groep 1/2

Speeldrift

IMG_2231

.

‘Er is een dierenmishandelaar bij ons in de klas!’ Iedereen, net nog druk en lawaaiig aan het opruimen, houdt geschrokken zijn mond. Ook ik en de onderwijsassistent. ‘DIE-REN-MIS-HAN-DE-LING!!!’ Ze spuugt iedere lettergreep met nadruk mijn richting uit. Haar ogen zijn groot van verontwaardiging, haar hele houding een en al onverzettelijkheid, haar blonde krullen gooit ze woest naar achteren. Ik denk aan een spin die een voor een zijn pootjes wordt uitgetrokken, een gestorven vlieg die wordt platgestampt.  ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik voorzichtig. ‘Nou, een kikker is in een heel klein hokje gestopt. Gewoon GE-PROPT !’ Gespannen wacht ze op mijn reactie. Achter haar zie ik in de huishoek de vermoedelijke dader verstarren. ‘Ik wou ‘m alleen maar opruimen’ fluistert hij dan met een hoog stemmetje. Er begint me iets te dagen. We werken rond het thema vriendschap van de kinderboekenweek. Kikker van Max Velthuis logeert in de huishoek. Bovendien maken we aan het begin van het schooljaar samen onze ‘gouden regels’ en praten we regelmatig over hoe we met elkaar om (willen) gaan. Als ik tegen de potentiële dierenmishandelaar zeg dat kikkers wat meer ruimte nodig hebben omdat ze natuurlijk wel moeten kunnen springen, gaat er een zucht van verlichting door de klas. Een ogenblik later is iedereen weer aan het opruimen. De orde is herstelt. Zo ga je om met kikkers. Het is een spel, dat weten ze allemaal en toch is het bloedserieus.

.

In de kring lees ik het verhaal voor van kikker die een beertje vindt tussen de herfstbladeren. Dat beertje wordt zijn beste vriend. Met kleine poppetjes en attributen speel ik het verhaal ondertussen uit. Als ik vraag wie er wil spelen met de verteltafel van kikker in de speelhoek in de gang, nu ingericht als bibliotheek, steekt bijna iedereen zijn vinger op. Ook Catarina en Isabelle; twee jonge meisjes, verlegen, nog erg gericht op elkaar en niet altijd betrokken bij wat er in de hele groep gebeurt.  Ik geef ze het dienblad met daarop kikker en zijn vriendjes. Voorzichtig en geconcentreerd lopen ze ermee naar de gang om binnen een minuut weer voor mijn neus te staan. ‘Jullie mogen in de bibliotheek spelen hoor.’ ‘Echt?’ Een beetje onwennig maar opgewonden giechelend verdwijnen ze weer naar de gang. Als ik 10 minuten later kom kijken ligt kikker met beertje in het bedje te slapen, over de grond verspreid  liggen de herfstblaadjes, de anderen dieren en de twee meiden daartussen, fluisterend met elkaar en rommelend met de spulletjes. Ze hebben voorlopig mijn hulp niet nodig. De kinderen in de huishoek willen ondertussen boeken ruilen in de bibliotheek. Die blijkt vaak gesloten. Af en toe komen ze klagen bij mij: Dat ze boeken terug moeten brengen maar dat de bibliotheek dicht is. Of dat ze nog boeken aan het uitzoeken waren en dat toen ineens de bibliotheek gewoon weer dicht ging. Ik neem weer een kijkje op de gang. Isabelle en Caterina hebben het open- en dicht-bord ontdekt. Een op elkaar geplakte groene en rode cirkel aan een touwtje, door een andere groep gemaakt en met het touwtje aan de telefoon gehangen. Dit magische teken geeft ze ontzettend veel vrijheid. Als ‘ie op rood staat wordt dat door ieder kind gerespecteerd en kunnen ze zonder gestoord te worden de hele hoek ontdekken. Ze zitten op de hoge stoel achter de balie, typen op het toetsenbord, schrijven in de agenda, rommelen met kaartjes en spelen met de verteltafel en de boeken. Als ze het bordje omdraaien met de groene voorkant naar voren gonst het al snel door de gangen dat de bibliotheek weer open is en komen de kinderen uit de huishoek naar de bibliotheek. Dat is soms overweldigend want niet iedere bezoeker gedraagt zich zoals het hoort. Maar dan draai je gewoon het bordje weer om. Wat leren die twee meiden veel. Niet alleen sociaal en emotioneel maar ook cognitief. Want dat een bordje met een kleur een teken kan zijn voor het begrip ‘dicht’ of ‘open’ en wat die begrippen dan allemaal behelzen is belangrijke kennis. Het is ook een vaardigheid die je nodig hebt om later te kunnen gaan lezen en schrijven.

