verhalen vertellen

Werken met jonge kinderen betekent heel veel verhalen maken, vertellen en spelen

.

Het is vrijdagmiddag en minstens 30 graden. We zitten in een ‘binnenkring’ en een ‘buitenkring’, anders past het niet. De kinderen zijn dorstig, moe, zwart van het opgestoven zand buiten en ik heb net allerlei maaksels, tekeningen en briefjes uitgedeeld. Volle plastic tasjes staan tussen rugzakken met bekers, fruitbakjes en broodtrommels. Opgerolde verftekeningen worden toeters, een vergeten beker rolt de kring door en veel warme voetjes zoeken daartussen een vrij plekje op de vloer.

Eigenlijk had ik bedacht om ons thema ‘ik zorg voor jonge dieren’ af te sluiten maar ik aarzel, heb het ook niet echt voorbereid. Ik kijk op de klok; we hebben nog een heel kwartier. Zonder dat ik precies weet waar het heen gaat roep ik hard: ‘trrrrring!!’ Ondertussen kijk ik verschrikt om me heen, kom van mijn kruk en loop richting huishoek. Alle kinderen zijn plotseling stil. ‘Trrrring’, ik loop naar de oude (speel)telefoon. ‘Dat doe je zelf’, roept Duuk. Een aantal oudsten beamen dit. ‘Ja.’ ‘Ja, je doet het zelf.’ Toch kijken ze geïnteresseerd hoe het verder gaat. Ik pak de telefoon en begin te praten. ‘Hé Claudi, wat leuk dat je belt. Ja, ik ben op school, in de klas, ja?’ Ineens is alle dorst, vermoeidheid en hitte vergeten. Eenendertig paar ogen zijn in volle concentratie op mij gericht. Ik zie bij de jongste kinderen bijna hoe hun verbeelding ‘aan’ gaat. Ik praat met Claudi, dat is duidelijk, wie dat dan ook is, ze zien het voor zich. De oudsten aarzelen. Ik praat verder. ‘Ja we hebben alle dieren nog. De poesjes, de kip met de kuikentjes…..’

‘Is het echt?’, vraagt Nora voorzichtig. Dit is een lastige vraag, ze wil weten hoe het zit. Ze weet dat je niet echt kunt bellen met de telefoon in de huishoek. Hoe houd ik de magie van het spel vast en geef ik toch antwoord? Ik vertel, als in een bijzin, dat Claudi echt mijn vriendin is maar dat ik speel dat ze belt met de speeltelefoon. Weer terug op de kruk neem ik de telefoon op schoot en praat verder. ‘Ja, het gaat het goed met de poezen en met de kip en haar kuikens. Oh, wil je dat ze weer bij jou komen?’ Ik leg de hoorn neer en leg uit dat Claudi ook juf is, dat wij alle twee een kast hebben met heel veel spulletjes. Dat we die soms van elkaar lenen. Ik vertel hoe ik (echt!) alle jonge dierenknuffels uit de lades onder juf Claudi’s bed gehaald heb. Hoe ik helemaal onder het bed moest kruipen omdat ze in de achterste la zaten. Maar nu moeten ze dus weer terug.

‘Wat? Weet je niet meer precies hoe je voor ze moet zorgen? Of de kinderen dat weten? Misschien …’ Vragend kijk ik de kring rond. Nora is om. Als het een spel is dan doet ze mee: ‘Iedere dag eten en drinken in een bakje, ze moeten leren poepen en plassen op de kattenbak en ze willen spelen. Ze hebben ook hun pootje gebroken, toen kregen ze gips bij …., bij …’ ‘Bij de dierenarts’, maakt Dunya de zin af. ‘Bij de spoedeisende hulp’, corrigeert Nora. ‘En ze hebben daarna nog een checkup gekregen, ze zijn helemaal goed.’ Alle opgedane kennis wordt gedeeld. ‘Het waren geen acht kittens maar vijf’, weet Duuk. ‘Drie zijn tijgertjes, die hadden we al, die moeten niet bij de poezen want dat is gevaarlijk.’ Ook ik vergeet de warmte en geniet van het spel dat ontstaat. De bijna 5 jarige Sara legt voorzichtig de vader en moederpoes met hun 5 kittens op tafel. Ineens weet ze weer dat dit niet zomaar knuffels zijn, maar jonge dieren waar je goed voor moet zorgen.

Zonder dat het nou speciaal mijn bedoeling was hebben we geëvalueerd wat we samen leerden van het afgelopen thema. In de vorm van een verhaal blijken de kinderen informatie veel beter weer te kunnen oproepen dan als ik ze letterlijk vraag wat ze geleerd hebben. Het verhaal organiseert en structureert hun denken. Bij de jongsten zijn dat nog kleine verhaaltjes die dicht bij de eigen (zintuigelijke) ervaringen en ontdekkingen liggen. Bij mijn zes- of bijna zesjarigen zie ik hoe ze steeds meer grip krijgen op de uitgespeelde verhalen. Ze maken vooraf plannen, kunnen tijdens het spelen overleggen, onderhandelen, commentaar geven, de regels aanpassen en soms de volgende dag verder gaan op het eerdere verhaal. En niet zelden zie ik oudste kleuters samen in de bouwhoek of huishoek zitten praten over wat ze gaan spelen of maken zonder dat er ook maar iets wordt aangeraakt. Het verhaal is taal geworden. – Ze zijn klaar voor groep 3 – denk ik dan tevreden. En ik ben ervan overtuigd dat kleuters die een spelplan maken en samen terugkijken op het spel, later kunnen aangeven wat ze gaan leren en achteraf beter weten wat ze hebben geleerd.

