Onderzoek naar taal en tekenen

Welke rol spelen taaluitingen en dialoog in het tekenen van jonge kinderen?

 

ja da

 

Bijna alle jonge kinderen tekenen. De eerste krabbels ontstaan soms al tegelijkertijd met de eerste woordjes. Op vierjarige leeftijd stappen die kinderen met al hun opgedane ervaring de basisschool binnen. Ook hier wordt getekend. En als kinderen de kans krijgen zullen ze daar graag en veel bij praten. Maar wat leren kinderen eigenlijk van dit gezellig samen tekenen? En waar praten ze over? Kleuters denken en doen nog met hun hele lijf. Bewegen, praten, tasten, spelen, zingen: het vindt allemaal plaats in nauwe samenhang.  Deze natuurlijke interdisciplinariteit zie je terug in het tekenen, dat zelden een stille activiteit is. Er wordt bij gepraat, gezongen, er worden gebaren en geluiden gemaakt en soms worden er al tekenend verhalen verteld. Voor mijn masterstudie kunsteducatie deed ik in 2011 onderzoek naar de functie van taal tijdens het tekenen van jonge kinderen. Volgens Vygotsky (Bedrova & Leong, 2007) zijn taal en communicatie van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen. In mijn onderzoek stond de vraag centraal of taal en communicatie werkelijk zo’n grote rol spelen in de ontwikkeling – en dus ook in het tekenen – van jonge kinderen als wordt verondersteld.

Lees hier het volledige onderzoeksverslag: definitieve rapportage

Lees hier een artikel over het onderzoek in het blad ‘de wereld van het jonge kind': jrg39-maart2012-saaltink-kijkkijkdewindgaatinhethuis

 

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

 

 

Niet alleen tijdens het tekenen praten kinderen intensief met elkaar. Tijdens een kunstproject in een groep 1/2 maakte ik geluidsopnamen van twee jongetjes die samen op een lichtbak met rode klei aan het werk waren. Toen ik later de opname terug hoorde was ik gefascineerd door de verbeeldingskracht en de rijkdom van de interactie in de gesprekken van de jongens. De manier waarop ze samen het verhaal ontwikkelde. Het was alsof ik even een glimp opving van wat anders altijd verborgen blijft. En sindsdien is die fascinatie alleen maar gegroeid.

Senne: We zijn toch een dierentuin aan het maken, Nick? Nick: Ja, en hier komen de dieren, he? Senne: Kijk dit is de dichtpoort. Dit is de dichtpoort en die is nog dicht. En dit poortje; dat ze naar buiten kunnen. In het enge bos, dat ze zo naar buiten kunnen; lalalala. Nick: Mag heel klein park? Mag heel klein parkje? Senne: Een heel klein parkje waar ze eten kunnen halen. Zo deur open, het deurtje weer dicht. Zo ik ga naar binnen en dan weer het deurtje dicht. Nick: Nee, dat mag niet. Want dat was voor het wolvenpark. En dit was het wolvenhuis. Senne: Zo kunnen de wolven er niet doorheen. Maar het moet wel zo zijn, hier kunnen we ook naar binnen …., ze kunnen niet …, ze kunnen wel maar niet zo goed. Ze kunnen heel goed klimmen juist. Nick: Hier komt de klimding! Senne: Ze kunnen naar buiten! Ze kunnen naar buiten, Nick!! Senne: Niet helemaal. Ze mogen niet ontsnappen! Senne: Daar moeten de wolven blijven in dat hokkie en die kon je ook niet zien. Hihihihi. Dan gaat ‘ie whop, whop, whop, kan hij nergens naartoe.

 

Geef een reactie