Maandelijks archief: augustus 2020

‘Ik wil leren om dokter te worden in de huishoek’

.

Vorig jaar hing er wekenlang een lijst op de deur van de klas; een lijst met antwoorden op de vraag wat de kinderen dat jaar zouden willen leren. Gijs vertelde dat hij wilde leren om dokter te worden in de huishoek. Inderdaad was hij vaak te vinden in de huishoek waar hij altijd meteen de plastic handschoenen opviste uit het laatje met doktersattributen. Isa wilde leren toveren. Veel kinderen wilden leren om netjes binnen de lijntjes te kleuren, ze wilden letters leren of goed leren luisteren.

De kinderen hadden enthousiast antwoord gegeven op de vraag. En je bewust worden van wat je leren wilt past goed binnen het ‘Actieve Didactische Instructie Model’ en ‘doelgericht’ onderwijs. Dus zou het de ‘leeropbrengsten’ moeten verhogen. Toch bleek Sara helemaal niet bezig met tussen de lijntjes kleuren, ze wilde vooral snel klaar zijn om zoveel mogelijk tekeningen te kunnen maken. Isa wilde misschien wel leren toveren maar het was geen enkel probleem dat ze het na twee maanden nog steeds niet kon. Of misschien kon ze het eigenlijk al lang?

Er schuurde iets. Wat betekent “leren” eigenlijk voor jonge kinderen. Hebben kinderen en leerkrachten het wel over hetzelfde als ze het begrip “leren” gebruiken? Voor de meeste leerkrachten is “kinderen iets leren” het hart van hun werk. Daarvoor komen ze naar school. Maar kleuters? Wat hebben zij voor plannen als ze de klas binnenstappen? Waarvoor gaan zij naar school?

Afgelopen zomer las ik een onderzoek van Y. Colliver & M. Fleer: I already know what I learned dat gaat over juist het perspectief van jonge kinderen op leren. Niet zomaar leren, maar “leren door spel”. Het idee dat jonge kinderen leren door te spelen is wijdverbreid maar hoe de kinderen daar zelf over denken vragen we ons eigenlijk nooit af. Al lezend viel alles op zijn plek. Dit was waar ik maar niet de vinger op kon leggen.

In het onderzoek werd, na een korte introductie over leren en spelen, aan 28 twee- tot vijfjarigen gevraagd wat ze leerden van een bepaalde (op film vastgelegde) speelsituatie. Het commentaar van de kinderen op 638 spelepisodes werd geanalyseerd en liet zien dat zelfs de jongste kinderen al een autoriteit zijn op het gebied van hun eigen leren. Het perspectief van jonge kinderen op “leren” verschilt wel duidelijk van het perspectief van volwassenen. Toen een begeleider aan de driejarige Daniella vroeg wat ze leerde toen ze een schat aan het begraven was, antwoordde ze overtuigd: ‘piraat’. De begeleider herhaalde haar vraag: ‘wat leerde je?’ Iets minder overtuigd herhaalde het meisje haar antwoord waarna de begeleider nog eens vroeg: ‘je leerde piraat, wat bedoel je?’. Toen bleef het meisje stil, keek naar de grond, schuifelde met haar voeten en friemelde met haar handen. Daniella en haar begeleider leken een andere taal te spreken.

Voor de meeste volwassenen staat het begrip “leren” voor het verwerven van nieuwe kennis en/of vaardigheden. Daarbij ben je je er vooraf min of meer van bewust dat je iets nog niet kunt of weet. En je constateert terugkijkend hoe goed het is gelukt om dat gebrek aan kennis en vaardigheden op te lossen. Een jongetje dat zegt dat hij leert om thee te maken terwijl hij een theezakje in het water doet en dus duidelijk al weet hoe je thee maakt, denkt anders over leren. “Leren” betekent voor jonge kinderen niet iets nieuws weten of kunnen. Het gaat niet om het verwerven van kennis en vaardigheden; het leren van jonge kinderen draait veel meer om het deelnemen aan een (culturele) activiteit. Terwijl het volwassen leren individueel is, draait het leren van kinderen om het (kunnen) participeren in de groep. Jonge kinderen hebben al hun voelsprieten uitstaan om op te pikken hoe ze kunnen meespelen. Wat zijn de regels van het spel? Hoe kun je meedoen?

