Verhalen uit de klas

Denken met dingen, begrijpen met je handen

.

Een lezing op de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten over hoe je op een mooie, procesgerichte manier kunt werken rond thema’s en een studiedag op mijn eigen school over de verbinding tussen Cultuuronderwijs en Wetenschap & Techniek. Ik stond vorige week klaar in de startblokken toen eerst de hogeschool zijn deuren sloot en na het weekend ook de basisscholen dicht gingen. En het lukte niet om al die voorbereide presentaties, uitgezochte filmpjes, foto’s, verhalen en inspirerende gesprekken zomaar in rook te laten opgaan. Dus ietwat getroebleerd ging ik maandag naar school om te praten over hoe we ‘onderwijs op afstand’ zouden gaan verzorgen. Hoe deed je dat met kleuters? Zouden we met z’n allen in de valkuil stappen van werkbladen, letterbingo’s, vormenlotto’s en het ‘speels’ werken aan doelen? Dat is immers zoveel makkelijker te delen dan tips over het ondersteunen van leren door spel, creëren en eigen plannen maken.

Jaren geleden stelde Jitte tijdens een kunstproject enthousiast voor om de hele wereld te maken. Daarna hoorde ik het vaker. Puck die tegen haar klasgenootjes zei: ‘Wij hebben ook een wereld, kijk maar!’ Mijn jongens die vorig jaar in de bouwhoek verschillende werelden maakten en een tijdmachine waarmee je van de ene wereld naar de andere kon reizen. Die werelden maken de kinderen met dingen, al spelend, pratend, tekenend, krabbelend, schrijvend, zingend, bouwend, bewegend en meestal doen ze dat allemaal tegelijk. Dat is de manier waarop jonge kinderen denken en leren.

.

De schilder Sean Scully maakte een serie schilderijen na aanleiding van zijn zoontje die speelde op het strand. Hij zei daar zelf over: ‘.. my son, a child that stands for all children (…) usually, what he is doing here (met zijn handen), is in his head. There is no space between what’s in his head and the action.’ Eigenlijk is het een klein wonder: de ideeën en verhalen van kinderen die zichtbaar worden in de dingen. Hoe ze dat samen doen, met elkaar. En hoe ze steeds beter gaan begrijpen wat hun vriendjes maakten en speelden. Als je dat kunt wordt je wereld snel groter. En is de stap naar de wereld van geschreven verhalen een stuk kleiner. Dan wil je graag leren hoe het er in de echte wereld aan toe gaat. Maar blijf je ook je eigen wereld vormgeven. Denken met Dingen:

.

.

Mijn aanvankelijke zorg over het ‘afstandsonderwijs’ voor kleuters bleek ongegrond. Inmiddels wisselen we met de kinderen filmpjes, verhalen, foto’s en tips en tops uit. Dat is hartverwarmend. En zo zorgt deze verontrustende tijd misschien ook wel voor mooie, nieuwe initiatieven.

hoe om te gaan met de ‘corona-crisis’ in een kleuterklas?

.

.

Met gebogen hoofd wacht hij af. Chiel hoeft nooit te kijken op onze ‘welkoms-poster’ hoe hij gedag wil zeggen. Hij geeft een knuffel, altijd. Maar ook zonder te kijken weet hij dat de knuffel er niet meer bij hangt. ‘Een sprongetje is ook leuk’ probeert zijn moeder. ‘Of een knipoog, dat kan je zo goed?’ De rij met ouders, kinderen, BSO-juffen en een enkele oma of opa wordt langer en drukker. ‘Een losse handen knuffel?’ probeer ik. Zonder iets te zeggen neemt Chiel een aanloop en botst met zijn hoofd naar voren tegen mijn buik. Onze armen en handen zweven ergens in de lucht rakelings langs elkaar heen. Isa denkt minder lang na, voordat ik er erg in heb heeft ze me al stevig omhelsd.

