verhalen

Hoe letters en cijfers de kleutergroep binnen kwamen tuimelen

.

‘Weet je wat er in mijn rugzak zit? Mijn konijn!’ Enthousiast houdt Tim een grote, zwarte rugzak omhoog. ‘Hij is heel groot maar hij past er in. Als je ‘m aan de lettertak hangt moet je zo dat kleine knijpertje aan zijn oor doen want anders kan het niet. Zijn oor is het dunste, verder is ‘ie dik. Zal ik ‘m even pakken?’ We staan nog op het plein te wachten tot iedereen er is en we naar binnen kunnen. Voorzichtig, zonder zijn enthousiasme te temperen maan ik hem het Konijn nog even veilig in zijn tas te laten voordat we hem aan zijn oor aan de ‘lettertak’ met de letter K hangen.

Bijna veertig jaar geleden, tijdens de kleuterleidsters-opleiding, kregen we ieder jaar vele uren Nederlands. Dat ging over de taalontwikkeling van jonge kinderen. De ontwikkeling van ‘één-woords-zinnen’ naar ‘twee-woords-zinnen’ naar ‘meer-woords-zinnen’. We merkten dat een jongste kleuter vaak nog maar net ‘meer-woords-zinnen’ gebruikt. Het ging over de ontwikkeling van Nederlands als tweede taal. Het ging over ‘overgeneralisatie’: het ontdekken van (werkwoord-)regels waardoor kinderen ineens bijvoorbeeld ‘loopte’ gaan zeggen. En dat je dan onnadrukkelijk de zin kunt herhalen met het woordje ‘liep’ erin, zodat ze ook de uitzondering op de regel leerden kennen. Allemaal zonder het expliciet te benoemen of uit te leggen. Het ging heel veel over voorlezen; waarom en hoe en welke boeken. Het ging over het voeren van kringgesprekken, over ‘taal-denkrelaties’, over het uitbreiden van de woordenschat, over taalgrapjes en taalspelletjes en rijmen. We ontdekten hoe een kleuter in taal een hele wereld weet op te roepen die nog niet te onderscheiden is van de realiteit; als je een verhaal vertelde over een brandweerauto had net toevallig de helft van de kinderen gisteren een brandweerauto gezien met als het even kan het brandende huis erbij. Maar over letters ging het nooit.

Toen ik jaren later weer terugkwam voor de klas had de ontwikkeling van ‘geletterdheid’ zijn intrede gedaan in de groepen 1/2. In de huishoek kwamen agenda’s en kranten en een kladblok om een boodschappenlijstje te ‘schrijven’. De kinderen dicteerden teksten bij een tekening, we schreven samen brieven in de kring of maakten tekeningen bij een voorgelezen verhaal. Maar echt over letters ging het nog steeds niet.

Ongemerkt werden die letters echter steeds belangrijker. Eerst onnadrukkelijk, vol verwondering opgemerkt op een gestolen moment. Want wat een feest is het om de letter van je naam te ontdekken op een melkpak of in de brief die juf aan het schrijven is. Daarna verschenen er steeds meer letterlesjes in de kleine kring, werkten we met de letter van de week op lettertafels en in letterkoffertjes, gingen we toetsen hoeveel letters een vijfjarige al kende, gonsde het door de wandelgangen dat een kind zeker 16 letters moest beheersen voordat het naar groep 3 zou kunnen.

En nu hangt er dus alweer jaren een ‘lettertak’ bij ons in de klas. Wanneer we in de kring zitten en Jelle het Konijn van Tim ziet, herinnert hij zich ineens dat hij Kat Kitty en Kleine Kraai meegenomen heeft. Ik vraag de jongens waarom nou juist het konijn en de kat en de kraai? Het is even zoeken, ze weten het ook niet meer zo precies. En al snel verlies ik de aandacht van de meeste kinderen in de kring voor zoiets abstracts als een letter. Ik doe het gebaar voor dat hoort bij de klank Kuh; je duim onder je kin, je wijsvinger samen met de andere vingers tegen je lip en dan klik je je hand naar voren. Bijna iedereen doet mee: ‘Kuh-àààà-tuh, Koh-oooo-nnnn-ijijijij-nnnnn’ zingen we samen. Voel je het klikje achter op je tong? Ja ze voelen het, en nog een keer, en nog een keer. Al snel ontstaan er onzinwoorden na die grappige Kuh. Guus ontdekt voor het eerst dat je woorden kunt maken na die Kuh-klank. ‘Kuh-euken, juf! En Kuh-ikker!’ De rest van de dag blijven er woorden op-poppen in zijn hoofd.

Rosalie, net op school en nog helemaal in haar eigen wereld, ontgaat volledig wat er gebeurt. Ze kijkt naar buiten, plukt aan een plantje op de vensterbank, bekijkt de schoenen van haar buurvrouw. Maar als ik de woorden ‘Kat Kitty’ met grote gebaren op een blaadje schrijf is ze er ineens helemaal bij. Zij heeft ook een poes! Ik moet háár poes ook opschrijven! En dan blijken er heel veel poezen thuis te zijn met allemaal een eigen naam. Hoe vaak ik poes ook corrigeer in Kat het gaat er niet meer in. De kinderen roepen door elkaar heen de naam van hun phoe-oeoeoe-sssss. Want wie weet; als je net zo gek praat als juf schrijft ze jouw poes misschien ook wel op.

Ik besluit dat we lang genoeg in de kring hebben gezeten. Je aandacht richten samen met 23 andere kinderen, wachten met iets vertellen tot je aan de beurt bent; het is al heel wat zo in de eerste weken van het schooljaar. En dan ook nog de naam van je knuffel zien als een woord dat begint met de Kuh-klank; eigenlijk is bijna geen van deze kinderen daar al aan toe. ‘Mogen Kat Kitty en Kleine Kraai aan de lettertak’, vraag ik aan Jelle. Ik zie de aarzeling, het slikken. ‘Van mama moeten ze wel weer mee terug naar huis.’ Een half uur voordat we naar huis gaan komt hij het vragen. Kunnen ze weer terug in zijn tas? Zijn stem bibbert een beetje, alsof hij er rekening mee houdt dat er onbegrijpelijke regels zijn die maken dat je knuffels zomaar aan die lettertak moeten blijven hangen. En natuurlijk mogen Kat Kitty en Kleine Kraai weer mee naar huis.

Het is zeker niet verkeerd om kleuters kennis te laten maken met klanken en letters, net zoals met cijfers en hoeveelheden. Maar laten we niet denken dat de kinderen in mijn groep nu de letter K hebben geleerd. Wij speelden met de klanken van betekenisvolle woorden. En die betekenis kunnen ze nog helemaal niet los zien van het woord zelf. Het woord ‘Kat-Kitty’ is onderdeel van het hele wezen van de onmisbare knuffel, dat je haar ook ‘Chat Minou’ zou kunnen noemen is ondenkbaar, dan zou het niet meer dezelfde knuffel zijn.

Het mooie is dat uiteindelijk het abstracte begrip van woorden en letters vanzelf ontstaat wanneer kinderen spelen met dingen die ze steeds een andere betekenis geven. De tak wordt een zwaard of een hengel of een paard. Ze onderzoeken de functie van letters en klanken wanneer ze spelen dat ze een boodschappenlijstje ‘schrijven’ of ‘lezen’ in een krant, wanneer ze rijmspelletjes doen, taalgrapjes maken, onzin-liedjes verzinnen. Kinderen ontwikkelen een abstracte, symbolische manier denken wanneer ze verhalen vertellen en uitspelen, voorgelezen worden, steeds beter leren redeneren, wanneer ze een verhaal vertellen in een tekening. Kortom, bij alles wat er in een kleuterklas gebeurt.

‘Ik wil leren om dokter te worden in de huishoek’

.

Vorig jaar hing er wekenlang een lijst op de deur van de klas; een lijst met antwoorden op de vraag wat de kinderen dat jaar zouden willen leren. Gijs vertelde dat hij wilde leren om dokter te worden in de huishoek. Inderdaad was hij vaak te vinden in de huishoek waar hij altijd meteen de plastic handschoenen opviste uit het laatje met doktersattributen. Isa wilde leren toveren. Veel kinderen wilden leren om netjes binnen de lijntjes te kleuren, ze wilden letters leren of goed leren luisteren.

