Geen categorie

Nog meer tekeningen van treinen, boten, auto’s, wegen en huizen

.

Als ik nog snel wat spulletjes bij elkaar zoek voor een paar laatste dagen fietsen in de provincie Groningen, vind ik een mapje met tekeningen. Zonder naam dit keer maar overduidelijk van Chiel. Mijn vorige blog ging over het verhaal dat hij vertelde in zijn tekeningen. Ik blader ze door en kan het niet laten. Ze passen zo mooi; ik kies er een paar uit en plak ze op verschillende plekken in het verhaal over het afscheid van onze treinen-man. Dus niet helemaal nieuwe, maar toch een beetje: nog meer tekeningen van Chiel.

Afscheid van onze ‘treinenman’

.

.

De tekening moet ergens op mijn bureau liggen, het is een opsomming van treinen; stoomtrein, goederentrein, hondenkop, dubbeldekker. Ik vind hem half verscholen onder allerlei andere schoolspullen die moeten worden uitgezocht, geordend en opgeborgen. Het is een van de klusjes die me in het begin van de vakantie altijd helder voor ogen staan. Maar die jammerlijk achter de horizon verdwijnen als de echte ontspanning gaandeweg eindelijk intreedt.

De tekening kreeg ik op de laatste dag voor de vakantie van Chiel. Er waren weken dat ik bijna iedere dag een tekening van hem kreeg. Soms overleefden ze de weg van mijn juffen-bureau via mijn schooltas naar mijn atelier thuis. Daar maakte ik een apart stapeltje, waar ik een dubbelgevouwen A4tje omheen vouwde en ‘tekeningen van Chiel’ op schreef. Ik pluk de tekening van mijn ateliertafel, sluit mijn ogen voor alle blaadjes, boeken, lapjes, lintjes, papiertjes, aantekeningen, frutsels, … en schuif hem tussen het stapeltje ‘tekeningen van Chiel’.

Twee jaar geleden kwam hij bij mij in de klas. Een kleine jongen met bijna rechtopstaand wit haar, een rond koppie, een innemende lach en rode wangen. In het eerste kringgesprek vertelde hij over de ingestorte Morandi-brug in Genua in Italië. Hij deed dat met zoveel details dat ik geschrokken vroeg of hij daar soms langs was gekomen in de vakantie. ‘Nee hoor juf, ik had het op de TV gezien en van mijn vader gehoord.’

Al snel krijg ik de eerste tekening. Er hoort een verhaal bij over de wegen tussen verschillende huizen, de A9, de afsluitdijk en hoeveel kilometer dat allemaal uit elkaar ligt.

.

De tekeningen ontwikkelen zich tot twee schema’s; huizen en auto’s. Vaak staat er aan de ene kant een auto en aan de andere kant een huis. Hij maakt ze geconcentreerd, ergens op een verloren moment in de dag met het materiaal dat toevallig voorhanden is. Soms verbaas ik mij over de nauwkeurigheid waarmee hij vastlegt hoe de wereld in elkaar zit, hoe hij samenvat wat voor hem belangrijk is. En bijna altijd komt hij de tekeningen brengen bij mij. Alsof ik de hoeder ben van zijn gedachten en ideeën.

.

En dan worden huizen en voertuigen voorzichtig met elkaar verbonden. In de tekening van het huis met de weg bijvoorbeeld.

de weg naar

het huis

meer wegen

Als je heel goed kijkt zie je hoe Chiel een ingericht huis tekende, vanuit de voordeur kom je op de weg. Die weg leidt naar een volgend huis of je kunt de afslag nemen het papier af.

.

.

Als snel blijkt de wereld van Chiel eigenlijk te draaien om treinen. Buiten maakt hij treinen door verschillende karren aan elkaar te bevestigen. Binnen construeert hij ingewikkelde treinbanen met bruggen, viaducten en knooppunten. Duplo-huizen met zwembaden, speeltuinen, auto’s voor de deur, slaapkamers en ‘chill-plekjes’ maken het tot een wereld in het klein. Hij woont vlak bij het station waar je vanaf een brug over het spoor alle bewegingen van de verschillende treinen kunt gadeslaan. ‘Morgen ga ik met mijn vader op de trein’, vertrouwde hij me eens toe. ‘Werkt je vader op de trein?’ Maar nee, zijn vader bleek vrachtwagenchauffeur. En zelfs als zijn vader tijdens het project ‘vervoer’ met zijn wagen het schoolplein op komt rijden, de kinderen een voor een de cabine inklimmen en we allemaal diep onder de indruk zijn, blijft hij het zeker weten: ‘ik ga later op de trein werken.’

Ook in zijn tekeningen verschijnen treinen. Een sneltrein, de stoomtrein waarmee hij met zijn vader, moeder en zusje van Hoorn naar Enkhuizen reed.

de stoomtrein

Lange stroken plakband zijn over verschillende delen van de tekening heen geplakt.

de stoomtrein

de sneltrein

trein, boot,

huis, trekker

.

Vaak schrijft Chiel iets naast, bij of achterop zijn tekening. Ik vind zelfs een blad waarop hij het alfabet aan het oefenen is. Met de namen van de juffen en hier en daar een trein, huis of boot natuurlijk.

.

Een tijd geleden kreeg ik tijdens de ‘pauze-hap’ een prachtig inkijkje in zijn wereld. Chiel vertelde dat hij later met Nora ging trouwen en dat ze samen in een huis zouden gaan wonen naast het station. Allebei zouden ze gaan werken op de trein. Als ze dan ‘s avonds weer terugkwamen waren ze snel thuis. Ze zouden baby’s krijgen en die mochten af en toe mee op de trein. Nora zit genoeglijk etend en drinkend een paar stoelen bij hem vandaan en beaamt alles met een tevreden knikje. Maar Nienke is het er niet mee eens. Zíj zou juist samen met Chiel in een huis gaan wonen!! Er wordt wat heen en weer gehakketakt totdat iemand oppert dat ze ook met z’n drieën in een huis kunnen wonen. Loïs heeft ook twee moeders, dus dat kan. Dan kan er vast ook wel een vader bij. Maar nu roert Dunia zich: ‘dat mag niet, kinderen mogen niet zelf in een huis wonen, want dan mist je moeder je te veel’. Er klinkt voorzichtig weerwoord: ‘dan ben je groot en dan mag het wel’, ‘dan ben je geen kind meer’. Maar het blijkt moeilijk om je voor te stellen dat je echt een groot mens zult worden. Chiel reageert niet meer. Zo te zien blijft zijn toekomstdroom stevig overeind. Of misschien is het helemaal niet iets wat zich in de toekomst afspeelt maar in zijn verbeelding, in het nu. Iets dat je kunt spelen, kunt tekenen, maken en vertellen. Zo maak je je gedachten en ideeën concreet en kun je ze verder onderzoeken.