Het was een rare dag, afgelopen vrijdag. Vaker en grondiger je handen wassen, geen handen schudden, twee meter afstand houden, ook bij een lichte verkoudheid thuis blijven en vooral je gezond verstand gebruiken. Ook op school raken we steeds meer doordrongen van de noodzaak. Maar….. hoe je dat in een kleuterklas. De meeste kinderen houden zich keurig aan de alternatieve begroetingen. Maar voor ze binnen zijn lopen ze samen met zeker 200 andere kinderen en volwassenen door de gang. Voor en na het eten wassen we allemaal onze handen. Sommige kinderen bij de twee kraantjes in de klas, sommigen bij de wc’s in de gang die door 100 andere kleuters gebruikt worden. Wanneer ik de één met veel plezier zie spetteren, de ander keurig het geleerde ritueel zie uitvoeren, zie dat de derde alvast maar gaat zitten omdat het te lang duurt en ik uit mijn ooghoek opmerk hoe de gang uitnodigt tot waterpret, denk ik dat ik dit toch anders moet aanpakken. Volgende keer in twee rijen, en goed controleren? Voor en na de pauze-hap en de lunch is vier keer handen wassen. Is dat genoeg? Hoeveel handjes gaan er in een mond en daarna in de bakken met duplo of blokken of lego? In de huishoek dekken de kinderen enthousiast de tafel en eten hun zogenaamde eten van echte bordjes met echt bestek. Daarbij gaat er vaak een echte lepel in een echte mond. De kinderen die een beetje verkouden of snotterig zijn blijven thuis. Maar zijn kleuters niet altijd een beetje snotterig? De schoonmaker heeft de opdracht gekregen om in de 7 minuten die hij heeft om iedere klas schoon te maken nu ook de deurknop af te doen. Dat doet hij keurig en met handschoenen aan. Maar als ik mijn ogen sluit zie ik zonder moeite een leger gemene corona-bolletjes zich verspreiden in bakken met speelgoed, op tafels, vensterbanken en in kasten.

Hoe verder de dag vordert, hoe groter mijn onzekerheid. De banaan van Isa blijkt geplet in haar tas en hij verdwijnt in de prullenbak. Net als anders krijgt ze van haar klasgenootjes de stukjes fruit die ze kunnen missen. Ai, niet zo handig misschien? Dex roept dat Annemeike een bloedneus heeft en helpt haar meteen alvast maar met neuspoetsen. Sinds een paar weken heeft Evi de gewoonte aangenomen om van alles in haar mond te stoppen. De kinderen hebben mijn gealarmeerde ‘juffen-toontje’ overgenomen: ‘Evi heeft iets in haar mond!’ klinkt het regelmatig. Dit heeft tot gevolg dat Evi nog voordat iemand iets kan zeggen alles weer uitspuugt, zonder dat we het nog terug kunnen vinden. Aan het eind van de dag reageren de kinderen verbaasd als Flip de logeerbeer niet mee mag. ‘Het is toch vrijdag?’ Maar oh ja, dat virus. ‘Zitten al die kleine beestjes dan ook op Flip?’ Isa heeft het op TV gezien: ‘het is een wedstrijd maar ze doen een beetje dom, daarom gaan ze niet winnen.’

Thuis gekomen volg ik enigszins gealarmeerd het nieuws over het al of niet sluiten van scholen. Weten de experts wel hoe het er in een (kleuter)klas aan toe gaat? Weten ze hoe vol, veel, bewegelijk, snotterig en zintuiglijk een groep jonge kinderen is? Weten ze hoeveel opa’s en oma’s er rond lopen in school? Wanneer ik beelden zie van schoolklassen in het journaal zitten er nooit meer dan 15 kinderen keurig aan schone tafels in ruime lokalen. Geen overvolle gangen en krioelende kinderen.

Maar als het weekend vordert krijg ik een steeds genuanceerder beeld. Ook over mijn eigen rol. Ik begrijp dat niemand weet waarom maar dat kinderen en jongeren echt (bijna) niet ziek worden. Dat het nog wel de vraag is of die kinderen al dan niet het virus kunnen verspreiden. En als dat wel zo zou zijn, dan moeten we ons vooral zorgen maken om onze jongsten volgens de kinderarts Louis Bont. Ik begrijp dat het er niet om gaat te voorkomen dat jijzelf of iemand anders ziek wordt maar dat we met elkaar proberen om de besmettingen te vertragen om zo de druk op de ziekenhuizen en de intensive car zo laag mogelijk te houden. En ik begrijp dat er van alles in elkaar grijpt en door elkaar loopt terwijl er ook nog heel veel nog onbekend is.

Toch ben ik blij en opgelucht dat net het besluit is genomen de scholen te sluiten met uitzondering voor de kinderen van ouders in vitale beroepen.

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de wc; 2

Enkele lezers spraken hun zorg uit naar aanleiding van mijn blog van vorige week. Ik wil daarom het verhaal even in context plaatsen.

Evi heeft niet speciaal moeite met toiletbezoek. Als dat wel het geval was geweest had ik daar nooit zo’n vrolijk verhaaltje over geschreven. Soms is het zo dat er bij kinderen wél meer speelt rond zindelijkheid en het naar de wc gaan op school. Het spreekt vanzelf dat we daar in de klas heel zorgvuldig mee omgaan. Ook is het niet zo dat Evi de wc-gang gebruikt als middel om voortdurend de grenzen af te tasten. Die dag was gewoon een dag waarop ze een ontdekking leek te doen.

