kleuters

hoe om te gaan met de ‘corona-crisis’ in een kleuterklas?

.

.

Met gebogen hoofd wacht hij af. Chiel hoeft nooit te kijken op onze ‘welkoms-poster’ hoe hij gedag wil zeggen. Hij geeft een knuffel, altijd. Maar ook zonder te kijken weet hij dat de knuffel er niet meer bij hangt. ‘Een sprongetje is ook leuk’ probeert zijn moeder. ‘Of een knipoog, dat kan je zo goed?’ De rij met ouders, kinderen, BSO-juffen en een enkele oma of opa wordt langer en drukker. ‘Een losse handen knuffel?’ probeer ik. Zonder iets te zeggen neemt Chiel een aanloop en botst met zijn hoofd naar voren tegen mijn buik. Onze armen en handen zweven ergens in de lucht rakelings langs elkaar heen. Isa denkt minder lang na, voordat ik er erg in heb heeft ze me al stevig omhelsd.

Het was een rare dag, afgelopen vrijdag. Vaker en grondiger je handen wassen, geen handen schudden, twee meter afstand houden, ook bij een lichte verkoudheid thuis blijven en vooral je gezond verstand gebruiken. Ook op school raken we steeds meer doordrongen van de noodzaak. Maar….. hoe je dat in een kleuterklas. De meeste kinderen houden zich keurig aan de alternatieve begroetingen. Maar voor ze binnen zijn lopen ze samen met zeker 200 andere kinderen en volwassenen door de gang. Voor en na het eten wassen we allemaal onze handen. Sommige kinderen bij de twee kraantjes in de klas, sommigen bij de wc’s in de gang die door 100 andere kleuters gebruikt worden. Wanneer ik de één met veel plezier zie spetteren, de ander keurig het geleerde ritueel zie uitvoeren, zie dat de derde alvast maar gaat zitten omdat het te lang duurt en ik uit mijn ooghoek opmerk hoe de gang uitnodigt tot waterpret, denk ik dat ik dit toch anders moet aanpakken. Volgende keer in twee rijen, en goed controleren? Voor en na de pauze-hap en de lunch is vier keer handen wassen. Is dat genoeg? Hoeveel handjes gaan er in een mond en daarna in de bakken met duplo of blokken of lego? In de huishoek dekken de kinderen enthousiast de tafel en eten hun zogenaamde eten van echte bordjes met echt bestek. Daarbij gaat er vaak een echte lepel in een echte mond. De kinderen die een beetje verkouden of snotterig zijn blijven thuis. Maar zijn kleuters niet altijd een beetje snotterig? De schoonmaker heeft de opdracht gekregen om in de 7 minuten die hij heeft om iedere klas schoon te maken nu ook de deurknop af te doen. Dat doet hij keurig en met handschoenen aan. Maar als ik mijn ogen sluit zie ik zonder moeite een leger gemene corona-bolletjes zich verspreiden in bakken met speelgoed, op tafels, vensterbanken en in kasten.

Hoe verder de dag vordert, hoe groter mijn onzekerheid. De banaan van Isa blijkt geplet in haar tas en hij verdwijnt in de prullenbak. Net als anders krijgt ze van haar klasgenootjes de stukjes fruit die ze kunnen missen. Ai, niet zo handig misschien? Dex roept dat Annemeike een bloedneus heeft en helpt haar meteen alvast maar met neuspoetsen. Sinds een paar weken heeft Evi de gewoonte aangenomen om van alles in haar mond te stoppen. De kinderen hebben mijn gealarmeerde ‘juffen-toontje’ overgenomen: ‘Evi heeft iets in haar mond!’ klinkt het regelmatig. Dit heeft tot gevolg dat Evi nog voordat iemand iets kan zeggen alles weer uitspuugt, zonder dat we het nog terug kunnen vinden. Aan het eind van de dag reageren de kinderen verbaasd als Flip de logeerbeer niet mee mag. ‘Het is toch vrijdag?’ Maar oh ja, dat virus. ‘Zitten al die kleine beestjes dan ook op Flip?’ Isa heeft het op TV gezien: ‘het is een wedstrijd maar ze doen een beetje dom, daarom gaan ze niet winnen.’

Thuis gekomen volg ik enigszins gealarmeerd het nieuws over het al of niet sluiten van scholen. Weten de experts wel hoe het er in een (kleuter)klas aan toe gaat? Weten ze hoe vol, veel, bewegelijk, snotterig en zintuiglijk een groep jonge kinderen is? Weten ze hoeveel opa’s en oma’s er rond lopen in school? Wanneer ik beelden zie van schoolklassen in het journaal zitten er nooit meer dan 15 kinderen keurig aan schone tafels in ruime lokalen. Geen overvolle gangen en krioelende kinderen.

Maar als het weekend vordert krijg ik een steeds genuanceerder beeld. Ook over mijn eigen rol. Ik begrijp dat niemand weet waarom maar dat kinderen en jongeren echt (bijna) niet ziek worden. Dat het nog wel de vraag is of die kinderen al dan niet het virus kunnen verspreiden. En als dat wel zo zou zijn, dan moeten we ons vooral zorgen maken om onze jongsten volgens de kinderarts Louis Bont. Ik begrijp dat het er niet om gaat te voorkomen dat jijzelf of iemand anders ziek wordt maar dat we met elkaar proberen om de besmettingen te vertragen om zo de druk op de ziekenhuizen en de intensive car zo laag mogelijk te houden. En ik begrijp dat er van alles in elkaar grijpt en door elkaar loopt terwijl er ook nog heel veel nog onbekend is.

Toch ben ik blij en opgelucht dat net het besluit is genomen de scholen te sluiten met uitzondering voor de kinderen van ouders in vitale beroepen.

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de wc; 2

Enkele lezers spraken hun zorg uit naar aanleiding van mijn blog van vorige week. Ik wil daarom het verhaal even in context plaatsen.

Evi heeft niet speciaal moeite met toiletbezoek. Als dat wel het geval was geweest had ik daar nooit zo’n vrolijk verhaaltje over geschreven. Soms is het zo dat er bij kinderen wél meer speelt rond zindelijkheid en het naar de wc gaan op school. Het spreekt vanzelf dat we daar in de klas heel zorgvuldig mee omgaan. Ook is het niet zo dat Evi de wc-gang gebruikt als middel om voortdurend de grenzen af te tasten. Die dag was gewoon een dag waarop ze een ontdekking leek te doen.

Evi is wel een vrolijke, springerige, jongste kleuter. Ze vind het moeilijk om stil te zitten, gaat graag op ontdekking en geniet met volle teugen van alles wat er gebeurt. Ze leert door te doen. En al spelend, rommelend met allerlei dingetjes, haar zintuigen wijd open, verkent ze waar de grenzen liggen. Soms stuit ze op zo’n grens en meestal accepteert ze zonder morren dat het zo dus gaat in de klas; op school; in de wereld.