Als we na de lock-down weer met de hele groep naar school gaan kan Chiel op een ochtend bijna niet wachten met vertellen wat er is gebeurd. ‘Ik heb mijn huis gezien!’ ‘Je huis?’ Ik weet even niet waar hij het over heeft. ‘Ja, het huis waar ik in ga wonen met Nora. Het staat tegenover het spoorwegmuseum. Daar was ik, want het was weer open. En het staat nog leeg. Het is langs de snelweg en dan kun je zo over de A2 en de A9 terug naar Alkmaar rijden.’ De andere kinderen zien maar één probleem. ‘Misschien gaat er iemand anders in wonen voordat je groot bent.’ Siem lijkt even bezorgd bij zichzelf naar binnen te kijken en lacht dan opgelucht; er staan nog meer huizen leeg daar, dus als het al weg is dan neemt ‘ie gewoon een andere.

Als ik verschillende tekeningen van het stapeltje van Chiel bekijk hoor ik de verhalen weer, zie ik de bouwwerken, het spel buiten met de karren en binnen in de bouwhoek. De treinen, de huizen die steeds verder worden ingericht, auto’s, boten, wegen en de plekjes daartussen.

.

Ik zal ze missen; de tekeningen van Chiel. Zoals ik alle getekende, vertelde en gespeelde verhalen zal missen die de kinderen maakten en met elkaar verweefden tot juist dat ene grote verhaal van deze groep.

Teacher Tom beschrijft in een van zijn blogs hoe kinderen al jong virtuoze verhalenvertellers worden. Die verhalen beginnen klein, verbonden met de mensen dichtbij. Om zich daarna steeds verder uit te breiden naar de steeds groter wordende wereld. We leren veel van het maken van verhalen: ‘making sense of our world, placing our experiences in context, weaving them into narratives that inform and create and explain and question.’

Chiel, Nora en Dunia gaan na de vakantie met de andere zesjarigen naar groep 3, verder de grote wereld in. Ze zijn er helemaal klaar voor. En ik neem me voor om weer volop te gaan genieten van alle verhalen die opnieuw ontstaan in mijn overgebleven en weer groeiende groepje. Heerlijk!

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

.

.

Vakantie. Dat is een beetje doelloos zwerven langs weilanden, vogellandjes en door nog enigszins verlaten musea. Het is fietsen en wandelen. Samen zijn met familie en vrienden. Een biertje drinken op het achtersteven van een bootje. Het is de eerste kop koffie met je blote benen uitgestrekt in het ochtendzonnetje of het laatste tochtje in de schemering. Maar het is vooral veel herkauwen. Eigenlijk heb ik daar helemaal geen zin in maar het gebeurt gewoon. Dit jaar misschien nog wel meer dan anders.

De afgelopen maanden bolderden we met z’n allen hotsend en botsend over een hobbelig pad van de ene gebeurtenis naar de andere. Soms wisten we de ene week niet hoe de volgende eruit zou zien. We improviseerden, reageerden en losten problemen op terwijl we ons nauwelijks realiseerden wat er nu eigenlijk allemaal gebeurde.

Ongemerkt brak toen toch ineens de laatste schoolweek aan. De kinderen wisten het eerder dan ik. Terwijl mijn eigen hoofd nog vol zat met alternatieve rapporten, telefonische oudergesprekken en de vraag hoe ik de klas schoon kreeg zonder ouderhulp, gedroegen de kinderen zich van de ene dag op de andere zoals altijd vlak voor de zomervakantie. Ze waren druk, ongeconcentreerd en wat ik ook zei of deed het leek geen enkel effect te hebben.

.

.

Duuk haalt voor de zoveelste keer een stapel kaarten te voorschijn. Prachtige kaarten met vreemdsoortige monsters vol met magische krachten. Maar we hebben afgesproken dat hij dat alleen buiten doet, niet als we samen in de kring zitten. Vorige week gebeurde het nog schielijk in de gang of ergens verborgen onder tafel, nu haalt hij als een echte grote, stoere jongen de kaarten in het zicht van iedereen uit zijn broekzak, zijn voeten legt hij daarbij zelfs languit op de vensterbank. Zonder erbij na te denken sta ik op, pak de kaarten af en leg ze op kast. ‘Die krijg je weer terug als we naar huis gaan.’ Ik kijk hem aan en voeg eraan toe dat hij zich zo niet moet gedragen bij zijn nieuwe juf in groep 3, dat ík wel weet dat hij een lieve jongen is maar zijn nieuwe juf nog niet. Dat is oneerlijk want ik weet ook wel dat het lang zal duren voordat hij zich zo gedraagt bij zijn nieuwe juf. Maar het komt aan. Meteen zit hij rechtop en mompelt instemmend. Ook de andere kinderen zijn stil en weer helemaal bereid zich goed te gedragen.

Ik vertel dat morgen de laatste dag is voor de vakantie. Dat ze speelgoed mogen meenemen en zich verkleden als ze willen. Liever geen wapens zoals het grote geweer van Duuk of het sabel van de als piraat verklede Mick, maar iets waar ze samen mee kunnen spelen. Dat we morgen ook afscheid nemen van de kinderen die naar groep 3 gaan en van juf Marion. De vragen buitelen al snel over elkaar heen. ‘Mag je wel speelgoed mee dat geluid kan maken?’ ‘Krijgen we een cadeautje?’ ‘Waarom ga ik ook alweer niet naar groep 3?’ ‘In welke groep zit ik na de vakantie?’ ‘Mogen we wel knuffels meenemen morgen?’ Uit mijn ooghoek zie ik dat Jelle, vlak naast mij, al een tijd lang heel rustig met zijn vinger omhoog zit, zonder dat hij, zoals veel kinderen, alvast gaat praten of die vinger begeleidt met aanzwellende en aandacht vragende geluidjes. ‘De laatste vraag is voor Jelle.’

‘Wat gebeurt er als ík stout ben?’

De vraag overvalt me. ‘Uhm, ja, nou …, wanneer ben je dan stout?’ vraag ik wat schaapachtig. Het antwoord is helder en duidelijk: ‘Als ik iets heel graag wil en het mag niet en ik doe het toch’. Ik denk aan de keren dat Jelle iets deed dat je misschien stout zou kunnen noemen. Samen met zijn vriendje Xander bakte hij kleikoekjes op de verwarming zodat de klei in straaltjes naar beneden droop, soms vliegen de auto’s herhaaldelijk over een zelf gebouwde schans door de klas of heeft hij ruzie over hoe het spel moet verlopen met zijn vriendjes. Meer kan ik niet bedenken. ‘Als je nou iets heel graag wil dat niet mag’, zeg ik, ‘als je nou een plannetje hebt waarvan je niet zeker weet of dat wel goed is, kun je het ook gewoon vragen. Misschien mag het eigenlijk wel of misschien kunnen we samen iets anders bedenken zodat niemand er last van heeft.’

Pas als niet alleen Jelle ontspant maar er een zucht van verlichting door de hele groep gaat, besef ik wat een spanning er hing na mijn terechtwijzing van Duuk. Ik maakte de grote stap naar groep 3 nog spannender en verbood daarna zelfs nog eens expliciet het prachtige, met afgunst bekeken, geweer dat hij twee dagen eerder mee naar school nam. Ik zie hoe opgelucht ze zijn nu ze weer weten dat je ergens over kunt praten. Dat we dat wat er is kunnen benoemen. Dat we gewoon samen naar een oplossing kunnen zoeken.