.

Ook Dries wil graag dat dingen gebeuren zoals hij ze bedenkt. Een jaar lang heeft hij goed gekeken naar het bouwen. Nu de oudsten naar groep 3 zijn begint hij zijn eigen plannen uit te voeren. ‘s Ochtends bij binnenkomst scant hij de mogelijkheden; is er nieuw materiaal? Wat kan hij daarmee? Is de bouwhoek open en heeft juf zijn sleutelhanger nog niet bij een andere activiteit gehangen? Al snel bedenkt hij hoe je een huis kunt bouwen waar je zelf in past. Hij ontwerpt een dakconstructie, spaart een ruimte uit voor een raam, wat weer uitnodigt tot materiaal van buiten naar binnen schuiven of liever ‘werpen’, wat zelfs leidt tot het maken van een ‘bowlingbaan’. Andere kinderen helpen mee maar komen ook regelmatig vertellen dat Dries de baas speelt. ‘Nee, Lasse is ook de baas’, verdedigt hij zich, ‘maar ik ben de eerste baas.’ Als Nick huilend op de grond zit omdat hij door Dries op zijn hoofd is geslagen vraag ik hoe dat nou toch komt. ‘Hij deed niet wat ik zei’, komt er naar enige aarzeling welbewust uit. ‘Tja, dat is niet leuk. Maar nu zijn Lasse en Body al weggegaan omdat je boos op ze was en kijk …. Nick wil straks denk ik ook niet meer in de bouwhoek.’ Dit komt aan. Dries is even stil, zijn ogen lijken naar binnen te kijken. ‘Dat wil ik niet’, zegt hij dan, ‘ik wil samen spelen’. De dagen daarna probeer ik het samen bouwen wat meer te structureren. Aan het eind van de dag ruimen we op zodat de volgende dag andere kinderen weer nieuwe plannetjes kunnen maken. Sietse wil een kasteel voor de Ninjago’s bouwen. Ik laat hem beschrijven hoe dat er dan uitziet. Dries mag er ook aan meewerken. Voor de zekerheid vraag ik nog even na hoe dat kasteel er dan uit gaat zien. Ik zie de tweestrijd die zich binnen in hem voltrekt terug op zijn gezicht. Er verschijnt een rimpel op zijn voorhoofd, hij spert zijn ogen wijd open, wil zich omdraaien en niets zeggen maar weet ook dat dan zijn kans om in de bouwhoek te spelen voorbij is. ‘Een kasteel?’ Voor de Ninjago’s?’ Toch voegt hij zich. De jongens beginnen met overleggen maar krijgen al snel onenigheid. Eigenlijk wil iedereen een kasteel waar ze zelf als Ninja’s in kunnen of anders misschien een voertuig voor de Ninjago’s, alhoewel, dat wordt misschien weer veel te groot. Dat was alleen niet wat Sietse had bedacht. Het moest een kasteel voor lego-poppetjes worden. Na wat vragen van mijn kant gaat Sietse overstag. Ik vertel de jongens wel dat er niet zo veel tijd meer is. Ze moeten aan het eind van de middag opruimen. Misschien kunnen ze het gebouw tekenen voordat het weer afgebroken wordt. Zo weten ze morgen ook nog hoe het eruit zag. Nu gaat het snel. En als ik zeg dat we zo gaan opruimen en ze pen en papier geef, hebben ze onmiddellijk de taken verdeeld; ‘ik doe de voorkant!’, ‘ik de binnenkant’, ‘ik de buitenkant!’ Niemand speelt de baas en ik zie Dries genieten, ook al is het gebouw lang zo mooi niet als zijn eerdere gebouwen.

Als je aan kunt sluiten bij wat er bij de kinderen leeft lijkt alles wel vanzelf te gaan. En de kinderen willen spelen. Opruimen duurt lang en de kinderen moeten er steeds opnieuw toe worden aangespoord. Maar als je een hondje bent die alle op de grond gevallen papiertjes terug brengt naar haar baasje is het zo klaar. Het baasje moet dan wel steeds ‘apport!’ zeggen en ‘braaf’ en als een echt baasje de hond belonen. De jongens hebben zo opgeruimd als ik ze aanspreek als werkmannen die moeten zorgen dat de bouwplaats weer klaar is voor het nieuwe bouwwerk morgen. Ze hangen zelfs hun bouwtekeningen goed zichtbaar op het prikbord voor de nieuwe ploeg. En altijd weer moet ik met veel moeite mijn commentaar inslikken als er wordt opgeruimd met planken die vrachtschepen zijn en op ingewikkelde manieren alle over de grond verspreide steentjes naar de mand transporteren of als alle blokken eerst over een glijbaan moeten glijden voor ze op de goede plek belanden. Duurt veel te lang, denk ik dan. Maar eigenlijk is het zo klaar..

