troosten

Groepsvorming in een kleuterklas

.

Het is de laatste dag voordat de school weer begint. Mijn klas is ingericht. Alles is georganiseerd. De kinderen en hun ouders zijn geïnformeerd. En ik besluit een laatste dagje te genieten van zon, wind, zee en strand. Vlak voor we weg gaan stop ik nog snel Raai de Kraai in mijn fietstas. Misschien kan ik wat foto’s maken. Misschien helpt het de kinderen om te vertellen over hun eigen vakantieverhalen.

Onderweg neemt Jan het over. Als ik bij de kiosk een emmer met schepje koop zie ik Jan uit mijn ooghoek rommelen met Raai. Hij blijkt begonnen met een beeldverhaal. Waar we anders nooit langer dan 10 minuten samen, in de zon, op het strand doorbrengen kan ik nu zeker een uur pootje baden in zee, lezen op mijn handdoekje en gewoon zonder iets te doen over de zee zitten staren. Jan maakt foto’s.

.

En dan is het maandagochtend. Natuurlijk verloopt alles meteen al heel anders dan gepland. Blij, opgetogen, schoorvoetend, huppelend of verscholen achter vader of moeder komen de kinderen het plein op lopen. Voor een aantal kinderen is het best een stap; weer naar school. Na een kwartier staat onze intern begeleider met de snikkende Annemeike in haar armen, de directeur probeert een intens verdrietige Mick ervan te overtuigen dat school echt wel leuk is, ik hoor van Gijs hoe eng hij gedroomd heeft omdat hij weer naar school moet en ondertussen zie ik twee ouders met de twee nieuwe kinderen achter in de gang geduldig wachten tot ook zij een plekje kunnen vinden in hun nieuwe groep. Alle voorbereidingen veranderen in een soort voetnoot. Je kunt niet anders dan in die zee van gebeurtenissen springen.

Ik balanceer tussen het luisteren naar alle kleine verhalen van al die individuele kinderen en de groep weer zien als groep. Tussen ruimte geven en de regels weer duidelijk neerzetten. Tussen dat wat ik heb voorbereid en reageren op wat ontstaat.

Zonder dat ik het merk registreer ik wat er gebeurt. Dat onze nieuwe atelierhoek erg in trek is maar dat we het nog wel over het opruimen moeten hebben. Dat Kaat op haar allereerste schooldag, volop experimenteert en prachtige, gedetailleerde tekeningen maakt van de kleine poesjes die bij haar thuis geboren zijn. Dat alle huilende kinderen grote indruk maken op Jelle.

Zoals we weer opnieuw kennis maken met elkaar, is er ook de hernieuwde kennismaking met Raai, onze klassenpop, die weer terug is van vakantie. De foto’s hangen achter het tafeltje met zijn gevonden schelpen en wat zand. Raai zit op zijn nieuwe nest in de boom naast de kijktafel. ‘Ik heb zelf foto’s gemaakt van toen ik op vakantie was’, reageert Isa. ‘Ik kan ze wel even meenemen’. Later kijkt ze peinzend voor zich uit: ‘Hoe kan het nou dat jij op die foto staat? Wie heeft hem dan gemaakt?’ Anna ordent telkens opnieuw de schelpen en het zand op het tafeltje. En regelmatig bekijken een paar kinderen de foto’s en praten erover. Het is één van de dingen die je kunt ontdekken in de nieuwe klas. Onnadrukkelijk, zoals het hoort.

Af en toe doen we een kennismakingsspelletje. Alle kinderen hebben een nieuw maatje en regelmatig roep ik: ‘vraag maar aan je maatje’, ‘zorg goed voor je maatje’ of ‘help je maatje even’. Maar als Annemeike weer hard en ontroostbaar begint te huilen aan het eind van de dag, ik me laat ontvallen dat ik het er nu wel warm van krijg en Loïs, die vlak naast mij staat, verbaasd vraagt ‘wat is er dan met je, juf?’, vraag ik me ineens af waar de kinderen eigenlijk mee bezig zijn zo’n eerste week op school.

Hoe de kinderen deze dagen ervaren merk ik later die week. De onderwijsassistent kondigt aan dat ze in alle klassen zal vertellen dat zij vertrouwenspersoon is. Dat ze helpt als er gepest wordt in de klas of als er iets naars gebeurt wat je niet met je juf of meester op kunt lossen. Het lijkt me een nogal verwarrend en abstract verhaal voor jonge kinderen maar we zien wel hoe het gaat. Als we samen, elkaar aanvullend en voorbeelden gevend, vertellen wat je kunt doen als het niet zo leuk is op school, steekt Lars al snel zijn vinger op. ‘Isa en ik zijn maatjes en wij helpen altijd als de kinderen een probleem hebben’. Isa lijkt niet helemaal te weten wat hij bedoelt maar knikt heftig van ja. En ik herinner me weer hoe ze met de snikkende Annemeike een tekening maakte tegen het missen van haar moeder (‘Wil je een bloem?’ ‘Nee, ik wil hartjes.’ ‘Moet ‘ie in het midden?’ ‘Nee, hij moet zo aan die kant.’ …). Loïs vertelt hoe ze alle kinderen helpt met in de rij staan als ze ‘s ochtends verdrietig zijn. Dat is waar. Er zijn zelfs ouders die in de ochtend aan haar vragen te helpen met een handje of een knuffel. En dan buitelen de kinderen over elkaar heen om te vertellen hoe, wanneer en waarom ze elkaar heel goed kunnen helpen en troosten, en wat je moet doen als er iets gebeurt dat je niet leuk vindt. Er is nog tijd voor een laatste vraag aan de onderwijsassistent. ‘Juf, ik vind je heel erg lief’, zegt Lars.