Duuk kreeg zijn kaarten terug en een knipoog die hij welwillend in ontvangst nam. En ik ben achteraf, herkauwend in lege vakantiedagen, trots op mijn groepje. Op de vierjarige Jelle die zo treffend de spanning verwoordde die iedereen voelde. Op al die kinderen die eigenlijk altijd proberen het goede te doen. Trots op de momenten waarop het even lukt: naar elkaar luisteren en elkaar begrijpen.

Werken met jonge kinderen betekent heel veel verhalen maken, vertellen en spelen

.

Het is vrijdagmiddag en minstens 30 graden. We zitten in een ‘binnenkring’ en een ‘buitenkring’, anders past het niet. De kinderen zijn dorstig, moe, zwart van het opgestoven zand buiten en ik heb net allerlei maaksels, tekeningen en briefjes uitgedeeld. Volle plastic tasjes staan tussen rugzakken met bekers, fruitbakjes en broodtrommels. Opgerolde verftekeningen worden toeters, een vergeten beker rolt de kring door en veel warme voetjes zoeken daartussen een vrij plekje op de vloer.

Eigenlijk had ik bedacht om ons thema ‘ik zorg voor jonge dieren’ af te sluiten maar ik aarzel, heb het ook niet echt voorbereid. Ik kijk op de klok; we hebben nog een heel kwartier. Zonder dat ik precies weet waar het heen gaat roep ik hard: ‘trrrrring!!’ Ondertussen kijk ik verschrikt om me heen, kom van mijn kruk en loop richting huishoek. Alle kinderen zijn plotseling stil. ‘Trrrring’, ik loop naar de oude (speel)telefoon. ‘Dat doe je zelf’, roept Duuk. Een aantal oudsten beamen dit. ‘Ja.’ ‘Ja, je doet het zelf.’ Toch kijken ze geïnteresseerd hoe het verder gaat. Ik pak de telefoon en begin te praten. ‘Hé Claudi, wat leuk dat je belt. Ja, ik ben op school, in de klas, ja?’ Ineens is alle dorst, vermoeidheid en hitte vergeten. Eenendertig paar ogen zijn in volle concentratie op mij gericht. Ik zie bij de jongste kinderen bijna hoe hun verbeelding ‘aan’ gaat. Ik praat met Claudi, dat is duidelijk, wie dat dan ook is, ze zien het voor zich. De oudsten aarzelen. Ik praat verder. ‘Ja we hebben alle dieren nog. De poesjes, de kip met de kuikentjes…..’

‘Is het echt?’, vraagt Nora voorzichtig. Dit is een lastige vraag, ze wil weten hoe het zit. Ze weet dat je niet echt kunt bellen met de telefoon in de huishoek. Hoe houd ik de magie van het spel vast en geef ik toch antwoord? Ik vertel, als in een bijzin, dat Claudi echt mijn vriendin is maar dat ik speel dat ze belt met de speeltelefoon. Weer terug op de kruk neem ik de telefoon op schoot en praat verder. ‘Ja, het gaat het goed met de poezen en met de kip en haar kuikens. Oh, wil je dat ze weer bij jou komen?’ Ik leg de hoorn neer en leg uit dat Claudi ook juf is, dat wij alle twee een kast hebben met heel veel spulletjes. Dat we die soms van elkaar lenen. Ik vertel hoe ik (echt!) alle jonge dierenknuffels uit de lades onder juf Claudi’s bed gehaald heb. Hoe ik helemaal onder het bed moest kruipen omdat ze in de achterste la zaten. Maar nu moeten ze dus weer terug.

‘Wat? Weet je niet meer precies hoe je voor ze moet zorgen? Of de kinderen dat weten? Misschien …’ Vragend kijk ik de kring rond. Nora is om. Als het een spel is dan doet ze mee: ‘Iedere dag eten en drinken in een bakje, ze moeten leren poepen en plassen op de kattenbak en ze willen spelen. Ze hebben ook hun pootje gebroken, toen kregen ze gips bij …., bij …’ ‘Bij de dierenarts’, maakt Dunya de zin af. ‘Bij de spoedeisende hulp’, corrigeert Nora. ‘En ze hebben daarna nog een checkup gekregen, ze zijn helemaal goed.’ Alle opgedane kennis wordt gedeeld. ‘Het waren geen acht kittens maar vijf’, weet Duuk. ‘Drie zijn tijgertjes, die hadden we al, die moeten niet bij de poezen want dat is gevaarlijk.’ Ook ik vergeet de warmte en geniet van het spel dat ontstaat. De bijna 5 jarige Sara legt voorzichtig de vader en moederpoes met hun 5 kittens op tafel. Ineens weet ze weer dat dit niet zomaar knuffels zijn, maar jonge dieren waar je goed voor moet zorgen.

Zonder dat het nou speciaal mijn bedoeling was hebben we geëvalueerd wat we samen leerden van het afgelopen thema. In de vorm van een verhaal blijken de kinderen informatie veel beter weer te kunnen oproepen dan als ik ze letterlijk vraag wat ze geleerd hebben. Het verhaal organiseert en structureert hun denken. Bij de jongsten zijn dat nog kleine verhaaltjes die dicht bij de eigen (zintuigelijke) ervaringen en ontdekkingen liggen. Bij mijn zes- of bijna zesjarigen zie ik hoe ze steeds meer grip krijgen op de uitgespeelde verhalen. Ze maken vooraf plannen, kunnen tijdens het spelen overleggen, onderhandelen, commentaar geven, de regels aanpassen en soms de volgende dag verder gaan op het eerdere verhaal. En niet zelden zie ik oudste kleuters samen in de bouwhoek of huishoek zitten praten over wat ze gaan spelen of maken zonder dat er ook maar iets wordt aangeraakt. Het verhaal is taal geworden. – Ze zijn klaar voor groep 3 – denk ik dan tevreden. En ik ben ervan overtuigd dat kleuters die een spelplan maken en samen terugkijken op het spel, later kunnen aangeven wat ze gaan leren en achteraf beter weten wat ze hebben geleerd.

Dus werken met jonge kinderen is heel veel investeren in maken, spelen en verhalen vertellen. Wat heb ik toch een heerlijk vak!

een mindmap over hoe je moet zorgen voor jonge poesjes

We zullen, zal ik, in het nieuwe jaar ….

1 januari 2020

Het eerste rondje hardlopen in het nieuw jaar. Mistig land, kaal, leeg, resten opgehoopt vuurwerk. Ik kom één wandelaar en één fietser tegen op het pad tussen de weilanden. Langzaam loop ik mij warm en richten mijn gedachten zich, langzaam komen de plannen. Alle verhalen van de kinderen in mijn klas; kleine gebeurtenissen, kinderen die groeien en zich ontwikkelen, die van alles meemaken, kinderen die met hun eigen karakter en al hun eerder opgedane ervaringen een plekje vinden in onze groep, in de school, in de wereld; ik zou het weer wat vaker op moeten schrijven. Korte afgeronde gebeurtenissen, kleine kind-portretjes. Niet meer dan 500 woorden en misschien wel iedere week. Ook als tegenwicht of misschien eerder een aanvulling op alle methodes, het doelgerichte werken en de leerlingvolgsystemen. Opdat we niet vergeten dat iedere plus of min die wij als leerkracht ergens invullen geworteld is in een gebeurtenis, in een ervaring van een kind dat de wereld wil leren kennen en wil begrijpen, dat ontdekkingen doet, relaties aangaat, vriendjes maakt, tekent, schildert en voortdurend dingen maakt, verhalen maakt en die uitspeelt. Ieder plus of min die wij invullen in een leerlingvolgsysteem, registreren wij vanuit ons eigen blikveld. Geen objectief feit dus! Terwijl dat vinkje zomaar een eigen leven kan gaan leiden in een systeem.