.

Verhaal van Mats

Verhaal van Mats

 

En nooit kan ik zo goed aansluiten bij de kinderen als wanneer we een door henzelf gedicteerd verhaal uitspelen. Toch ben ik verbaasd als Mats zegt dat hij de groene Ninja wil spelen uit zijn verhaal. ‘De groene? Maar er zijn toch alleen een rode en oranje krijger en een paarse Ninja?’ ‘Nee kijk’, en hij wijst naar zijn tekening, ‘dit is de groene Ninja.’ En dan volgt er een lang verhaal over de gevechten van de groene Ninja. Zijn spelverhaal was helemaal niet gestopt toen ik stopte met typen. Mats leert iets over de permanentie van geschreven taal maar ik leer over de verhalen die je kunt vastleggen in tekeningen en over kleuters die leven in een groot, doorlopend, meanderend spelverhaal dat zichtbaar wordt in wat ze maken en doen.

Waarom spelen kleuters zo graag? Waarom zitten ze niet het liefst met een boekje in een hoekje of doen ze bij voorkeur de taakjes die ze opgedragen krijgen? Het heeft te maken met de manier waarop ze denken, de manier waarop ze de wereld om hen heen ontdekken en steeds beter gaan begrijpen. Het heeft te maken met hoe ze leren. Als het lukt om aan te haken bij dat spel zie je volgens mij de meeste ontwikkeling. En hoe rijker het spel hoe beter de voorwaarden voor het meer formele leren later. Lieve, die meteen zag dat kikker in een veel te klein hokje was gepropt, heeft veel moeite met het maken van series van groot naar klein of dik naar dun. Een leerdoel deze maand. Moet ze nog een extra werkblad maken of kan ik haar uitnodigen om in de bouwhoek voor dieren van verschillende grootte hokjes te bouwen waar ze in passen? En kan ik een stapje terug doen, ook als ze niet meteen doet wat mijn bedoeling was? Vertrouwen we erop dat de kinderen in een rijke omgeving leren waar ze op dat moment aan toe zijn? En kunnen wij daarbij onze oren en ogen open houden en proberen te begrijpen wat we horen en zien zonder meteen in te grijpen? Alle leerdoelen, weekplanningen, kleine kringen en afvink-lijstjes maken het er niet gemakkelijker op. Maar de kleuters met al hun speldrift zijn een goede leermeester.

Op hoeveel manieren kun je denken?

IMG_1079

‘Wanneer ben ik nou aan aan de beurt?’ Ze had er echt zin in. Na de vakantie zou ze naar groep 3 gaan en ze kende al zoveel letters. Dat wilde ze heel graag laten zien. Toen het eindelijk zo ver was spatte de motivatie er vanaf. Rechtop zat ze op haar stoel. De 2 spierwitte staartjes zwiepten vrolijk in de lucht. Een paar heldere blauwe ogen keken me verwachtingsvol aan. Eerst vroeg ik haar verschillende letters te benoemen. Die van haar eigen naam kende ze wel maar ze wist niet meer precies welke nou ook alweer bij welke klank hoorde. Eerst noemde ze nog willekeurige klanken, later zei ze steeds vaker: ‘weet ik niet’. Uit haar ooghoeken telde ze mijn krulletjes. ‘…… heb ik er maar 5 goed?’ Haar stemmetje werd dun, ze zuchtte en haar schouders zakten naar beneden. ‘Joh, je kent er al 5 en de rest ga je straks allemaal in groep 3 leren!’ probeerde ik haar op te beuren. We gingen verder; nieuwe kansen. Ik vertelde dat ik een woord in stukjes (letters) zou gaan zeggen en vroeg of ze kon horen welk woord het was. Het was de bedoeling dat ik eerst de context aangaf. ‘Het is vaak op een (kinder)boerderij ….’, begon ik. ‘Een paard!’ riep ze meteen enthousiast, weer helemaal rechtop en stralend op haar stoeltje. Ik legde uit dat ik het woordje nog in stukjes moest zeggen, dat ze goed moest luisteren, net zoals we weleens in de kring deden. G – EI – T, spelde ik. Ze wachtte, haar ogen keken naar binnen. Ze maakte kleine gebaartjes met haar handen. ‘Schaap’, zei ze uiteindelijk. Zo ging het vaker. De voet die aan je lijf zit werd een been, de vis een kwal. Op een gegeven moment nam ze de tijd om mij gedetailleerd uit leggen hoe ze het deed. Ze luisterde eerst heel goed in haar hoofd naar de letters. Ze zei ze heel, heel zachtjes, zonder dat ik het kon horen. Daarna maakte ze er een woord van, dan plakte ze de letters gewoon aan elkaar. Ik zag de concentratie waarmee ze bezig was. Ik dacht ook dat ik kon zien wat ze allemaal moest onderdrukken. Als ik vertelde dat het in de zee zwom, kwamen er bijna meteen allerlei beelden op in haar hoofd. Ergens hoorde ze wel het woordje -vis-. Maar dat riep vast ook meteen associaties op met de kwallen die we laatst gemaakt hadden en de filmpjes die we daarbij bekeken, daar zwommen tenslotte ook vissen tussendoor. Maandag begint de school weer en gaat ze echt naar groep 3. Nog steeds vol verwachting en overtuigd van haar eigen kunnen. Toch ben ik ook een beetje bezorgd. Zal er nog aandacht zijn voor al haar vragen en voor de verhalen in geuren en kleuren, die ze vertelt terwijl ze wel op móét staan om alles uit te beelden? Is er nog tijd om te luisteren naar alle aarzelend uitgesproken gedachten? Gaat het ook af en toe nog om andere dingen dan goed of fout? Leerkrachten in groep 3 krijgen niet veel ruimte. De kinderen mogen nog maar 15 minuten naar buiten in de ochtend en eigenlijk ‘s middags helemaal niet meer. In een half uur moet er gegeten, gedronken en buiten gespeeld zijn en moeten de kinderen weer startklaar zitten om zoveel mogelijk ‘effectieve leertijd’ over te houden. Stilzwijgend wordt er dus vanuit gegaan dat je alleen leert van directe instructie en het uitvoeren van doelgerichte opdrachten. Je leert niet van buiten spelen, samen even kletsen, bewegen of dagdromen terwijl je uit het raam staart.