Soms vergeten we misschien aan te sluiten bij deze sensomotorische manier van leren van jonge kinderen, die vraagt om een bedding van routines, rituelen en ritme, vraagt om voorspelbaarheid; zo doen we dat samen bij ons in de klas. Daarin kan een kind, samen met de andere kinderen, met zichzelf als stralend middelpunt, de wereld gaan ontdekken. Zo ontwikkelt een kind grip op zichzelf en de omgeving.

Iedere kleuterleerkracht weet dat het altijd begint met een veilig klimaat in de klas. Een groep waarin duidelijk is wanneer je naar de wc mag en wanneer niet. Maar waar je ook het vertrouwen hebt dat juf weet wanneer je echt niet langer kunt wachten. Waar juf niet boos wordt wanneer je impulsief een hap neemt van die heerlijke appel die naast je op de bank ligt te glimmen voor je buurman maar wel even zegt dat dat niet hoort. Waar juf een stukje uit je appel snijdt als je buurvrouw daar zomaar een hap uit nam en waar je het laatste stukje weg mag gooien als de appel uiteindelijk toch niet meer zo lekker smaakt. Waar je leert hoe je zelf met een emmer en een dweiltje de omgevallen beker weer opruimt. Waar je met veel plezier samen oefent hoe en wanneer je met het nieuwe zeeppompje je handen wast door goed te kijken en dat precies na te doen. En waar je ineens heel stil en rustig in de rij kunt staan als er boven je hoofd, speciaal voor jou, een toversleutel vliegt die je uit de lucht kunt pakken om je mond mee op slot te doen. En die juf geniet dan weer van die jongen, net 4 weken op school, die haar toevertrouwt dat hij de sleutel niet, zoals wij allemaal, weggooit maar hem in z’n zak stopt. Zo kan hij altijd zijn mond weer open maken. Wat een zelfsturing!

In deze context experimenteerde Evi met in de kring zitten en naar de wc gaan.

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de WC

meisjes- en jongenskleren

.

S’ochtends in de kring is het niet ongewoon dat Evi haar vinger opsteekt; ‘juf, ik moet echt, echt heel nodig naar de wc!’ Ondanks het demonstratieve geschuifel op de stoel is mijn antwoord meestal nee. De ervaring leert dat het zitten in die kring haar gewoon een beetje te lang duurt en dat als ik haar laat gaan er nog tien anderen echt geen minuut langer meer kunnen wachten.

Vandaag wordt het wc-bezoek uitgesteld tot later op de ochtend. De onderwijsassistente komt haar tijdens de speelwerktijd tegen in de wc-ruimte. Daar staat ze, wijdbeens, kaplaarzen aan, tussen klapperende deurtjes temidden van het kindergewoel. ‘Ik moet echt heel nodig plassen!’ roept ze vrolijk terwijl ze direct maar de daad bij het woord voegt. Haar laarzen stromen vol. Met grote interesse volgt ze hoe de onderwijsassistente op zoek gaat naar schone, droge kleren. In haar rugzak vinden ze wel een broek maar geen sokken. In de mand met reservekleding blijken naast sokken ook leggings en een maillot te liggen. Er is zelfs een bloemetjes-broek en iets dat op een rokje lijkt. Eigenlijk wil ze wel een jurk aan of een rok, kan dat ook? Maar nee, ze krijgt alleen de sokken.

Een uurtje later komt ze naar mij toe: ‘Ik heb per ongeluk in mijn broek geplast, echt per ongeluk.’ Voor sommige kinderen is dat een hele gebeurtenis zo niet voor Evi. Gezellig kletsend gaan we weer op zoek naar droog ondergoed. De mand kent ze al en nee hoor, geen probleem; ze doet de kleren zelf wel even aan.

Als ze vlak voor de lunch weer komt melden dat haar broek nat is, vis ik de laatste onderbroek uit de steeds leger wordende mand. ‘Dit is echt de laatste keer hoor! Dan zijn ze op.’ ‘Moet ik dan een jongensonderbroek aan?’ vraagt ze enthousiast. ‘Zitten die in de andere mand?’ Ze wil ze wel even zien en kijken wat dan eigenlijk het verschil is.

En natuurlijk: Als ik buiten kom na mijn eigen korte pauze heeft ze toch weer, een heel klein beetje, in haar broek geplast. ‘Maar het ondergoed was op, weet je nog?’ ‘Er is toch nog een jongensonderbroek, die wil ik wel hoor!’ Ze kijkt me verwachtingsvol maar ook wel wat uitdagend aan. Ik zie dat de schade dit keer beperkt is gebleven en zeg dat we dat niet gaan doen. ‘Oké!’ En weg is ze. Weer een hoop geleerd over hoe het gaat in de wereld en hoe je daar zelf in kunt bewegen.

Thuis wordt genoten van de gebeurtenis die tijdens een wandeling weer bij mij op plopt en waar ik natuurlijk in geuren en kleuren over vertel. Iedere keer dat manlief daarna iets in de krant leest over burgerschapsvorming in het primair onderwijs hoor ik hem gniffelen en zegt hij ‘maar de beste les in burgerschap is toch uitproberen hoe vaak je in je broek kunt plassen, welk ondergoed je daarna uit kunt zoeken en wanneer de grens is bereikt’.

Samen nadenken in de kring

.

Zou onderwijs dat recht doet aan de ontwikkeling van het jonge kind een al te cognitieve benadering af moeten wijzen? Moeten kinderen zich eerst veilig voelen, leren (samen)spelen en een taakje af kunnen maken voordat ze werkelijk kunnen gaan leren? Beginnen kinderen pas op een zekere leeftijd met nadenken en reflecteren? Helma Brouwers laat in haar boek: ‘Waar blijft de kleuter?’ zien dat jonge kinderen vanaf hun geboorte, en vermoedelijk al daarvoor, ongelooflijke grote cognitieve inspanningen en prestaties leveren. Dat ze dat doen met ontzettend veel plezier maar wel op een andere manier dan oudere kinderen. Dus ook, of misschien wel juist, jonge kinderen moeten cognitief worden uitgedaagd! En dat gebeurt vooral als we ze samen laten handelen, praten en spelen. Zo kan een kleutergroep een plek voor ‘shared thinking worden.