Ondertussen heb ik de weilanden al bijna weer achter mij gelaten en kom ik een collega tegen op de fiets. Mijn gedachten kristalliseren zich uit tot een heus ‘goed voornemen’. Op straat staan een vader en zoon vuurwerkresten in vuilniszakken te proppen, ik steek mijn duim omhoog. ‘Ja, anderen maken rotzooi en wij ruimen op, zo maken we de wereld weer een stukje mooier’ lachen ze. Ja, de wereld een stukje mooier maken. Dat gaan we doen!

…. dacht ik. Maar een ongebruikte, niet beheerde website stort langzaam in elkaar. En terwijl ik mijn blog wil posten doen steeds meer knoppen het niet meer, verschijnen er alarmerende foutmeldingen. De schrik verspreid zich als een snel opkomende koorts van mijn tenen naar mijn kruin, van mijn diep in mijn keel tot aan mijn vingertoppen. En na een week en veel chat-gesprekken, hulpvragen, het volgen van heel veel stappenplannen, slapeloze nachten en zenuwachtige acties verder doet bijna alles het weer. Bijna; alleen mijn homepage niet. Maar ik besluit dat nog maar even uit te stellen.

Dus hier gaat ‘ie dan ……. we zullen, ik zal, in het nieuwe jaar!

Speeldrift

IMG_2231

.

‘Er is een dierenmishandelaar bij ons in de klas!’ Iedereen, net nog druk en lawaaiig aan het opruimen, houdt geschrokken zijn mond. Ook ik en de onderwijsassistent. ‘DIE-REN-MIS-HAN-DE-LING!!!’ Ze spuugt iedere lettergreep met nadruk mijn richting uit. Haar ogen zijn groot van verontwaardiging, haar hele houding een en al onverzettelijkheid, haar blonde krullen gooit ze woest naar achteren. Ik denk aan een spin die een voor een zijn pootjes wordt uitgetrokken, een gestorven vlieg die wordt platgestampt.  ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik voorzichtig. ‘Nou, een kikker is in een heel klein hokje gestopt. Gewoon GE-PROPT !’ Gespannen wacht ze op mijn reactie. Achter haar zie ik in de huishoek de vermoedelijke dader verstarren. ‘Ik wou ‘m alleen maar opruimen’ fluistert hij dan met een hoog stemmetje. Er begint me iets te dagen. We werken rond het thema vriendschap van de kinderboekenweek. Kikker van Max Velthuis logeert in de huishoek. Bovendien maken we aan het begin van het schooljaar samen onze ‘gouden regels’ en praten we regelmatig over hoe we met elkaar om (willen) gaan. Als ik tegen de potentiële dierenmishandelaar zeg dat kikkers wat meer ruimte nodig hebben omdat ze natuurlijk wel moeten kunnen springen, gaat er een zucht van verlichting door de klas. Een ogenblik later is iedereen weer aan het opruimen. De orde is herstelt. Zo ga je om met kikkers. Het is een spel, dat weten ze allemaal en toch is het bloedserieus.

.

In de kring lees ik het verhaal voor van kikker die een beertje vindt tussen de herfstbladeren. Dat beertje wordt zijn beste vriend. Met kleine poppetjes en attributen speel ik het verhaal ondertussen uit. Als ik vraag wie er wil spelen met de verteltafel van kikker in de speelhoek in de gang, nu ingericht als bibliotheek, steekt bijna iedereen zijn vinger op. Ook Catarina en Isabelle; twee jonge meisjes, verlegen, nog erg gericht op elkaar en niet altijd betrokken bij wat er in de hele groep gebeurt.  Ik geef ze het dienblad met daarop kikker en zijn vriendjes. Voorzichtig en geconcentreerd lopen ze ermee naar de gang om binnen een minuut weer voor mijn neus te staan. ‘Jullie mogen in de bibliotheek spelen hoor.’ ‘Echt?’ Een beetje onwennig maar opgewonden giechelend verdwijnen ze weer naar de gang. Als ik 10 minuten later kom kijken ligt kikker met beertje in het bedje te slapen, over de grond verspreid  liggen de herfstblaadjes, de anderen dieren en de twee meiden daartussen, fluisterend met elkaar en rommelend met de spulletjes. Ze hebben voorlopig mijn hulp niet nodig. De kinderen in de huishoek willen ondertussen boeken ruilen in de bibliotheek. Die blijkt vaak gesloten. Af en toe komen ze klagen bij mij: Dat ze boeken terug moeten brengen maar dat de bibliotheek dicht is. Of dat ze nog boeken aan het uitzoeken waren en dat toen ineens de bibliotheek gewoon weer dicht ging. Ik neem weer een kijkje op de gang. Isabelle en Caterina hebben het open- en dicht-bord ontdekt. Een op elkaar geplakte groene en rode cirkel aan een touwtje, door een andere groep gemaakt en met het touwtje aan de telefoon gehangen. Dit magische teken geeft ze ontzettend veel vrijheid. Als ‘ie op rood staat wordt dat door ieder kind gerespecteerd en kunnen ze zonder gestoord te worden de hele hoek ontdekken. Ze zitten op de hoge stoel achter de balie, typen op het toetsenbord, schrijven in de agenda, rommelen met kaartjes en spelen met de verteltafel en de boeken. Als ze het bordje omdraaien met de groene voorkant naar voren gonst het al snel door de gangen dat de bibliotheek weer open is en komen de kinderen uit de huishoek naar de bibliotheek. Dat is soms overweldigend want niet iedere bezoeker gedraagt zich zoals het hoort. Maar dan draai je gewoon het bordje weer om. Wat leren die twee meiden veel. Niet alleen sociaal en emotioneel maar ook cognitief. Want dat een bordje met een kleur een teken kan zijn voor het begrip ‘dicht’ of ‘open’ en wat die begrippen dan allemaal behelzen is belangrijke kennis. Het is ook een vaardigheid die je nodig hebt om later te kunnen gaan lezen en schrijven.

.