Evi is wel een vrolijke, springerige, jongste kleuter. Ze vind het moeilijk om stil te zitten, gaat graag op ontdekking en geniet met volle teugen van alles wat er gebeurt. Ze leert door te doen. En al spelend, rommelend met allerlei dingetjes, haar zintuigen wijd open, verkent ze waar de grenzen liggen. Soms stuit ze op zo’n grens en meestal accepteert ze zonder morren dat het zo dus gaat in de klas; op school; in de wereld.

Soms vergeten we misschien aan te sluiten bij deze sensomotorische manier van leren van jonge kinderen, die vraagt om een bedding van routines, rituelen en ritme, vraagt om voorspelbaarheid; zo doen we dat samen bij ons in de klas. Daarin kan een kind, samen met de andere kinderen, met zichzelf als stralend middelpunt, de wereld gaan ontdekken. Zo ontwikkelt een kind grip op zichzelf en de omgeving.

Iedere kleuterleerkracht weet dat het altijd begint met een veilig klimaat in de klas. Een groep waarin duidelijk is wanneer je naar de wc mag en wanneer niet. Maar waar je ook het vertrouwen hebt dat juf weet wanneer je echt niet langer kunt wachten. Waar juf niet boos wordt wanneer je impulsief een hap neemt van die heerlijke appel die naast je op de bank ligt te glimmen voor je buurman maar wel even zegt dat dat niet hoort. Waar juf een stukje uit je appel snijdt als je buurvrouw daar zomaar een hap uit nam en waar je het laatste stukje weg mag gooien als de appel uiteindelijk toch niet meer zo lekker smaakt. Waar je leert hoe je zelf met een emmer en een dweiltje de omgevallen beker weer opruimt. Waar je met veel plezier samen oefent hoe en wanneer je met het nieuwe zeeppompje je handen wast door goed te kijken en dat precies na te doen. En waar je ineens heel stil en rustig in de rij kunt staan als er boven je hoofd, speciaal voor jou, een toversleutel vliegt die je uit de lucht kunt pakken om je mond mee op slot te doen. En die juf geniet dan weer van die jongen, net 4 weken op school, die haar toevertrouwt dat hij de sleutel niet, zoals wij allemaal, weggooit maar hem in z’n zak stopt. Zo kan hij altijd zijn mond weer open maken. Wat een zelfsturing!

In deze context experimenteerde Evi met in de kring zitten en naar de wc gaan.

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de WC

meisjes- en jongenskleren

.

S’ochtends in de kring is het niet ongewoon dat Evi haar vinger opsteekt; ‘juf, ik moet echt, echt heel nodig naar de wc!’ Ondanks het demonstratieve geschuifel op de stoel is mijn antwoord meestal nee. De ervaring leert dat het zitten in die kring haar gewoon een beetje te lang duurt en dat als ik haar laat gaan er nog tien anderen echt geen minuut langer meer kunnen wachten.

Vandaag wordt het wc-bezoek uitgesteld tot later op de ochtend. De onderwijsassistente komt haar tijdens de speelwerktijd tegen in de wc-ruimte. Daar staat ze, wijdbeens, kaplaarzen aan, tussen klapperende deurtjes temidden van het kindergewoel. ‘Ik moet echt heel nodig plassen!’ roept ze vrolijk terwijl ze direct maar de daad bij het woord voegt. Haar laarzen stromen vol. Met grote interesse volgt ze hoe de onderwijsassistente op zoek gaat naar schone, droge kleren. In haar rugzak vinden ze wel een broek maar geen sokken. In de mand met reservekleding blijken naast sokken ook leggings en een maillot te liggen. Er is zelfs een bloemetjes-broek en iets dat op een rokje lijkt. Eigenlijk wil ze wel een jurk aan of een rok, kan dat ook? Maar nee, ze krijgt alleen de sokken.

Een uurtje later komt ze naar mij toe: ‘Ik heb per ongeluk in mijn broek geplast, echt per ongeluk.’ Voor sommige kinderen is dat een hele gebeurtenis zo niet voor Evi. Gezellig kletsend gaan we weer op zoek naar droog ondergoed. De mand kent ze al en nee hoor, geen probleem; ze doet de kleren zelf wel even aan.

Als ze vlak voor de lunch weer komt melden dat haar broek nat is, vis ik de laatste onderbroek uit de steeds leger wordende mand. ‘Dit is echt de laatste keer hoor! Dan zijn ze op.’ ‘Moet ik dan een jongensonderbroek aan?’ vraagt ze enthousiast. ‘Zitten die in de andere mand?’ Ze wil ze wel even zien en kijken wat dan eigenlijk het verschil is.