Soms wordt er een onderscheid gemaakt tussen beelddenken en taaldenken. Beelddenken is intuïtief, associatief en zintuigelijk. Doen en ervaren staan centraal. Kleuters zijn nog nog echte beelddenkers. Ze werken graag vanuit het grote geheel, zien vooral de overeenkomsten en willen altijd weten waarom iets is zoals het is. Nieuwe informatie wordt vooral visueel opgenomen, het luisteren is veel minder actief. Kleuters zitten als het ware in het beeld en doen actief mee. In een kleutergroep sluit je daarbij aan. Vanaf groep 3 maakt het onderwijs de overstap naar taaldenken. Het luisteren komt centraal te staan. Regels en volgorde worden belangrijk en de leerkracht biedt alles tweedimensionaal aan. Iets is goed of fout en geen voortdurend veranderend proces. Beelden zijn soms een ondersteuning voor talige informatie maar nooit meer wordt iets eerst visueel aangeboden. Veel kinderen maken zonder moeite de overstap van een voorkeur voor beelddenken naar het denken in taal. Maar niet allemaal!

Het onderwijs is bij uitstek een plek voor taaldenkers. Dat merk ik ook weer op de startvergadering aan het begin van schooljaar. Het pedagogisch klimaat is een speerpunt op onze school en het is prachtig daar de eerste weken wat extra de aandacht aan te geven. Maar dat gebeurt vooral talig. We hebben met elkaar schoolregels gemaakt. Die regels zijn dan wel geschreven in een mooi vormgegeven hand (Wij hebben het samen in de hand). Maar toch … allemaal taal. Iedere groep maakt zijn eigen ‘Gouden Regels’ en we houden kringgesprekken. Natuurlijk kun je alles ‘vertalen’ naar beelden, ervaringen, beweging. Toch blijft de ingang en het uitgangspunt talig. Ook het testen, toetsen en de rapportage is onderwerp van gesprek. Daarbij wordt lang stil gestaan bij de weging van verschillende toets-vormen en de objectiviteit. In de kleutergroepen moeten we dit jaar na iedere les uit de methode aftekenen welke kinderen het aangegeven ontwikkelingsdoel beheersen. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld na een kringgesprek moet invullen welke van de 25 kinderen nog niet hun mening kunnen geven. Ik kan daar buikpijn van krijgen. Dus een klein beetje meer beelddenkerij in het onderwijs kan vast geen kwaad. Er zijn zoveel manieren waarop je kunt denken.

 

KLEUTERS; bestaan ze nog wel?

DSCN9897

Al spelend ontdekken hoe de wereld in elkaar zit.

