groep 3

Afscheid van onze ‘treinenman’

.

.

De tekening moet ergens op mijn bureau liggen, het is een opsomming van treinen; stoomtrein, goederentrein, hondenkop, dubbeldekker. Ik vind hem half verscholen onder allerlei andere schoolspullen die moeten worden uitgezocht, geordend en opgeborgen. Het is een van de klusjes die me in het begin van de vakantie altijd helder voor ogen staan. Maar die jammerlijk achter de horizon verdwijnen als de echte ontspanning gaandeweg eindelijk intreedt.

De tekening kreeg ik op de laatste dag voor de vakantie van Chiel. Er waren weken dat ik bijna iedere dag een tekening van hem kreeg. Soms overleefden ze de weg van mijn juffen-bureau via mijn schooltas naar mijn atelier thuis. Daar maakte ik een apart stapeltje, waar ik een dubbelgevouwen A4tje omheen vouwde en ‘tekeningen van Chiel’ op schreef. Ik pluk de tekening van mijn ateliertafel, sluit mijn ogen voor alle blaadjes, boeken, lapjes, lintjes, papiertjes, aantekeningen, frutsels, … en schuif hem tussen het stapeltje ‘tekeningen van Chiel’.

Twee jaar geleden kwam hij bij mij in de klas. Een kleine jongen met bijna rechtopstaand wit haar, een rond koppie, een innemende lach en rode wangen. In het eerste kringgesprek vertelde hij over de ingestorte Morandi-brug in Genua in Italië. Hij deed dat met zoveel details dat ik geschrokken vroeg of hij daar soms langs was gekomen in de vakantie. ‘Nee hoor juf, ik had het op de TV gezien en van mijn vader gehoord.’

Al snel krijg ik de eerste tekening. Er hoort een verhaal bij over de wegen tussen verschillende huizen, de A9, de afsluitdijk en hoeveel kilometer dat allemaal uit elkaar ligt.

.

De tekeningen ontwikkelen zich tot twee schema’s; huizen en auto’s. Vaak staat er aan de ene kant een auto en aan de andere kant een huis. Hij maakt ze geconcentreerd, ergens op een verloren moment in de dag met het materiaal dat toevallig voorhanden is. Soms verbaas ik mij over de nauwkeurigheid waarmee hij vastlegt hoe de wereld in elkaar zit, hoe hij samenvat wat voor hem belangrijk is. En bijna altijd komt hij de tekeningen brengen bij mij. Alsof ik de hoeder ben van zijn gedachten en ideeën.

.

En dan worden huizen en voertuigen voorzichtig met elkaar verbonden. In de tekening van het huis met de weg bijvoorbeeld.

de weg naar

het huis

meer wegen

Als je heel goed kijkt zie je hoe Chiel een ingericht huis tekende, vanuit de voordeur kom je op de weg. Die weg leidt naar een volgend huis of je kunt de afslag nemen het papier af.

.

.

Als snel blijkt de wereld van Chiel eigenlijk te draaien om treinen. Buiten maakt hij treinen door verschillende karren aan elkaar te bevestigen. Binnen construeert hij ingewikkelde treinbanen met bruggen, viaducten en knooppunten. Duplo-huizen met zwembaden, speeltuinen, auto’s voor de deur, slaapkamers en ‘chill-plekjes’ maken het tot een wereld in het klein. Hij woont vlak bij het station waar je vanaf een brug over het spoor alle bewegingen van de verschillende treinen kunt gadeslaan. ‘Morgen ga ik met mijn vader op de trein’, vertrouwde hij me eens toe. ‘Werkt je vader op de trein?’ Maar nee, zijn vader bleek vrachtwagenchauffeur. En zelfs als zijn vader tijdens het project ‘vervoer’ met zijn wagen het schoolplein op komt rijden, de kinderen een voor een de cabine inklimmen en we allemaal diep onder de indruk zijn, blijft hij het zeker weten: ‘ik ga later op de trein werken.’

Ook in zijn tekeningen verschijnen treinen. Een sneltrein, de stoomtrein waarmee hij met zijn vader, moeder en zusje van Hoorn naar Enkhuizen reed.

de stoomtrein

Lange stroken plakband zijn over verschillende delen van de tekening heen geplakt.

de stoomtrein

de sneltrein

trein, boot,

huis, trekker

.