De kinderen hadden enthousiast antwoord gegeven op de vraag. En je bewust worden van wat je leren wilt past goed binnen het ‘Actieve Didactische Instructie Model’ en ‘doelgericht’ onderwijs. Dus zou het de ‘leeropbrengsten’ moeten verhogen. Toch bleek Sara helemaal niet bezig met tussen de lijntjes kleuren, ze wilde vooral snel klaar zijn om zoveel mogelijk tekeningen te kunnen maken. Isa wilde misschien wel leren toveren maar het was geen enkel probleem dat ze het na twee maanden nog steeds niet kon. Of misschien kon ze het eigenlijk al lang?

Er schuurde iets. Wat betekent “leren” eigenlijk voor jonge kinderen. Hebben kinderen en leerkrachten het wel over hetzelfde als ze het begrip “leren” gebruiken? Voor de meeste leerkrachten is “kinderen iets leren” het hart van hun werk. Daarvoor komen ze naar school. Maar kleuters? Wat hebben zij voor plannen als ze de klas binnenstappen? Waarvoor gaan zij naar school?

Afgelopen zomer las ik een onderzoek van Y. Colliver & M. Fleer: I already know what I learned dat gaat over juist het perspectief van jonge kinderen op leren. Niet zomaar leren, maar “leren door spel”. Het idee dat jonge kinderen leren door te spelen is wijdverbreid maar hoe de kinderen daar zelf over denken vragen we ons eigenlijk nooit af. Al lezend viel alles op zijn plek. Dit was waar ik maar niet de vinger op kon leggen.

In het onderzoek werd, na een korte introductie over leren en spelen, aan 28 twee- tot vijfjarigen gevraagd wat ze leerden van een bepaalde (op film vastgelegde) speelsituatie. Het commentaar van de kinderen op 638 spelepisodes werd geanalyseerd en liet zien dat zelfs de jongste kinderen al een autoriteit zijn op het gebied van hun eigen leren. Het perspectief van jonge kinderen op “leren” verschilt wel duidelijk van het perspectief van volwassenen. Toen een begeleider aan de driejarige Daniella vroeg wat ze leerde toen ze een schat aan het begraven was, antwoordde ze overtuigd: ‘piraat’. De begeleider herhaalde haar vraag: ‘wat leerde je?’ Iets minder overtuigd herhaalde het meisje haar antwoord waarna de begeleider nog eens vroeg: ‘je leerde piraat, wat bedoel je?’. Toen bleef het meisje stil, keek naar de grond, schuifelde met haar voeten en friemelde met haar handen. Daniella en haar begeleider leken een andere taal te spreken.

Voor de meeste volwassenen staat het begrip “leren” voor het verwerven van nieuwe kennis en/of vaardigheden. Daarbij ben je je er vooraf min of meer van bewust dat je iets nog niet kunt of weet. En je constateert terugkijkend hoe goed het is gelukt om dat gebrek aan kennis en vaardigheden op te lossen. Een jongetje dat zegt dat hij leert om thee te maken terwijl hij een theezakje in het water doet en dus duidelijk al weet hoe je thee maakt, denkt anders over leren. “Leren” betekent voor jonge kinderen niet iets nieuws weten of kunnen. Het gaat niet om het verwerven van kennis en vaardigheden; het leren van jonge kinderen draait veel meer om het deelnemen aan een (culturele) activiteit. Terwijl het volwassen leren individueel is, draait het leren van kinderen om het (kunnen) participeren in de groep. Jonge kinderen hebben al hun voelsprieten uitstaan om op te pikken hoe ze kunnen meespelen. Wat zijn de regels van het spel? Hoe kun je meedoen?

In hun commentaar op de verschillende spelepisodes bleken kinderen steeds de regels van het spel te benoemen. En niet zomaar regels, steeds ging het om de hoofdregel: The Aim of the Game. Toen Daniella in het onderzoek antwoordde dat ze leerde ‘piraat’ te zijn, was duidelijk dat ‘een piraat zijn’ het doel van haar spel was. Regels zoals; een piraat zoekt een schat, vaart op een schip, heeft een zwaard, waren onderdeel van dit hoofddoel: een piraat zijn. Zonder dit doel zou het spel weinig betekenis hebben gehad voor Daniella. Sterker; weten hoe je een piraat wordt, maakte het voor Daniella mogelijk mee te doen aan het spel. Het antwoord ‘piraat’ was een perfecte samenvatting van alle grote en kleine regels over hoe je een piraat speelt in een verbeelde wereld.

Is het belangrijk dat leerkrachten weten wat kinderen denken te leren van hun eigen spel? Dat ze weten wat hun intenties zijn als ze spelen? Of is het zo dat leerkrachten eigenlijk beter weten wat jonge kinderen leren dan de kinderen zelf?

In het onderzoek wordt een speelepisode beschreven waarin Bella en Gwen fluisterend potjes en pannetjes vullen met zand terwijl op de achtergrond een groepje grote jongens wild rond rent. In haar observatie constateert de leerkracht dat de meisjes veel fijn-motorische vaardigheden gebruiken. Bella pakt het zand zorgvuldig tussen haar vingertoppen en laat het voorzichtig in het pannetje glijden. Zachtjes praten Bella en Gwen over hun kookverhaal en bijna als vanzelf leren ze de eigenschappen van nat en droog zand kennen terwijl het in potjes van verschillende grootte glijdt. Om aan te sluiten bij dit leren zou de leerkracht kunnen besluiten de sensomotorische ervaringen uit te breiden door meer materiaal aan te bieden. Maar de meisjes zelf zeggen iets heel anders: ze hebben geleerd hoe ze kapitein Hook dood kunnen maken want hij is slecht. Ze doen dat door gif te maken van kruidig eten en sterke koffie en ze bedenken waar het geurige eten moet staan om kapitein Hook te verleiden tot een hapje. In het spelverhaal verbinden de kinderen hun kennis over de reële wereld met hun verbeelding, steeds met het “hoofddoel” in hun achterhoofd. Op zich een prestatie van formaat. Als je dit weet als leerkracht zou je dan op een andere manier aansluiten bij het spel van de kinderen?

Als ik terugdenk aan de “wat-wil ik-leren” lijst op de deur met het idee dat het leren van de kinderen draait om het kennen van de regels om te kunnen deelnemen aan een activiteit, lees ik het heel anders. Sara hield van tekenen. Ze had begrepen dat de praktijk van het naar school gaan draait om iets goed kunnen. Goed tekenen is tussen de lijntje kleuren. Dat was ze aan het doen als ze koos voor de tekentafel op school. Net zoals Isa vooral aan het spelen was dat ze toverde of dat nu in de huishoek, aan de knutseltafel of al tekenend was.

Voor ons als leerkrachten is dat nog een hele wereld om te ontdekken.

 

Samen met kleuters een spelverhaal maken

ook in tijden van Corona

.

.

Het verhaal begon wat terloops in de eerste week van de lock-down. Er was afgesproken om iedere dag een bericht te versturen naar de eigen groep. Hoe gingen we dat aanpakken? Samen met mijn duo-partner keek ik rond in onze lege klas. De verjaardagsstoel voor de verjaardag van Gijs stond klaar in de kring, daarboven hingen wat verloren de slingers voor het feestje dat we de volgende dag zouden gaan vieren. Raai de Kraai, de klassenpop, zat werkeloos op zijn vaste plek. Stille getuigen van een abrupt gestopt schoolleven. Konden we dat niet gebruiken? Raai op de jarige-joppen-stoel om uit te leggen hoe dat toch zo gekomen was? Ons eerste filmpje was geboren.

De handpop ging met juf mee naar huis voor het vervolg. Hoe dat eruit zou zien wisten we nog niet zo precies. Maar de reacties op het eerste filmpje waren positief. In de volgende aflevering van het gefilmde Raai-de-Kraai-bericht zat Raai bij mij aan de keukentafel met een enorme narcis in zijn snavel; gevonden op zijn vlucht naar mijn huis. ‘Goh’, zei ik, ‘ik wist niet dat er al zoveel bloemen bloeiden. Was dat bij de kinderen rond hun huis ook zo?’ Raai vertelde wel dat hij dit weekend weer naar de andere juf zou vliegen. In het volgende filmpje verscheen hij inderdaad bij haar op de schutting. Dat de kinderen meeleefden merkten we aan het berichtje van Evi: ze had post gemaakt, kon Raai onderweg van de ene naar de andere juf niet even langs haar huis fladderen en de post meenemen?