 

Hij zit naast me en kijkt het cake-je  dat ik van een jarige kreeg bijna uit mijn mond. ‘.. is hard?’ Vragend kijkt hij me aan. Ik denk dat hij trek heeft en geef hem een stukje. Maar hij stopt het niet in zijn mond. Bedachtzaam voelt hij met zijn wijsvinger. Aan de ene kant, aan de andere kant. Kijkt me dan triomfantelijk aan. ‘Is zacht’, is zijn conclusie en hij geeft het gehavende stukje aan me terug. Dit is niet alleen een grappig voorval, het is ook bloed serieus. David is een kleuter, bijna nog een peuter, die wil ontdekken hoe de wereld in elkaar zit. Hij heeft een onbedwingbare behoefte om alles vast te pakken, te voelen, aan te raken, om te experimenteren en om door de ruimte heen te bewegen. Een paar dagen later komt hij aangehold met een brok hard geworden klei dat hij eerder zelf kneedde. ‘Kijk, kijk, het is hard!’ roept hij al van ver.  Weer heeft hij meer geleerd over hard en zacht en over hoe zachte, kneedbare en een beetje kleverige klei kan veranderen in een harde onveranderlijke vorm. En hij heeft de taal geleerd om dat verschil mee aan te duiden. Dat doet hij niet omdat ik heb bedacht dat hij maar eens moet gaan leren wat hard en zacht is. Dat doet hij uit zichzelf. Wel probeer ik ervoor te zorgen dat er in de klas genoeg te ontdekken valt. Zodat de kinderen kunnen leren op een manier die bij kleuters past. En soms doen ze dat weer op een heel andere manier dan ik in mijn hoofd had. Zoals drie vierjarige vriendinnen. In het voorbijgaan hoor ik hen aan elkaar vragen of ze vadertje en moedertje zullen spelen. ‘Is de huishoek niet vol?’ vraag ik. ‘Oh, maar we gaan niet in de huishoek hoor’. En ik zie hen samen hun namen bij de bak met magneetjes hangen op het kiesbord. Daar in de buurt staat een grote kist met daarop twee kussentjes. Hier wordt een gezellig kamertje van gemaakt. De magneten worden gebruikt om eten van te koken. In het hoekje naast de kast ontstaat een bedje voor de baby en zelfs de computers worden in het spel betrokken. Ik luister naar de rijke, fantasievolle gesprekken van de meisjes en kan het niet over mijn hart verkrijgen om het spel te onderbreken. Iedere keer verwondert het mij  weer dat de kinderen zoveel weten en kunnen als het uit henzelf komt. En hoe moeizaam het kan gaan als ik, als leerkracht, het initiatief neem. Ik zit met een groepje oudste kleuters om de tafel en vraag als inleiding op de activiteit of ze weten waar we in de klas over werken. Alleen de oudste, die in december 6 werd, weet meteen het antwoord: ‘…over kunst.’ De rest kijkt om zich heen. ‘We werken over gekleurd water, dat weet ik omdat we die flesjes hebben gemaakt.’ ‘En over de letter O van orkest.’ ‘En over ballet en over kleur.’ ‘En we gaan naar het atelier.’ Ik leg uit wat al die dingen met elkaar te maken hebben. Dat muziek ook kunst is, net als bv. ballet, dat kunst niet alleen een schilderij of een beeld is. Maar op het moment dat ik ga praten is de aandacht weg. Zes paar lege ogen kijken me aan. Het is alsof mijn woorden zo naar binnen tuimelen en nergens houvast vinden. Net zoals een jaar geleden toen ik samen met iemand van de onderwijsbegeleidingsdienst een manier bedacht waarop ik de kinderen kon vertellen wat ze zouden gaan leren. (Want dat moet volgens het ‘Activerende Didactische Instructiemodel’ waarmee we van groep 1 tot en met 8 werken.) Op het moment dat ik mijn keurig voorbereidde zin zei zaten vijf van de zes kinderen omgedraaid op hun stoel, keken naar buiten of raapten iets van de grond. Heel opvallend hoe snel dat gebeurt. Van het ene op het andere moment is alle aandacht, al het enthousiasme en alle betrokkenheid verdwenen. Alleen Puck bleef me strak aankijken, zuchtte en zei: ‘ Ik heb eigenlijk helemaal geen zin in de kleine kring’. ‘Vind je het moeilijk?’ vroeg ik.’ ‘Nee hoor, ik kan dat makkelijk. Alleen moet ik altijd in de kleine kring van jou en ik wil ook wel eens gewoon in de huishoek spelen.’  Dit zijn dus kleuters.