Ook Dries wil graag dat dingen gebeuren zoals hij ze bedenkt. Een jaar lang heeft hij goed gekeken naar het bouwen. Nu de oudsten naar groep 3 zijn begint hij zijn eigen plannen uit te voeren. ‘s Ochtends bij binnenkomst scant hij de mogelijkheden; is er nieuw materiaal? Wat kan hij daarmee? Is de bouwhoek open en heeft juf zijn sleutelhanger nog niet bij een andere activiteit gehangen? Al snel bedenkt hij hoe je een huis kunt bouwen waar je zelf in past. Hij ontwerpt een dakconstructie, spaart een ruimte uit voor een raam, wat weer uitnodigt tot materiaal van buiten naar binnen schuiven of liever ‘werpen’, wat zelfs leidt tot het maken van een ‘bowlingbaan’. Andere kinderen helpen mee maar komen ook regelmatig vertellen dat Dries de baas speelt. ‘Nee, Lasse is ook de baas’, verdedigt hij zich, ‘maar ik ben de eerste baas.’ Als Nick huilend op de grond zit omdat hij door Dries op zijn hoofd is geslagen vraag ik hoe dat nou toch komt. ‘Hij deed niet wat ik zei’, komt er naar enige aarzeling welbewust uit. ‘Tja, dat is niet leuk. Maar nu zijn Lasse en Body al weggegaan omdat je boos op ze was en kijk …. Nick wil straks denk ik ook niet meer in de bouwhoek.’ Dit komt aan. Dries is even stil, zijn ogen lijken naar binnen te kijken. ‘Dat wil ik niet’, zegt hij dan, ‘ik wil samen spelen’. De dagen daarna probeer ik het samen bouwen wat meer te structureren. Aan het eind van de dag ruimen we op zodat de volgende dag andere kinderen weer nieuwe plannetjes kunnen maken. Sietse wil een kasteel voor de Ninjago’s bouwen. Ik laat hem beschrijven hoe dat er dan uitziet. Dries mag er ook aan meewerken. Voor de zekerheid vraag ik nog even na hoe dat kasteel er dan uit gaat zien. Ik zie de tweestrijd die zich binnen in hem voltrekt terug op zijn gezicht. Er verschijnt een rimpel op zijn voorhoofd, hij spert zijn ogen wijd open, wil zich omdraaien en niets zeggen maar weet ook dat dan zijn kans om in de bouwhoek te spelen voorbij is. ‘Een kasteel?’ Voor de Ninjago’s?’ Toch voegt hij zich. De jongens beginnen met overleggen maar krijgen al snel onenigheid. Eigenlijk wil iedereen een kasteel waar ze zelf als Ninja’s in kunnen of anders misschien een voertuig voor de Ninjago’s, alhoewel, dat wordt misschien weer veel te groot. Dat was alleen niet wat Sietse had bedacht. Het moest een kasteel voor lego-poppetjes worden. Na wat vragen van mijn kant gaat Sietse overstag. Ik vertel de jongens wel dat er niet zo veel tijd meer is. Ze moeten aan het eind van de middag opruimen. Misschien kunnen ze het gebouw tekenen voordat het weer afgebroken wordt. Zo weten ze morgen ook nog hoe het eruit zag. Nu gaat het snel. En als ik zeg dat we zo gaan opruimen en ze pen en papier geef, hebben ze onmiddellijk de taken verdeeld; ‘ik doe de voorkant!’, ‘ik de binnenkant’, ‘ik de buitenkant!’ Niemand speelt de baas en ik zie Dries genieten, ook al is het gebouw lang zo mooi niet als zijn eerdere gebouwen.

Als je aan kunt sluiten bij wat er bij de kinderen leeft lijkt alles wel vanzelf te gaan. En de kinderen willen spelen. Opruimen duurt lang en de kinderen moeten er steeds opnieuw toe worden aangespoord. Maar als je een hondje bent die alle op de grond gevallen papiertjes terug brengt naar haar baasje is het zo klaar. Het baasje moet dan wel steeds ‘apport!’ zeggen en ‘braaf’ en als een echt baasje de hond belonen. De jongens hebben zo opgeruimd als ik ze aanspreek als werkmannen die moeten zorgen dat de bouwplaats weer klaar is voor het nieuwe bouwwerk morgen. Ze hangen zelfs hun bouwtekeningen goed zichtbaar op het prikbord voor de nieuwe ploeg. En altijd weer moet ik met veel moeite mijn commentaar inslikken als er wordt opgeruimd met planken die vrachtschepen zijn en op ingewikkelde manieren alle over de grond verspreide steentjes naar de mand transporteren of als alle blokken eerst over een glijbaan moeten glijden voor ze op de goede plek belanden. Duurt veel te lang, denk ik dan. Maar eigenlijk is het zo klaar..

.

Verhaal van Mats

Verhaal van Mats

 

En nooit kan ik zo goed aansluiten bij de kinderen als wanneer we een door henzelf gedicteerd verhaal uitspelen. Toch ben ik verbaasd als Mats zegt dat hij de groene Ninja wil spelen uit zijn verhaal. ‘De groene? Maar er zijn toch alleen een rode en oranje krijger en een paarse Ninja?’ ‘Nee kijk’, en hij wijst naar zijn tekening, ‘dit is de groene Ninja.’ En dan volgt er een lang verhaal over de gevechten van de groene Ninja. Zijn spelverhaal was helemaal niet gestopt toen ik stopte met typen. Mats leert iets over de permanentie van geschreven taal maar ik leer over de verhalen die je kunt vastleggen in tekeningen en over kleuters die leven in een groot, doorlopend, meanderend spelverhaal dat zichtbaar wordt in wat ze maken en doen.

Waarom spelen kleuters zo graag? Waarom zitten ze niet het liefst met een boekje in een hoekje of doen ze bij voorkeur de taakjes die ze opgedragen krijgen? Het heeft te maken met de manier waarop ze denken, de manier waarop ze de wereld om hen heen ontdekken en steeds beter gaan begrijpen. Het heeft te maken met hoe ze leren. Als het lukt om aan te haken bij dat spel zie je volgens mij de meeste ontwikkeling. En hoe rijker het spel hoe beter de voorwaarden voor het meer formele leren later. Lieve, die meteen zag dat kikker in een veel te klein hokje was gepropt, heeft veel moeite met het maken van series van groot naar klein of dik naar dun. Een leerdoel deze maand. Moet ze nog een extra werkblad maken of kan ik haar uitnodigen om in de bouwhoek voor dieren van verschillende grootte hokjes te bouwen waar ze in passen? En kan ik een stapje terug doen, ook als ze niet meteen doet wat mijn bedoeling was? Vertrouwen we erop dat de kinderen in een rijke omgeving leren waar ze op dat moment aan toe zijn? En kunnen wij daarbij onze oren en ogen open houden en proberen te begrijpen wat we horen en zien zonder meteen in te grijpen? Alle leerdoelen, weekplanningen, kleine kringen en afvink-lijstjes maken het er niet gemakkelijker op. Maar de kleuters met al hun speldrift zijn een goede leermeester.

Spel is het werk van de kinderen

IMG_0750

Vivian Gussin Paley – A Child’s Work; the importance of fantasy play – “A richly detailed reminder of the enormously important role of imaginairy play”

 

.

