fotoboek

Ons fotoboek

.

Iedereen knikt instemmend als Gijs vertelt over die keer dat zijn vinger gebroken was. ‘Weet je nog juf, toen zag je het gips om mijn vinger’. ‘Ja’, ‘ja’, klinkt het van alle kanten. ‘Ja, toen lag je in bed in het ziekenhuis en toen zag je dat’. Ik zoek naarstig mijn herinneringen af maar kan geen moment vinden waarin ik Gijs met gips of mitella ben tegengekomen of berichten kreeg over een ziekenhuisopname. Totdat Lisa zegt dat er toen ook een foto was gemaakt. Dan begint me iets te dagen. Dit schooljaar ben ik weer eens gestart met een ‘klassen-fotoboek’. Alle kinderen kregen een blad mee met hun naam erop, dit konden ze vullen met foto’s van thuis. Al gauw kwamen de bladen terug, vaak gevuld met veel kleine fotootjes. De kinderen thuis, met papa en mama, broertjes en zusjes, hun speelgoed, een huisdier, samen met vriendjes en vriendinnetjes in hun eigen kamer, in de tuin, buiten op straat of op een verre vakantiereis. Zo zit er in het boek ook een blad met foto’s van Gijs. Op een van de foto’s zien we de twee of driejarige held in bed met zijn hand in het gips.

Het fotoboek is al snel favoriet. Als de kinderen die klaar zijn met de lunch nog even een boekje mogen lezen vindt er een ware stormloop op ons fotoboek plaats. Vooraf worden alvast afspraken gemaakt; ‘mag ik na jou?’ ‘En daarna ben ik aan de buurt’, ‘en ik’, ‘en ik’. De broodjes zijn ineens snel op. Het bekijken van de fotobladen gaat snel en de aandacht lijkt vluchtig. Toch krijgen ze er geen genoeg van om steeds opnieuw dezelfde foto’s te bekijken. Ondertussen wordt alles benoemd; wie is wie, waar zijn ze, wat gebeurt er? Om dat meteen te relateren aan hun eigen ervaringen; ‘dat was het zwembad, daar was ik ook, in het rode badje zit ik.’ ‘Mijn poes is zwart.’ ‘Mijn poes is dood’. Of; ‘Wow, dat zijn veel pannenkoeken, lekker!’

Nelson (2009) schetst in haar boek ‘Young minds in possible worlds’ hoe de wereld van kinderen vanaf een jaar of 4 snel groter wordt. Steeds beter kunnen ze zich dingen voorstellen die er op dat moment niet zijn maar die misschien lijken op iets wat ze zelf ongeveer zo hebben meegemaakt. En steeds meer maken ze een (autobiografisch) verhaal van de betekenisvolle gebeurtenissen in hun leven. Die verhalen worden verknoopt met die van anderen waarover ze hoorden, die ze zagen op TV (of fotoboek) of voorgelezen kregen. En altijd zijn zijzelf het stralende middelpunt. Zo ontstond in mijn groep van vorig jaar de gewoonte om als we naar een filmpje keken meteen de rollen te verdelen. ‘Ik ben die vaderleeuw’, ‘en ik de moeder’, ‘en ik ben dat babyleeuwtje’. Om daarna op te springen, te grommen en mee te bewegen met alle acties. De scheidslijn tussen de eigen ervaring en die van anderen is nog dun en vloeibaar.

Jezelf in de wereld leren kennen; het verklaart de gretigheid om steeds opnieuw dezelfde foto’s te zien. En het is genieten om dat van dichtbij mee te maken.