Vaak schrijft Chiel iets naast, bij of achterop zijn tekening. Ik vind zelfs een blad waarop hij het alfabet aan het oefenen is. Met de namen van de juffen en hier en daar een trein, huis of boot natuurlijk.

.

Een tijd geleden kreeg ik tijdens de ‘pauze-hap’ een prachtig inkijkje in zijn wereld. Chiel vertelde dat hij later met Nora ging trouwen en dat ze samen in een huis zouden gaan wonen naast het station. Allebei zouden ze gaan werken op de trein. Als ze dan ‘s avonds weer terugkwamen waren ze snel thuis. Ze zouden baby’s krijgen en die mochten af en toe mee op de trein. Nora zit genoeglijk etend en drinkend een paar stoelen bij hem vandaan en beaamt alles met een tevreden knikje. Maar Nienke is het er niet mee eens. Zíj zou juist samen met Chiel in een huis gaan wonen!! Er wordt wat heen en weer gehakketakt totdat iemand oppert dat ze ook met z’n drieën in een huis kunnen wonen. Loïs heeft ook twee moeders, dus dat kan. Dan kan er vast ook wel een vader bij. Maar nu roert Dunia zich: ‘dat mag niet, kinderen mogen niet zelf in een huis wonen, want dan mist je moeder je te veel’. Er klinkt voorzichtig weerwoord: ‘dan ben je groot en dan mag het wel’, ‘dan ben je geen kind meer’. Maar het blijkt moeilijk om je voor te stellen dat je echt een groot mens zult worden. Chiel reageert niet meer. Zo te zien blijft zijn toekomstdroom stevig overeind. Of misschien is het helemaal niet iets wat zich in de toekomst afspeelt maar in zijn verbeelding, in het nu. Iets dat je kunt spelen, kunt tekenen, maken en vertellen. Zo maak je je gedachten en ideeën concreet en kun je ze verder onderzoeken.

Als we na de lock-down weer met de hele groep naar school gaan kan Chiel op een ochtend bijna niet wachten met vertellen wat er is gebeurd. ‘Ik heb mijn huis gezien!’ ‘Je huis?’ Ik weet even niet waar hij het over heeft. ‘Ja, het huis waar ik in ga wonen met Nora. Het staat tegenover het spoorwegmuseum. Daar was ik, want het was weer open. En het staat nog leeg. Het is langs de snelweg en dan kun je zo over de A2 en de A9 terug naar Alkmaar rijden.’ De andere kinderen zien maar één probleem. ‘Misschien gaat er iemand anders in wonen voordat je groot bent.’ Siem lijkt even bezorgd bij zichzelf naar binnen te kijken en lacht dan opgelucht; er staan nog meer huizen leeg daar, dus als het al weg is dan neemt ‘ie gewoon een andere.

Als ik verschillende tekeningen van het stapeltje van Chiel bekijk hoor ik de verhalen weer, zie ik de bouwwerken, het spel buiten met de karren en binnen in de bouwhoek. De treinen, de huizen die steeds verder worden ingericht, auto’s, boten, wegen en de plekjes daartussen.

.

Ik zal ze missen; de tekeningen van Chiel. Zoals ik alle getekende, vertelde en gespeelde verhalen zal missen die de kinderen maakten en met elkaar verweefden tot juist dat ene grote verhaal van deze groep.

Teacher Tom beschrijft in een van zijn blogs hoe kinderen al jong virtuoze verhalenvertellers worden. Die verhalen beginnen klein, verbonden met de mensen dichtbij. Om zich daarna steeds verder uit te breiden naar de steeds groter wordende wereld. We leren veel van het maken van verhalen: ‘making sense of our world, placing our experiences in context, weaving them into narratives that inform and create and explain and question.’

Chiel, Nora en Dunia gaan na de vakantie met de andere zesjarigen naar groep 3, verder de grote wereld in. Ze zijn er helemaal klaar voor. En ik neem me voor om weer volop te gaan genieten van alle verhalen die opnieuw ontstaan in mijn overgebleven en weer groeiende groepje. Heerlijk!

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

.

.

Vakantie. Dat is een beetje doelloos zwerven langs weilanden, vogellandjes en door nog enigszins verlaten musea. Het is fietsen en wandelen. Samen zijn met familie en vrienden. Een biertje drinken op het achtersteven van een bootje. Het is de eerste kop koffie met je blote benen uitgestrekt in het ochtendzonnetje of het laatste tochtje in de schemering. Maar het is vooral veel herkauwen. Eigenlijk heb ik daar helemaal geen zin in maar het gebeurt gewoon. Dit jaar misschien nog wel meer dan anders.