De avonturen van Raai gaven ons de mogelijkheid om alle ‘speel-, knutsel-, beweeg- en lees/schrijf/reken-suggesties’ toch enigszins met elkaar te verbinden. Raai is een vogel, het is lente, dus zou al die onrust niet betekenen dat hij een nest wil bouwen? De kinderen hielpen met het zoeken naar geschikt nestmateriaal, maakten een ordening in zachte-, stevige- en glimmende spullen (Raai is dol op ‘glimmers’) en deden voor hoe je daar een nest van zou kunnen maken. Nu alle interactie met de kinderen digitaal was geworden en ook veel meer via de ouders verliep, was de betrokkenheid van de kinderen bij de activiteiten moeilijker in te schatten. Maar de reacties op de verhalen van Raai gaven zeker een indruk. Isa knutselde voor Raai het vriendinnetje Rosa om mee te trouwen (dus wanneer kon ‘ie komen voor de bruiloft?). Dex legde zijn ouders uit dat Raai geen echte kraai was maar een knuffel, ze hoefden dus niet bezorgd te zijn, hij kon gewoon langs komen om te logeren in het nest dat hij gebouwd had. De vader van Annemeike liet weten dat zijn dochter een aantal keren per dag vroeg of hij niet even wilde kijken op de iPad of er weer een nieuw filmpje was.

Raai verzamelt nestmateriaal: stevig, zacht en glimmend. Maar wat nu?

.

Een enthousiaste collega deelt háár filmpje met een Raai-avontuur. Tijdens de noodopvang ziet ze hem in een boom met een grote roze vogel in de patio van de school. Wat zou er aan de hand zijn? De kinderen hebben allerlei ideeën; van appeltjes plukken, tot lekker slapen, tot een vriendinnetje zoeken waar je een nestje mee kunt bouwen. Met vier kleutergroepen bouwen we verder aan het verhaal. De school blijkt overhoop gehaald op zoek naar nestmateriaal, in dat nest worden eitjes gelegd waar uiteindelijk twee blauwe kraaienkuikens uit tevoorschijn kruipen. Ze lijken als twee druppels water op hun vader. Op de vlucht voor grote gevaarlijke meeuwen belandt de hele familie uiteindelijk veilig in de hal bij onze kleuterlokalen.

De familie Kraai; Raai en zijn vrouw Dot met de kleine Pip en Kaatje

.

Weer naar school

En dan komen de kinderen weer naar school. In de hal wordt de kraaienfamilie al snel bedolven onder de felicitaties; het nest verdwijnt bijna tussen de kaartjes, cadeautjes, tekeningen en knutsels. Een collega gaat met haar groep op kraamvisite. Er verschijnt een oude waterkoker, een theeservies, fruit en ander lekkers. Dat willen onze kinderen ook! We vinden een poppen-flesje waarmee de kuikens iedere keer weer, o zo voorzichtig te drinken krijgen. De theekopjes worden volgeschonken en uitgedeeld. Iedereen wil natuurlijk eventjes zo’n lief klein kuikentje vasthouden en er wordt heel wat afgekletst met Dot en Raai. Af en toe verdwijnt een kind naar de gang om nog een laatste felicitatie te bezorgen. Er wordt gekrabbeld, getekend en soms al echt geschreven. Raai en Dot nemen alles onvermoeibaar in ontvangst.

.

De eerste weken gaan de kinderen om de dag in halve groepen naar school. Om op de thuisdag toch te kunnen werken zeulen de hogere groepen in grote rugzakken en tassen werk mee naar huis en weer terug naar school. Hoe gaan we dat doen met onze kleuters? We vinden ‘(t)huiswerk’ niet zo nodig. Of willen we toch iets vinden om de verbinding te leggen tussen het spelen en leren op school en het spelen en leren thuis? En kunnen de avonturen van Raai daar geen rol in spelen? Er ontstaat een wild plan; in plaats van een rugzak vol huiswerk een klein babykraaitje om voor te zorgen? Een week later wordt er een doos afgeleverd met 200 kleine ‘Raai de Kraai vingerpopjes’.

We genieten van het bedenken van een verhaal, het maken van een brief, het inrichten van manden vol kuikens. Toch voelt het ook een beetje ongemakkelijk. Waarom onze verhalen uitstorten over de kinderen die daar misschien helemaal niet bezig zijn? Een keer per jaar Sinterklaas is misschien wel genoeg?

Maar dan ligt er op een ochtend een brief op tafel van Grietje Karwietje van de ‘vogel-knuffel-bescherming’. Ze schrijft hoe ze in haar huisje aan de rand van het bos wakker werd van het geluid van piepende kuikens. Bij de kinderen voltrekt zich een klein wonder: het lijkt wel of ik op een knopje druk. De kinderen gaan aan! Ze weten het meteen; dat zijn de kuikens van Raai. Of ze ‘m even zullen halen? Ze weten zelf ook wel hoe er voor die kuikens gezorgd moet worden, wat ze eten, waar ze kunnen slapen, wat ze graag doen. Na even schudden met de envelop valt er nog een briefje uit: als de kinderen het goed vinden worden de kuikens om 2 uur gebracht, voor ieder kind 1, zouden zij er voor kunnen zorgen, thuis? Natuurlijk is dat goed. Ze kunnen niet wachten. Onmiddellijk begint het plannen maken. Hoe ga je je kuiken noemen? De meeste kinderen weten het al. Waar moet je kuiken slapen? Jasmijn en Annemeike, tot nu toe nog heel verlegen, zijn ineens helemaal betrokken bij het gebeuren in de kring; dat kleine kuiken dat kan slapen onder een heel speciaal dekentje, dat rode met een beetje geel, in hun eigen bed, aan de onderkant. Of in een nestje dat je kan ophangen vlak onder het plafond of .. of … alles wordt besproken, problemen worden opgelost. Kan je vogeltje wel in je eigen bed slapen? Wat gebeurt er als hij moet poepen en plassen? Het is nu 9 uur en het duurt nog best lang totdat het 2 uur is. Hoe lang eigenlijk? We bestuderen de klok. We zien wel drie wijzers; een hele dunne die snel ronddraait, ieder keer komt ‘ie langs de 2. Er is ook een dikke lange en een dikke korte. Sommige kinderen weten al hoe het moet zijn: de lange op de 12 en de korte op de 2. Maar hoe lang dat duurt? We bekijken de dagplanning; ik vertel dat het 2 uur wordt na de lunch en nadat we nog even hebben gespeeld en gewerkt.

Nora volgt alles met groot enthousiasme; ze is zo blij dat ze een eigen kuiken krijgt schrijft ze later in het woordweb dat we maken. De hele ochtend houdt ze de klok nauwlettend in de gaten. Steeds als één van de wijzers de 2 passeert komt ze voor de zekerheid vragen of het al zover is. In de loop van de ochtend weet ze ook ineens hoe ze haar kuiken gaat noemen: Luiza. Naar het vriendinnetje dat verhuisde naar Luxemburg. En dan is het bijna, bijna zo ver. ‘Ga je nu kijken of ze er al zijn?’ vraagt Nora. Of ze even mee zal lopen. En nog nooit is de klas zo snel opgeruimd. Om 10 voor 2 vind ik dan eindelijk een grote mand in het magazijn. Vol spanning zitten ze klaar in de kring. Een voor een haal ik de vingerpopjes onder het kleed vandaan. De ene springt te voorschijn, de ander blijft verlegen nog even zitten. ‘Mag ik die dappere, die meteen durfde?’ vraagt Duuk. Natuurlijk mag dat. Eén voor één kiezen de kinderen een popje uit.

Tot het laatste kuiken. Als ik opkijk zie ik dat Nora de enige is die nog met lege handen op haar stoel zit; rechtop, keurig wachtend, zonder een woord te zeggen. Ik ben verbaasd over zo veel zelfbeheersing bij een meisje dat twee maanden geleden nog opgesprongen zou zijn en ongetwijfeld als eerste vooraan had gestaan. ‘Ach, ben jij Luiza’ zeg ik richting het kuiken dat zich verschuilt in de mand. ‘Jij wacht natuurlijk op Nora.’ Als een koninginnen-moeder komt ze aangelopen; trots, verantwoordelijk, verwachtingsvol. En heel voorzichtig loopt ze terug naar haar plaats.

Later krijg ik een berichtje van Nora. Het vogeltje heeft een eigen huisje gekregen. Het slaapkamertje is gemaakt van een mondkapje. Ook heeft ze een schatkistje van een ijsje gebruikt om een speelgoedkistje te maken voor Luiza. Daar zit nu al het speelgoed van het kraaitje in.

.