En toch krijg ik af en toe het gevoel dat alleen leerkrachten van groep 1/2 nog weten wat kleuters zijn. We moeten steeds weer uitleggen dat leren in een kleutergroep echt anders gaat dan daarna. Dat het ondanks alle doorgaande leerlijnen, ADI-modellen en handelingsplannen vraagt om een andere aanpak. Alsof ontwikkelingspsychologen als Vygotsky, Piaget, Bruner of Montessori collectief vergeten zijn. Ook kleuterjuffen die praten over kinderen die moeten rijpen worden met enige argwaan bekeken. Is dat niet gewoon een vrijbrief om geen onderwijs te hoeven geven?  Terwijl het als je met kleuters werkt soms zo duidelijk is. Het is vakantie of een kind is ziek geweest, het komt weer op school en er iets veranderd. Het kan ineens stil zitten, snapt bij een opdracht wat er van hem gevraagd wordt en wil plotseling weten hoe je die woorden echt schrijft. Soms is de verandering van korte duur maar toch is er iets gang gezet. Het groeit toe naar een andere manier van leren en ontwikkelen.

Zelfs peuters blijken al methodisch van alles te moeten leren over rekenen en taal. In de NRC van 13 februari lees ik dat bijna iedere Utrechtse speelzaal nu ‘kindvolgsystemen’ gebruikt waarin de ontwikkeling van de peuters nauwgezet wordt gevolgd. En dat peuterleidsters worden bijgeschoold hoe ze de kinderen meer kunnen leren tijdens het spelen. Ze leren hoe ze met ‘rekenogen’ naar een prentenboek kunnen kijken. Gelukkig wordt dat de dag daarop genuanceerd. Orthopedagoog Paul Leseman bepleit in het artikel ‘Een peuter op school moet liefst veel kletsen’ dat peuters taal leren in een inspirerende omgeving. ‘En zo’n omgeving creëren is niet makkelijk. Het is zelfs razend moeilijk, maar ook super belangrijk. Je moet heel goed kunnen inschatten wat een kind wel begrijpt en wat niet. Je moet zelf over rijke taal beschikken. Een leerkracht in groep 4 die een methode gebruikt heeft veel meer houvast dan een leidster in de voorschoolse opvang’. En zo heeft ook een kleuter, denk ik, nog steeds een rijke omgeving nodig, waarin het kan spelen, waarin het de wereld kan onderzoeken en daarover kan praten met de juf en met andere kinderen. Waarin het de wereld van de geschreven taal ontdekt. En ook die omgeving creëren is razend moeilijk. Het kost tijd en energie. Het vraagt om kennis en de vaardigheid om goed te kunnen kijken naar kinderen en te zien wat ze nodig hebben om verder te komen. Het vraagt niet om het nauwgezet invullen van ‘leerlingvolgsystemen’ of het voortdurend toetsen van het ontwikkelingsniveau van individuele kinderen. Want ik geloof nog steeds dat ze bestaan: kleuters!

Afscheid

IMG_4334

IMG_4332

 

 

 

 

 

 

 

…….

 

….

….

Ooit zei een vader die een-vakantie-lang met zijn puberdochters naar een soap keek: ‘ik snap niet waarom, maar iedereen geeft elkaar de hele tijd cadeautjes, dat maakt dan alles goed. Of niet natuurlijk en dan hebben ze ruzie, in ieder geval tot het volgende cadeautje.’

De laatste schooldag lijkt wel een beetje op zo’n soap. En ik ben in ieder geval heel blij met alle cadeaus die ik van de kinderen krijg. Met alle dozen chocolade, het badschuim, de lekkere geurtjes, de prachtige lavendel en fuchsia en vooral de mooie tekeningen, zelfgemaakt doosjes, bordjes en schilderijtjes. ‘Waarom krijg je cadeautjes?’ vraagt een net 4 jarige verbaasd. Dat weten de gulle gevers eigenlijk ook niet. En een vader fluistert zijn zoon nog snel even in dat hij moet bedanken voor het leuke jaar.

Twee weken eerder is het begonnen. Sindsdien hangt er iets in de lucht. Maar veel 4 en 5 jarigen weten niet precies wat. Het is tenslotte de eerste keer dat ze het einde van een schooljaar meemaken. Niels komt vertellen dat hij ’s middags niet naar school komt, hij moet naar de podoloog. Hij zegt het half verontschuldigend met een onzeker lachje. ‘Vind je het eng?’ vraag ik. ‘Nee, maar ik ben dan niet op school’. De middag zelf komt hij toch in de klas. ‘Hij moest en zou je nog gedag zeggen’, vertelt moeder. ‘Hij denkt dat hij je nooit meer ziet, geloof ik.’