In de klas werken we rond het thema ‘Kijk, ik ben gegroeid!’. We maken een woordweb rond ‘groeien’. Max noemt onmiddellijk groeipijn, waar hij vaak last van heeft en hij blijkt niet de enige. Bij het naar buiten gaan hoor ik Gijs zeggen dat hij vandaag nog veel groeipijn heeft maar dat hij morgen even stopt met groeien. We vragen ons af hoe we groeipijn moeten tekenen op het woordweb. ‘Met veel bloed!’ stelt Liam enthousiast voor. ‘Bloed je dan als je groeipijn hebt?’ vraag ik. Nee dat niet. Al pratend constateren we dat je botjes groeien. ‘Maar die kan ik niet tekenen want botjes zijn wit en het papier is al wit’, zegt Isa. Maar op een zwart papiertje met een wit potlood is het zo gepiept. We meten hoe lang we zijn en kijken hoeveel (afgedrukte) handjes passen in de gemarkeerde lengte. Alle kinderen nemen een babyfoto mee die we ter hoogte van de geboortelengte hangen. Als vanzelf gaan de kinderen vergelijken. Wie is er langer? Hoeveel ben ik al gegroeid? En natuurlijk spelen de kinderen: in het consultatiebureau waar je wordt gewogen en opgemeten, waar van alles wordt opgeschreven en genoteerd, waar je een afspraak moet maken en waar je in de wachtkamer moet wachten tot de dokter je roept. We zorgen voor de babypoppen, die we in bad doen, eten geven en in het consultatiebureau laten onderzoeken.

En vandaag vraag ik de kinderen in de kring om iemand te zoeken die even groot is als henzelf. Met 28 kinderen wordt dat een vrolijke drukte. Ik zie dat de meesten hun vriendje opzoeken en ook snel tevreden zijn; ja hoor; net zo groot! Als ik ze vraag beter te kijken ontstaat er verwarring. ‘Hoe kan dat nou? Ik ben bijna 6 en Tim is nog 4 en toch is Tim groter?’ Als we weer zitten vertelt Nora dat zij 2 jaar ouder is dan haar broertje maar dat haar broertje later toch groter wordt. Ik vraag hoe ze dat weet. ‘Omdat jongens groter worden dan meisjes. Dat heeft mijn vader verteld. En je kunt wel groter worden dan iemand anders maar je kunt in leeftijd nooit iemand inhalen.’ Dit nodigt uit tot het geven van heel veel voorbeelden en evenzoveel nieuwe inzichten. Ik vat samen dat je weet hoe oud je bent en weet hoe groot je bent en dat kinderen van 4 niet altijd kleiner zijn dan kinderen van 6. Maar kun je ook weten wie er even zwaar is als jij? Liam denkt dat je dat wel goed kan zien aan iemand zijn vorm. ‘Dat je een beetje dikker bent of dunner’. ‘Maar hoe weet je dat dan zeker?’ Dex, die altijd overal de kleinste dingen opmerkt, heeft allang de verschillende weegschalen zien staan en springt op. Eerst proberen we de balansweegschaal uit. Hoe werkt dat dan? Dex legt aan de ene kant een groot blok en probeert dat aan de andere kant in balans te brengen met heel veel kapla. Dat gaat nooit lukken, ziet Max meteen. En zonder er al te veel woorden aan vuil te maken pakt hij eenzelfde blok voor de andere kant. Maar … de blokken blijken niet even zwaar. Nog steeds zwijgend zoekt hij de balans door de verschillende bakjes aan te vullen met Kapla; 3 aan de ene kant en 2 aan de andere.

We zitten eigenlijk al te lang in de kring en de kinderen worden onrustig. Evi staat op en begint te rommelen in het boekenkastje achter haar. Als ik haar echter vraag of ze net zo zwaar is als haar tweelingzus blijkt ze alles helemaal te hebben gevolgd. Om de beurt gaan de dames op de personenweegschaal staan en ze constateren zelf dat de één 1 kilo zwaarder is dan de ander. En dat terwijl ze er precies hetzelfde uitzien! Nu willen alle kinderen wel even op de weegschaal! Dit is het startschot voor allerlei nieuwe ontdekkingen.

Het is niet altijd makkelijk om al dat enthousiasme in goede banen te leiden maar wat is het heerlijk om samen na te denken in de kring!

Bloggen als ‘werkdrukverlichting’

.

Het wordt al een prettige gewoonte. Aan het eind van de week kruip ik genoeglijk op de bank om een blog te schrijven. Ik scroll door de foto’s op mijn telefoon, herinner me kleine anekdotes, hoor de stemmen van de kinderen in mijn hoofd, vind een briefje, een tekening of een klein vergeten voorwerpje in mijn broekzak; ik zoom in en uit, blijf ergens dralen, verwerp het weer en kies uiteindelijk iets. Dat is het begin. Daarna moet die kleine gebeurtenis, dat ene gebaar in de werveling van beweging, taal worden. En altijd merk ik dat ik al eerder die week begonnen was met het transformeren van de chaos van een kleuterklas tot een verhaal.

Twee weken geleden zag ik in een artikel over Nina Weijers exact deze ervaring verwoord. Niet voor niets maakte ik er een fotootje van. Het concreet maken van de gebeurtenissen in de klas door er woorden aan te geven maakt dat ik beter begrijp wat er gebeurt. Ik krijg grip op al die rommelige ervaringen, die vaak plaatsvinden aan de rand van mijn blikveld. Daarom houd ik van schrijven, het liefst met een beeld erbij. En precies daarom helpt het bloggen tegen de werkdruk.

Die werkdruk is hoog in het onderwijs. Afgelopen vrijdag heb ik gestaakt. Donderdag werkten ik en veel van mijn collega’s wel omdat we de maatregelen, de loonsverhoging en het extra geld voor werkdrukvermindering zeker waarderen. Maar het is niet genoeg! Een paar gymlessen van een vakdocent, iedere week wat uren ondersteuning van een onderwijsassistent en extra geld voor materiaal zijn fijn maar zorgen niet voor structurele werkdrukvermindering. Ik denk dat de klassen niet groter dan 24 kinderen zouden moeten zijn in plaats van door te groeien tot meer dan 30 of er zouden structureel, iedere dag, voor langere tijd meer ‘handen’ in de klas moeten komen. Tja, kom daar nog maar eens om in een tijd met zo’n enorm lerarentekort.

Maar wat mij de meeste werkdruk geeft is dat ik het onderwijs steeds minder in kan richten zoals ik denk dat het goed is. Alle goedbedoelde doel-, opbrengst- en handelingsgerichte modellen ontnemen mij het zicht op wat er werkelijk bij de kinderen gebeurt. Op hoe jonge kinderen leren en ontwikkelen en hoe je van daaruit een stapje verder kunt zetten. Of soms alleen maar aanwezig bent en samen met de kinderen geniet van wat er is.