En natuurlijk: Als ik buiten kom na mijn eigen korte pauze heeft ze toch weer, een heel klein beetje, in haar broek geplast. ‘Maar het ondergoed was op, weet je nog?’ ‘Er is toch nog een jongensonderbroek, die wil ik wel hoor!’ Ze kijkt me verwachtingsvol maar ook wel wat uitdagend aan. Ik zie dat de schade dit keer beperkt is gebleven en zeg dat we dat niet gaan doen. ‘Oké!’ En weg is ze. Weer een hoop geleerd over hoe het gaat in de wereld en hoe je daar zelf in kunt bewegen.

Thuis wordt genoten van de gebeurtenis die tijdens een wandeling weer bij mij op plopt en waar ik natuurlijk in geuren en kleuren over vertel. Iedere keer dat manlief daarna iets in de krant leest over burgerschapsvorming in het primair onderwijs hoor ik hem gniffelen en zegt hij ‘maar de beste les in burgerschap is toch uitproberen hoe vaak je in je broek kunt plassen, welk ondergoed je daarna uit kunt zoeken en wanneer de grens is bereikt’.

Samen nadenken in de kring

.

Zou onderwijs dat recht doet aan de ontwikkeling van het jonge kind een al te cognitieve benadering af moeten wijzen? Moeten kinderen zich eerst veilig voelen, leren (samen)spelen en een taakje af kunnen maken voordat ze werkelijk kunnen gaan leren? Beginnen kinderen pas op een zekere leeftijd met nadenken en reflecteren? Helma Brouwers laat in haar boek: ‘Waar blijft de kleuter?’ zien dat jonge kinderen vanaf hun geboorte, en vermoedelijk al daarvoor, ongelooflijke grote cognitieve inspanningen en prestaties leveren. Dat ze dat doen met ontzettend veel plezier maar wel op een andere manier dan oudere kinderen. Dus ook, of misschien wel juist, jonge kinderen moeten cognitief worden uitgedaagd! En dat gebeurt vooral als we ze samen laten handelen, praten en spelen. Zo kan een kleutergroep een plek voor ‘shared thinking worden.

In de klas werken we rond het thema ‘Kijk, ik ben gegroeid!’. We maken een woordweb rond ‘groeien’. Max noemt onmiddellijk groeipijn, waar hij vaak last van heeft en hij blijkt niet de enige. Bij het naar buiten gaan hoor ik Gijs zeggen dat hij vandaag nog veel groeipijn heeft maar dat hij morgen even stopt met groeien. We vragen ons af hoe we groeipijn moeten tekenen op het woordweb. ‘Met veel bloed!’ stelt Liam enthousiast voor. ‘Bloed je dan als je groeipijn hebt?’ vraag ik. Nee dat niet. Al pratend constateren we dat je botjes groeien. ‘Maar die kan ik niet tekenen want botjes zijn wit en het papier is al wit’, zegt Isa. Maar op een zwart papiertje met een wit potlood is het zo gepiept. We meten hoe lang we zijn en kijken hoeveel (afgedrukte) handjes passen in de gemarkeerde lengte. Alle kinderen nemen een babyfoto mee die we ter hoogte van de geboortelengte hangen. Als vanzelf gaan de kinderen vergelijken. Wie is er langer? Hoeveel ben ik al gegroeid? En natuurlijk spelen de kinderen: in het consultatiebureau waar je wordt gewogen en opgemeten, waar van alles wordt opgeschreven en genoteerd, waar je een afspraak moet maken en waar je in de wachtkamer moet wachten tot de dokter je roept. We zorgen voor de babypoppen, die we in bad doen, eten geven en in het consultatiebureau laten onderzoeken.

En vandaag vraag ik de kinderen in de kring om iemand te zoeken die even groot is als henzelf. Met 28 kinderen wordt dat een vrolijke drukte. Ik zie dat de meesten hun vriendje opzoeken en ook snel tevreden zijn; ja hoor; net zo groot! Als ik ze vraag beter te kijken ontstaat er verwarring. ‘Hoe kan dat nou? Ik ben bijna 6 en Tim is nog 4 en toch is Tim groter?’ Als we weer zitten vertelt Nora dat zij 2 jaar ouder is dan haar broertje maar dat haar broertje later toch groter wordt. Ik vraag hoe ze dat weet. ‘Omdat jongens groter worden dan meisjes. Dat heeft mijn vader verteld. En je kunt wel groter worden dan iemand anders maar je kunt in leeftijd nooit iemand inhalen.’ Dit nodigt uit tot het geven van heel veel voorbeelden en evenzoveel nieuwe inzichten. Ik vat samen dat je weet hoe oud je bent en weet hoe groot je bent en dat kinderen van 4 niet altijd kleiner zijn dan kinderen van 6. Maar kun je ook weten wie er even zwaar is als jij? Liam denkt dat je dat wel goed kan zien aan iemand zijn vorm. ‘Dat je een beetje dikker bent of dunner’. ‘Maar hoe weet je dat dan zeker?’ Dex, die altijd overal de kleinste dingen opmerkt, heeft allang de verschillende weegschalen zien staan en springt op. Eerst proberen we de balansweegschaal uit. Hoe werkt dat dan? Dex legt aan de ene kant een groot blok en probeert dat aan de andere kant in balans te brengen met heel veel kapla. Dat gaat nooit lukken, ziet Max meteen. En zonder er al te veel woorden aan vuil te maken pakt hij eenzelfde blok voor de andere kant. Maar … de blokken blijken niet even zwaar. Nog steeds zwijgend zoekt hij de balans door de verschillende bakjes aan te vullen met Kapla; 3 aan de ene kant en 2 aan de andere.