In de weken erna vertellen de kinderen graag en veel over hoe het thuis gaat met hun nieuwe ‘huisdieren’. De poppetjes gaan mee in bad, onder de douche, kijken televisie en er worden hele speeltuinen en vogelparadijzen voor ze gebouwd. De baby’s worden niet alleen verzorgd maar ook opgevoed. Zo was er een brutale kleine babykraai die chips had gepikt, zomaar naar beneden gefladderd om chipjes te pakken uit de kast. Toen moest de eigenaar, die zelf nooit zoiets zou doen maar zo wel kon meemaken hoe dat zou zijn, natuurlijk wel even heel streng zijn en zeggen dat dat echt niet mag. We lossen allerlei problemen op. Xander vertelt over het nest dat hij maakte in de tuin. Maar is hij niet bang dat er boeven komen als zijn vogeltje ‘s nachts buiten in een boom slaapt, vraagt Sara. ‘Nee hoor, wij hebben Boevie de hond, die gaat heel hard blaffen als de boeven komen. En trouwens we hebben ook een poort die op slot kan’. Maar toch; reuzen zouden over de poort kunnen stappen en boeven kunnen misschien klimmen. Tja, misschien moet ‘ie dan toch ‘s nachts maar mee naar bed. Gewoon voor de zekerheid.

.

De kinderen maken volop gebruik van hun verbeelding. Ze stellen zich voor wat er zou kunnen gebeuren, ze ervaren hoe het bij anderen thuis gaat, ze verplaatsen zich in een klein, van hen afhankelijk, knuffeltje. Soms lijkt het of ik kan zien hoe er op dat moment een wereld voor de kinderen opengaat. Met hoeveel gevoel voor autonomie hun eigen vertrouwde wereld zich uitbreidt. En ze leren zo veel nu het gaat over iets waar ze zich mee verbonden voelen. Ineens kunnen ze redeneren, oorzaak-gevolg relaties leggen, leren ze klok kijken of die speciale naam van hun eigen, lieve kraaitje schrijven, ze passen en meten om plekjes te maken waarin hun kraaitje kan slapen en spelen en naar de wc kan gaan. Thuis en op school:

Ik heb een nep-kanonnetje van speelgoed voor hem gemaakt. Daar kan hij mee nepschieten.

Op dat zachte kan ‘ie staan.

En hierop: druk – schiet, druk – schiet, druk – schiet.

Dit is de wc van het kleine kraaitje Rosa.

Aan de zijkant zitten de doortrekkers.

Een bedje voor de kleine kraai.

En dat is het eten.

Water en kleine stukjes van brood.

Mijn kleine kraaitje Bloemetje wil altijd televisie kijken maar dat mag niet van mij.

Daar is het vliegtuig van Bloemetje.

Hier is de wc. Er kunnen heel veel plasjes en poepjes in. Je kunt ook doortrekken. Gelukkig!

Dit huis is voor mijn Raai de Kraaitje.

Ik heb het heel zacht met schapenwol gemaakt. Ik heb de wol met lijm vast gemaakt. Het is heel stevig.
Ik heb de muren met tape aan elkaar gemaakt.

.

.

Als vanzelf vinden de eigen verhalen hun plek in het gezamenlijke verhaal. Het samen maken van spelverhalen is krachtig, verbindend en heerlijk om te doen. Ook of juist in tijden van Corona wanneer de wereld soms verwarrend, onoverzichtelijk en beangstigend kan zijn.

En toen gingen de schooldeuren weer open!

.

Iedereen heeft er ontzettend veel zin en toch is het wennen; weer echt naar school. De kinderen wachten keurig met één ouder op gepaste afstand van elkaar achter het hek. Ik moet ze soms zoeken achter de struiken langs het parkeertrein. Er wordt gewacht tot ik de eerste roep. Dan begint het afscheid nemen, een laatste knuffel, een paar laatste woorden, een aai, nog een kleine inspectie; zit alles in de tas, jas goed, snoet gepoetst, veters gestrikt? En daar komen ze. Of toch nog maar even terug voor een allerlaatste kus? Ik merk dat ik de kinderen er doorheen begin te praten of beter gezegd ‘roepen’. ‘Dag lieve Gijs, wat leuk om je weer te zien! Zoek je een plekje op een stip? Ja, daar is Isa! Wat fijn dat jij er ook bent!!’ Het blijkt nog een behoorlijk stuk lopen van het hek naar de blauwe, op het plein geschilderde cirkel van onze groep. ‘The walk of fame’ grapt mijn directeur die staat toe te kijken. Mijn duopartner helpt Annemeike die blijft aarzelen om aan de tocht te beginnen, hoort een ouder aan die haar verkouden kind toch maar thuishoudt en ik kijk ondertussen met verbazing hoe keurig netjes de kinderen op de voorgetekende rij stippen achter de blauwe cirkel gaan staan.

Maar eenmaal binnen ontstaat de eerste onrust. Dex ontsteekt nog voor het gezamenlijke handen wassen in woede. ‘Wie heeft de bouwhoek opgeruimd! Tim zeker, dat heeft Tim natuurlijk gedaan!!! Het moet NU weer gemaakt!’ Hij wil onmiddellijk beginnen. Het is de eerste dag dat ik werk en ik weet niet meteen hoe ik moet reageren. Toch lukt het om al zingend en tellend handen te wassen en op de voorbedachte plekken in de kring te gaan zitten.

Wat willen ze graag! Wat zijn ze blij om elkaar te zien, samen te zijn, weer in de klas rond te kunnen rennen. Maar hoe leid je dat in goed banen? Nora, vrijdag voor het eerst op school in de tweede shift, kan niet stoppen met rondkijken en benoemen wat er veranderd is en vooral wat allemaal nog onveranderd, heerlijk vertrouwd, hetzelfde blijkt. De blijdschap om het weerzien uit zich in opgewonden (poep en plas) grapjes waarbij de kinderen soms bijna van hun stoel rollen van het lachen. Terwijl de verhalen over elkaar buitelen, balanceer ik tussen ruimte geven en structuur aanbrengen, laat ik al mijn voorbereide activiteiten los om daar dan later toch weer naar terug te grijpen. Enigszins opgelucht beland ik na drie kwartier buiten waar de kinderen mógen rennen, stoeien en roepen. Eigenlijk viel het me helemaal niet mee. Het was hard werken om het gezellig te houden en te reageren op alle onverwachte gebeurtenissen.

Toch merk ik in de loop van de dag dat het werken met 15 in plaats van 31 kinderen een groot verschil uitmaakt. De kinderen kunnen best even opgewonden lachen om vreselijk leuke kleutergrapjes want na een blik of een paar woorden van mij lukt het ze ook weer om te stoppen. Tijdens de pauzehap, anders altijd strak gestructureerd met stilte-momenten en vermaningen om zachtjes te praten, ontstaan nu spontane kringgesprekken. ‘Wil je even zeggen dat iedereen moet luisteren want ik ben nog niet klaar met vertellen?’ De kinderen luisteren meteen en Sara formuleert bedachtzaam en precies hoe ze een nieuw bed gaat krijgen, dat dat een hoogslaper is, waar ze dan slaapt, waar haar zus slaapt, waar ze spelen. Veel kinderen herkennen dit. Er worden vragen gesteld, ervaringen gedeeld en vooral opvallend goed geluisterd. Dunya herinnert zich de timmertafel op de gang. Mag ze daar ook? Ja, waarom eigenlijk niet. De hele ochtend is ze bezig met kleine rode lapjes als roosjes op een blok te timmeren. Daarna moet het blok natuurlijk geschilderd en we organiseren een tafel bij het schilderbord waarbij al snel een groepje kinderen aansluit.

Langzaam begin ik te ontspannen. Ik merk het ook bij collega’s; er wordt meer gelachen, ondanks het ingewikkelde afstand houden, het contact met ouders dat meer moeite kost en alle nieuwe routines die nog moeten ontstaan.