Het regelmatig schrijven van een blog kost tijd, energie en aandacht. Toch voel ik me wonderlijk uitgerust als een verhaaltje afgerond en gepubliceerd is. En de reacties die ik krijg zijn hartverwarmend. Het stemt mij hoopvol voor de toekomst van het kleuteronderwijs dat zoveel mensen mijn verhalen herkennen.

Waarom kleuterjuffen soms zo moeilijk doen

.

‘Juf, ik wil iets vragen.’ De kinderen spelen na de lunch nog even buiten en Isa komt opvallend netjes en beleefd naast mij lopen als ik na mijn korte pauze weer terugkom op het plein. ‘Ik weet wel dat het kaartje van het knutselen niet op het kiesbord hangt maar mag ik misschien toch alstublieft iets maken? Want het moet voor Stijn, want die was verdrietig.’ In mijn hoofd ga ik razendsnel alle geplande activiteiten na: kleine kringen en ander ‘doelgericht’, ‘gestructureerd’ aanbod dat ik heb voorbereid. Om tijd te winnen vraag ik door en ik hoor dat Stijn verdrietig was omdat hij zijn moeder miste. ‘Wat wil je dan maken?’ vraag ik. Ze fronst haar voorhoofd, beweegt alvast wat met haar handen en dan komt daar ineens dat woord: een KOMPAS. ‘Ik ga een kompas maken! Die kun je omdoen en die is altijd bij je als je je vader en je moeder mist.’ Ik ben verrast door de efficiëntie van dat onalledaagse woord. Een kompas dat de weg wijst zodat je wat verder de grote wereld in kunt stappen maar ook altijd weet hoe je snel terug kunt naar je vertrouwde, veilige thuis. Isa kent het gevoel goed. Ze mist zelf, ondanks dat ze al dik 5 jaar is, nog regelmatig haar vader, moeder, broertje en zusje als ze op school is. En het is me al vaker opgevallen hoe gevoelig ze is voor de emoties van anderen.

Natuurlijk ben ik allang om en gaat Isa binnen aan de slag met papiertjes, stiften, plakband, een schaar, een prikpen en wol. De ietwat verbouwereerde Stijn krijgt een piepklein papiertje aan een draadje omgehangen met daarop getekende knopjes. Daarna gaat ze in één moeite door met een kompas voor zichzelf. Noa, die vandaag na school ook nog naar de buitenschoolse opvang moet, wil ook wel zo’n kompas. Samen werken de meiden verder. Noa krijgt gedetailleerde instructies maar geeft er toch haar eigen draai aan. Op een langwerpig stuk papier tekent ze haar hele familie. Dit moet als een band om haar arm komen. ‘Hoe heet het ook alweer?’ hoor ik haar een aantal keer vragen. ‘Een kompas.’ Het woord begint rond te zingen in de klas. Aan het eind van de middag is Noa intens gelukkig met mijn plakbandje dat de armband compleet maakt. ‘Nu hoef ik nóóit meer naar huis want ik heb een kompas’.

De volgende dag is het Nienke die heel verdrietig is als haar moeder, na een prachtige ‘doktersdemonstratie’ bij ons in de kring, toch naar huis gaat. Ze blijft hartverscheurend huilen en ineens herinner ik mij het kompas van gisteren. Noa spring op en zoekt haar hele lijf af. De armband is weg maar in haar hoofd is ‘ie er nog. Nienke’s verdriet is meteen verdwenen als Isa uitlegt hoe het werkt. En ja, natuurlijk wil ze die wel even met haar maken. Samen wordt druk overlegd. Er moet een moeder getekend worden. Hartjes zijn ook heel belangrijk. Volgens Isa moeten er knopjes bovenaan om je vader en moeder te kunnen bellen. Nienke doet die toch liever aan twee kanten naast de moeder want dat werkt veel beter. Het kompas van Isa komt weer aan een ketting dichtbij haar hart te hangen terwijl dat van Nienke als een vliegertje achter haar aan wappert.

Bijna iedere kleuterleerkracht zal het herkennen; hoe je iedere dag weer balanceert tussen het formele onderwijsaanbod en het improviseren rond al die grote en kleine gebeurtenissen in een groep 1/2. Hoe de kinderen vaak iets anders en misschien wel veel meer leren dan jij van te voren kon bedenken. Zoals Isa, Noa, Nienke en misschien ook Stijn hebben geleerd hoe je betekenis kunt geven aan een ervaring door iets te maken. Hoe je woorden kunt geven aan een gevoel. En hoe je dat tot in detail met elkaar kunt bespreken. En misschien nog wel het allerbelangrijkste: hoe je je in een ander kunt verplaatsen. Jonge kinderen kunnen nog niet op een andere manier leren dan vanuit dat ene moment dat nu betekenis voor hen heeft. En dát is waarom kleuterjuffen vaak zo moeilijk doen als het gaat om het halen van formele leerdoelen.

Speeldrift

IMG_2231

.

‘Er is een dierenmishandelaar bij ons in de klas!’ Iedereen, net nog druk en lawaaiig aan het opruimen, houdt geschrokken zijn mond. Ook ik en de onderwijsassistent. ‘DIE-REN-MIS-HAN-DE-LING!!!’ Ze spuugt iedere lettergreep met nadruk mijn richting uit. Haar ogen zijn groot van verontwaardiging, haar hele houding een en al onverzettelijkheid, haar blonde krullen gooit ze woest naar achteren. Ik denk aan een spin die een voor een zijn pootjes wordt uitgetrokken, een gestorven vlieg die wordt platgestampt.  ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik voorzichtig. ‘Nou, een kikker is in een heel klein hokje gestopt. Gewoon GE-PROPT !’ Gespannen wacht ze op mijn reactie. Achter haar zie ik in de huishoek de vermoedelijke dader verstarren. ‘Ik wou ‘m alleen maar opruimen’ fluistert hij dan met een hoog stemmetje. Er begint me iets te dagen. We werken rond het thema vriendschap van de kinderboekenweek. Kikker van Max Velthuis logeert in de huishoek. Bovendien maken we aan het begin van het schooljaar samen onze ‘gouden regels’ en praten we regelmatig over hoe we met elkaar om (willen) gaan. Als ik tegen de potentiële dierenmishandelaar zeg dat kikkers wat meer ruimte nodig hebben omdat ze natuurlijk wel moeten kunnen springen, gaat er een zucht van verlichting door de klas. Een ogenblik later is iedereen weer aan het opruimen. De orde is herstelt. Zo ga je om met kikkers. Het is een spel, dat weten ze allemaal en toch is het bloedserieus.

.