De herkenbaarheid is hartverwarmend. Een zevenentachtig jaar oude kleuterjuf, aan de andere kant van de oceaan, vertelt waarom het zo belangrijk is dat kinderen spelen. Vertelt hoe kinderen superhelden en prinsessen worden, overstromingen het hoofd bieden, branden blussen, drankjes brouwen, baby’s redden en spelen dat ze wilde dieren, poesjes en slechteriken zijn of vogels die rond het nest vliegen en een fonkelende boom zien. Maar vooral beargumenteert deze nieuwsgierige en onderzoekende leerkracht waarom verbeeldend spel de lijm is die alle activiteiten in een groep 1/2 samenbindt, inclusief de activiteiten die kinderen voorbereidt op lezen, schrijven en rekenen. Het is aan de ene kant geruststellend te lezen dat kleuters 60 jaar geleden eigenlijk hetzelfde spel speelden als nu. Dat ook 30 jaar eerder een leerkracht die begreep dat ‘play is the work of children’ toch haar geduld kon verliezen als dat spel te heldhaftig en heroïsch werd. De theorie is mooi en inspirerend, de praktijk soms luid, rommelig en onvoorspelbaar. Maar het is ook verontrustend om te lezen hoe het spel zijn vanzelfsprekende plek in het leven van jonge kinderen verloor. Vivian Paley beschrijft hoe ergens halverwege de jaren ’80 steeds vaker geprobeerd werd het spel van kinderen te transformeren in door leerkrachten bedachte projecten en leeractiviteiten, in de illusie dat de spelers het verschil niet op zouden merken. Zelden werden daarbij thema’s uit het spel van de kinderen geleend. Toch bleven de kinderen hun verhalen uitspelen. Veel leerkrachten zagen hoe de kinderen leerden van spel en het evenwicht tussen de bedoelingen van de leerkrachten en de ideeën van de kinderen bleef bestaan.  Totdat steeds vaker brokken met letters en cijfers van de naburige ‘first-grade territory’ de kleuterklas in kwamen rollen. Lesjes, toetsen en testen verdrongen het spel van zijn centrale plek. De kleuterleerkrachten hadden weinig verweer tegen zoveel goed geïnformeerde en onderbouwde tegenstand. En eind jaren ’90 was spel een bedreigde activiteit geworden.

Herkenbaar?

.

Ik heb twee lange weken vakantie en voor het eerst in tijden betekent dat echt even niets doen. Mijn klas, het geven van een cursus, het aanvragen van subsidie, het bedenken van nieuwe projecten of onderzoek; alle deadlines zijn voor nu gehaald of voorbij. En ik kijk vanaf de bank naar donkere wolken of grijze luchten, fiets door jubelend groene weilanden en langs bermen waarin de bloeiende grassen vol verwachting uit hun schulp kruipen. Ik lees en praat en denk en kijk en zoek. En langzaam verbinden de ervaringen van de afgelopen tijd zich met elkaar. Ik ben als een stoofpotje waarin alles gezellig ligt te sudderen. De theorie van Cultuur in de Spiegel bijvoorbeeld en het idee dat kinderen van 5, 6 jaar een sterke voorkeur hebben voor de ‘culturele vaardigheid -verbeelden-‘ en dat ze ‘denken met dingen’, dat ze denken terwijl ze handelen met iets concreets dat je kunt zien en horen en dat ze betekenis geven. Dat een verhaal is, eigenlijk. En hoe dat zich verhoudt tot de gerichtheid in onze cultuur (en dus ook het onderwijs) op het denken in concepten. Ik herinner me de verhalen van de kinderen in mijn klas, die ze dicteerden de afgelopen weken en die we daarna uitspeelden. De verhalen van de jongens waarin wilde en gevaarlijke dieren met allerlei bijzondere krachten uit hun kooien ontsnapten naar het diepe bos en voorbij de grote, donkere bergen en die dan al of niet weer gevonden werden. En de verhalen van de meisjes over paleizen en koninginnen en prinsessen die lieve lammetjes, paardjes, kikkers of een prins vonden buiten in de tuin van het paleis. En ik lees over Learning Story’s; een manier van observeren en volgen van kinderen in de vorm van een verhaal.

Dat is ook wat Vivian Paley doet in haar boeken: verhalen vertellen. En die verhalen onderzoekt ze, ze bekijkt ze van alle kanten, deelt ze met collega’s en met de kinderen. Zo vertelt ze bijvoorbeeld hoe een groepje kleuters in de huishoek de verjaardag van Sneeuwwitje viert met een stoelendans. Alleen ….. ze doen het niet zoals het hoort. Iedere kind heeft zijn eigen stoel, al zingend lopen ze om de stoelen en als het liedje uit is gaan ze zitten. Zonder erbij na te denken begint ze de kinderen uit te leggen hoe je stoelendans eigenlijk moet spelen. Ietwat argwanend horen de kinderen haar aan, zíj spelen juist de ‘echte stoelendans’. Toch volgen ze schoorvoetend haar instructies op maar het plezier lijkt verdwenen. Paley heeft meteen spijt van haar ondoordachte ingrijpen. Als Sneeuwwitje degene zonder stoel blijkt te zijn en de kinderen verontwaardigd zeggen dat dat niet eerlijk is want het is tenslotte haar verjaardag, zet ze snel de stoelen terug en geeft de kinderen gelijk. Jonge kinderen spelen stoelendans op een heel andere manier dan oudere kinderen. In de eerste plaats moet het spel gespeeld worden in de vorm van een verhaal, in de tweede plaats moet niemand ooit zijn stoel verliezen. Later beschrijft ze deze gebeurtenis voor kinderen uit groep 4 (second-grade). ‘Saai,’ concludeert een jongen, ‘het doen zoals het hoort is niet moeilijk, toch? Soms verlies je, soms win je.’ ‘Ja, voor ons,’ reageert een meisje, ‘maar niet voor kleine kinderen. Mijn kleine broertje …., we doen dingen altijd anders met hem zodat hij niet denkt dat er iets ergs gebeurt. Zoals wanneer hij moe is en we moeten ergens naartoe lopen, dan zeggen we hem dat hij moet doen alsof hij een puppy is en wij met hem gaan wandelen. Dan is hij gelukkig.’ ‘Kijk,’ besluit ze, ‘je speelt met ze.’ Ook een stagiaire zegt dat doen alsof altijd beter werkt, het is het meest interessante dat ze leerde in een kleuterklas: ‘als ik wil dat de kinderen luisteren zeg ik gewoon dat we gaan doen alsof we gaan opruimen of dat we gaan doen alsof we de mooiste en stilste rij maakten die er ooit was.’ En op de opmerking van een ouder dat de kinderen toch moeten leren om het gewoon uit zichzelf te doen, dat je de kinderen zo niet serieus neemt, antwoordt ze dat het juist op het tegenovergestelde gestelde lijkt. ‘Het voelt alsof ik de kinderen veel meer respecteer, ik houd rekening met hoe zij denken en voelen.’ Ook Vygotsky beweert dat jonge kinderen op een hoger ontwikkelings- niveau functioneren als ze spelen. Als ze zich voorstellen dat ze iemand anders zijn. Zoals de twee zusjes die samen op straat lopen en zeggen; ‘zullen we doen dat we twee zusjes zijn en dat we samen gingen wandelen?’ En je kunt je afvragen wat het met kinderen doet als we willen dat ze leren en ontwikkelen door ze van te voren zeggen wat ze gaan leren, ze instructie te geven, te laten oefenen en ze weer te vragen of ze nu weten en kunnen wat jij wilde dat ze zouden weten en kunnen. Hoe sluiten ‘opbrengstgericht werken’ en ‘Actieve’, ‘Directe’, ‘Interactieve’, ‘Gedifferentieerde’ of zelfs ‘Expliciete’ Instructiemodellen aan bij de verbeeldende en speelse manier waarop jonge kinderen zich ontwikkelen?