Ik ervaar nu in de praktijk hoe het is om tijd en aandacht te hebben voor ieder kind. Hoe Jasmijn, anders stil en teruggetrokken, na even oogcontact en een beantwoorde glimlach, aansluit in de zandbak. Hoe Bart en Luca hand en hand voor het eerst in hun leven de school binnen komen lopen en meteen hun plekje vinden in de klas. Hoe ik kan reageren op de plannen van de kinderen, hoe ik die plannen bijna als vanzelf kan verbinden met mijn eigen doelen. Samen zoeken we ons oude kastje met postvakjes op om post te kunnen sturen aan de vriendjes uit de andere shift die worden gemist. Ook ik krijg post. Lekker snel gemaakt, met twee strepen op een blaadje; succes verzekerd. Natuurlijk draai ik het blaadje verbaasd om en om; ‘van wie heb ik deze post nou toch gekregen?’ Loïs begrijpt meteen dat er eigenlijk op moet staan wie de post gemaakt heeft en ik vind al snel een prachtige brief in mijn vakje: ‘Livu juf, fan Loïs’. Jelle en Xander komen vertellen dat de koekjes zijn gebakken in de oven en dat ze bijna gesmolten zijn. Als ik kom kijken hebben ze kleikoekjes op de verwarming geplakt die nu inderdaad naar beneden beginnen te druipen. Uhm, tja …, niet iets dat juffen heel erg fijn vinden. Jelle voelt dat onmiddellijk aan: ‘Oké, dan maken we wel ijskoekjes’. De mannen maken een heuse koekjesfabriek op de vensterbank. En ik heb nu tijd om steeds met een aantal kinderen op ‘kraamvisite’ te gaan bij Raai de Kraai, onze klassenpop die tijdens de lock-down de prachtige vogel Dot ontmoette en samen met haar 2 jonge kraaienkuikens kreeg. ‘Ze zijn niet echt, het zijn maar knuffels’, mompelt Chiel een beetje argwanend als hij aan de beurt is. Als ik dat beaam: ‘we spelen dat ze een nest bouwen en eieren leggen en kuikens krijgen’, wordt dat spel meteen heel erg serieus. Het is ontroerend om te zien met hoeveel zorg de al zo grote, zesjarige jongen thee inschenkt voor de andere gasten, het kleine vogeltje laat drinken uit een flesje en daarna kaarsrecht zijn eigen kopje thee drinkt met het kleine kuiken naast zich op de bank.

Nog een week gaan we naar school in halve groepen. Om daarna weer met meer dan 30 kleuters, handen wassend en afstand houdend de schooldagen te vullen. Natuurlijk gaat ook dat ons weer lukken. Maar laten we niet vergeten hoe de onderwijskwaliteit omhoog ging, de werkdruk verminderde en hoeveel plezier en ontspanning er ontstond toen we werkten met (kleuter)groepen van niet meer dan 16 kinderen!

En ik ben niet de enige die er zo over denkt! Zie: Geef mij maar die halve klassen. en Kleine klas beter voor leerling én economie

De magie van het maken

.

Eigenlijk heeft ze geen tijd voor de gewone begroeting van iedere ochtend. Ze moet hoognodig iets heel belangrijks vertellen:

‘Ik heb magische krachten gekregen van Isa!’

Na de uitroep staat ze stil, kijkt schuin omhoog, alsof zich daar nog een spoor van de magie bevindt. Haar tante lacht, net zoals een paar andere moeders en vaders die hun kind naar school brengen. ‘Goh’, zeg ik, ‘wat goed, kan ik ook van die krachten krijgen?’ ‘Nee, het moet met de toverstok. Isa, heeft een toverstok; zo!’ Ze springt omhoog, komt neer met haar benen wijd, spreidt haar armen uit en zwaait met de denkbeeldige toverstok. ‘Nu kan alles in ijs veranderen en dan gaat het sneeuwen. Maar het moet wel buiten.’ Ik herken het Frozen-thema maar denk ook dat Nienke een belangrijke stap in haar ontwikkeling heeft gezet. Niet alleen kan ze zich van alles voorstellen, ze kan ook aanhaken bij de voorstellingen en verhalen om haar heen. Als we later die dag buiten spelen zie ik het weer. De kinderen spelen ‘ijskoning’. Er is een ijskoningin met twee baby’s waarvan er één opgroeit en de ander klein en afhankelijk blijft, er is een ijspaleis, een koets met een paard ervoor en een oppasser voor de baby’s en het paard. Het ijspaleis bevindt zich op een heuveltje, banden en planken zijn bedden en tafels, scheppen laten zien waar de deur is, er zijn emmers waarvan mij de functie niet helemaal duidelijk is maar voor de kinderen die meespelen is het zonneklaar. Soms wordt er onderhandeld en verandert een bed met een kleine ingreep in een tafel of ontstaat er een stal in het paleis. Kinderen die zich niet houden aan deze ongeschreven regels over wat iets voorstelt worden onverbiddelijk weggebonjourd. Een paar weken geleden had Nienke nog veel moeite met het vinden van aansluiting bij het spel van anderen, nu doet ze helemaal mee.

Als we naar binnen gaan is Isa, die de magie van het maken tot in de puntjes beheerst, verdwenen. Ze blijkt al in de klas te zijn. Op de grond in de deuropening is ze bezig met een takje, een blaadje en plakband. Tijdens de speelwerktijd, later, gaat ze verder. Sil vraagt aan mij wat Isa toch aan het doen is. Ik hoor mijzelf terug als Isa antwoordt dat hij dat aan haar moet vragen dat ze het dan wel zal vertellen. Ze maakt namelijk een indianenhoed.

De tekentafel met verschillende formaten papier, potloden, stiften, plakband, een perforator en draadjes en lintjes is favoriet tijdens het spelen en werken. Ook Nienke schuift aan. Aandachtig kijkt ze toe hoe Anne een echt tasje maakt van papier; er kan iets in, er zit een hengsel aan en het is aan de buitenkant mooi versierd. Dat wil ze óók. Worstelend, soms stampvoetend omdat het niet lukt, krijgt ze het voor elkaar om ook een tasje te maken. ‘Het is dezelfde als van Anne maar toch een beetje anders gemaakt’, legt ze later uit in de kring.

Steeds vaker denk ik dat het een van de belangrijkste ontwikkelingen is in de kleutertijd; het maken en gebruiken van symbolen en het begrijpen van de symbolen van anderen. Dit leren kinderen door te spelen én door te ‘maken’. En al die letters, cijfers en teksten, die tenslotte ook allemaal symbolen zijn, gedijen later veel beter in een goed ontwikkeld symbolisch denken.  

Ons fotoboek

.

Iedereen knikt instemmend als Gijs vertelt over die keer dat zijn vinger gebroken was. ‘Weet je nog juf, toen zag je het gips om mijn vinger’. ‘Ja’, ‘ja’, klinkt het van alle kanten. ‘Ja, toen lag je in bed in het ziekenhuis en toen zag je dat’. Ik zoek naarstig mijn herinneringen af maar kan geen moment vinden waarin ik Gijs met gips of mitella ben tegengekomen of berichten kreeg over een ziekenhuisopname. Totdat Lisa zegt dat er toen ook een foto was gemaakt. Dan begint me iets te dagen. Dit schooljaar ben ik weer eens gestart met een ‘klassen-fotoboek’. Alle kinderen kregen een blad mee met hun naam erop, dit konden ze vullen met foto’s van thuis. Al gauw kwamen de bladen terug, vaak gevuld met veel kleine fotootjes. De kinderen thuis, met papa en mama, broertjes en zusjes, hun speelgoed, een huisdier, samen met vriendjes en vriendinnetjes in hun eigen kamer, in de tuin, buiten op straat of op een verre vakantiereis. Zo zit er in het boek ook een blad met foto’s van Gijs. Op een van de foto’s zien we de twee of driejarige held in bed met zijn hand in het gips.

Het fotoboek is al snel favoriet. Als de kinderen die klaar zijn met de lunch nog even een boekje mogen lezen vindt er een ware stormloop op ons fotoboek plaats. Vooraf worden alvast afspraken gemaakt; ‘mag ik na jou?’ ‘En daarna ben ik aan de buurt’, ‘en ik’, ‘en ik’. De broodjes zijn ineens snel op. Het bekijken van de fotobladen gaat snel en de aandacht lijkt vluchtig. Toch krijgen ze er geen genoeg van om steeds opnieuw dezelfde foto’s te bekijken. Ondertussen wordt alles benoemd; wie is wie, waar zijn ze, wat gebeurt er? Om dat meteen te relateren aan hun eigen ervaringen; ‘dat was het zwembad, daar was ik ook, in het rode badje zit ik.’ ‘Mijn poes is zwart.’ ‘Mijn poes is dood’. Of; ‘Wow, dat zijn veel pannenkoeken, lekker!’