In de kring lees ik het verhaal voor van kikker die een beertje vindt tussen de herfstbladeren. Dat beertje wordt zijn beste vriend. Met kleine poppetjes en attributen speel ik het verhaal ondertussen uit. Als ik vraag wie er wil spelen met de verteltafel van kikker in de speelhoek in de gang, nu ingericht als bibliotheek, steekt bijna iedereen zijn vinger op. Ook Catarina en Isabelle; twee jonge meisjes, verlegen, nog erg gericht op elkaar en niet altijd betrokken bij wat er in de hele groep gebeurt.  Ik geef ze het dienblad met daarop kikker en zijn vriendjes. Voorzichtig en geconcentreerd lopen ze ermee naar de gang om binnen een minuut weer voor mijn neus te staan. ‘Jullie mogen in de bibliotheek spelen hoor.’ ‘Echt?’ Een beetje onwennig maar opgewonden giechelend verdwijnen ze weer naar de gang. Als ik 10 minuten later kom kijken ligt kikker met beertje in het bedje te slapen, over de grond verspreid  liggen de herfstblaadjes, de anderen dieren en de twee meiden daartussen, fluisterend met elkaar en rommelend met de spulletjes. Ze hebben voorlopig mijn hulp niet nodig. De kinderen in de huishoek willen ondertussen boeken ruilen in de bibliotheek. Die blijkt vaak gesloten. Af en toe komen ze klagen bij mij: Dat ze boeken terug moeten brengen maar dat de bibliotheek dicht is. Of dat ze nog boeken aan het uitzoeken waren en dat toen ineens de bibliotheek gewoon weer dicht ging. Ik neem weer een kijkje op de gang. Isabelle en Caterina hebben het open- en dicht-bord ontdekt. Een op elkaar geplakte groene en rode cirkel aan een touwtje, door een andere groep gemaakt en met het touwtje aan de telefoon gehangen. Dit magische teken geeft ze ontzettend veel vrijheid. Als ‘ie op rood staat wordt dat door ieder kind gerespecteerd en kunnen ze zonder gestoord te worden de hele hoek ontdekken. Ze zitten op de hoge stoel achter de balie, typen op het toetsenbord, schrijven in de agenda, rommelen met kaartjes en spelen met de verteltafel en de boeken. Als ze het bordje omdraaien met de groene voorkant naar voren gonst het al snel door de gangen dat de bibliotheek weer open is en komen de kinderen uit de huishoek naar de bibliotheek. Dat is soms overweldigend want niet iedere bezoeker gedraagt zich zoals het hoort. Maar dan draai je gewoon het bordje weer om. Wat leren die twee meiden veel. Niet alleen sociaal en emotioneel maar ook cognitief. Want dat een bordje met een kleur een teken kan zijn voor het begrip ‘dicht’ of ‘open’ en wat die begrippen dan allemaal behelzen is belangrijke kennis. Het is ook een vaardigheid die je nodig hebt om later te kunnen gaan lezen en schrijven.

.

Ook Dries wil graag dat dingen gebeuren zoals hij ze bedenkt. Een jaar lang heeft hij goed gekeken naar het bouwen. Nu de oudsten naar groep 3 zijn begint hij zijn eigen plannen uit te voeren. ‘s Ochtends bij binnenkomst scant hij de mogelijkheden; is er nieuw materiaal? Wat kan hij daarmee? Is de bouwhoek open en heeft juf zijn sleutelhanger nog niet bij een andere activiteit gehangen? Al snel bedenkt hij hoe je een huis kunt bouwen waar je zelf in past. Hij ontwerpt een dakconstructie, spaart een ruimte uit voor een raam, wat weer uitnodigt tot materiaal van buiten naar binnen schuiven of liever ‘werpen’, wat zelfs leidt tot het maken van een ‘bowlingbaan’. Andere kinderen helpen mee maar komen ook regelmatig vertellen dat Dries de baas speelt. ‘Nee, Lasse is ook de baas’, verdedigt hij zich, ‘maar ik ben de eerste baas.’ Als Nick huilend op de grond zit omdat hij door Dries op zijn hoofd is geslagen vraag ik hoe dat nou toch komt. ‘Hij deed niet wat ik zei’, komt er naar enige aarzeling welbewust uit. ‘Tja, dat is niet leuk. Maar nu zijn Lasse en Body al weggegaan omdat je boos op ze was en kijk …. Nick wil straks denk ik ook niet meer in de bouwhoek.’ Dit komt aan. Dries is even stil, zijn ogen lijken naar binnen te kijken. ‘Dat wil ik niet’, zegt hij dan, ‘ik wil samen spelen’. De dagen daarna probeer ik het samen bouwen wat meer te structureren. Aan het eind van de dag ruimen we op zodat de volgende dag andere kinderen weer nieuwe plannetjes kunnen maken. Sietse wil een kasteel voor de Ninjago’s bouwen. Ik laat hem beschrijven hoe dat er dan uitziet. Dries mag er ook aan meewerken. Voor de zekerheid vraag ik nog even na hoe dat kasteel er dan uit gaat zien. Ik zie de tweestrijd die zich binnen in hem voltrekt terug op zijn gezicht. Er verschijnt een rimpel op zijn voorhoofd, hij spert zijn ogen wijd open, wil zich omdraaien en niets zeggen maar weet ook dat dan zijn kans om in de bouwhoek te spelen voorbij is. ‘Een kasteel?’ Voor de Ninjago’s?’ Toch voegt hij zich. De jongens beginnen met overleggen maar krijgen al snel onenigheid. Eigenlijk wil iedereen een kasteel waar ze zelf als Ninja’s in kunnen of anders misschien een voertuig voor de Ninjago’s, alhoewel, dat wordt misschien weer veel te groot. Dat was alleen niet wat Sietse had bedacht. Het moest een kasteel voor lego-poppetjes worden. Na wat vragen van mijn kant gaat Sietse overstag. Ik vertel de jongens wel dat er niet zo veel tijd meer is. Ze moeten aan het eind van de middag opruimen. Misschien kunnen ze het gebouw tekenen voordat het weer afgebroken wordt. Zo weten ze morgen ook nog hoe het eruit zag. Nu gaat het snel. En als ik zeg dat we zo gaan opruimen en ze pen en papier geef, hebben ze onmiddellijk de taken verdeeld; ‘ik doe de voorkant!’, ‘ik de binnenkant’, ‘ik de buitenkant!’ Niemand speelt de baas en ik zie Dries genieten, ook al is het gebouw lang zo mooi niet als zijn eerdere gebouwen.