We zitten eigenlijk al te lang in de kring en de kinderen worden onrustig. Evi staat op en begint te rommelen in het boekenkastje achter haar. Als ik haar echter vraag of ze net zo zwaar is als haar tweelingzus blijkt ze alles helemaal te hebben gevolgd. Om de beurt gaan de dames op de personenweegschaal staan en ze constateren zelf dat de één 1 kilo zwaarder is dan de ander. En dat terwijl ze er precies hetzelfde uitzien! Nu willen alle kinderen wel even op de weegschaal! Dit is het startschot voor allerlei nieuwe ontdekkingen.

Het is niet altijd makkelijk om al dat enthousiasme in goede banen te leiden maar wat is het heerlijk om samen na te denken in de kring!

Bloggen als ‘werkdrukverlichting’

.

Het wordt al een prettige gewoonte. Aan het eind van de week kruip ik genoeglijk op de bank om een blog te schrijven. Ik scroll door de foto’s op mijn telefoon, herinner me kleine anekdotes, hoor de stemmen van de kinderen in mijn hoofd, vind een briefje, een tekening of een klein vergeten voorwerpje in mijn broekzak; ik zoom in en uit, blijf ergens dralen, verwerp het weer en kies uiteindelijk iets. Dat is het begin. Daarna moet die kleine gebeurtenis, dat ene gebaar in de werveling van beweging, taal worden. En altijd merk ik dat ik al eerder die week begonnen was met het transformeren van de chaos van een kleuterklas tot een verhaal.

Twee weken geleden zag ik in een artikel over Nina Weijers exact deze ervaring verwoord. Niet voor niets maakte ik er een fotootje van. Het concreet maken van de gebeurtenissen in de klas door er woorden aan te geven maakt dat ik beter begrijp wat er gebeurt. Ik krijg grip op al die rommelige ervaringen, die vaak plaatsvinden aan de rand van mijn blikveld. Daarom houd ik van schrijven, het liefst met een beeld erbij. En precies daarom helpt het bloggen tegen de werkdruk.

Die werkdruk is hoog in het onderwijs. Afgelopen vrijdag heb ik gestaakt. Donderdag werkten ik en veel van mijn collega’s wel omdat we de maatregelen, de loonsverhoging en het extra geld voor werkdrukvermindering zeker waarderen. Maar het is niet genoeg! Een paar gymlessen van een vakdocent, iedere week wat uren ondersteuning van een onderwijsassistent en extra geld voor materiaal zijn fijn maar zorgen niet voor structurele werkdrukvermindering. Ik denk dat de klassen niet groter dan 24 kinderen zouden moeten zijn in plaats van door te groeien tot meer dan 30 of er zouden structureel, iedere dag, voor langere tijd meer ‘handen’ in de klas moeten komen. Tja, kom daar nog maar eens om in een tijd met zo’n enorm lerarentekort.

Maar wat mij de meeste werkdruk geeft is dat ik het onderwijs steeds minder in kan richten zoals ik denk dat het goed is. Alle goedbedoelde doel-, opbrengst- en handelingsgerichte modellen ontnemen mij het zicht op wat er werkelijk bij de kinderen gebeurt. Op hoe jonge kinderen leren en ontwikkelen en hoe je van daaruit een stapje verder kunt zetten. Of soms alleen maar aanwezig bent en samen met de kinderen geniet van wat er is.

Het regelmatig schrijven van een blog kost tijd, energie en aandacht. Toch voel ik me wonderlijk uitgerust als een verhaaltje afgerond en gepubliceerd is. En de reacties die ik krijg zijn hartverwarmend. Het stemt mij hoopvol voor de toekomst van het kleuteronderwijs dat zoveel mensen mijn verhalen herkennen.

Waarom kleuterjuffen soms zo moeilijk doen

.