Nelson (2009) schetst in haar boek ‘Young minds in possible worlds’ hoe de wereld van kinderen vanaf een jaar of 4 snel groter wordt. Steeds beter kunnen ze zich dingen voorstellen die er op dat moment niet zijn maar die misschien lijken op iets wat ze zelf ongeveer zo hebben meegemaakt. En steeds meer maken ze een (autobiografisch) verhaal van de betekenisvolle gebeurtenissen in hun leven. Die verhalen worden verknoopt met die van anderen waarover ze hoorden, die ze zagen op TV (of fotoboek) of voorgelezen kregen. En altijd zijn zijzelf het stralende middelpunt. Zo ontstond in mijn groep van vorig jaar de gewoonte om als we naar een filmpje keken meteen de rollen te verdelen. ‘Ik ben die vaderleeuw’, ‘en ik de moeder’, ‘en ik ben dat babyleeuwtje’. Om daarna op te springen, te grommen en mee te bewegen met alle acties. De scheidslijn tussen de eigen ervaring en die van anderen is nog dun en vloeibaar.

Jezelf in de wereld leren kennen; het verklaart de gretigheid om steeds opnieuw dezelfde foto’s te zien. En het is genieten om dat van dichtbij mee te maken.

We zullen, zal ik, in het nieuwe jaar ….

1 januari 2020

Het eerste rondje hardlopen in het nieuw jaar. Mistig land, kaal, leeg, resten opgehoopt vuurwerk. Ik kom één wandelaar en één fietser tegen op het pad tussen de weilanden. Langzaam loop ik mij warm en richten mijn gedachten zich, langzaam komen de plannen. Alle verhalen van de kinderen in mijn klas; kleine gebeurtenissen, kinderen die groeien en zich ontwikkelen, die van alles meemaken, kinderen die met hun eigen karakter en al hun eerder opgedane ervaringen een plekje vinden in onze groep, in de school, in de wereld; ik zou het weer wat vaker op moeten schrijven. Korte afgeronde gebeurtenissen, kleine kind-portretjes. Niet meer dan 500 woorden en misschien wel iedere week. Ook als tegenwicht of misschien eerder een aanvulling op alle methodes, het doelgerichte werken en de leerlingvolgsystemen. Opdat we niet vergeten dat iedere plus of min die wij als leerkracht ergens invullen geworteld is in een gebeurtenis, in een ervaring van een kind dat de wereld wil leren kennen en wil begrijpen, dat ontdekkingen doet, relaties aangaat, vriendjes maakt, tekent, schildert en voortdurend dingen maakt, verhalen maakt en die uitspeelt. Ieder plus of min die wij invullen in een leerlingvolgsysteem, registreren wij vanuit ons eigen blikveld. Geen objectief feit dus! Terwijl dat vinkje zomaar een eigen leven kan gaan leiden in een systeem.

Ondertussen heb ik de weilanden al bijna weer achter mij gelaten en kom ik een collega tegen op de fiets. Mijn gedachten kristalliseren zich uit tot een heus ‘goed voornemen’. Op straat staan een vader en zoon vuurwerkresten in vuilniszakken te proppen, ik steek mijn duim omhoog. ‘Ja, anderen maken rotzooi en wij ruimen op, zo maken we de wereld weer een stukje mooier’ lachen ze. Ja, de wereld een stukje mooier maken. Dat gaan we doen!

…. dacht ik. Maar een ongebruikte, niet beheerde website stort langzaam in elkaar. En terwijl ik mijn blog wil posten doen steeds meer knoppen het niet meer, verschijnen er alarmerende foutmeldingen. De schrik verspreid zich als een snel opkomende koorts van mijn tenen naar mijn kruin, van mijn diep in mijn keel tot aan mijn vingertoppen. En na een week en veel chat-gesprekken, hulpvragen, het volgen van heel veel stappenplannen, slapeloze nachten en zenuwachtige acties verder doet bijna alles het weer. Bijna; alleen mijn homepage niet. Maar ik besluit dat nog maar even uit te stellen.

Dus hier gaat ‘ie dan ……. we zullen, ik zal, in het nieuwe jaar!

Nascholing

Kunsteducatie-cursus

 

Het is zover. Samen met Sabine Plamper heb ik een nascholing ontwikkeld voor de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Je kunt je nu inschrijven voor de 4 daagse training die start in januari 2015.

Ook kunstenaars koken met water

Van dertig identieke werkjes naar eigen verhalen, verbeelding en onderzoek

Welke plek heeft kunst in een kinderleven? Wat kun je doen met meel, water of een oude knoflookpers? Hoe begeleid je creatieve processen? Hoe wordt kunst en cultuur een volwaardig onderdeel van het onderwijs?

In deze vierdaagse cursus zijn materiaalonderzoek, ervaringen en verhalen van kinderen het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een inspirerende vorm van authentieke kunsteducatie die past binnen je eigen onderwijspraktijk. Praktijk en theorie zullen elkaar afwisselen en versterken. Met opdrachten die je eigen creativiteit aanspreken ervaar je zelf de meerwaarde van het doormaken van een rijk creatief proces.

Deze praktijkscholing focust op beeldende kunst en geeft een helder theoretisch kader waarbij nieuwe inzichten uit de vakliteratuur en atelierpraktijk aan bod komen. Cursisten worden uitgenodigd om gebruik te maken van elkaars expertise en samen te werken aan plannen voor de eigen beroepspraktijk.

Voor wie?

De cursus is bedoeld voor leerkrachten en beleidsmakers in het basisonderwijs en de kinderopvang, afgestudeerde kunstvakdocenten, BIK’ers, PABO-docenten en andere professionals die werken met kunsteducatie en kinderen.

Door wie?

De cursus wordt gegeven door Sabine Plamper en mijzelf.

Sabine Plamper (1972) is cultuurpedagoge en (mede)auteur van het boek Begrijpen met je handen, een andere kijk op kind en creativiteit. Ze heeft ruim vijftien jaar ervaring met het werken met kinderen in ateliers en geeft trainingen en lezingen op het gebied van kind en creativiteit.

Hanneke Saaltink (1961) is beeldend kunstenaar, leerkracht in het primair onderwijs en blogger over kunst en onderwijs. Sinds 2007 zet zij kunsteducatieve projecten op. In 2011 haalde zij haar master Kunsteducatie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Wil je meer weten of je inschrijven? Klik hier voor de digitale flyer: AHK-MK-Nascholing-def-druk

Ook samen leven moet je oefenen

IMG_5934

Bijna terloops komt hij me het bloemetje brengen dat hij plukte aan de rand van het schoolplein. ‘Voor jou, juf.’ En natuurlijk zeg ik hoe blij ik er mee ben. Dat is leuk en hij plukt er nog een paar. De nieuwe bloemetjes legt hij rond het met krijt getekende hart voor mijn voeten. Raijv, net op school en altijd bereid om te doen wat Jelle doet, komt helpen. Een tijdje werken de jongens als galante prinsen door, genietend van de complimentjes die ze krijgen. Dan wordt het hart weggeveegd door springende en rennende voetjes, worden de bloemetjes weggevaagd door rijdende karren en net zo snel weer vergeten. Maar even ervoeren de jongens weer hoe het is om aardig te zijn en lief gevonden te worden. Dat hoeven ze niet te leren, dat gaat helemaal vanzelf. Er is alleen maar iemand nodig die het opmerkt en er blij mee is. En toch; als er woorden aan gegeven worden moeten we het er steeds opnieuw over hebben wat die woorden ook al weer betekenen. Het is de eerste van de acht gouden regels die we samen maakten: –We zijn lief voor elkaar-  Dat is troosten als iemand pijn heeft, weten ze. En zeggen dat een ander mee mag spelen. Maar ze kunnen vooral vertellen wat niet lief is. Schoppen en slaan bijvoorbeeld en iets afpakken waar je heel graag mee wil spelen. En wat is het moeilijk om je daar aan te houden.