In hun commentaar op de verschillende spelepisodes bleken kinderen steeds de regels van het spel te benoemen. En niet zomaar regels, steeds ging het om de hoofdregel: The Aim of the Game. Toen Daniella in het onderzoek antwoordde dat ze leerde ‘piraat’ te zijn, was duidelijk dat ‘een piraat zijn’ het doel van haar spel was. Regels zoals; een piraat zoekt een schat, vaart op een schip, heeft een zwaard, waren onderdeel van dit hoofddoel: een piraat zijn. Zonder dit doel zou het spel weinig betekenis hebben gehad voor Daniella. Sterker; weten hoe je een piraat wordt, maakte het voor Daniella mogelijk mee te doen aan het spel. Het antwoord ‘piraat’ was een perfecte samenvatting van alle grote en kleine regels over hoe je een piraat speelt in een verbeelde wereld.

Is het belangrijk dat leerkrachten weten wat kinderen denken te leren van hun eigen spel? Dat ze weten wat hun intenties zijn als ze spelen? Of is het zo dat leerkrachten eigenlijk beter weten wat jonge kinderen leren dan de kinderen zelf?

In het onderzoek wordt een speelepisode beschreven waarin Bella en Gwen fluisterend potjes en pannetjes vullen met zand terwijl op de achtergrond een groepje grote jongens wild rond rent. In haar observatie constateert de leerkracht dat de meisjes veel fijn-motorische vaardigheden gebruiken. Bella pakt het zand zorgvuldig tussen haar vingertoppen en laat het voorzichtig in het pannetje glijden. Zachtjes praten Bella en Gwen over hun kookverhaal en bijna als vanzelf leren ze de eigenschappen van nat en droog zand kennen terwijl het in potjes van verschillende grootte glijdt. Om aan te sluiten bij dit leren zou de leerkracht kunnen besluiten de sensomotorische ervaringen uit te breiden door meer materiaal aan te bieden. Maar de meisjes zelf zeggen iets heel anders: ze hebben geleerd hoe ze kapitein Hook dood kunnen maken want hij is slecht. Ze doen dat door gif te maken van kruidig eten en sterke koffie en ze bedenken waar het geurige eten moet staan om kapitein Hook te verleiden tot een hapje. In het spelverhaal verbinden de kinderen hun kennis over de reële wereld met hun verbeelding, steeds met het “hoofddoel” in hun achterhoofd. Op zich een prestatie van formaat. Als je dit weet als leerkracht zou je dan op een andere manier aansluiten bij het spel van de kinderen?

Als ik terugdenk aan de “wat-wil ik-leren” lijst op de deur met het idee dat het leren van de kinderen draait om het kennen van de regels om te kunnen deelnemen aan een activiteit, lees ik het heel anders. Sara hield van tekenen. Ze had begrepen dat de praktijk van het naar school gaan draait om iets goed kunnen. Goed tekenen is tussen de lijntje kleuren. Dat was ze aan het doen als ze koos voor de tekentafel op school. Net zoals Isa vooral aan het spelen was dat ze toverde of dat nu in de huishoek, aan de knutseltafel of al tekenend was.

Voor ons als leerkrachten is dat nog een hele wereld om te ontdekken.

 

Groepsvorming in een kleuterklas

.

Het is de laatste dag voordat de school weer begint. Mijn klas is ingericht. Alles is georganiseerd. De kinderen en hun ouders zijn geïnformeerd. En ik besluit een laatste dagje te genieten van zon, wind, zee en strand. Vlak voor we weg gaan stop ik nog snel Raai de Kraai in mijn fietstas. Misschien kan ik wat foto’s maken. Misschien helpt het de kinderen om te vertellen over hun eigen vakantieverhalen.

Onderweg neemt Jan het over. Als ik bij de kiosk een emmer met schepje koop zie ik Jan uit mijn ooghoek rommelen met Raai. Hij blijkt begonnen met een beeldverhaal. Waar we anders nooit langer dan 10 minuten samen, in de zon, op het strand doorbrengen kan ik nu zeker een uur pootje baden in zee, lezen op mijn handdoekje en gewoon zonder iets te doen over de zee zitten staren. Jan maakt foto’s.

.

En dan is het maandagochtend. Natuurlijk verloopt alles meteen al heel anders dan gepland. Blij, opgetogen, schoorvoetend, huppelend of verscholen achter vader of moeder komen de kinderen het plein op lopen. Voor een aantal kinderen is het best een stap; weer naar school. Na een kwartier staat onze intern begeleider met de snikkende Annemeike in haar armen, de directeur probeert een intens verdrietige Mick ervan te overtuigen dat school echt wel leuk is, ik hoor van Gijs hoe eng hij gedroomd heeft omdat hij weer naar school moet en ondertussen zie ik twee ouders met de twee nieuwe kinderen achter in de gang geduldig wachten tot ook zij een plekje kunnen vinden in hun nieuwe groep. Alle voorbereidingen veranderen in een soort voetnoot. Je kunt niet anders dan in die zee van gebeurtenissen springen.