Ik ben trots op mijn groepje. De kinderen doen zo ongelofelijk hun best om er met elkaar een fijne groep van te maken. Niet omdat het moet, maar omdat ze het willen. En ik heb er alle vertrouwen in!

Een troosttekening

IMG_1624

.

Hoe ik om moest gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende, onderzoekende en creatieve kleutergroep met 20 jongens en 10 meisjes had ik al eens helemaal uitgedacht. Veel doen, weinig praten. Niet 3 kwartier zitten in de kring maar bewegen en spelen. En veel structuur, rituelen en routines.

Maar dan wordt alles ineens helemaal anders. Op zondagavond hoor ik dat een van onze collega’s die middag verongelukte in een klimhal. En ik kan het niet geloven. Zo’n energieke, jonge man vol plannen. Hij werkte nog maar een jaar bij ons op school. Verving een leerkracht die ook al plotseling overleed. Hij heeft een zoontje van 2, een net zwangere vriendin. Dat kan gewoon niet! Mijn lijf snapt echter veel eerder dan mijn vluchtende geest wat dit betekent. Het is alsof ik een baksteen heb opgegeten. Zwaar zinkt iets onverteerbaars naar beneden.

De volgende ochtend hoor ik Abe, net als andere ochtenden, al van ver zingend en roepend aan komen lopen terwijl hij naar iedereen grapjes maakt, want dat kan hij goed. Het voelt ineens misplaatst. Net stonden we hier nog koortsachtig met gedemte stem te praten. Wat was er gebeurt en hoe ging het nu verder? Hoe moest het met die groep 7 van hem? Hoe vertel je dit op een school met 450 kinderen, 800 ouders en 3 locaties? Ik leg een hand op de schouder van Abe. Maan hem wat zachter te praten. En hij voelt het aan. Rustig gaat hij naar binnen. Veel stiller dan anders kiest hij een activititeit en gaat aan het werk. Een vader zegt: ‘Nog niet helemaal wakker juf? Zwaar weekend gehad?’. Ik kom niet verder dan een flauwe glimlach. Dan begint de dag. De kinderen stromen binnen, gewoon net als anders. En ik denk dat ik doe wat ik anders ook altijd doe. Maar dat is niet zo. Vergeten is het -veel doen en weinig praten-. Als vanzelf volg ik mijn eigen voorkeuren. En dat is praten. Net iets langer in de kring zitten dan goed is. Niks oplossen met een knipoog of een grapje maar vragen of het stil kan zijn, zeggen dat de handen en voeten bij jezelf moeten zijn en blijven, eisen dat ze netjes in de rij staan, zonder geduw, zonder getrek en vooral stil! Het gevolg is onrust en ruzie. Mirte die voor het eerst in tranen uitbarst en zachtjes blijft herhalen dat ze bij haar moeder wil blijven. Emilio die als een dolle de klas rondrent en Kai die iedereen duwt en stompt. Niet allemaal, maar een aantal kinderen lijkt te voelen dat er iets anders is, dat ik anders ben. Ze weten niet wat en hoe maar ze reageren. Drie dagen later vraagt een moeder of ik iets meer kan vertellen over het incident. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Graaf diep in mijn geheugen maar kan niets vinden. ‘Ja’, zegt ze, ‘het was wel heel erg, je zag de tandjes in zijn schouder staan. Douwe zei dat hij wel 2 bekertjes water moest drinken voordat het over was’. En dan zie ik het weer voor me. In de deuropening staat mijn bouwcoördinator. Als ik naar haar toe loop komt Douwe hard huilend op mij toegerent, daarachter de beschaamde Nick. Met mijn aandacht al bij de bouwcördinator vraag ik wat er gebeurde. Er wordt sorry gezegd en getroost. Dat gebeurt al jaren met een glaasje water. Ondertussen hoor ik dat alle ouders van groep 7 zijn gewaarschuwd en naar school komen. Dat de kinderen horen wat er gebeurd is in het bijzijn van hun ouders. Dat de directeur daarna langs alle klassen van de betreffende locatie gaat. En dat alle andere ouders via de mail worden geïnformeerd. In die volgorde.

De begeleidster van de voorschoolse opvang roept het over de hoofden van de kinderen heen. ‘Kijk eens wat Abe meeheeft! Zo mooi!’ Ik buig voorover en krijg een tekening, zorgvuldig opgeborgen in een doorzichtig hoesje. Het is een troosttekening voor groep 7. ‘Mijn vader heeft verteld wat er met de meester is gebeurd. En toen heb ik een tekening gemaakt voor de kinderen van groep 7.’  Die kinderen zijn daar heel erg blij mee. ‘Ze wilden meteen naar jullie toe’ vertelt de leerkracht die deze dagen voor de groep staat. ‘Vooral toen ze lazen dat zijn zusje ook een tekening maakte. Want die wilden ze dan ook zien, natuurlijk.’

In de weken daarna herneemt het leven in de klas weer zijn gewone gang. Bijna als daarvoor. Niet helemaal. Op een of andere manier lijkt het alsof de wereld net een stukje verschoven is. Alsof ik niet meer helemaal weet hoe het moet. En als ik denk aan zijn kleine gezin, zijn familie en ook aan de collega’s die met hem in hetzelfde gebouw werkten, wordt het mij koud om het hart. Toch is er ook Abe’s troosttekening.

En deze herfstvakantie zet ik opnieuw op een rijtje hoe ik ook al weer om moet gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende en creatieve donderstenen.