We zijn lief voor elkaar

We zijn lief voor elkaar

De vier jarige Nick is, net als Raijv, nieuw op school. Overweldigd door alles wat er op hem af komt kiest hij vaak voor de directe aanval. Overal om hem heen blijken jongetjes te zijn die zeggen dat ze sterker, ouder of groter zijn dan hij. Dat kan hij niet zomaar laten gebeuren. En als hij voor de klapdeuren moet wachten tot hij naar de overblijf gaat, slaat en schopt hij wild om zich heen. De leerkracht van groep 3 probeert in te grijpen maar dat maakt weinig indruk. Met een worstelend en grommend jongetje komt ze mijn lokaal binnen. Ik vraag wat er gebeurde. ‘Ze denken dat ze groter zijn maar dat is niet zo!’ zegt hij tussen woeste snikken door. ‘En toen liet je zien hoe sterk jij was? Weet je nog wat de afspraak was?’ Ja, hij weet wel dat hij niet mag slaan maar zij zeggen dat. En hij wil dat gewoon niet. Ik zucht, ‘dan hebben we wel een probleem’. Een beetje verbaasd kijkt hij me aan. ‘Oh, wat dan?’ ‘Nou ja’, zeg ik, ‘nu zitten wij hier en alle anderen eten fijn samen een broodje. Maar bij de overblijf mag je niet slaan, ook niet als kinderen iets doen wat jij niet leuk vindt, dus daar kun je niet heen.’ Even kijkt hij voor zich uit. ‘… maar ik wil ook naar de overblijf’. ‘Ja maar als kinderen nou iets tegen je zeggen wat niet leuk is?’ ‘Dan ga ik het tegen jou zeggen’. Ik ben er tijdens het overblijven niet bij maar samen vertellen we de overblijfjuf van zijn voornemen en nog nasnikkend eet hij zijn broodje tussen alle anderen.

Nick is niet het enige stoere, sterke, grote jongetje dat zijn plekje moet vinden in de klas. Dit jaar heb ik een heel clubje vooral 4 jarige ‘stuiterballetjes’ die voortdurend de strijd met elkaar aangaan. Dat gebeurt buiten op het plein, binnen tijdens het spelen en werken en ook in de drama-lessen die ik samen met de vakdocent Joke de Heer geef. In het speellokaal spelen we tijdens die drama-lessen verhalen van de kinderen uit. De laatste les heb ik de leiding en volgt Joke van de zijlijn wat er gebeurt. Langzamerhand is er bij de kinderen een ‘vlucht-vecht-vang’ stramien ontstaan in de verhalen. Eigenlijk wil ik daar wel vanaf. Als Nienke graag een verhaal wil dicteren hoop ik dat ze als meisje een andere input zal geven. Ze gaat er eens goed voor zitten. Maar al gauw wordt ook hier gevochten, gebeukt en laten de dieren zien hoe sterk ze wel niet zijn:

De ezel lag te slapen. Toen kwam er een eend voor de deur. En een muis voor de deur. En toen deed de ezel de deur open. En toen schrok hij zich een hoedje. Het was geen aardige eend en het was geen aardige muis. Ze keken boos. Vet boos. Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze. Toen kwam er een eekhoorntje aan. En Raai de Kraai die boven ons daar in het nest zit. Toen was Raai de Kraai boos. Hij ging ze allebei in elkaar beuken en toen waren ze dood. Toen kwamen alle dieren: de ezel, het eekhoorntje, Raai de Kraai en het varkentje natuurlijk. Ze gingen een feestje vieren. Een heel grappig feestje natuurlijk. Een beetje gek doen, zoals je tong uitsteken. En ezeltje bleef nog lang gelukkig omdat hij nog heel springerig is. En hij bleef nog heel lang levend. 

In de klas spelen we het verhaal eerst uit in de kring. We bespreken hoe je dat doet: doen alsof je iemand in elkaar beukt. ‘Nepvechten’ noemen de kinderen het. En dat is nog best moeilijk in de vuur van het spel. In het speellokaal vraag ik, zonder erbij na te denken, 3 meisjes om te laten zien hoe je ‘nepvecht’ zonder elkaar pijn te doen. ‘Mooi’ zegt Joke, ‘maar nu wil ik wel eens zien of ook sterke, stoere jongens dat kunnen’. Dat is moeilijker. Vooral Jonathan laat zich niet zomaar dood beuken en loopt zo hard rondjes dat Nick, als Raai de Kraai, hem alleen met heel veel moeite een heel klein tikje kan geven. Toch ben ik al lang blij dat de jongens niet met elkaar op de vuist gaan en geef ze daarvoor een complimentje. Maar Joke is minder tevreden. ‘Zagen jullie verschil tussen hoe de meisjes het speelden en de jongens?’ vraagt ze de kinderen. Ja, ze kunnen meteen en goed het verschil aangeven. ‘Ja maar ….’ legt Jonathan uit, ‘ik ben gewoon veel sneller en sterker dan Nick’. ‘Dat maakt helemaal niet uit’, antwoordt Joke. ‘Jij bent de eend en in het verhaal is Raai de Kraaier sterker’. Jonathan moet er even over nadenken, het is een hele openbaring. ‘En ik wil het niet zo’, vult Nienke aan. ‘En het is mijn verhaal’.

Ze waren boos. Vet boos.

Ze waren boos. Vet boos.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

 

 

 

 

 

 

 

..

En toen waren ze dood.

En toen waren ze dood.

..

In het speellokaal creëren we verschillende plekken waar de kinderen in kleine groepjes het verhaal uitspelen. De volgende dagen merk ik dat ze buiten veel meer en gevarieerder rollenspel spelen waaraan zowel jongens als meisjes en oudste als jongste kleuters meedoen. Het ‘nepvechten’ wordt een begrip onder de kinderen. Niet dat het altijd goed gaat. Soms gaat het zo vaak mis en komen er zoveel huilende, boze, woeste kinderen bij me dat ik al het vechten en stoeien verbied. Toch denk ik dan weer aan Joke’s opmerking dat je moet laten zien hoe je het hebben wilt. Als Iza na het buitenspelen huilend in de kring zit omdat ze van de glijbaan geduwd werd spelen we de hele situatie uit. Twee jongens renden lekker hard de glijbaan op, gleden naar beneden en dan weer opnieuw en opnieuw. Totdat daar ineens een meisje heel rustig boven op de glijbaan een beetje om zich heen zat te kijken. Toen duwden de jongens haar zonder na te denken opzij en vervolgden hun weg. Ze moeten allemaal lachen als ik dat samen met Iza naspeel. En weten ook best hoe je dat anders kunt doen. Nick laat het zien. Zachtjes tikt hij op de schouder van Iza. ‘Kan je even opzij?’ Met veel plezier oefenen we dat met steeds andere kinderen.

En dat oefenen blijven we doen, ieder dag opnieuw. Ik net zo goed als de kinderen. Soms kijk ik met plezier hoe fijn Nick samen met de timide Raijv met de knex aan het bouwen is. Het volgende moment staat Raijv in tranen bij me, Nick er boos naast. Hij heeft geslagen en de knex-auto van Raijv kapot gemaakt. ‘Hoe kwam dat nou?’ vraag ik. ‘Ik ….., hij ….., hij is …..’ Dan ineens wat bedachtzamer: ‘Hij is …. verlegen. En dat vind ik niet leuk.’ Het blijkt dat Raijv dan wel verlegen is maar toch een hele mooie auto kon maken. ‘Misschien was je jaloers op die mooie auto van Raijv?’ Met z’n drieën maken we nog precies zo’n auto. En de jongens spelen verder. Ze hebben woorden gegeven aan ingewikkelde gevoelens en een probleem opgelost. En ook ik heb weer wat geleerd over de binnenwereld van 4 jarige jongetjes.

In het hart van het onderwijs

IMG_5501

 

‘Kijk’, vertelt Anne Lotte tijdens het opruimen, ‘ik heb de bolletjes precies getekend zoals in het echt. De worteltjes die zag je niet maar ik heb ze wel getekend en met verf heb ik het een beetje doorzichtig gemaakt. Nu zie je het toch.’ Ze lacht en kijkt nog een keer naar haar schilderijtje. ‘Handig, he.’ We werken rond het thema ‘Alles groeit’. Op de tekentafel staan verschillende potten met bollen; narcissen, hyacinten en blauwe druifjes. Sommige met dikke knoppen en andere al volop in bloei. Ook in de schooltuin bloeien narcissen. Ik liet de kinderen er een uit de grond graven. Ze ontdekten dat de narcis uit een bol groeit en vonden onder de bol kleine, kronkelende worteltjes. Voorzichtig maakten we de narcis met bol los uit de aarde. Om alles goed te kunnen bekijken legde ik de hele bloem met bol en worteltjes op de tekentafel. Jill probeert de verleppende narcis in het potje te zetten naast het krokusje en de sneeuwklokjes die ik, ook met de bolletjes en worteltjes er nog aan, uit mijn eigen tuin meenam. Ze fluistert: ‘Dood, helemaal dood, oh jee, jullie worden nooit meer levend,’ terwijl ze probeert de stengels stevig in elkaar te vlechten. De aarde stampt ze aan, om later opnieuw te kijken naar de worteltjes onderaan de bollen. Dan werkt ze weer verder aan haar tekening. Ik vroeg de kinderen te tekenen wat er onder en wat er boven de grond groeit. Jort begint met het tekenen van een lijn dwars over het midden van zijn blad. Helemaal onderaan komt een bolletje. Dan trekt hij langzaam een lange lijn omhoog. ‘Ze groeien en groeien en groeien, mijn bloem die groeit …..’ Net boven de lijn is hij er. Daar komt een grote bloem.