De afgelopen maanden bolderden we met z’n allen hotsend en botsend over een hobbelig pad van de ene gebeurtenis naar de andere. Soms wisten we de ene week niet hoe de volgende eruit zou zien. We improviseerden, reageerden en losten problemen op terwijl we ons nauwelijks realiseerden wat er nu eigenlijk allemaal gebeurde.

Ongemerkt brak toen toch ineens de laatste schoolweek aan. De kinderen wisten het eerder dan ik. Terwijl mijn eigen hoofd nog vol zat met alternatieve rapporten, telefonische oudergesprekken en de vraag hoe ik de klas schoon kreeg zonder ouderhulp, gedroegen de kinderen zich van de ene dag op de andere zoals altijd vlak voor de zomervakantie. Ze waren druk, ongeconcentreerd en wat ik ook zei of deed het leek geen enkel effect te hebben.

.

.

Duuk haalt voor de zoveelste keer een stapel kaarten te voorschijn. Prachtige kaarten met vreemdsoortige monsters vol met magische krachten. Maar we hebben afgesproken dat hij dat alleen buiten doet, niet als we samen in de kring zitten. Vorige week gebeurde het nog schielijk in de gang of ergens verborgen onder tafel, nu haalt hij als een echte grote, stoere jongen de kaarten in het zicht van iedereen uit zijn broekzak, zijn voeten legt hij daarbij zelfs languit op de vensterbank. Zonder erbij na te denken sta ik op, pak de kaarten af en leg ze op kast. ‘Die krijg je weer terug als we naar huis gaan.’ Ik kijk hem aan en voeg eraan toe dat hij zich zo niet moet gedragen bij zijn nieuwe juf in groep 3, dat ík wel weet dat hij een lieve jongen is maar zijn nieuwe juf nog niet. Dat is oneerlijk want ik weet ook wel dat het lang zal duren voordat hij zich zo gedraagt bij zijn nieuwe juf. Maar het komt aan. Meteen zit hij rechtop en mompelt instemmend. Ook de andere kinderen zijn stil en weer helemaal bereid zich goed te gedragen.

Ik vertel dat morgen de laatste dag is voor de vakantie. Dat ze speelgoed mogen meenemen en zich verkleden als ze willen. Liever geen wapens zoals het grote geweer van Duuk of het sabel van de als piraat verklede Mick, maar iets waar ze samen mee kunnen spelen. Dat we morgen ook afscheid nemen van de kinderen die naar groep 3 gaan en van juf Marion. De vragen buitelen al snel over elkaar heen. ‘Mag je wel speelgoed mee dat geluid kan maken?’ ‘Krijgen we een cadeautje?’ ‘Waarom ga ik ook alweer niet naar groep 3?’ ‘In welke groep zit ik na de vakantie?’ ‘Mogen we wel knuffels meenemen morgen?’ Uit mijn ooghoek zie ik dat Jelle, vlak naast mij, al een tijd lang heel rustig met zijn vinger omhoog zit, zonder dat hij, zoals veel kinderen, alvast gaat praten of die vinger begeleidt met aanzwellende en aandacht vragende geluidjes. ‘De laatste vraag is voor Jelle.’

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

De vraag overvalt me. ‘Uhm, ja, nou …, wanneer ben je dan stout?’ vraag ik wat schaapachtig. Het antwoord is helder en duidelijk: ‘Als ik iets heel graag wil en het mag niet en ik doe het toch’. Ik denk aan de keren dat Jelle iets deed dat je misschien stout zou kunnen noemen. Samen met zijn vriendje Xander bakte hij kleikoekjes op de verwarming zodat de klei in straaltjes naar beneden droop, soms vliegen de auto’s herhaaldelijk over een zelf gebouwde schans door de klas of heeft hij ruzie over hoe het spel moet verlopen met zijn vriendjes. Meer kan ik niet bedenken. ‘Als je nou iets heel graag wil dat niet mag’, zeg ik, ‘als je nou een plannetje hebt waarvan je niet zeker weet of dat wel goed is, kun je het ook gewoon vragen. Misschien mag het eigenlijk wel of misschien kunnen we samen iets anders bedenken zodat niemand er last van heeft.’

