Verhalen uit de klas

Gezag

foto

.

‘Klopt het dat Jort met z’n rugzak op buiten loopt?’, vraagt de stagiaire.

Het is kwart voor negen in de ochtend. De laatste ouders zijn weg gedruppeld. Ik heb mij samen met Jack geïnstalleerd aan een tafeltje in een hoek van de klas om te kijken hoe het gesteld is met zijn leesvoorwaarden. De stagiaire ontvangt de kinderen met allerlei activiteiten die klaar liggen op de tafels maar nu zien we dus hoe Jort dwars over het grasveld naar de weg toe loopt. En dat is zeker niet de bedoeling.

Jort is een slim, nieuwsgierig jongetje. Hij was de eerste in mijn groep 2 die dit jaar 6 werd. Vorig jaar vond ik hem nog te speels en te weinig taakgericht om al naar groep 3 te gaan. Dit jaar stort hij zich vol overgave op allerlei kleine en grotere projecten waarbij hij mij vaak vertelt hoe hij het heeft aangepakt, wat hij heeft geleerd en wat hij verder nog voor plannen heeft. Maar het meest opvallend is Jort’s gevoel voor humor. Regelmatig schiet ik in de lag om zijn opmerkingen, zijn verhalen of om zijn spel. Soms is hij echter onstuitbaar. Dan moet ik voor hem gaan staan, hem even beetpakken, aankijken en zeggen dat hij nu echt moet stoppen. Altijd voel ik dan een moment van twijfel. Een klein stukje duizelig makend vacuüm. Wat als hij het niet doet? Wat als hij de grens die ik trek niet accepteert? Op welke gronden beslis ik eigenlijk dat dit nu te ver gaat? Maar altijd komen we even later weer in de samenwerkingsmodus.

Deze ochtend kwam Jort met gebogen hoofd binnen. Hij wilde niet naar school. Hing snikkend aan zijn moeder. Op mijn vraag of er iets was gebeurd hoorde ik niet meer dan dat hij niet naar school wilde. Gedachteloos trok ik de conclusie dat hij toe is aan groep 3. Moeder beaamde dit en niemand lette verder meer echt op Jort die met zijn armen over elkaar in een hoekje ging staan mokken. Later zie ik hem vanuit mijn ooghoek op de gang zijn vest aandoen, dat is niet vreemd, het is best koud vandaag. Maar daarna loopt hij dus op het grasveld. Mijn stagiaire rent naar buiten , terwijl ik mijn toets-papieren orden en kijk of het goed gaat met de rest van de klas. Als ze na vijf minuten nog niet terug is begin ik me zorgen te maken. Tien minuten later staan ze voor de inmiddels dichte schooldeur, een luid snikkend en schreeuwend kind tussen twee volwassenen; de stagiaire en een te hulp geschoten ouder. Ik moet hem naar binnen trekken, hij is één brok onwil en verzet. Verder dan de hal gaat hij niet. Aan de ene kant voelt het als een kind dat een spel speelt. Het spel van het verdrietige, boze jongetje dat onrecht is aangedaan. Aan de andere kant lijkt het ook te gaan over iets echts, maar wat dat echte dan is weet ik niet. Ik registreer het maar gun mezelf niet de tijd om het uit te zoeken. De toets-papieren liggen wanordelijk op tafel, Jack zit te wachten, er is een klas met kinderen die moeten gaan opruimen. Bovendien voelt het ook als een ondermijning van mijn gezag. De weliswaar nooit uit uitgesproken maar toch wel heel fundamentele afspraak is dat ik zorg dat de kinderen een bepaalde tijd op school zijn en zich niet zomaar aan mijn toezicht onttrekken. Ik zeg dat Jort moet vertellen wat er aan de hand is, dat we het dan kunnen oplossen, dat weglopen geen zin heeft en dat hij nu niet naar huis kan. Als ik voor de derde keer voorstel om maar even een slokje water te drinken zodat we daarna kunnen praten roept hij vertwijfeld uit: ‘ik wil geen slokje water en ik wil niet praten, ik wil naar mijn moe-oe-oe-der!!’ Dan kruipt hij in een hoekje naast de kast op de gang, vouwt zijn armen rond zijn benen en legt zijn hoofd tussen zijn knieën. Jort doet even niet meer mee.