De worteltjes zijn een beetje doorzichtig.

De worteltjes die je toch ziet.

Net boven de grond komt een grote bloem.

Mijn bloem die groeit.

..

..

..

..

..

..

..

..

..

Later, tijdens een overleg met een kunstinstelling, ICCers, schooldirecteuren en een onderzoekster moet ik denken aan de betrokkenheid waarmee deze kinderen aan de tekentafel kijken, praten, tekenen, denken en leren.  Cultuuronderwijs staat in het hart van het onderwijs‘ was een van de ambities die de kunstinstelling formuleerde. Daar waren niet alle directeuren het direct mee eens. Het maakt natuurlijk veel uit wat je verstaat onder cultuuronderwijs. Is dat de tekenles of het halve uurtje muziek in de week? Of worden kunst en cultuur, zoals op een OGO-school, verbonden met de thema’s waarmee gewerkt wordt, net zoals de techniek-lessen, wereldoriëntatie, een gast in de klas of onderzoeksvragen op een vanzelfsprekende manier een plek kunnen krijgen binnen het thema? En wat is cultuuronderwijs eigenlijk? Zijn dat de lessen beeldende vorming, muziek, drama en dans? Is het een ontspannen en leuke onderbreking van het gewone lesprogramma of zijn het activiteiten die gerelateerd zijn aan wat er in de echte wereld van de kunst gebeurt? Horen taal en rekenen eigenlijk ook niet bij cultuuronderwijs? En is kunstonderwijs dan misschien een andere, meer zintuigelijke manier van reflecteren, een manier om de wereld en jezelf te leren kennen maar dan met specifieke middelen? De kinderen die tekenen wat er onder en boven de grond groeit, denken na over hoe de wereld in elkaar zit. Hun tekeningen geven vorm aan hun gedachten. Zo worden deze zichtbaar, voor henzelf en voor anderen. Ondertussen praten ze met elkaar en ontwikkelen hun taalvaardigheid en woordenschat. Ze moeten goed kijken en ze zullen nadenken over hoe ze dat wat ze zien in het platte vlak kunnen weergeven, dat raakt alweer aan allerlei rekenvaardigheden. En tenslotte vraagt het ook heel wat van de motoriek om zulke precieze tekeningen te maken. Bovendien gaan echt alle kinderen met veel plezier aan de slag. Ik zie een enorme betrokkenheid. Ik kan dus wel zeggen dat het tekenen helemaal geïntegreerd is in de rest van het onderwijsaanbod en op die manier in het hart van het onderwijs staat.

Nu is het voor mij heel vanzelfsprekend om beeldende activiteiten zinvol aan te bieden. Dat gaat min of meer vanzelf, het is mij, zeg maar, op het lijf geschreven. Maar kunstonderwijs of cultuureducatie is natuurlijk meer dan dat. Laatst besloot ik een les uit de methode waarbij de kinderen een verhaal moesten uitbeelden een andere invulling te geven. Ik was geïnspireerd door de manier waarop Vivian Gussin en Jente Baeyens kinderen hun eigen verhalen laten spelen. In de kring vroeg ik wie er een verhaal wilde vertellen. Nadja wilde dat wel. Ik schreef het verhaal op, Nadja verdeelde de rollen en terwijl ik het verhaal opnieuw voorlas speelde de kinderen het uit. Onmiddellijk zaten alle kinderen op het puntje van hun stoel. De spelende kinderen gebruikten al snel het hele lokaal en pakten allerlei spullen die toevallig in de buurt stonden. Het publiek  wilde daar natuurlijk achteraan. Het was een leuk en spannend intermezzo maar de volgende keer zou ik het toch iets beter moeten structuren. Een paar weken later vroeg ik Jonathan of hij een verhaal wilde vertellen voor het ‘verhalenboek’ dat we inmiddels gemaakt hadden. Ja, dat wilde hij wel en hij begon meteen. Jonathan weet alles over de natuur, buiten vangt hij wurmen, vlinders en andere kleine beestjes. Hij weet allerlei planten, bloemen en dieren bij naam en kan daar van alles over vertellen. Het sprak vanzelf dat zijn verhaal over dieren zou gaan. Maar Jonathan is ook een echte jongen, altijd in beweging, hij klimt in de hoogste bomen, wil overal en altijd de sterkste, de snelste, de beste zijn en doet dat het liefst met zoveel mogelijk lawaai. De liefelijkheid van zijn verhaal verbaasde me. Ook het thema groeien en bloeien kwam terug in zijn verhaal, net zoals eerder bij Nadja trouwens. Het spelen van het verhaal deed ik de volgende dag in het speellokaal. Ik grensde een duidelijk speelveld af door daar banken omheen te zetten. Vanaf het moment dat de kinderen weten dat we het verhaal van Jonathan gaan uitspelen ontstaat er een bijzondere dynamiek in de klas. Ze weten nog precies welke rollen er te verdelen zijn en bestoken Jonathan al in de klas met verzoeken om een bepaalde rol te mogen spelen. In het speellokaal lees ik het verhaal nog eens voor, het publiek luistert super geconcentreerd. Jonathan verdeelt heel concentieus de rollen. Zowel meisjes als jongens en zowel jonge als oudere kinderen krijgen een rol. Het verhaal gaat over een poesje, een hondje, en een konijntje die elkaar ‘ontmoeten’ in de wei. Daar spelen ze samen. Ik vraag Jonathan hoe ze dat doen; dat spelen. ‘Nou gewoon, achter elkaar aanlopen. Zo ….’ En hij doet het voor op handen en knieën. Even later kijk ik enigszins verontrust naar de kluwen kruipende, grommende en piepende kinderen op de grond. Het publiek miauwt en blaft enthousiast mee. Ik vraag me af hoe ik hier weer orde in moet krijgen. Voor Lore is dat geen enkel probleem. Ze roept: ‘Hé, dat kan niet, het konijn loopt achter de hond aan.’ ‘Ja’, reageert Jonathan meteen, ‘het konijn loopt ook weg!’ Onmiddellijk hupt het konijn naar de bank en kan ik het verhaal verder voorlezen. Ik denk dat ik al bijna bij het eind ben maar vergeet het stukje waarin de bij en de vlinder bij de bloemen in de wei komen. Terwijl ik anders als leerkracht altijd degene ben die het meeste grip heeft op het verhaal is dat nu andersom. Voortdurend wordt ik gecorrigeerd, aspecten van het verhaal die voor mij onduidelijk zijn worden door de kinderen prima begrepen. Ook weten ze precies hoe ze iets uit moeten beelden en alles gaat met een vaart die ik bijna niet bij kan houden. Na een paar minuten zijn we alweer aan het eind van het verhaal. De net vierjarige Yindee staat heel stil en vol overgave, met haar handen gracieus omhoog, als bloem te bloeien in de wei. Terwijl rond haar de bij zoemt, de vlinder fladdert en de hond, de poes, de muis, het konijn en het molletje met elkaar spelen. Niet lang daarna zijn we allemaal weer terug in de klas en kijk ik terug op een kort, heftig en wervelend gebeuren. Alsof ik even een glimp opving van een kinderwereld die anders altijd verborgen blijft.

Ik weet niet of dit uitspelen van verhalen iets te maken heeft met het vak ‘drama’ of met ‘kunstzinnige oriëntatie’ of met kunst en cultuuronderwijs. Wat ik wel weer heb ervaren is dat de eigen verhalen van kinderen een krachtige bron zijn voor ontwikkelen en leren. Het is niet altijd gemakkelijk en druist misschien wel in tegen de meetcultuur in het huidige onderwijs maar de kinderen laten heel veel betrokkenheid zien en kunnen ineens ook echt meer dan wanneer ik bedenk waar het over moet gaan.

Het liefst zou ik dus de eigen verhalen en ervaringen van kinderen in het hart van mijn onderwijs zetten. En dan is het heel gemakkelijk om de verbinding te maken met kunst en cultuuronderwijs.

..

Meer lezen?

het-begint-met-kijken-en-luisteren---jenthe-baeyens[0]

9780226645032