‘Juf, ik wil iets vragen.’ De kinderen spelen na de lunch nog even buiten en Isa komt opvallend netjes en beleefd naast mij lopen als ik na mijn korte pauze weer terugkom op het plein. ‘Ik weet wel dat het kaartje van het knutselen niet op het kiesbord hangt maar mag ik misschien toch alstublieft iets maken? Want het moet voor Stijn, want die was verdrietig.’ In mijn hoofd ga ik razendsnel alle geplande activiteiten na: kleine kringen en ander ‘doelgericht’, ‘gestructureerd’ aanbod dat ik heb voorbereid. Om tijd te winnen vraag ik door en ik hoor dat Stijn verdrietig was omdat hij zijn moeder miste. ‘Wat wil je dan maken?’ vraag ik. Ze fronst haar voorhoofd, beweegt alvast wat met haar handen en dan komt daar ineens dat woord: een KOMPAS. ‘Ik ga een kompas maken! Die kun je omdoen en die is altijd bij je als je je vader en je moeder mist.’ Ik ben verrast door de efficiëntie van dat onalledaagse woord. Een kompas dat de weg wijst zodat je wat verder de grote wereld in kunt stappen maar ook altijd weet hoe je snel terug kunt naar je vertrouwde, veilige thuis. Isa kent het gevoel goed. Ze mist zelf, ondanks dat ze al dik 5 jaar is, nog regelmatig haar vader, moeder, broertje en zusje als ze op school is. En het is me al vaker opgevallen hoe gevoelig ze is voor de emoties van anderen.

Natuurlijk ben ik allang om en gaat Isa binnen aan de slag met papiertjes, stiften, plakband, een schaar, een prikpen en wol. De ietwat verbouwereerde Stijn krijgt een piepklein papiertje aan een draadje omgehangen met daarop getekende knopjes. Daarna gaat ze in één moeite door met een kompas voor zichzelf. Noa, die vandaag na school ook nog naar de buitenschoolse opvang moet, wil ook wel zo’n kompas. Samen werken de meiden verder. Noa krijgt gedetailleerde instructies maar geeft er toch haar eigen draai aan. Op een langwerpig stuk papier tekent ze haar hele familie. Dit moet als een band om haar arm komen. ‘Hoe heet het ook alweer?’ hoor ik haar een aantal keer vragen. ‘Een kompas.’ Het woord begint rond te zingen in de klas. Aan het eind van de middag is Noa intens gelukkig met mijn plakbandje dat de armband compleet maakt. ‘Nu hoef ik nóóit meer naar huis want ik heb een kompas’.

De volgende dag is het Nienke die heel verdrietig is als haar moeder, na een prachtige ‘doktersdemonstratie’ bij ons in de kring, toch naar huis gaat. Ze blijft hartverscheurend huilen en ineens herinner ik mij het kompas van gisteren. Noa spring op en zoekt haar hele lijf af. De armband is weg maar in haar hoofd is ‘ie er nog. Nienke’s verdriet is meteen verdwenen als Isa uitlegt hoe het werkt. En ja, natuurlijk wil ze die wel even met haar maken. Samen wordt druk overlegd. Er moet een moeder getekend worden. Hartjes zijn ook heel belangrijk. Volgens Isa moeten er knopjes bovenaan om je vader en moeder te kunnen bellen. Nienke doet die toch liever aan twee kanten naast de moeder want dat werkt veel beter. Het kompas van Isa komt weer aan een ketting dichtbij haar hart te hangen terwijl dat van Nienke als een vliegertje achter haar aan wappert.

Bijna iedere kleuterleerkracht zal het herkennen; hoe je iedere dag weer balanceert tussen het formele onderwijsaanbod en het improviseren rond al die grote en kleine gebeurtenissen in een groep 1/2. Hoe de kinderen vaak iets anders en misschien wel veel meer leren dan jij van te voren kon bedenken. Zoals Isa, Noa, Nienke en misschien ook Stijn hebben geleerd hoe je betekenis kunt geven aan een ervaring door iets te maken. Hoe je woorden kunt geven aan een gevoel. En hoe je dat tot in detail met elkaar kunt bespreken. En misschien nog wel het allerbelangrijkste: hoe je je in een ander kunt verplaatsen. Jonge kinderen kunnen nog niet op een andere manier leren dan vanuit dat ene moment dat nu betekenis voor hen heeft. En dát is waarom kleuterjuffen vaak zo moeilijk doen als het gaat om het halen van formele leerdoelen.

Kijk eens wat ik al kan!

.

