafel. Seconden lang kijk ik naar een lege muur en de rugleuning van een bureaustoel. Alsof ik verstoppertje speel met een 2 jarige begin ik te praten: ‘waar ben je nou, ben je er nog wel, ik zie helemaal niets; alleen maar de muur en die is leeg en de stoel maar die is ook leeg, Isa waar ben je?’ Het blijft stil, geen geschuifel of onderdrukte geluidjes, zelfs haar ademhaling is niet te horen. Dan springt ze plotseling vanuit het niets te voorschijn. Ze schatert het uit. ‘Je wist niet waar ik was he?!’ Tussendoor laat ze zien wat ze allemaal heeft gedaan: paaseieren beschilderd, een vlinder gemaakt van een dubbelgevouwen blad met verfvlekken, echte rekensommen gemaakt. Maar steeds weer duikt ze opnieuw onder tafel om na een lange, intense stilte te voorschijn te springen. Ik hoor haar vader vermanend roepen dat ze moet blijven zitten nu juf helemaal alleen met haar aan het praten is, hij corrigeert zichzelf meteen: ‘ik moet me er ook niet mee bemoeien’.

‘Waar ben ik als weg ben hè?’ vraagt ze. Ja, waar is ze? ‘Ben je onder de tafel? Onder de tafel van je eigen huis?’ ‘Dat kan jij niet zien hè?’ gniffelt ze. ‘Als ik een rondje om mijn eigen tafel loop, kun jij mij dan zien?’ vraag ik. Ik sta op om daadwerkelijk om de tafel heen te lopen. Ineens ervaar ik zelf de spanning van het niet gezien worden maar toch contact hebben. Ik luister maar hoor niets. Half en half verwacht ik dat ze vol spanning zit te wachten tot ik weer terug ben. Maar het scherm is en blijft seconden lang leeg. Ik praat, vertel dat ik rond de tafel ben gelopen, dat ik weer terug ben. En …. ‘tádá’! Daar is ze weer. We lachen allebei opgelucht. Ze stelt voor om samen vingerversjes te spelen. We doen: ‘in mijn huis, woont in iedere hoek een muis, …’. En ja dat huis; hoe kan het dat we niet bij elkaar in huis zijn maar elkaar toch kunnen zien? We zitten niet in elkaars computer. Kunnen we elkaar een high five geven op het scherm van de computer? Nee dat blijkt niet te kunnen. ‘Misschien heeft de computer een camera’, opper ik. Nee die van haar had dat niet, dat weet ze zeker. ‘Heb jij zo’n groen lichtje?’ Nee ook die heeft ze niet. Wel vindt ze allemaal andere lichtjes en dan ineens een plekje waar je je vinger op kunt leggen en dan is alles en iedereen verdwenen. Zou dat soms de camera zijn?

Plotseling is de aandacht weg, ze heeft nog zo veel te doen. Ik mag wel blijven, daar op een afstandje, op dat schermpje in haar huis terwijl zij weer verder gaat met haar leven. Nee, in gedag zeggen heeft ze niet zoveel zin. Liever houdt ze het draadje nog even vast. Vader en moeder moeten helpen om het lijntje te verbreken. ‘Dag lieve Isa, tot de volgende keer!’ Het lijkt op de moeite die ze soms in de klas heeft met de overgang van huis naar school en weer terug.

Het heeft me een hoop geleerd, dit gesprek op afstand met Isa. In de eerste plaats over de betekenis van online-interactie, voor leerkrachten net zo goed als voor kinderen. Dat je dat kunt onderzoeken. Dat we daar de tijd voor moeten nemen. En dat dat begint, zoals altijd, met heel goed kijken en luisteren. Samen.