Pas als niet alleen Jelle ontspant maar er een zucht van verlichting door de hele groep gaat, besef ik wat een spanning er hing na mijn terechtwijzing van Duuk. Ik maakte de grote stap naar groep 3 nog spannender en verbood daarna zelfs nog eens expliciet het prachtige, met afgunst bekeken, geweer dat hij twee dagen eerder mee naar school nam. Ik zie hoe opgelucht ze zijn nu ze weer weten dat je ergens over kunt praten. Dat we dat wat er is kunnen benoemen. Dat we gewoon samen naar een oplossing kunnen zoeken.

Duuk kreeg zijn kaarten terug en een knipoog die hij welwillend in ontvangst nam. En ik ben achteraf, herkauwend in lege vakantiedagen, trots op mijn groepje. Op de vierjarige Jelle die zo treffend de spanning verwoordde die iedereen voelde. Op al die kinderen die eigenlijk altijd proberen het goede te doen. Trots op de momenten waarop het even lukt: naar elkaar luisteren en elkaar begrijpen.

Werken met jonge kinderen betekent heel veel verhalen maken, vertellen en spelen

.

Het is vrijdagmiddag en minstens 30 graden. We zitten in een ‘binnenkring’ en een ‘buitenkring’, anders past het niet. De kinderen zijn dorstig, moe, zwart van het opgestoven zand buiten en ik heb net allerlei maaksels, tekeningen en briefjes uitgedeeld. Volle plastic tasjes staan tussen rugzakken met bekers, fruitbakjes en broodtrommels. Opgerolde verftekeningen worden toeters, een vergeten beker rolt de kring door en veel warme voetjes zoeken daartussen een vrij plekje op de vloer.

Eigenlijk had ik bedacht om ons thema ‘ik zorg voor jonge dieren’ af te sluiten maar ik aarzel, heb het ook niet echt voorbereid. Ik kijk op de klok; we hebben nog een heel kwartier. Zonder dat ik precies weet waar het heen gaat roep ik hard: ‘trrrrring!!’ Ondertussen kijk ik verschrikt om me heen, kom van mijn kruk en loop richting huishoek. Alle kinderen zijn plotseling stil. ‘Trrrring’, ik loop naar de oude (speel)telefoon. ‘Dat doe je zelf’, roept Duuk. Een aantal oudsten beamen dit. ‘Ja.’ ‘Ja, je doet het zelf.’ Toch kijken ze geïnteresseerd hoe het verder gaat. Ik pak de telefoon en begin te praten. ‘Hé Claudi, wat leuk dat je belt. Ja, ik ben op school, in de klas, ja?’ Ineens is alle dorst, vermoeidheid en hitte vergeten. Eenendertig paar ogen zijn in volle concentratie op mij gericht. Ik zie bij de jongste kinderen bijna hoe hun verbeelding ‘aan’ gaat. Ik praat met Claudi, dat is duidelijk, wie dat dan ook is, ze zien het voor zich. De oudsten aarzelen. Ik praat verder. ‘Ja we hebben alle dieren nog. De poesjes, de kip met de kuikentjes…..’

‘Is het echt?’, vraagt Nora voorzichtig. Dit is een lastige vraag, ze wil weten hoe het zit. Ze weet dat je niet echt kunt bellen met de telefoon in de huishoek. Hoe houd ik de magie van het spel vast en geef ik toch antwoord? Ik vertel, als in een bijzin, dat Claudi echt mijn vriendin is maar dat ik speel dat ze belt met de speeltelefoon. Weer terug op de kruk neem ik de telefoon op schoot en praat verder. ‘Ja, het gaat het goed met de poezen en met de kip en haar kuikens. Oh, wil je dat ze weer bij jou komen?’ Ik leg de hoorn neer en leg uit dat Claudi ook juf is, dat wij alle twee een kast hebben met heel veel spulletjes. Dat we die soms van elkaar lenen. Ik vertel hoe ik (echt!) alle jonge dierenknuffels uit de lades onder juf Claudi’s bed gehaald heb. Hoe ik helemaal onder het bed moest kruipen omdat ze in de achterste la zaten. Maar nu moeten ze dus weer terug.