Het is een engelachtig jongetje. Dromerige ogen als spiegeltjes. Eerst kijkt hij alleen, zijn doekje veilig in zijn knuist geklemd. Hij lijkt op zijn tenen te lopen en als hij tekent houdt hij zijn potlood vast als een veertje dat zachtjes aait over het papier. Maar … hij weet alles van cijfers, telt, bijna zingend, in het Engels heen en terug tot minstens 50, vertelt terloops dat 2 en 8 10 is maar 3 en 7 ook en 4 en 6 en 5 en 5 natuurlijk. Het eerste wat hij mij vroeg was de maat van mijn schoenen om dit daarna tevreden te vergelijken met de maat van zijn moeder, zijn vader, zijn oma en zijn peuterjuffen. Ik was in kaart gebracht

Hij houdt best van buiten spelen, ook al is het spannend met al die steppen en fietsen die van verschillende kanten op je af komen en met karren die op hoge snelheid rakelings langs je heen denderen. Gelukkig heeft hij een vriend die hij nog kent van de peuterspeelzaal. Samen zijn ze werkmannen en sjouwen met planken en banden. Hij met in zijn ene hand het doekje dat als een klein vlaggetje fier in de lucht wappert terwijl hij met zijn andere hand probeert een band in evenwicht te houden. Ik zie hem schrikken van onverwachtse geluiden, van alle beweging die ongecontroleerd langs en door zijn spel heen flitst. En als zijn vriendje in die eerste weken een keertje ziek is of met iemand anders speelt staat hij onzeker in een hoekje van het plein. ‘Ik ga zo naar huis’, zegt hij terwijl de tranen een voor een uit zijn ogen druppen.

‘Juf, kijk eens wat ik al kan!’ zegt hij een paar maanden later. ‘Ik kan die hoogste al aanraken.’ En natuurlijk wil ik kijken hoe hij, nog steeds voorzichtig en met beleid andere kinderen ontwijkend, helemaal tot bovenaan het klimrek klimt. Eerst met zijn handen op de bovenste lat, daarna hoger en hoger. Totdat hij op de hoogste sport staat. Zijn vriendje is al ergens anders gaan spelen maar het deert hem niet. Even gaat hij helemaal op in wat hij al kan, zelf, in zijn eigen lijf. Om daarna achter de anderen aan te rennen.

Ieder kind ontwikkelt zich weer anders, denk ik als hij ineens samen met Anne langs komt huppelen. Ze zijn vogels, babyvogeltjes eigenlijk. Ze zoeken eten, fladderen achter elkaar aan, af en toe hand in hand. Het doekje is niet meer nodig.

De magie van het maken

.

Eigenlijk heeft ze geen tijd voor de gewone begroeting van iedere ochtend. Ze moet hoognodig iets heel belangrijks vertellen:

‘Ik heb magische krachten gekregen van Isa!’

Na de uitroep staat ze stil, kijkt schuin omhoog, alsof zich daar nog een spoor van de magie bevindt. Haar tante lacht, net zoals een paar andere moeders en vaders die hun kind naar school brengen. ‘Goh’, zeg ik, ‘wat goed, kan ik ook van die krachten krijgen?’ ‘Nee, het moet met de toverstok. Isa, heeft een toverstok; zo!’ Ze springt omhoog, komt neer met haar benen wijd, spreidt haar armen uit en zwaait met de denkbeeldige toverstok. ‘Nu kan alles in ijs veranderen en dan gaat het sneeuwen. Maar het moet wel buiten.’ Ik herken het Frozen-thema maar denk ook dat Nienke een belangrijke stap in haar ontwikkeling heeft gezet. Niet alleen kan ze zich van alles voorstellen, ze kan ook aanhaken bij de voorstellingen en verhalen om haar heen. Als we later die dag buiten spelen zie ik het weer. De kinderen spelen ‘ijskoning’. Er is een ijskoningin met twee baby’s waarvan er één opgroeit en de ander klein en afhankelijk blijft, er is een ijspaleis, een koets met een paard ervoor en een oppasser voor de baby’s en het paard. Het ijspaleis bevindt zich op een heuveltje, banden en planken zijn bedden en tafels, scheppen laten zien waar de deur is, er zijn emmers waarvan mij de functie niet helemaal duidelijk is maar voor de kinderen die meespelen is het zonneklaar. Soms wordt er onderhandeld en verandert een bed met een kleine ingreep in een tafel of ontstaat er een stal in het paleis. Kinderen die zich niet houden aan deze ongeschreven regels over wat iets voorstelt worden onverbiddelijk weggebonjourd. Een paar weken geleden had Nienke nog veel moeite met het vinden van aansluiting bij het spel van anderen, nu doet ze helemaal mee.

Als we naar binnen gaan is Isa, die de magie van het maken tot in de puntjes beheerst, verdwenen. Ze blijkt al in de klas te zijn. Op de grond in de deuropening is ze bezig met een takje, een blaadje en plakband. Tijdens de speelwerktijd, later, gaat ze verder. Sil vraagt aan mij wat Isa toch aan het doen is. Ik hoor mijzelf terug als Isa antwoordt dat hij dat aan haar moet vragen dat ze het dan wel zal vertellen. Ze maakt namelijk een indianenhoed.

