maken

Waarom kleuterjuffen soms zo moeilijk doen

.

‘Juf, ik wil iets vragen.’ De kinderen spelen na de lunch nog even buiten en Isa komt opvallend netjes en beleefd naast mij lopen als ik na mijn korte pauze weer terugkom op het plein. ‘Ik weet wel dat het kaartje van het knutselen niet op het kiesbord hangt maar mag ik misschien toch alstublieft iets maken? Want het moet voor Stijn, want die was verdrietig.’ In mijn hoofd ga ik razendsnel alle geplande activiteiten na: kleine kringen en ander ‘doelgericht’, ‘gestructureerd’ aanbod dat ik heb voorbereid. Om tijd te winnen vraag ik door en ik hoor dat Stijn verdrietig was omdat hij zijn moeder miste. ‘Wat wil je dan maken?’ vraag ik. Ze fronst haar voorhoofd, beweegt alvast wat met haar handen en dan komt daar ineens dat woord: een KOMPAS. ‘Ik ga een kompas maken! Die kun je omdoen en die is altijd bij je als je je vader en je moeder mist.’ Ik ben verrast door de efficiëntie van dat onalledaagse woord. Een kompas dat de weg wijst zodat je wat verder de grote wereld in kunt stappen maar ook altijd weet hoe je snel terug kunt naar je vertrouwde, veilige thuis. Isa kent het gevoel goed. Ze mist zelf, ondanks dat ze al dik 5 jaar is, nog regelmatig haar vader, moeder, broertje en zusje als ze op school is. En het is me al vaker opgevallen hoe gevoelig ze is voor de emoties van anderen.

Natuurlijk ben ik allang om en gaat Isa binnen aan de slag met papiertjes, stiften, plakband, een schaar, een prikpen en wol. De ietwat verbouwereerde Stijn krijgt een piepklein papiertje aan een draadje omgehangen met daarop getekende knopjes. Daarna gaat ze in één moeite door met een kompas voor zichzelf. Noa, die vandaag na school ook nog naar de buitenschoolse opvang moet, wil ook wel zo’n kompas. Samen werken de meiden verder. Noa krijgt gedetailleerde instructies maar geeft er toch haar eigen draai aan. Op een langwerpig stuk papier tekent ze haar hele familie. Dit moet als een band om haar arm komen. ‘Hoe heet het ook alweer?’ hoor ik haar een aantal keer vragen. ‘Een kompas.’ Het woord begint rond te zingen in de klas. Aan het eind van de middag is Noa intens gelukkig met mijn plakbandje dat de armband compleet maakt. ‘Nu hoef ik nóóit meer naar huis want ik heb een kompas’.

De volgende dag is het Nienke die heel verdrietig is als haar moeder, na een prachtige ‘doktersdemonstratie’ bij ons in de kring, toch naar huis gaat. Ze blijft hartverscheurend huilen en ineens herinner ik mij het kompas van gisteren. Noa spring op en zoekt haar hele lijf af. De armband is weg maar in haar hoofd is ‘ie er nog. Nienke’s verdriet is meteen verdwenen als Isa uitlegt hoe het werkt. En ja, natuurlijk wil ze die wel even met haar maken. Samen wordt druk overlegd. Er moet een moeder getekend worden. Hartjes zijn ook heel belangrijk. Volgens Isa moeten er knopjes bovenaan om je vader en moeder te kunnen bellen. Nienke doet die toch liever aan twee kanten naast de moeder want dat werkt veel beter. Het kompas van Isa komt weer aan een ketting dichtbij haar hart te hangen terwijl dat van Nienke als een vliegertje achter haar aan wappert.

Bijna iedere kleuterleerkracht zal het herkennen; hoe je iedere dag weer balanceert tussen het formele onderwijsaanbod en het improviseren rond al die grote en kleine gebeurtenissen in een groep 1/2. Hoe de kinderen vaak iets anders en misschien wel veel meer leren dan jij van te voren kon bedenken. Zoals Isa, Noa, Nienke en misschien ook Stijn hebben geleerd hoe je betekenis kunt geven aan een ervaring door iets te maken. Hoe je woorden kunt geven aan een gevoel. En hoe je dat tot in detail met elkaar kunt bespreken. En misschien nog wel het allerbelangrijkste: hoe je je in een ander kunt verplaatsen. Jonge kinderen kunnen nog niet op een andere manier leren dan vanuit dat ene moment dat nu betekenis voor hen heeft. En dát is waarom kleuterjuffen vaak zo moeilijk doen als het gaat om het halen van formele leerdoelen.