Eigenlijk ben ik geïrriteerd. Ik had een plan voor deze ochtend, ik heb geen tijd voor onwillige jongetjes en geen zin in een machtsstrijd. Met een nauwelijks onderdrukte zucht zeg ik Jort dat ik zo bij hem kom. In de klas regel ik het zo dat ik even weg kan. Met mijn inmiddels lauw geworden kopje koffie loop ik de gang weer op.

Langslopende leerkrachten en leesouders werpen bezorgde blikken op het inmiddels weer aandoenlijk snikkende jongetje. Ik denk na over een strategie. -Nooit alleen praten met jonge kinderen-, herinner ik mij, -altijd ook iets doen-. Maar wat? Ik kijk naar het kopje koffie in mijn hand en begin hardop te praten. ‘Mijn koffie is koud, ik ga even kijken of er nog koffie is. Misschien kan ik wel nieuwe zetten. Ga je mee?’

Is het omdat ik eindelijk met mijn aandacht bij hem ben? Of is het omdat Jort gewoon op dit moment besloten heeft om uit het machtsspel te stappen? De metamorfose is zo compleet en zo onverwachts dat ik in de lach schiet. In een fractie van een seconde verandert het mokkende kind in het sociale, nieuwsgierige jongetje dat ik ken. Want koffie zetten dat kan hij heel goed. Dat doet hij weleens als hij ontbijt op bed maakt voor zijn vader en moeder. Dat is wel lastig want het mag eigenlijk niet en het moet dus heel zachtjes wat weer niet zo makkelijk is want eerst moeten de koffiebonen gemalen worden. Natuurlijk wil hij mee koffie zetten, dan kan hij laten zien hoe goed hij dat al kan. Gezellig pratend lopen we richting keuken. Misschien heb ik de eerste aanzet gedaan maar Jort heeft ervoor gezorgd dat we uit de machtsstrijd kwamen, uit het gebied waar gezag iets is wat een leerkracht heeft en waardoor kinderen luisteren, ongeacht wat er aan de hand is.

Als we later aan tafel zitten, ik met warme koffie en hij toch met een glaasje water en we samen de koek delen van een jarige leerkracht, vraag ik wat er toch aan de hand was vanochtend. Hij begint weer zacht te snikken. ‘Ik wilde naar huis, naar mijn moeder’. ‘Vind je het niet meer zo leuk in de klas?’, vraag ik. Maar dat is het niet. Zijn moeder moet vaak werken, veel vaker nog dan zijn vader. Daardoor is hij maar heel soms samen met haar. Zelfs het oefenen voor zijn C diploma doet hij met zijn vader. Dat komt door het werk van zijn moeder, ze moet vaak allerlei dingen opzoeken en dat dan weer op de computer opschrijven. Vandaag is zijn moeder thuis aan het werk. Dus kan hij eigenlijk best naar huis gaan en gezellig thuis spelen terwijl zijn moeder doorwerkt. Ik vraag of hij dat wel eens heeft verteld aan zijn moeder en vader. ‘Ja, wel een beetje maar het helpt niet zo erg omdat het ook niet kan.’ Ik stel voor om een brief te schrijven naar mama. Hij is meteen enthousiast. Er zit namelijk nog een uitnodiging in zijn zak met een envelop, die envelop heeft hij niet meer nodig dus die kan hij mooi gebruiken. Voor we naar buiten gaan schrijft hij in opperste concentratie de door hemzelf gedicteerde en door mij genoteerde woorden na: Lieve mama, ik wil wat vaker bij jou zijn. Van Jort. Eigenlijk zou hij willen dat de postbode nu meteen kwam om de brief onmiddellijk bij zijn moeder te bezorgen. Als ik uitleg dat het zo niet helemaal werkt accepteert hij dat vrijwel meteen. Misschien is dit ook gezag. Een vorm van gezag die niets met macht te maken heeft. Gezag die Jort mij geeft. Omdat ik beter weet hoe het werkt in de wereld en meer ervaring heb.

Aan het eind van de dag herinner ik hem nog even aan de envelop. Ik voeg daar aan toe dat hij niet meer zomaar naar huis moet gaan. Dat het een beetje gevaarlijk is als ik niet meer weet waar alle kinderen zijn. Maar dat is helemaal geen punt. Hij doet ook al zelf een boodschap en dan kan hij heel goed uitkijken bij het oversteken. Ik zeg hem dat ik dat niet wist, dat ik het ook niet van alle kinderen weet. En als hij zomaar naar huis gaat, dan doen de anderen het misschien ook. Hij denkt lang na. ‘Goed, ik zal dat niet meer doen.’