De tekentafel met verschillende formaten papier, potloden, stiften, plakband, een perforator en draadjes en lintjes is favoriet tijdens het spelen en werken. Ook Nienke schuift aan. Aandachtig kijkt ze toe hoe Anne een echt tasje maakt van papier; er kan iets in, er zit een hengsel aan en het is aan de buitenkant mooi versierd. Dat wil ze óók. Worstelend, soms stampvoetend omdat het niet lukt, krijgt ze het voor elkaar om ook een tasje te maken. ‘Het is dezelfde als van Anne maar toch een beetje anders gemaakt’, legt ze later uit in de kring.

Steeds vaker denk ik dat het een van de belangrijkste ontwikkelingen is in de kleutertijd; het maken en gebruiken van symbolen en het begrijpen van de symbolen van anderen. Dit leren kinderen door te spelen én door te ‘maken’. En al die letters, cijfers en teksten, die tenslotte ook allemaal symbolen zijn, gedijen later veel beter in een goed ontwikkeld symbolisch denken.  

Ons fotoboek

.

Iedereen knikt instemmend als Gijs vertelt over die keer dat zijn vinger gebroken was. ‘Weet je nog juf, toen zag je het gips om mijn vinger’. ‘Ja’, ‘ja’, klinkt het van alle kanten. ‘Ja, toen lag je in bed in het ziekenhuis en toen zag je dat’. Ik zoek naarstig mijn herinneringen af maar kan geen moment vinden waarin ik Gijs met gips of mitella ben tegengekomen of berichten kreeg over een ziekenhuisopname. Totdat Lisa zegt dat er toen ook een foto was gemaakt. Dan begint me iets te dagen. Dit schooljaar ben ik weer eens gestart met een ‘klassen-fotoboek’. Alle kinderen kregen een blad mee met hun naam erop, dit konden ze vullen met foto’s van thuis. Al gauw kwamen de bladen terug, vaak gevuld met veel kleine fotootjes. De kinderen thuis, met papa en mama, broertjes en zusjes, hun speelgoed, een huisdier, samen met vriendjes en vriendinnetjes in hun eigen kamer, in de tuin, buiten op straat of op een verre vakantiereis. Zo zit er in het boek ook een blad met foto’s van Gijs. Op een van de foto’s zien we de twee of driejarige held in bed met zijn hand in het gips.

Het fotoboek is al snel favoriet. Als de kinderen die klaar zijn met de lunch nog even een boekje mogen lezen vindt er een ware stormloop op ons fotoboek plaats. Vooraf worden alvast afspraken gemaakt; ‘mag ik na jou?’ ‘En daarna ben ik aan de buurt’, ‘en ik’, ‘en ik’. De broodjes zijn ineens snel op. Het bekijken van de fotobladen gaat snel en de aandacht lijkt vluchtig. Toch krijgen ze er geen genoeg van om steeds opnieuw dezelfde foto’s te bekijken. Ondertussen wordt alles benoemd; wie is wie, waar zijn ze, wat gebeurt er? Om dat meteen te relateren aan hun eigen ervaringen; ‘dat was het zwembad, daar was ik ook, in het rode badje zit ik.’ ‘Mijn poes is zwart.’ ‘Mijn poes is dood’. Of; ‘Wow, dat zijn veel pannenkoeken, lekker!’

Nelson (2009) schetst in haar boek ‘Young minds in possible worlds’ hoe de wereld van kinderen vanaf een jaar of 4 snel groter wordt. Steeds beter kunnen ze zich dingen voorstellen die er op dat moment niet zijn maar die misschien lijken op iets wat ze zelf ongeveer zo hebben meegemaakt. En steeds meer maken ze een (autobiografisch) verhaal van de betekenisvolle gebeurtenissen in hun leven. Die verhalen worden verknoopt met die van anderen waarover ze hoorden, die ze zagen op TV (of fotoboek) of voorgelezen kregen. En altijd zijn zijzelf het stralende middelpunt. Zo ontstond in mijn groep van vorig jaar de gewoonte om als we naar een filmpje keken meteen de rollen te verdelen. ‘Ik ben die vaderleeuw’, ‘en ik de moeder’, ‘en ik ben dat babyleeuwtje’. Om daarna op te springen, te grommen en mee te bewegen met alle acties. De scheidslijn tussen de eigen ervaring en die van anderen is nog dun en vloeibaar.

Jezelf in de wereld leren kennen; het verklaart de gretigheid om steeds opnieuw dezelfde foto’s te zien. En het is genieten om dat van dichtbij mee te maken.