De klas wordt steeds leger. Al het materiaal wordt gewassen, alles geordend, opgeruimd en meegegeven. Ineens is er een groot verschil tussen de kinderen die volgend jaar naar groep 3 gaan en de kinderen die blijven.  En dan komt die laatste schooldag met de cadeautjes en een kaartje van juf voor de kinderen van groep 2. De zomer is losgebarsten dus we spelen lekker veel buiten. Toch kan Isabelle haar draai niet vinden. Ze wil zo graag spelen met haar nieuwe vriendinnetje Lotte. Maar Lotte heeft alleen maar oog voor Naomi. Naomi die volgend jaar naar groep 3 gaat. Isabelle klaagt dat ze niet mee mag doen. ‘Zou dat misschien komen omdat ze elkaar volgend jaar niet zo vaak meer zien?’ Daar moet Isabelle even over nadenken. Dan licht haar gezicht op van het nieuwe inzicht. ‘Ik ga mijn groep 2 vriendinnen missen! Daarom ben ik verdrietig. Ik ga Anouk en Pip en Lotte zo missen.’ En ze stapt op Anouk af die toevallig in de buurt is en omhelst haar zo lang en stevig dat het lijkt of ze haar nooit meer los zal laten. Tobias zit het van een afstandje allemaal te bekijken. ‘Ik ben een beetje ziek’ zegt hij, terwijl hij tegen mij aanhangt. ‘Misschien ga je ook de kinderen die naar groep 3 gaan missen? opper ik. ‘Wat is dat, missen?’ Ik leg uit dat hij het dan jammer vindt dat hij volgend jaar Boris en Iza en de andere kinderen van groep 2 niet meer zo vaak ziet, dat je daar dan een beetje verdrietig van wordt. ‘Nee’, antwoord Tobias, ‘dat heb ik niet. Ik ben gewoon ziek.’ In de klas maken Lotte en Naomi allebei een identieke tekening, terwijl ze dicht naast elkaar aan één tafel zitten. Daaronder schrijven ze hun namen. Ik mag op een blaadje voorschrijven: Lotte en Naomi zijn beste vriendinnen voor altijd. In opperste concentratie maken ze een begin met het naschrijven.

En zo begint de vakantie. Alle cadeautjes ingepakt, de laatste groepswerken verloot, iedereen nog een dikke knuffel en het schooljaar is voorbij.

IMG_4347

IMG_4342

Waar?

dat is een bever een hol van zacht hij is een beetje verstopt omdat het heel eng is het was ook in het enge bos

dat is een bever
een hol van zacht
hij is een beetje verstopt
omdat het heel eng is
het was ook in het enge bos

 

Van luisteren naar verhalen en van het samen lezen en kijken in prentenboeken kunnen kinderen ontzettend genieten. Allereerst natuurlijk  omdat het leuk en spannend is om even in een andere wereld te zijn en daar van alles mee te maken.  Maar op school moet geleerd worden en wat er precies geleerd moet worden is vooral voor taal en rekenen nauwkeurig omschreven. Voor bijvoorbeeld de aanvankelijke geletterdheid heeft het SLO onder andere het volgende tussendoelen geformuleerd.

Kinderen weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een situatieschets en een episode. Een situatieschets geeft informatie over de hoofdpersonen, de plaats en tijd van handeling. In een episode doet zich een bepaald probleem voor dat vervolgens wordt opgelost. 

In alle groepen 1/2 bij ons op school hangt een lijstje met pictogrammen. Een poppetje met daaronder het woord ‘wie?’, een huisje met ‘waar?’, een uitroepteken met de vraag ‘wat is belangrijk?’ en een klok met het woord ‘wanneer?’ Het lijstje hangt goed zichtbaar in de kring maar zoals met alles wat je iedere dag ziet valt het niet meer op en vergeet ik er iets mee te doen. Als ik met de kinderen een verteltafel ga maken naar aanleiding van het boek ‘Samen kunnen we alles’, besluit ik de pictogrammen er maar eens bij te pakken.

Met een klein groepje vijf- en zesjarigen ga ik aan de slag. De vraag over wie het boek gaat is makkelijk; over bever, egel en beer natuurlijk. En al verschillen de kinderen erover van mening toch kunnen ze goed aangeven wat zij het belangrijkste vinden dat er  in het verhaal gebeurt. Maar de vraag waar het verhaal zich afspeelt stuit op heel veel onbegrip. ‘Waar zijn bever en egel en beer?’ vraag ik. ‘Hier’, antwoorden de kinderen. Of; ‘in het boek’. ‘Waar zijn ze in het boek?’ ‘Nou, hier?’ en er wordt gewezen waar ze te zien zijn op de bladzijde. ‘Maar waar zijn egel, beer en bever in het boek? Zijn ze dan op het strand of op de maan of in de stad?’ Steeds grotere vragende ogen. Ik zie de kinderen denken wat ik toch van hen wil weten, welk antwoord wil ik horen? En ik realiseer me hoe abstract en ingewikkeld het idee is dat een verhaal met plaatjes zich afspeelt op een bepaalde plek. Dat de illustraties wel verwijzen naar die plek maar de plek niet zijn. Als we later de verteltafel maken is het geen enkel probleem meer om op de plek aan de rivier, in het bos de beverburcht te bouwen, precies zoals in het boek.