De magie van het maken

.

Eigenlijk heeft ze geen tijd voor de gewone begroeting van iedere ochtend. Ze moet hoognodig iets heel belangrijks vertellen:

‘Ik heb magische krachten gekregen van Isa!’

Na de uitroep staat ze stil, kijkt schuin omhoog, alsof zich daar nog een spoor van de magie bevindt. Haar tante lacht, net zoals een paar andere moeders en vaders die hun kind naar school brengen. ‘Goh’, zeg ik, ‘wat goed, kan ik ook van die krachten krijgen?’ ‘Nee, het moet met de toverstok. Isa, heeft een toverstok; zo!’ Ze springt omhoog, komt neer met haar benen wijd, spreidt haar armen uit en zwaait met de denkbeeldige toverstok. ‘Nu kan alles in ijs veranderen en dan gaat het sneeuwen. Maar het moet wel buiten.’ Ik herken het Frozen-thema maar denk ook dat Nienke een belangrijke stap in haar ontwikkeling heeft gezet. Niet alleen kan ze zich van alles voorstellen, ze kan ook aanhaken bij de voorstellingen en verhalen om haar heen. Als we later die dag buiten spelen zie ik het weer. De kinderen spelen ‘ijskoning’. Er is een ijskoningin met twee baby’s waarvan er één opgroeit en de ander klein en afhankelijk blijft, er is een ijspaleis, een koets met een paard ervoor en een oppasser voor de baby’s en het paard. Het ijspaleis bevindt zich op een heuveltje, banden en planken zijn bedden en tafels, scheppen laten zien waar de deur is, er zijn emmers waarvan mij de functie niet helemaal duidelijk is maar voor de kinderen die meespelen is het zonneklaar. Soms wordt er onderhandeld en verandert een bed met een kleine ingreep in een tafel of ontstaat er een stal in het paleis. Kinderen die zich niet houden aan deze ongeschreven regels over wat iets voorstelt worden onverbiddelijk weggebonjourd. Een paar weken geleden had Nienke nog veel moeite met het vinden van aansluiting bij het spel van anderen, nu doet ze helemaal mee.

Als we naar binnen gaan is Isa, die de magie van het maken tot in de puntjes beheerst, verdwenen. Ze blijkt al in de klas te zijn. Op de grond in de deuropening is ze bezig met een takje, een blaadje en plakband. Tijdens de speelwerktijd, later, gaat ze verder. Sil vraagt aan mij wat Isa toch aan het doen is. Ik hoor mijzelf terug als Isa antwoordt dat hij dat aan haar moet vragen dat ze het dan wel zal vertellen. Ze maakt namelijk een indianenhoed.

De tekentafel met verschillende formaten papier, potloden, stiften, plakband, een perforator en draadjes en lintjes is favoriet tijdens het spelen en werken. Ook Nienke schuift aan. Aandachtig kijkt ze toe hoe Anne een echt tasje maakt van papier; er kan iets in, er zit een hengsel aan en het is aan de buitenkant mooi versierd. Dat wil ze óók. Worstelend, soms stampvoetend omdat het niet lukt, krijgt ze het voor elkaar om ook een tasje te maken. ‘Het is dezelfde als van Anne maar toch een beetje anders gemaakt’, legt ze later uit in de kring.

Steeds vaker denk ik dat het een van de belangrijkste ontwikkelingen is in de kleutertijd; het maken en gebruiken van symbolen en het begrijpen van de symbolen van anderen. Dit leren kinderen door te spelen én door te ‘maken’. En al die letters, cijfers en teksten, die tenslotte ook allemaal symbolen zijn, gedijen later veel beter in een goed ontwikkeld symbolisch denken.