Ik balanceer tussen het luisteren naar alle kleine verhalen van al die individuele kinderen en de groep weer zien als groep. Tussen ruimte geven en de regels weer duidelijk neerzetten. Tussen dat wat ik heb voorbereid en reageren op wat ontstaat.

Zonder dat ik het merk registreer ik wat er gebeurt. Dat onze nieuwe atelierhoek erg in trek is maar dat we het nog wel over het opruimen moeten hebben. Dat Kaat op haar allereerste schooldag, volop experimenteert en prachtige, gedetailleerde tekeningen maakt van de kleine poesjes die bij haar thuis geboren zijn. Dat alle huilende kinderen grote indruk maken op Jelle.

Zoals we weer opnieuw kennis maken met elkaar, is er ook de hernieuwde kennismaking met Raai, onze klassenpop, die weer terug is van vakantie. De foto’s hangen achter het tafeltje met zijn gevonden schelpen en wat zand. Raai zit op zijn nieuwe nest in de boom naast de kijktafel. ‘Ik heb zelf foto’s gemaakt van toen ik op vakantie was’, reageert Isa. ‘Ik kan ze wel even meenemen’. Later kijkt ze peinzend voor zich uit: ‘Hoe kan het nou dat jij op die foto staat? Wie heeft hem dan gemaakt?’ Anna ordent telkens opnieuw de schelpen en het zand op het tafeltje. En regelmatig bekijken een paar kinderen de foto’s en praten erover. Het is één van de dingen die je kunt ontdekken in de nieuwe klas. Onnadrukkelijk, zoals het hoort.

Af en toe doen we een kennismakingsspelletje. Alle kinderen hebben een nieuw maatje en regelmatig roep ik: ‘vraag maar aan je maatje’, ‘zorg goed voor je maatje’ of ‘help je maatje even’. Maar als Annemeike weer hard en ontroostbaar begint te huilen aan het eind van de dag, ik me laat ontvallen dat ik het er nu wel warm van krijg en Loïs, die vlak naast mij staat, verbaasd vraagt ‘wat is er dan met je, juf?’, vraag ik me ineens af waar de kinderen eigenlijk mee bezig zijn zo’n eerste week op school.

Hoe de kinderen deze dagen ervaren merk ik later die week. De onderwijsassistent kondigt aan dat ze in alle klassen zal vertellen dat zij vertrouwenspersoon is. Dat ze helpt als er gepest wordt in de klas of als er iets naars gebeurt wat je niet met je juf of meester op kunt lossen. Het lijkt me een nogal verwarrend en abstract verhaal voor jonge kinderen maar we zien wel hoe het gaat. Als we samen, elkaar aanvullend en voorbeelden gevend, vertellen wat je kunt doen als het niet zo leuk is op school, steekt Lars al snel zijn vinger op. ‘Isa en ik zijn maatjes en wij helpen altijd als de kinderen een probleem hebben’. Isa lijkt niet helemaal te weten wat hij bedoelt maar knikt heftig van ja. En ik herinner me weer hoe ze met de snikkende Annemeike een tekening maakte tegen het missen van haar moeder (‘Wil je een bloem?’ ‘Nee, ik wil hartjes.’ ‘Moet ‘ie in het midden?’ ‘Nee, hij moet zo aan die kant.’ …). Loïs vertelt hoe ze alle kinderen helpt met in de rij staan als ze ‘s ochtends verdrietig zijn. Dat is waar. Er zijn zelfs ouders die in de ochtend aan haar vragen te helpen met een handje of een knuffel. En dan buitelen de kinderen over elkaar heen om te vertellen hoe, wanneer en waarom ze elkaar heel goed kunnen helpen en troosten, en wat je moet doen als er iets gebeurt dat je niet leuk vindt. Er is nog tijd voor een laatste vraag aan de onderwijsassistent. ‘Juf, ik vind je heel erg lief’, zegt Lars.

Ik ben trots op mijn groepje. De kinderen doen zo ongelofelijk hun best om er met elkaar een fijne groep van te maken. Niet omdat het moet, maar omdat ze het willen. En ik heb er alle vertrouwen in!