Moeder is ontroerd door de brief. Samen hebben ze naar oplossingen gezocht. Maar ze vertelt ook dat ze die ochtend waar de kinderen bij waren slecht nieuws kreeg over een vriendin. Het verdrietig snikkende kind van die ochtend krijgt dan toch weer een andere betekenis. Speelde hij het niet helemaal begrepen maar wel aangevoelde verdriet van zijn moeder uit?

Ook gezag begint misschien wel met kijken en luisteren.

Woensdagavond 15 juni is er in Driebergen weer een onderwijsavond van HetKind. Dit keer met Joop Berding en Wouter Pols: ‘Wie denk jij wel dat je bent?! Over het gezag van leraren’.

Begrijpen met je handen 2

DSC05345

 

.

Onze Nieuwe School is een zoektocht van de gemeente Amsterdam naar schoolmakers die de verwachte leerlingengroei in Amsterdam kunnen opvangen. Iedereen met een idee of plan voor een nieuwe school kon reageren. Met de kreet ‘Het atelier is het hart van de school’ lanceerde Marike Hoekstra haar plan op Facebook. En op zo’n school zou ik meteen willen werken. Een aantal verkiezingsronden en presentaties verder belandden we samen aan een tafel in het Springhouse  tijdens een zogenoemde ‘Incubator-dag’. Rond ons veel tekst met prachtige volzinnen. En toch bleef het vaag. Was dat allemaal niet van toepassing op heel veel scholen. Wat was er nu zo uniek aan ons idee? Het atelier is het hart van de school. Hoe zou dat er uitzien? Zou het een ruimte zijn die zich door het gebouw slingerde? We begonnen te tekenen. Nee. Wat als het zich echt in het hart van het gebouw zou bevinden? Een rond gebouw waar de lokalen omheen geplaatst werden. Al schetsend dachten we verder. Marike herinnerde zich een filmpje van een rond kinderdagverblijf in Japan. Als we van de lokalen nu eens kleine stamgroep-ruimtes maakten die weer uit zouden monden een werkplaats? Alles begon te stromen. Freinet, het autonome atelier, de werkwijze in de kindercentra uit Reggio Emilia; het kreeg ineens een heel vanzelfsprekende plek in de plattegrond van onze nieuwe school. We dachten al tekenend. We begrepen met onze handen.

Het idee dat jonge kinderen leren met hun hele lijf is algemeen aanvaard. Als ik mijn groep rondkijk zie ik weinig kinderen stil op een stoel zitten. Lisa maakt een puzzel maar doet tussendoor steeds een dansje en Olaf huppelt meteen mee. Bij Emilio had ik nog geen interesse in letters opgemerkt. Totdat de letter K centraal stond. Bij iedere letter leer ik de kinderen ook het bijbehorende gebaar. Die van de K is mooi duidelijk. Je duim tegen je keel en tijdens het uitspreken van de K klikken de vingers naar beneden. Al gebarend probeert hij uit welke woorden echt met de K beginnen. Al gauw nemen de andere kinderen het over. En ze blijven het doen, de hele dag door. Yindee weet niet zo goed welke woorden er bij het woordweb horen. Totdat ze kan tekenen. Eerst begint ze te schetsen en dan noemt ze het woord. En als Douwe oppert dat het apparaat dat juf meeheeft misschien wel een breimachine is, laat Emilio meteen al bewegend zien hoe dat dan werkt.

Ooit tijdens een kunsteducatief project bekeek ik met een groepje kinderen een aantal opgezette dieren. Het 7 jarig meisje op de foto’s hierboven was gefascineerd door de eend. Met haar handen taste ze steeds opnieuw het zachte lijf af. Heel voorzichtig want eigenlijk mochten de dieren niet worden aangeraakt. Ondertussen vertelde ze over het verschil tussen dode en levende en opgezette dieren. Want alhoewel de eend niet leefde, dood was ‘ie ook niet. Toen de kinderen daarna gingen kleien zag je hoe goed ze de vorm van de eend met haar handen begrepen had. En niet alleen de vorm maar ook haar eigen gevoel en haar gedachten over dood en leven.