.

 

Nu is het niet zo dat Vivian Paley er voor pleit om kinderen maar gewoon te laten spelen. Of om te wachten totdat ze in de volgende fase zijn en wel instructie gestuurd kunnen leren. We zouden zoveel kansen laten liggen. Kinderen die verbeeldend spel spelen, spelen met ideeën. Ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, wie ze zelf zijn en wie hun vriendjes zijn. En ze willen niets liever dan ons deelgenoot maken. Paley ontwikkelde de werkwijze Story Acting & Telling waarbij de kinderen hun verhaal aan de leerkracht dicteren en later met de hele groep het voorgelezen verhaal uitspelen. Het geeft de leerkracht veel nieuwe mogelijkheden voor begeleiding. De laatste weken voor de vakantie starte ik weer met het vertellen en spelen van verhalen. En het is prachtig! Verschillende kinderen vragen al bij binnenkomst of zij vandaag aan de beurt zijn. Iedereen zit op het puntje van zijn stoel, ik net zo goed als de kinderen. Dit is een ernstig spel. Het neemt de eigen interesses, de kennis en vaardigheden van de kinderen serieus.  Een leerkracht uit Boston betoogt hoe het vertellen en spelen van verhalen een brug kan slaan tussen de taal van jonge kinderen, die concreet is en gericht is op het hier en nu, en de geschreven taal die abstract is en niet vanzelf intonatie bevat; je kunt een tekst niet voelen, pakken of ruiken. Kinderen met goede ‘verhalende’ vaardigheden leren beter lezen en schrijven. En doordat de woorden die de kinderen in hun verhalen gebruiken direct betekenis hebben  ontwikkelt de woordenschat. Niet zelden vragen kinderen zelf om de betekenis van woorden. Bovendien  is het goed voor de sociale en emotionele ontwikkeling. En is dat niet waar voor- en vroeg-schoolse educatie vooral over gaat? Het vertellen en uitspelen van verhalen is een activiteit met een open einde. Ook de leerkracht in Boston ziet een enorme opbloeiende creativiteit.

Aarzelend piept de zon door de wolken. Het laat al het jonge groen voor mijn raam glanzen en schitteren. Ik heb zin om de verhalen van de kinderen te horen volgende week. En neem mij voor om weer vaker te schrijven over wat al die ideeën van mijn kleuters zouden kunnen betekenen.

.

Lees ook: Ik was de gouden T-rex met de giftige tong! en vrij spel

Atelier in school

Deze diashow vereist JavaScript.

Iedere groep bij ons op school werkt in ieder geval één keer in het jaar een periode in het atelier. Wat begon als het eenmalige kunst-educatieve project BOUWPLAATS is uitgegroeid tot een vast onderdeel van het lesprogramma. De ateliers zijn een soort laboratorium geworden waar de kinderen onderzoeken, experimenteren, waar ze zich verwonderen, samenwerken en hun eigen verhalen en ideeën vormgeven. Een aantal kunstenaars ondersteunen en begeleiden iedere keer weer de kinderen en de leerkrachten en hun manier van denken en werken worden voor iedereen steeds vertrouwder. Toch denk ik soms; wat doe ik mijn (overbelaste) leerkrachten aan om naast alles ook nog van ze te vragen in het atelier te werken met de kinderen. De leerkracht van groep 4 bijvoorbeeld, die zich met moeite staande houdt op haar wankele, net geopereerde, nieuwe knie. ‘s Ochtends vroeg vertelt ze me met enige paniek in haar stem dat de invalster aan haar had gevraagd of ze nog een keer in het atelier wilde werken met haar groep. ‘Maar ik weet niet wat ik met ze moet doen. Ze zei laat ze maar afmaken waar ze mee bezig zijn. Maar het ziet er niet uit. En het moet ook nog tentoongesteld worden ……..’

Tijdens de afsluiting van de kinderboeken-week; een ochtend met oudhollandse spelletjes, spurt ik even weg om koffie voor de ouders te halen. Vanuit een vrolijke, drukke, dynamische kleuterbende kom ik ineens in een oase van rust terecht. De leerkracht zit in een hoekje op een stoel te schrijven. Alle kinderen zijn bezig. Ik vraag hoe ze dat nou voor elkaar heeft gekregen. Tja, ze had gewoon gezegd; wie iets af wil maken mag het afmaken en anders begin je maar met wat nieuws. Verbaasd had ze gezien hoe binnen een paar minuten iedereen aan het werk was. ‘En nu zit ik dus al 3 kwartier de kinderen te observeren. Maaike die helemaal alleen super geconcentreerd zit te werken. Jonathan die iedereen helpt, alle problemen oplost en tussendoor ook nog complimentjes uitdeelt en daar dat groepje; ze overleggen, proberen iets uit, beginnen opnieuw en er valt geen onvertogen woord’. Ik kijk rond en zie een paar kinderen uit mijn oude groep 1/2. Jonathan die, met een grote lap stof als een mantel om zich heen, rustig kijkt hoe het project van zijn vrienden vordert, Maaike die nog net als toen precies weet wat ze wil en geconcentreerd plakt en knipt en bouwt, ze zijn tegelijkertijd nog precies hetzelfde als toen en toch zo gegroeid. Als ik samen met mijn collega sta te kijken voel ik me trots. Trots op de kinderen, trots op mijn collega’s die het vaak helemaal niet makkelijk vinden en trots op hoe we dit met elkaar toch steeds weer voor elkaar krijgen.

In januari begint weer de 4-daagse cursus Ook kunstenaars koken met water. Naast dat het heerlijk is om kennis en ervaring te delen, is het ook een plek waar ik zelf weer geïnspireerd vandaan kom. Bijvoorbeeld door het idee van een klein ‘postkaarten-projectje‘. Er zijn nog een enkele plekken vrij. Dus heb je tijd en zin om kunsteducatie in je eigen praktijk een nieuwe impuls te geven, schroom niet en meldt je aan.

Ik was de gouden T-rex met de giftige tong!

IMG_7167

Het verhalenboek van onze groep

.

Hij begint al te praten voordat hij zit. ‘De spelers van mijn verhaal zijn ….’, met zijn armen maakt hij vechtgebaren, zijn lijf wordt groot en sterk om dan ineens in een schijnbeweging onderuit te duiken. ‘…… het gaat over een gouden T-rex met een giftige tong. En over een superheld. En de derde speler is de cheeta. Ze gingen naar het bos toe om de mensen te redden van het vuur.’ Zo snel als ik kan probeer ik mee te schrijven. Af en toe om verduidelijking vragend terwijl ik tracht de woeste woordenstroom wat in te dammen en samen te vatten.