Nog meer tekeningen van treinen, boten, auto’s, wegen en huizen

.

Als ik nog snel wat spulletjes bij elkaar zoek voor een paar laatste dagen fietsen in de provincie Groningen, vind ik een mapje met tekeningen. Zonder naam dit keer maar overduidelijk van Chiel. Mijn vorige blog ging over het verhaal dat hij vertelde in zijn tekeningen. Ik blader ze door en kan het niet laten. Ze passen zo mooi; ik kies er een paar uit en plak ze op verschillende plekken in het verhaal over het afscheid van onze treinen-man. Dus niet helemaal nieuwe, maar toch een beetje: nog meer tekeningen van Chiel.

Afscheid van onze ‘treinenman’

.

.

De tekening moet ergens op mijn bureau liggen, het is een opsomming van treinen; stoomtrein, goederentrein, hondenkop, dubbeldekker. Ik vind hem half verscholen onder allerlei andere schoolspullen die moeten worden uitgezocht, geordend en opgeborgen. Het is een van de klusjes die me in het begin van de vakantie altijd helder voor ogen staan. Maar die jammerlijk achter de horizon verdwijnen als de echte ontspanning gaandeweg eindelijk intreedt.

De tekening kreeg ik op de laatste dag voor de vakantie van Chiel. Er waren weken dat ik bijna iedere dag een tekening van hem kreeg. Soms overleefden ze de weg van mijn juffen-bureau via mijn schooltas naar mijn atelier thuis. Daar maakte ik een apart stapeltje, waar ik een dubbelgevouwen A4tje omheen vouwde en ‘tekeningen van Chiel’ op schreef. Ik pluk de tekening van mijn ateliertafel, sluit mijn ogen voor alle blaadjes, boeken, lapjes, lintjes, papiertjes, aantekeningen, frutsels, … en schuif hem tussen het stapeltje ‘tekeningen van Chiel’.

Twee jaar geleden kwam hij bij mij in de klas. Een kleine jongen met bijna rechtopstaand wit haar, een rond koppie, een innemende lach en rode wangen. In het eerste kringgesprek vertelde hij over de ingestorte Morandi-brug in Genua in Italië. Hij deed dat met zoveel details dat ik geschrokken vroeg of hij daar soms langs was gekomen in de vakantie. ‘Nee hoor juf, ik had het op de TV gezien en van mijn vader gehoord.’

Al snel krijg ik de eerste tekening. Er hoort een verhaal bij over de wegen tussen verschillende huizen, de A9, de afsluitdijk en hoeveel kilometer dat allemaal uit elkaar ligt.

.

De tekeningen ontwikkelen zich tot twee schema’s; huizen en auto’s. Vaak staat er aan de ene kant een auto en aan de andere kant een huis. Hij maakt ze geconcentreerd, ergens op een verloren moment in de dag met het materiaal dat toevallig voorhanden is. Soms verbaas ik mij over de nauwkeurigheid waarmee hij vastlegt hoe de wereld in elkaar zit, hoe hij samenvat wat voor hem belangrijk is. En bijna altijd komt hij de tekeningen brengen bij mij. Alsof ik de hoeder ben van zijn gedachten en ideeën.

.

En dan worden huizen en voertuigen voorzichtig met elkaar verbonden. In de tekening van het huis met de weg bijvoorbeeld.

de weg naar

het huis

meer wegen

Als je heel goed kijkt zie je hoe Chiel een ingericht huis tekende, vanuit de voordeur kom je op de weg. Die weg leidt naar een volgend huis of je kunt de afslag nemen het papier af.

.

.

Als snel blijkt de wereld van Chiel eigenlijk te draaien om treinen. Buiten maakt hij treinen door verschillende karren aan elkaar te bevestigen. Binnen construeert hij ingewikkelde treinbanen met bruggen, viaducten en knooppunten. Duplo-huizen met zwembaden, speeltuinen, auto’s voor de deur, slaapkamers en ‘chill-plekjes’ maken het tot een wereld in het klein. Hij woont vlak bij het station waar je vanaf een brug over het spoor alle bewegingen van de verschillende treinen kunt gadeslaan. ‘Morgen ga ik met mijn vader op de trein’, vertrouwde hij me eens toe. ‘Werkt je vader op de trein?’ Maar nee, zijn vader bleek vrachtwagenchauffeur. En zelfs als zijn vader tijdens het project ‘vervoer’ met zijn wagen het schoolplein op komt rijden, de kinderen een voor een de cabine inklimmen en we allemaal diep onder de indruk zijn, blijft hij het zeker weten: ‘ik ga later op de trein werken.’