Als je aan kunt sluiten bij wat er bij de kinderen leeft lijkt alles wel vanzelf te gaan. En de kinderen willen spelen. Opruimen duurt lang en de kinderen moeten er steeds opnieuw toe worden aangespoord. Maar als je een hondje bent die alle op de grond gevallen papiertjes terug brengt naar haar baasje is het zo klaar. Het baasje moet dan wel steeds ‘apport!’ zeggen en ‘braaf’ en als een echt baasje de hond belonen. De jongens hebben zo opgeruimd als ik ze aanspreek als werkmannen die moeten zorgen dat de bouwplaats weer klaar is voor het nieuwe bouwwerk morgen. Ze hangen zelfs hun bouwtekeningen goed zichtbaar op het prikbord voor de nieuwe ploeg. En altijd weer moet ik met veel moeite mijn commentaar inslikken als er wordt opgeruimd met planken die vrachtschepen zijn en op ingewikkelde manieren alle over de grond verspreide steentjes naar de mand transporteren of als alle blokken eerst over een glijbaan moeten glijden voor ze op de goede plek belanden. Duurt veel te lang, denk ik dan. Maar eigenlijk is het zo klaar..

.

Verhaal van Mats

Verhaal van Mats

 

En nooit kan ik zo goed aansluiten bij de kinderen als wanneer we een door henzelf gedicteerd verhaal uitspelen. Toch ben ik verbaasd als Mats zegt dat hij de groene Ninja wil spelen uit zijn verhaal. ‘De groene? Maar er zijn toch alleen een rode en oranje krijger en een paarse Ninja?’ ‘Nee kijk’, en hij wijst naar zijn tekening, ‘dit is de groene Ninja.’ En dan volgt er een lang verhaal over de gevechten van de groene Ninja. Zijn spelverhaal was helemaal niet gestopt toen ik stopte met typen. Mats leert iets over de permanentie van geschreven taal maar ik leer over de verhalen die je kunt vastleggen in tekeningen en over kleuters die leven in een groot, doorlopend, meanderend spelverhaal dat zichtbaar wordt in wat ze maken en doen.

Waarom spelen kleuters zo graag? Waarom zitten ze niet het liefst met een boekje in een hoekje of doen ze bij voorkeur de taakjes die ze opgedragen krijgen? Het heeft te maken met de manier waarop ze denken, de manier waarop ze de wereld om hen heen ontdekken en steeds beter gaan begrijpen. Het heeft te maken met hoe ze leren. Als het lukt om aan te haken bij dat spel zie je volgens mij de meeste ontwikkeling. En hoe rijker het spel hoe beter de voorwaarden voor het meer formele leren later. Lieve, die meteen zag dat kikker in een veel te klein hokje was gepropt, heeft veel moeite met het maken van series van groot naar klein of dik naar dun. Een leerdoel deze maand. Moet ze nog een extra werkblad maken of kan ik haar uitnodigen om in de bouwhoek voor dieren van verschillende grootte hokjes te bouwen waar ze in passen? En kan ik een stapje terug doen, ook als ze niet meteen doet wat mijn bedoeling was? Vertrouwen we erop dat de kinderen in een rijke omgeving leren waar ze op dat moment aan toe zijn? En kunnen wij daarbij onze oren en ogen open houden en proberen te begrijpen wat we horen en zien zonder meteen in te grijpen? Alle leerdoelen, weekplanningen, kleine kringen en afvink-lijstjes maken het er niet gemakkelijker op. Maar de kleuters met al hun speldrift zijn een goede leermeester.

Spel is het werk van de kinderen

IMG_0750

Vivian Gussin Paley – A Child’s Work; the importance of fantasy play – “A richly detailed reminder of the enormously important role of imaginairy play”

 

.

De herkenbaarheid is hartverwarmend. Een zevenentachtig jaar oude kleuterjuf, aan de andere kant van de oceaan, vertelt waarom het zo belangrijk is dat kinderen spelen. Vertelt hoe kinderen superhelden en prinsessen worden, overstromingen het hoofd bieden, branden blussen, drankjes brouwen, baby’s redden en spelen dat ze wilde dieren, poesjes en slechteriken zijn of vogels die rond het nest vliegen en een fonkelende boom zien. Maar vooral beargumenteert deze nieuwsgierige en onderzoekende leerkracht waarom verbeeldend spel de lijm is die alle activiteiten in een groep 1/2 samenbindt, inclusief de activiteiten die kinderen voorbereidt op lezen, schrijven en rekenen. Het is aan de ene kant geruststellend te lezen dat kleuters 60 jaar geleden eigenlijk hetzelfde spel speelden als nu. Dat ook 30 jaar eerder een leerkracht die begreep dat ‘play is the work of children’ toch haar geduld kon verliezen als dat spel te heldhaftig en heroïsch werd. De theorie is mooi en inspirerend, de praktijk soms luid, rommelig en onvoorspelbaar. Maar het is ook verontrustend om te lezen hoe het spel zijn vanzelfsprekende plek in het leven van jonge kinderen verloor. Vivian Paley beschrijft hoe ergens halverwege de jaren ’80 steeds vaker geprobeerd werd het spel van kinderen te transformeren in door leerkrachten bedachte projecten en leeractiviteiten, in de illusie dat de spelers het verschil niet op zouden merken. Zelden werden daarbij thema’s uit het spel van de kinderen geleend. Toch bleven de kinderen hun verhalen uitspelen. Veel leerkrachten zagen hoe de kinderen leerden van spel en het evenwicht tussen de bedoelingen van de leerkrachten en de ideeën van de kinderen bleef bestaan.  Totdat steeds vaker brokken met letters en cijfers van de naburige ‘first-grade territory’ de kleuterklas in kwamen rollen. Lesjes, toetsen en testen verdrongen het spel van zijn centrale plek. De kleuterleerkrachten hadden weinig verweer tegen zoveel goed geïnformeerde en onderbouwde tegenstand. En eind jaren ’90 was spel een bedreigde activiteit geworden.

Herkenbaar?

.

Ik heb twee lange weken vakantie en voor het eerst in tijden betekent dat echt even niets doen. Mijn klas, het geven van een cursus, het aanvragen van subsidie, het bedenken van nieuwe projecten of onderzoek; alle deadlines zijn voor nu gehaald of voorbij. En ik kijk vanaf de bank naar donkere wolken of grijze luchten, fiets door jubelend groene weilanden en langs bermen waarin de bloeiende grassen vol verwachting uit hun schulp kruipen. Ik lees en praat en denk en kijk en zoek. En langzaam verbinden de ervaringen van de afgelopen tijd zich met elkaar. Ik ben als een stoofpotje waarin alles gezellig ligt te sudderen. De theorie van Cultuur in de Spiegel bijvoorbeeld en het idee dat kinderen van 5, 6 jaar een sterke voorkeur hebben voor de ‘culturele vaardigheid -verbeelden-‘ en dat ze ‘denken met dingen’, dat ze denken terwijl ze handelen met iets concreets dat je kunt zien en horen en dat ze betekenis geven. Dat een verhaal is, eigenlijk. En hoe dat zich verhoudt tot de gerichtheid in onze cultuur (en dus ook het onderwijs) op het denken in concepten. Ik herinner me de verhalen van de kinderen in mijn klas, die ze dicteerden de afgelopen weken en die we daarna uitspeelden. De verhalen van de jongens waarin wilde en gevaarlijke dieren met allerlei bijzondere krachten uit hun kooien ontsnapten naar het diepe bos en voorbij de grote, donkere bergen en die dan al of niet weer gevonden werden. En de verhalen van de meisjes over paleizen en koninginnen en prinsessen die lieve lammetjes, paardjes, kikkers of een prins vonden buiten in de tuin van het paleis. En ik lees over Learning Story’s; een manier van observeren en volgen van kinderen in de vorm van een verhaal.