Dus werken met jonge kinderen is heel veel investeren in maken, spelen en verhalen vertellen. Wat heb ik toch een heerlijk vak!

een mindmap over hoe je moet zorgen voor jonge poesjes

Ons fotoboek

.

Iedereen knikt instemmend als Gijs vertelt over die keer dat zijn vinger gebroken was. ‘Weet je nog juf, toen zag je het gips om mijn vinger’. ‘Ja’, ‘ja’, klinkt het van alle kanten. ‘Ja, toen lag je in bed in het ziekenhuis en toen zag je dat’. Ik zoek naarstig mijn herinneringen af maar kan geen moment vinden waarin ik Gijs met gips of mitella ben tegengekomen of berichten kreeg over een ziekenhuisopname. Totdat Lisa zegt dat er toen ook een foto was gemaakt. Dan begint me iets te dagen. Dit schooljaar ben ik weer eens gestart met een ‘klassen-fotoboek’. Alle kinderen kregen een blad mee met hun naam erop, dit konden ze vullen met foto’s van thuis. Al gauw kwamen de bladen terug, vaak gevuld met veel kleine fotootjes. De kinderen thuis, met papa en mama, broertjes en zusjes, hun speelgoed, een huisdier, samen met vriendjes en vriendinnetjes in hun eigen kamer, in de tuin, buiten op straat of op een verre vakantiereis. Zo zit er in het boek ook een blad met foto’s van Gijs. Op een van de foto’s zien we de twee of driejarige held in bed met zijn hand in het gips.

Het fotoboek is al snel favoriet. Als de kinderen die klaar zijn met de lunch nog even een boekje mogen lezen vindt er een ware stormloop op ons fotoboek plaats. Vooraf worden alvast afspraken gemaakt; ‘mag ik na jou?’ ‘En daarna ben ik aan de buurt’, ‘en ik’, ‘en ik’. De broodjes zijn ineens snel op. Het bekijken van de fotobladen gaat snel en de aandacht lijkt vluchtig. Toch krijgen ze er geen genoeg van om steeds opnieuw dezelfde foto’s te bekijken. Ondertussen wordt alles benoemd; wie is wie, waar zijn ze, wat gebeurt er? Om dat meteen te relateren aan hun eigen ervaringen; ‘dat was het zwembad, daar was ik ook, in het rode badje zit ik.’ ‘Mijn poes is zwart.’ ‘Mijn poes is dood’. Of; ‘Wow, dat zijn veel pannenkoeken, lekker!’

Nelson (2009) schetst in haar boek ‘Young minds in possible worlds’ hoe de wereld van kinderen vanaf een jaar of 4 snel groter wordt. Steeds beter kunnen ze zich dingen voorstellen die er op dat moment niet zijn maar die misschien lijken op iets wat ze zelf ongeveer zo hebben meegemaakt. En steeds meer maken ze een (autobiografisch) verhaal van de betekenisvolle gebeurtenissen in hun leven. Die verhalen worden verknoopt met die van anderen waarover ze hoorden, die ze zagen op TV (of fotoboek) of voorgelezen kregen. En altijd zijn zijzelf het stralende middelpunt. Zo ontstond in mijn groep van vorig jaar de gewoonte om als we naar een filmpje keken meteen de rollen te verdelen. ‘Ik ben die vaderleeuw’, ‘en ik de moeder’, ‘en ik ben dat babyleeuwtje’. Om daarna op te springen, te grommen en mee te bewegen met alle acties. De scheidslijn tussen de eigen ervaring en die van anderen is nog dun en vloeibaar.

Jezelf in de wereld leren kennen; het verklaart de gretigheid om steeds opnieuw dezelfde foto’s te zien. En het is genieten om dat van dichtbij mee te maken.

De kleur van een voorjaarsvakantie

IMG_5390

 

..

De kleur van sneeuwklokjes in wittig groen gras onder een blauwe lucht, de paarse en lila krokusjes overal. Veel zon en langs waaiende wolken, grijswit, blauwgroen. Eten op de houten tafel onder het zachte licht van de lamp met vrienden, alle kleuren worden warm en gloeiend dan. Het licht door de gekleurde glas-in-lood ramen in de sauna in Amsterdam en de knalgroene supergezonde smoothy na afloop. En dan alle kleur in de foto’s uit het atelier die ik de afgelopen tijd maakte. Af en toe achter de laptop: kijken en plakken en schrijven. Proberen al die kleine verhalen te vertellen. Het zijn er te veel. En het zijn er natuurlijk altijd nog veel meer. Zie hier het resultaat. De kleur van een voorjaarsvakantie.