‘Wat? Weet je niet meer precies hoe je voor ze moet zorgen? Of de kinderen dat weten? Misschien …’ Vragend kijk ik de kring rond. Nora is om. Als het een spel is dan doet ze mee: ‘Iedere dag eten en drinken in een bakje, ze moeten leren poepen en plassen op de kattenbak en ze willen spelen. Ze hebben ook hun pootje gebroken, toen kregen ze gips bij …., bij …’ ‘Bij de dierenarts’, maakt Dunya de zin af. ‘Bij de spoedeisende hulp’, corrigeert Nora. ‘En ze hebben daarna nog een checkup gekregen, ze zijn helemaal goed.’ Alle opgedane kennis wordt gedeeld. ‘Het waren geen acht kittens maar vijf’, weet Duuk. ‘Drie zijn tijgertjes, die hadden we al, die moeten niet bij de poezen want dat is gevaarlijk.’ Ook ik vergeet de warmte en geniet van het spel dat ontstaat. De bijna 5 jarige Sara legt voorzichtig de vader en moederpoes met hun 5 kittens op tafel. Ineens weet ze weer dat dit niet zomaar knuffels zijn, maar jonge dieren waar je goed voor moet zorgen.

Zonder dat het nou speciaal mijn bedoeling was hebben we geëvalueerd wat we samen leerden van het afgelopen thema. In de vorm van een verhaal blijken de kinderen informatie veel beter weer te kunnen oproepen dan als ik ze letterlijk vraag wat ze geleerd hebben. Het verhaal organiseert en structureert hun denken. Bij de jongsten zijn dat nog kleine verhaaltjes die dicht bij de eigen (zintuigelijke) ervaringen en ontdekkingen liggen. Bij mijn zes- of bijna zesjarigen zie ik hoe ze steeds meer grip krijgen op de uitgespeelde verhalen. Ze maken vooraf plannen, kunnen tijdens het spelen overleggen, onderhandelen, commentaar geven, de regels aanpassen en soms de volgende dag verder gaan op het eerdere verhaal. En niet zelden zie ik oudste kleuters samen in de bouwhoek of huishoek zitten praten over wat ze gaan spelen of maken zonder dat er ook maar iets wordt aangeraakt. Het verhaal is taal geworden. – Ze zijn klaar voor groep 3 – denk ik dan tevreden. En ik ben ervan overtuigd dat kleuters die een spelplan maken en samen terugkijken op het spel, later kunnen aangeven wat ze gaan leren en achteraf beter weten wat ze hebben geleerd.

Dus werken met jonge kinderen is heel veel investeren in maken, spelen en verhalen vertellen. Wat heb ik toch een heerlijk vak!

een mindmap over hoe je moet zorgen voor jonge poesjes

Op hoeveel manieren kun je denken?