Dat is ook wat Vivian Paley doet in haar boeken: verhalen vertellen. En die verhalen onderzoekt ze, ze bekijkt ze van alle kanten, deelt ze met collega’s en met de kinderen. Zo vertelt ze bijvoorbeeld hoe een groepje kleuters in de huishoek de verjaardag van Sneeuwwitje viert met een stoelendans. Alleen ….. ze doen het niet zoals het hoort. Iedere kind heeft zijn eigen stoel, al zingend lopen ze om de stoelen en als het liedje uit is gaan ze zitten. Zonder erbij na te denken begint ze de kinderen uit te leggen hoe je stoelendans eigenlijk moet spelen. Ietwat argwanend horen de kinderen haar aan, zíj spelen juist de ‘echte stoelendans’. Toch volgen ze schoorvoetend haar instructies op maar het plezier lijkt verdwenen. Paley heeft meteen spijt van haar ondoordachte ingrijpen. Als Sneeuwwitje degene zonder stoel blijkt te zijn en de kinderen verontwaardigd zeggen dat dat niet eerlijk is want het is tenslotte haar verjaardag, zet ze snel de stoelen terug en geeft de kinderen gelijk. Jonge kinderen spelen stoelendans op een heel andere manier dan oudere kinderen. In de eerste plaats moet het spel gespeeld worden in de vorm van een verhaal, in de tweede plaats moet niemand ooit zijn stoel verliezen. Later beschrijft ze deze gebeurtenis voor kinderen uit groep 4 (second-grade). ‘Saai,’ concludeert een jongen, ‘het doen zoals het hoort is niet moeilijk, toch? Soms verlies je, soms win je.’ ‘Ja, voor ons,’ reageert een meisje, ‘maar niet voor kleine kinderen. Mijn kleine broertje …., we doen dingen altijd anders met hem zodat hij niet denkt dat er iets ergs gebeurt. Zoals wanneer hij moe is en we moeten ergens naartoe lopen, dan zeggen we hem dat hij moet doen alsof hij een puppy is en wij met hem gaan wandelen. Dan is hij gelukkig.’ ‘Kijk,’ besluit ze, ‘je speelt met ze.’ Ook een stagiaire zegt dat doen alsof altijd beter werkt, het is het meest interessante dat ze leerde in een kleuterklas: ‘als ik wil dat de kinderen luisteren zeg ik gewoon dat we gaan doen alsof we gaan opruimen of dat we gaan doen alsof we de mooiste en stilste rij maakten die er ooit was.’ En op de opmerking van een ouder dat de kinderen toch moeten leren om het gewoon uit zichzelf te doen, dat je de kinderen zo niet serieus neemt, antwoordt ze dat het juist op het tegenovergestelde gestelde lijkt. ‘Het voelt alsof ik de kinderen veel meer respecteer, ik houd rekening met hoe zij denken en voelen.’ Ook Vygotsky beweert dat jonge kinderen op een hoger ontwikkelings- niveau functioneren als ze spelen. Als ze zich voorstellen dat ze iemand anders zijn. Zoals de twee zusjes die samen op straat lopen en zeggen; ‘zullen we doen dat we twee zusjes zijn en dat we samen gingen wandelen?’ En je kunt je afvragen wat het met kinderen doet als we willen dat ze leren en ontwikkelen door ze van te voren zeggen wat ze gaan leren, ze instructie te geven, te laten oefenen en ze weer te vragen of ze nu weten en kunnen wat jij wilde dat ze zouden weten en kunnen. Hoe sluiten ‘opbrengstgericht werken’ en ‘Actieve’, ‘Directe’, ‘Interactieve’, ‘Gedifferentieerde’ of zelfs ‘Expliciete’ Instructiemodellen aan bij de verbeeldende en speelse manier waarop jonge kinderen zich ontwikkelen?

.

 

Nu is het niet zo dat Vivian Paley er voor pleit om kinderen maar gewoon te laten spelen. Of om te wachten totdat ze in de volgende fase zijn en wel instructie gestuurd kunnen leren. We zouden zoveel kansen laten liggen. Kinderen die verbeeldend spel spelen, spelen met ideeën. Ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, wie ze zelf zijn en wie hun vriendjes zijn. En ze willen niets liever dan ons deelgenoot maken. Paley ontwikkelde de werkwijze Story Acting & Telling waarbij de kinderen hun verhaal aan de leerkracht dicteren en later met de hele groep het voorgelezen verhaal uitspelen. Het geeft de leerkracht veel nieuwe mogelijkheden voor begeleiding. De laatste weken voor de vakantie starte ik weer met het vertellen en spelen van verhalen. En het is prachtig! Verschillende kinderen vragen al bij binnenkomst of zij vandaag aan de beurt zijn. Iedereen zit op het puntje van zijn stoel, ik net zo goed als de kinderen. Dit is een ernstig spel. Het neemt de eigen interesses, de kennis en vaardigheden van de kinderen serieus.  Een leerkracht uit Boston betoogt hoe het vertellen en spelen van verhalen een brug kan slaan tussen de taal van jonge kinderen, die concreet is en gericht is op het hier en nu, en de geschreven taal die abstract is en niet vanzelf intonatie bevat; je kunt een tekst niet voelen, pakken of ruiken. Kinderen met goede ‘verhalende’ vaardigheden leren beter lezen en schrijven. En doordat de woorden die de kinderen in hun verhalen gebruiken direct betekenis hebben  ontwikkelt de woordenschat. Niet zelden vragen kinderen zelf om de betekenis van woorden. Bovendien  is het goed voor de sociale en emotionele ontwikkeling. En is dat niet waar voor- en vroeg-schoolse educatie vooral over gaat? Het vertellen en uitspelen van verhalen is een activiteit met een open einde. Ook de leerkracht in Boston ziet een enorme opbloeiende creativiteit.