Om het begrip ‘plek’ nog wat concreter te maken vraag ik alle kinderen een diertje te tekenen en daarvoor met karton en allerlei ander materiaal een plekje te maken waar het zich fijn voelt. Na afloop vraag ik weer waar het dier is. Lore verwoordt heel mooi het probleem van een afbeelding als verwijzing en de letterlijke aanwezigheid van het gemaakte ding:

Hij slaapt nog in z’n hol. Hij weet niet dat ‘ie hier op school is. Hij wil niet naar huis toe. En hij wil niet slapen maar hij doet ’t toch. Het is natuurlijk een konijn.

Sietse moet lang nadenken over wat hij heeft gemaakt. ‘Het is een ….’ begint hij. En dan weer opnieuw; ‘een ……’. Ondertussen lijkt hij bij zichzelf naar binnen te kijken en woorden te zoeken voor het beeld dat hij ziet. Bij de derde keer vul ik hem voor ik het zelf door heb aan; ‘het is een wurm?’ Gelukkig corrigeert hij mij meteen: ‘nee! …’

Dat is een bever, een hol van zacht, hij is een beetje verstopt….

En nadat hij weer lang na heeft gedacht:

…. omdat het heel eng is, het was ook in het enge bos.

IMG_4062

IMG_4072

IMG_4065

 

 

 

 

 

IMG_4066IMG_4067IMG_4074

 

 

 

 

 

Omdat we de laatste tijd veel plekken hebben gebouwd. Onder andere met grote en kleinere stenen kijk ik met de kinderen naar een stukje van de film River and Tides over de kunstenaar Andy Goldsworthy. We zien een man op een strand met kiezels en keien. ‘Een oerwoud!’ zegt een kind. ‘Nee, het is geen oerwoud want er zijn geen bomen’. ‘Ik weet het, ik was daar ook wel eens, op vakantie, het is in Frankrijk.’  Maar hoe komt hij daar? Met een boot misschien? En dan zijn ze het erover eens: hij is op een eiland, een eiland in de zee. En nu kunnen ze verder kijken wat hij daar eigenlijk aan het doen is; die ‘hoofdpersoon op de plaats van handeling’.

Het nestje van juf

Met de kinderen van mijn groep 1/2 praat ik over het nestje dat ik vorig jaar vond in mijn tuin.

IMG_3681

De kinderen weten meteen wat er op tafel ligt; een nestje dat een vogeltje gemaakt heeft van takjes en aarde. Dat zie je zo.

Maar ik snap het niet, zegt Mees. Hoe kan een vogel nou met zijn snavel die heel glad is, die aarde pakken? Waarom glijdt de aarde er niet gewoon uit? Iza denkt dat hij misschien takjes pakt waar nog een worteltje aanzit en dat er dan tussen die wortels nog wat aarde zit. Andere kinderen vermoeden dat vogels ook met hun poten iets kunnen pakken. En Thomas legt uit dat een vogel achter in zijn keel een soort schuifje heeft dat dicht gaat als hij aarde of takjes in zijn snavel doet en weer open als hij iets eet of drinkt. Een aantal kinderen is heel verbaasd als ze horen dat vogels zelf hun nest maken. Ze dachten dat mensen dat voor hen deden. Of ze dat echt zelf kunnen? Daarover blijven de meningen verdeeld.

Samen bedenken we dat je een vogelnest vaak hoog in een boom vindt. Bovenop een dak kan natuurlijk ook. Dat is omdat daar geen katten bij kunnen. Want een nestje is niet alleen om ’s avonds in te slapen, de vogel legt er eitjes in waar kleine babyvogeltjes uitkomen en die lusten katten wel. Maar, vraagt Lore zich af, als er nou een boef komt met een ladder? Als die nou die eieren wil stelen? Thobias denkt dat je dan van hout en spijkers en ook van ijzer een kooi om het nest heen moet maken. Dan kunnen de boeven er niet meer bij. Maar hoe moeten die kleine vogeltjes er dan uit om te leren vliegen? Misschien moet je dan de bovenkant open laten. Alleen moet je dan wel weer oppassen voor roofvogels want die houden ook van babyvogeltjes. Eigenlijk kunnen ze het beste dicht bij mensen een nest bouwen want die kunnen de politie bellen.

Als laatste wil Loïs nog wel zeggen dat je een nestje dat je vindt niet zomaar mee mag nemen. Nu is de vogel z’n nestje kwijt. Anderen opperen dat je misschien wel sorry kan zeggen. Maar dat verstaat een vogel natuurlijk niet. Ze kunnen wel praten maar niet in onze taal. Dan zou je eerst vogeltaal moeten leren.