IMG_1079

‘Wanneer ben ik nou aan aan de beurt?’ Ze had er echt zin in. Na de vakantie zou ze naar groep 3 gaan en ze kende al zoveel letters. Dat wilde ze heel graag laten zien. Toen het eindelijk zo ver was spatte de motivatie er vanaf. Rechtop zat ze op haar stoel. De 2 spierwitte staartjes zwiepten vrolijk in de lucht. Een paar heldere blauwe ogen keken me verwachtingsvol aan. Eerst vroeg ik haar verschillende letters te benoemen. Die van haar eigen naam kende ze wel maar ze wist niet meer precies welke nou ook alweer bij welke klank hoorde. Eerst noemde ze nog willekeurige klanken, later zei ze steeds vaker: ‘weet ik niet’. Uit haar ooghoeken telde ze mijn krulletjes. ‘…… heb ik er maar 5 goed?’ Haar stemmetje werd dun, ze zuchtte en haar schouders zakten naar beneden. ‘Joh, je kent er al 5 en de rest ga je straks allemaal in groep 3 leren!’ probeerde ik haar op te beuren. We gingen verder; nieuwe kansen. Ik vertelde dat ik een woord in stukjes (letters) zou gaan zeggen en vroeg of ze kon horen welk woord het was. Het was de bedoeling dat ik eerst de context aangaf. ‘Het is vaak op een (kinder)boerderij ….’, begon ik. ‘Een paard!’ riep ze meteen enthousiast, weer helemaal rechtop en stralend op haar stoeltje. Ik legde uit dat ik het woordje nog in stukjes moest zeggen, dat ze goed moest luisteren, net zoals we weleens in de kring deden. G – EI – T, spelde ik. Ze wachtte, haar ogen keken naar binnen. Ze maakte kleine gebaartjes met haar handen. ‘Schaap’, zei ze uiteindelijk. Zo ging het vaker. De voet die aan je lijf zit werd een been, de vis een kwal. Op een gegeven moment nam ze de tijd om mij gedetailleerd uit leggen hoe ze het deed. Ze luisterde eerst heel goed in haar hoofd naar de letters. Ze zei ze heel, heel zachtjes, zonder dat ik het kon horen. Daarna maakte ze er een woord van, dan plakte ze de letters gewoon aan elkaar. Ik zag de concentratie waarmee ze bezig was. Ik dacht ook dat ik kon zien wat ze allemaal moest onderdrukken. Als ik vertelde dat het in de zee zwom, kwamen er bijna meteen allerlei beelden op in haar hoofd. Ergens hoorde ze wel het woordje -vis-. Maar dat riep vast ook meteen associaties op met de kwallen die we laatst gemaakt hadden en de filmpjes die we daarbij bekeken, daar zwommen tenslotte ook vissen tussendoor. Maandag begint de school weer en gaat ze echt naar groep 3. Nog steeds vol verwachting en overtuigd van haar eigen kunnen. Toch ben ik ook een beetje bezorgd. Zal er nog aandacht zijn voor al haar vragen en voor de verhalen in geuren en kleuren, die ze vertelt terwijl ze wel op móét staan om alles uit te beelden? Is er nog tijd om te luisteren naar alle aarzelend uitgesproken gedachten? Gaat het ook af en toe nog om andere dingen dan goed of fout? Leerkrachten in groep 3 krijgen niet veel ruimte. De kinderen mogen nog maar 15 minuten naar buiten in de ochtend en eigenlijk ‘s middags helemaal niet meer. In een half uur moet er gegeten, gedronken en buiten gespeeld zijn en moeten de kinderen weer startklaar zitten om zoveel mogelijk ‘effectieve leertijd’ over te houden. Stilzwijgend wordt er dus vanuit gegaan dat je alleen leert van directe instructie en het uitvoeren van doelgerichte opdrachten. Je leert niet van buiten spelen, samen even kletsen, bewegen of dagdromen terwijl je uit het raam staart.

Soms wordt er een onderscheid gemaakt tussen beelddenken en taaldenken. Beelddenken is intuïtief, associatief en zintuigelijk. Doen en ervaren staan centraal. Kleuters zijn nog nog echte beelddenkers. Ze werken graag vanuit het grote geheel, zien vooral de overeenkomsten en willen altijd weten waarom iets is zoals het is. Nieuwe informatie wordt vooral visueel opgenomen, het luisteren is veel minder actief. Kleuters zitten als het ware in het beeld en doen actief mee. In een kleutergroep sluit je daarbij aan. Vanaf groep 3 maakt het onderwijs de overstap naar taaldenken. Het luisteren komt centraal te staan. Regels en volgorde worden belangrijk en de leerkracht biedt alles tweedimensionaal aan. Iets is goed of fout en geen voortdurend veranderend proces. Beelden zijn soms een ondersteuning voor talige informatie maar nooit meer wordt iets eerst visueel aangeboden. Veel kinderen maken zonder moeite de overstap van een voorkeur voor beelddenken naar het denken in taal. Maar niet allemaal!

Het onderwijs is bij uitstek een plek voor taaldenkers. Dat merk ik ook weer op de startvergadering aan het begin van schooljaar. Het pedagogisch klimaat is een speerpunt op onze school en het is prachtig daar de eerste weken wat extra de aandacht aan te geven. Maar dat gebeurt vooral talig. We hebben met elkaar schoolregels gemaakt. Die regels zijn dan wel geschreven in een mooi vormgegeven hand (Wij hebben het samen in de hand). Maar toch … allemaal taal. Iedere groep maakt zijn eigen ‘Gouden Regels’ en we houden kringgesprekken. Natuurlijk kun je alles ‘vertalen’ naar beelden, ervaringen, beweging. Toch blijft de ingang en het uitgangspunt talig. Ook het testen, toetsen en de rapportage is onderwerp van gesprek. Daarbij wordt lang stil gestaan bij de weging van verschillende toets-vormen en de objectiviteit. In de kleutergroepen moeten we dit jaar na iedere les uit de methode aftekenen welke kinderen het aangegeven ontwikkelingsdoel beheersen. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld na een kringgesprek moet invullen welke van de 25 kinderen nog niet hun mening kunnen geven. Ik kan daar buikpijn van krijgen. Dus een klein beetje meer beelddenkerij in het onderwijs kan vast geen kwaad. Er zijn zoveel manieren waarop je kunt denken.