Aarzelend piept de zon door de wolken. Het laat al het jonge groen voor mijn raam glanzen en schitteren. Ik heb zin om de verhalen van de kinderen te horen volgende week. En neem mij voor om weer vaker te schrijven over wat al die ideeën van mijn kleuters zouden kunnen betekenen.

.

Lees ook: Ik was de gouden T-rex met de giftige tong! en vrij spel

Een bazige juf

IMG_6234.

‘We vinden je een bazige juf’, triomfantelijk kijkt Jonathan me aan. ‘Ja’, beaamt Lore, ‘eigenlijk speel je altijd de baas’. Samenzweerderig zitten ze naast elkaar in de kring toe te kijken hoe ik kinderen naar het kiesbord dirigeer, zorg dat daar netjes zonder duwen en trekken op de beurt gewacht wordt. Terwijl ik ondertussen de kleine kring in de gaten houd en nog snel even een paar boekjes neerleg zodat ze iets te doen hebben voordat ik tijd heb om, met mijn ‘niet-storen-ketting’ om, een leerzame activiteit op te starten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze zitten. En voor ik er over nagedacht heb, hoor ik mezelf zeggen: ‘Ja, zo werkt dat op school’. Ik denk er zelfs achteraan dat ze nog wel zullen merken hoe het is om bij een echt bazige juf in de klas te zitten. Gelukkig zeg ik dat laatste niet hardop. Ik zie ook in één oogopslag dat ze helemaal niet geïnteresseerd zijn in mijn commentaar. Ze hebben eigen plannen gemaakt.

Al een aantal weken spelen en werken we over het thema post. Alle kinderen maakten een brievenbus en ik richtte een tafel in waarop ze kaarten en brieven kunnen tekenen, knippen, plakken en schrijven. ‘Moet jij geen brievenbus?’ vroeg Jonathan die ochtend. Ondertussen pakte hij meteen maar het lege houten kistje dat vóór mij op een plank in de kast stond. ‘Deze kan wel’. En ja, die was inderdaad heel geschikt. Ik plakte er de letters  J U F  op en het goede nummer van onze ‘Raamstraat’.

IMG_6239IMG_6238

Een paar keer die middag vraagt Jonathan of ik al in mijn brievenbus gekeken heb. Pas als de kinderen naar huis zijn vind ik de tijd om dat rustig te doen. En dan zie ik waar Lore en Jonathan de hele middag zo hard aan hebben gewerkt.

Jonathan is mateloos geïnteresseerd in het ‘bijna’ echte geld in ons postkantoor. Eerder vertelde Lore dat je ook brieven met geld kunt krijgen. Dat overkwam haar toen ze haar A-diploma haalde. Van Jonathan krijg ik een envelop met € 30 en een fijn paasfeest gewenst voor een vriend (de i is hij even vergeten). En dat de bazige juf toch best lief is vermoedde ik al toen hij steeds de volgende letter kwam vragen van de woorden die hij wilde schrijven. Eigenlijk had hij al eerder besloten dat hij de liefste juf had die hij kende. ‘Ken je er al veel?’ vroeg ik. En met de zelfverzekerde toon van een kenner: ‘Ik heb al héél veel juffen gezien’.

Ook Lore denkt regelmatig na over haar juf en wat die allemaal bedenkt en initieert. Altijd wil ze weten waarom we doen wat we doen, om vervolgens te vertellen dat het misschien wel veel beter en helemaal anders kan. Laatst keek ze me onder het tekenen ineens onderzoekend aan: ‘Waarom ben je eigenlijk juf geworden?’ Ik antwoordde dat ik het leuk vond om met kinderen te werken, voor te lezen en dingen te verzinnen om te tekenen, te maken en te spelen. ‘Ja’, beaamde ze, ondertussen alweer met haar aandacht bij haar tekening, ‘daar ben je ook heel goed in’. Ook van Lore krijg ik paas-post. Ze heeft vol overgave het adres op de envelop geschreven.

IMG_6242IMG_6240IMG_6241.

.

.

.

Ik ben trots op de kinderen die bij mij in de klas niet bang zijn om te vertellen hoe ze over de dingen denken, die plannen maken, die bespreken met elkaar en tot uitvoer brengen. Ze zijn een voorbeeld voor de jongere 4 jarigen, die, net op school, hun draai nog moeten vinden. Bijvoorbeeld voor Marieke die een tekening gemaakt heeft voor Camilo. Ze wil hem wel in zijn brievenbus stoppen. En als ik vraag of we er iets op zullen schrijven gaat ze er eens goed voor zitten.

lieve Camilo

Camilo, jij zit in mijn vriendenboekje

lieve Camilo, jij bent bij mij geweest

lieve Camilo, ik hou super veel van jou

einde

kus van Marieke

.

De volgende dag in de kring stelt Anne ineens verbaasd vast dat ze verliefd is op de hele klas. ‘Op alle kinderen.’ En daar kan ik me nou helemaal in vinden.

De kleur van een wijd bos

IMG_6094

.

‘Het Wijde Bos, ik bedoel dat het het bos is en daar omheen is het zo …. wijd, zo kijk ……’. Hij gebaart met grote armgebaren om zijn plastic bekertje heen. Het bekertje is gevuld met behangersplaksel, daarin drijven kleine stukjes broccoli en af en toe een flardje rood van rode besjes. De kinderen maken kleuren uit groente en fruit in het atelier. En ik heb gevraagd om voor die kleuren namen te bedenken. De kleine groene miniboompjes in het witte doorzichtige plaksel, de rode accenten; het geeft een wijds gevoel. En buiten het bekertje loopt die wijdsheid alleen nog maar door. Oneindig wijd. Ik schrijf de naam op een stukje tape en plak ‘m op het bekertje. Eigenlijk zou ik er een blog over moeten schrijven, schiet het door mijn hoofd zoals vaker de laatste tijd. Maar door de volle werkdagen, het voorbereiden van mijn cursus en die vervelende maar doorzeurende griep komt het er niet van. Ik denk het ook als ik zie hoe geweldig mijn 2 nieuwe onderbouwcollega’s met hun kleutergroepen aan het werk gaan in het atelier.  Zonder een uitgebreide instructie, alleen door samen materiaal te verzamelen en het atelier in te richten en soms zelfs dat niet eens, gaan ze enthousiast aan de slag. Ze genieten van de kinderen en van deze manier van werken. Lijken zelfs een beetje verbaasd dat dit ook zomaar kan en mag in deze ‘opbrengstgerichte’ tijd.

In de voorjaarsvakantie kijk ik al de foto’s nog eens door. Eindelijk tijd om een verslag te maken van het werken in het atelier tijdens het thema eten van Kleuterplein. De eerste atelierdag maakte fotografe Sabine Plamper foto’s. Lees hier het verslag. En kijk hier hoe het verder ging in het atelier en in de klas.