Dries en Thomas zijn vandaag aan de beurt om een verhaal te maken voor ons verhalenboek. Later die dag zullen we de verhalen in de kring uitspelen terwijl ik de gedicteerde tekst voorlees. De verteller verdeelt de rollen, het speelveld is de ruimte binnen de kring en met elkaar maken we afspraken over hoe en waar de plekken en de handelingen uit het verhaal uitgebeeld worden. De werkvorm is geïnspireerd op de werkwijze van de Amerikaanse onderwijzeres en onderzoeker Vivian Paley. Juist de duidelijke en eenvoudige vorm geeft de kinderen veel vrijheid. De betrokkenheid van de kinderen op elkaar is enorm. En het is iedere keer weer een klein wonder om zo vanzelfsprekend een inkijkje te krijgen in wat de kinderen bezighoudt, waarover ze fantaseren, waarvoor ze bang zijn en waar ze enthousiast van worden.

De gebeurtenissen in het verhaal van Dries buitelen over elkaar heen. Soms stopt hij met praten om een denkbeeldig ‘groot lichtzwaard’ te pakken, zich te verdedigen met een schild of te schieten met een kruisboog. Dan weer kijkt hij rond om alvast te kiezen wie er allemaal mee mogen spelen in zijn verhaal.

Na Dries is Thomas aan de beurt en bij hem gaat het heel anders. Rustig komt hij bij mij aan tafel zitten. Als ik vraag hoe zijn verhaal begint denkt hij lang na. ‘Ik weet het nog niet’. ‘Over wie gaat jouw verhaal?’ vraag ik na een tijdje. Dat weet hij wel meteen: ‘Het gaat over de cheeta, een panter, en een nachtluipaard. En ook nog over een tijger en een zebra en een paard. Ze waren in het wild in Afrika’. Dan stopt hij weer en met zijn blik schuin naar boven kijkt hij van me weg. Het wordt spannend, ook voor mij. Alsof hij ergens wel weet wat hij wil vertellen maar er niet helemaal zeker van is of het wel mag. Ik moet mijn vragen zo stellen dat het lijntje niet breekt en ik hem genoeg ruimte en vertrouwen geef om zijn eigen ideeën te volgen. Veel verhalen voor het boek gingen de afgelopen tijd over wilde dieren die ontsnapten uit de dierentuin. Steeds vaker werden die dieren niet meer gevonden en leefden ze verder in het oerwoud. Als Thomas heel lang stil blijft vraag ik voorzichtig of ze het fijn vinden in het wild. ‘Ja!’ En dan met snelle schichtige blik, ‘want dan konden ze dieren dood maken. Ze konden heel veel dieren doden.’ Op mijn vraag hoe dat dan ging praat hij iets rustiger verder: ‘Het was in de avond. Ze waren wakker geworden. En toen zagen ze een zebra.’ Hij vertelt hoe er een val gemaakt werd voor het paard en hoe de dieren zich in groepjes verdeelden om de zebra te vangen. Uiteindelijk worden zowel het paard als de zebra gevangen en opgegeten. Thomas zegt er meteen bij dat als we dat gaan spelen de kinderen elkaar niet aan moeten raken. ‘Je kan gewoon in de lucht happen … kijk zo …. dat je niks voelt’. Later in de kring zie ik met verbazing het groepje roofdieren, allemaal jongetjes die regelmatig moeite hebben hun eigen gedrag te begrenzen, voorzichtig om elkaar heen bewegen. Ze klauwen met gevaarlijke, scherpe poten in de lucht. Happen in het luchtledige en rennen zonder elkaar aan te raken; snel maar toch zachtjes, achter de prooien aan. Dat wat ze nog niet kunnen in het echt lukt wel in het spel. En dat spel is het spel van de hele groep geworden. Alle toeschouwers zitten ze op het puntje van hun stoel. Sommige kinderen grommen als een cheeta of maken de bewegingen van het nachtluipaard. Maar dan krijgt Mirte, het meisje dat de zebra speelt, het benauwd. Doodstil staat ze tussen de grommende roofdieren. Dan holt ze naar mij: ‘Juf, ik wil niet meer!’. Ik zet het spel stil en geef de roofdieren een compliment. Wat deden ze het voorzichtig en toch waren het zulke echte roofdieren dat Mirte er bang van is geworden. Meteen steken een aantal jongens hun vinger op; zij durven wel.

Als we het verhaal van Dries spelen vraag ik eerst wie hij zelf wil zijn. Hij is niet een van de superhelden, zoals ik verwacht had, maar degene die de baas van de bandieten ging halen. Het waren gemene bandieten die kanonnen afvuurden op de helden. ‘Toen ging de T-rex op de eerste bandiet tegen zijn schild aan met een pijl schieten en toen ging de bandiet dood. Toen kwam de baas van de bandieten en die had een groot lichtzwaard meegenomen en ze probeerden allebei te smijten maar dat lukte niet en bij het goede team wel.’ Nick, eerst opgetogen omdat hij de bandietenbaas mag zijn, valt stil. ‘Dus ik ga dood?’ Eerst denk ik dat hij het niet zal doen. Nick wil altijd winnen en de sterkste zijn. Maar dan zegt hij: ‘Oké’. Dries vindt dat het bos onder de tafel in de kring is. ‘Is dat wel handig?’ vraag ik hem. ‘Moeten al die bandieten en helden dan onder de tafel vechten?’ Na even te hebben nagedacht beaamt hij; ‘juf je hebt gelijk, het bos is overal in de hele kring’. Zo wordt ook het verhaal van Dries gespeeld. Volgens samen bedachte regels. Er wordt voorzichtig gevochten en Nick valt aan het eind dood neer en blijft bewegingsloos liggen. Terwijl we naar buiten lopen jubelt Gijs boven alles uit: ‘Ik was de gouden T-rex met de giftige tong!’

Zie ook Vrij spel.

‘Ook kunstenaars koken met water.’

In april start voor de 2de keer de nascholingscursus ‘Ook kunstenaars koken met water’. Er zijn nog enkele plaatsen vrij.

Welke plek heeft kunst in een kinderleven? Wat kun je doen met meel, water of een oude mixer? Hoe begeleid je creatieve processen? Hoe wordt kunst en cultuur een volwaardig onderdeel van het onderwijs? In de vierdaagse nascholingscursus van de master Kunsteducatie zijn materiaalonderzoek, ervaringen en verhalen van kinderen het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een inspirerende vorm van authentieke kunsteducatie die past binnen je eigen onderwijspraktijk.

Praktijk en theorie zullen elkaar afwisselen en versterken. Met opdrachten die je eigen creativiteit aanspreken ervaar je zelf de meerwaarde van het doormaken van een rijk creatief proces. Deze praktijkscholing focust op beeldende kunst en geeft een helder theoretisch kader waarbij nieuwe inzichten uit de vakliteratuur en atelierpraktijk aan bod komen. Cursisten worden uitgenodigd om gebruik te maken van elkaars expertise en samen te werken aan plannen voor de eigen beroepspraktijk.

Voor wie? De cursus is bedoeld voor leerkrachten en beleidsmakers in het basisonderwijs en de kinderopvang, afgestudeerde kunstvakdocenten, BIK’ers, PABO-docenten en andere professionals die werken met kunsteducatie en kinderen.

Door wie? De cursus wordt gegeven door Sabine Plamper, Titia Sprey en Hanneke Saaltink.

Bekijk voor meer informatie en inschrijving de brochure: Brochure 2016 AHK