 

Afscheid

IMG_4334

IMG_4332

 

 

 

 

 

 

 

…….

 

….

….

Ooit zei een vader die een-vakantie-lang met zijn puberdochters naar een soap keek: ‘ik snap niet waarom, maar iedereen geeft elkaar de hele tijd cadeautjes, dat maakt dan alles goed. Of niet natuurlijk en dan hebben ze ruzie, in ieder geval tot het volgende cadeautje.’

De laatste schooldag lijkt wel een beetje op zo’n soap. En ik ben in ieder geval heel blij met alle cadeaus die ik van de kinderen krijg. Met alle dozen chocolade, het badschuim, de lekkere geurtjes, de prachtige lavendel en fuchsia en vooral de mooie tekeningen, zelfgemaakt doosjes, bordjes en schilderijtjes. ‘Waarom krijg je cadeautjes?’ vraagt een net 4 jarige verbaasd. Dat weten de gulle gevers eigenlijk ook niet. En een vader fluistert zijn zoon nog snel even in dat hij moet bedanken voor het leuke jaar.

Twee weken eerder is het begonnen. Sindsdien hangt er iets in de lucht. Maar veel 4 en 5 jarigen weten niet precies wat. Het is tenslotte de eerste keer dat ze het einde van een schooljaar meemaken. Niels komt vertellen dat hij ’s middags niet naar school komt, hij moet naar de podoloog. Hij zegt het half verontschuldigend met een onzeker lachje. ‘Vind je het eng?’ vraag ik. ‘Nee, maar ik ben dan niet op school’. De middag zelf komt hij toch in de klas. ‘Hij moest en zou je nog gedag zeggen’, vertelt moeder. ‘Hij denkt dat hij je nooit meer ziet, geloof ik.’

De klas wordt steeds leger. Al het materiaal wordt gewassen, alles geordend, opgeruimd en meegegeven. Ineens is er een groot verschil tussen de kinderen die volgend jaar naar groep 3 gaan en de kinderen die blijven.  En dan komt die laatste schooldag met de cadeautjes en een kaartje van juf voor de kinderen van groep 2. De zomer is losgebarsten dus we spelen lekker veel buiten. Toch kan Isabelle haar draai niet vinden. Ze wil zo graag spelen met haar nieuwe vriendinnetje Lotte. Maar Lotte heeft alleen maar oog voor Naomi. Naomi die volgend jaar naar groep 3 gaat. Isabelle klaagt dat ze niet mee mag doen. ‘Zou dat misschien komen omdat ze elkaar volgend jaar niet zo vaak meer zien?’ Daar moet Isabelle even over nadenken. Dan licht haar gezicht op van het nieuwe inzicht. ‘Ik ga mijn groep 2 vriendinnen missen! Daarom ben ik verdrietig. Ik ga Anouk en Pip en Lotte zo missen.’ En ze stapt op Anouk af die toevallig in de buurt is en omhelst haar zo lang en stevig dat het lijkt of ze haar nooit meer los zal laten. Tobias zit het van een afstandje allemaal te bekijken. ‘Ik ben een beetje ziek’ zegt hij, terwijl hij tegen mij aanhangt. ‘Misschien ga je ook de kinderen die naar groep 3 gaan missen? opper ik. ‘Wat is dat, missen?’ Ik leg uit dat hij het dan jammer vindt dat hij volgend jaar Boris en Iza en de andere kinderen van groep 2 niet meer zo vaak ziet, dat je daar dan een beetje verdrietig van wordt. ‘Nee’, antwoord Tobias, ‘dat heb ik niet. Ik ben gewoon ziek.’ In de klas maken Lotte en Naomi allebei een identieke tekening, terwijl ze dicht naast elkaar aan één tafel zitten. Daaronder schrijven ze hun namen. Ik mag op een blaadje voorschrijven: Lotte en Naomi zijn beste vriendinnen voor altijd. In opperste concentratie maken ze een begin met het naschrijven.

En zo begint de vakantie. Alle cadeautjes ingepakt, de laatste groepswerken verloot, iedereen nog een dikke knuffel en het schooljaar is voorbij.

IMG_4347

IMG_4342