Ook in zijn tekeningen verschijnen treinen. Een sneltrein, de stoomtrein waarmee hij met zijn vader, moeder en zusje van Hoorn naar Enkhuizen reed.

de stoomtrein

Lange stroken plakband zijn over verschillende delen van de tekening heen geplakt.

de stoomtrein

de sneltrein

trein, boot,

huis, trekker

.

Vaak schrijft Chiel iets naast, bij of achterop zijn tekening. Ik vind zelfs een blad waarop hij het alfabet aan het oefenen is. Met de namen van de juffen en hier en daar een trein, huis of boot natuurlijk.

.

Een tijd geleden kreeg ik tijdens de ‘pauze-hap’ een prachtig inkijkje in zijn wereld. Chiel vertelde dat hij later met Nora ging trouwen en dat ze samen in een huis zouden gaan wonen naast het station. Allebei zouden ze gaan werken op de trein. Als ze dan ‘s avonds weer terugkwamen waren ze snel thuis. Ze zouden baby’s krijgen en die mochten af en toe mee op de trein. Nora zit genoeglijk etend en drinkend een paar stoelen bij hem vandaan en beaamt alles met een tevreden knikje. Maar Nienke is het er niet mee eens. Zíj zou juist samen met Chiel in een huis gaan wonen!! Er wordt wat heen en weer gehakketakt totdat iemand oppert dat ze ook met z’n drieën in een huis kunnen wonen. Loïs heeft ook twee moeders, dus dat kan. Dan kan er vast ook wel een vader bij. Maar nu roert Dunia zich: ‘dat mag niet, kinderen mogen niet zelf in een huis wonen, want dan mist je moeder je te veel’. Er klinkt voorzichtig weerwoord: ‘dan ben je groot en dan mag het wel’, ‘dan ben je geen kind meer’. Maar het blijkt moeilijk om je voor te stellen dat je echt een groot mens zult worden. Chiel reageert niet meer. Zo te zien blijft zijn toekomstdroom stevig overeind. Of misschien is het helemaal niet iets wat zich in de toekomst afspeelt maar in zijn verbeelding, in het nu. Iets dat je kunt spelen, kunt tekenen, maken en vertellen. Zo maak je je gedachten en ideeën concreet en kun je ze verder onderzoeken.

Als we na de lock-down weer met de hele groep naar school gaan kan Chiel op een ochtend bijna niet wachten met vertellen wat er is gebeurd. ‘Ik heb mijn huis gezien!’ ‘Je huis?’ Ik weet even niet waar hij het over heeft. ‘Ja, het huis waar ik in ga wonen met Nora. Het staat tegenover het spoorwegmuseum. Daar was ik, want het was weer open. En het staat nog leeg. Het is langs de snelweg en dan kun je zo over de A2 en de A9 terug naar Alkmaar rijden.’ De andere kinderen zien maar één probleem. ‘Misschien gaat er iemand anders in wonen voordat je groot bent.’ Siem lijkt even bezorgd bij zichzelf naar binnen te kijken en lacht dan opgelucht; er staan nog meer huizen leeg daar, dus als het al weg is dan neemt ‘ie gewoon een andere.

Als ik verschillende tekeningen van het stapeltje van Chiel bekijk hoor ik de verhalen weer, zie ik de bouwwerken, het spel buiten met de karren en binnen in de bouwhoek. De treinen, de huizen die steeds verder worden ingericht, auto’s, boten, wegen en de plekjes daartussen.

.

Ik zal ze missen; de tekeningen van Chiel. Zoals ik alle getekende, vertelde en gespeelde verhalen zal missen die de kinderen maakten en met elkaar verweefden tot juist dat ene grote verhaal van deze groep.

Teacher Tom beschrijft in een van zijn blogs hoe kinderen al jong virtuoze verhalenvertellers worden. Die verhalen beginnen klein, verbonden met de mensen dichtbij. Om zich daarna steeds verder uit te breiden naar de steeds groter wordende wereld. We leren veel van het maken van verhalen: ‘making sense of our world, placing our experiences in context, weaving them into narratives that inform and create and explain and question.’

Chiel, Nora en Dunia gaan na de vakantie met de andere zesjarigen naar groep 3, verder de grote wereld in. Ze zijn er helemaal klaar voor. En ik neem me voor om weer volop te gaan genieten van alle verhalen die opnieuw ontstaan in mijn overgebleven en weer groeiende groepje. Heerlijk!