Ook oudere kinderen leren door te maken, te bewegen en zingen of door te bouwen en tekenen. ‘Ik zou als je in de klas iets leert over Napoleon daar iets over willen maken. Bijvoorbeeld hoe ze toen er uitzagen. En wapens uit die tijd. Anders ga ik misschien gewoon pistooltjes maken en daar heb je niks aan,’ vertelt een jongen uit groep 8. En: ‘Als je gaat bouwen helpt dat met rekenen in de klas. Door het “puzzelen“ met de stukken hout weet je wat er bij elkaar hoort en als je dan later gaat rekenen in de klas zie je het voor je. Dan weet je precies: drie rode blokken en als die vier blauwe er bij zijn, dan heb ik zeven. En je leert meten en uitrekenen.’ ‘Ieder kind heeft zijn eigen manier van leren,’ vinden ze.

Sommige volwassenen doen het ook nog zo. De architect die voor ons een studio in de tuin ontwerpt, heeft altijd een schetsboekje bij zich. Al tekenend laat hij zien of hij onze wensen goed begrijpt. En ooit had ik een vriend waarmee ik voortdurend toneelstukjes opvoerde, we begrepen elkaar prima. Maar niet altijd is werken met je handen echt begrijpen. Tijdens deze vakantie vertelde mijn broer hoe hij mij ooit vroeg een voorkant voor zijn scriptie over de ‘doordringings-coëfficiënt van het grondwater’ te maken. ‘Want ja, ik was toch zo creatief, zat op de kunstacademie enzo …’ Het resultaat had niets te maken met zijn scriptie. Waarschijnlijk had ik me uitgeleefd in mooie lijntjes, belletjes en vlekjes. ‘Het was een complete chaos,’ herinnert hij zich. ‘Ik dacht; zo zien gewone mensen dat dus’. Hij zei het met iets van spijt, dat mensen niet de moeite namen zich echt te verdiepen in wat hem bezig hield. En wie weet wat het had opgeleverd als ik dat wel had gedaan.

Toch wordt een atelier in school vaak eerder geassocieerd met ‘mooie kunstwerkjes’ dan met ontdekken, onderzoeken of leren door te maken en te doen. En dat is nu juist wel onze opzet. In het atelier is ruimte voor onderzoek, experiment, nieuwsgierigheid en spel. Er is aandacht voor diversiteit, contextualiteit en multidisciplinariteit. Kinderen zullen er heel vanzelfsprekend de verbinding vinden met bijvoorbeeld techniek, beweging/dans, wetenschap, natuur, literatuur of drama. Het autonome atelier wordt zo een vrijplaats in de school en wellicht ook in de buurt.

Met het maken van een plattegrond waren we er natuurlijk nog lang niet. Maar het was wel een belangrijke stap in ons denken. Ook het schrijven en herschrijven, het praten en bevragen van experts en uiteindelijk het vormgeven van een website, scherpte het plan steeds verder aan. En nu is het plan voor onze nieuwe basisschool De Vrijplaats dus klaar en ingeleverd. En wachten wij met spanning af of we doorgaan naar ‘de kraamkamer’ om onze school werkelijkheid te laten worden.

Lees meer op onze website:

Basisschool De Vrijplaats

.

IMG_0406

 

Begrijpen met je handen

IMG_6738

..

Hij was 4 en speelde het liefst in de bouwhoek. Daar verzamelde hij zo veel mogelijk vrienden én blokken om zich heen om er vervolgens zo hoog mogelijke stapels van te maken. Zowel van de blokken als van de vrienden! Ook in de huishoek, met de duplo of het poppenhuis stapelde hij alle spullen die hij kon vinden op tot zo hoog mogelijk bergen. En natuurlijk eindigde dat regelmatig in een woeste stoeipartij. Daarom besloot ik de zandtafel te vullen met stenen en grind, nu mócht er gestapeld worden. Ik legde er grote en kleine PVC-buizen, koppelstukken, grote lepels en bakken bij. Toen voltrok zich een klein wondertje. Iedere dag weer veroverde hij zich een plekje aan deze stenentafel. Als een ware onderzoeker keek hij samen met zijn vriendjes hoe de stenen en het grind zich gedroegen in de buizen. Er werd geschept, gegoten, gestapeld en het gewicht werd geschat. Er werden machines gebouwd waar de stenen en het grind moeiteloos doorheen gleden. Nu was er geen tijd meer voor stoeipartijen of ruzietjes. De kinderen waren aan het werk, er moesten problemen worden opgelost, plannen gemaakt en conclusies getrokken.

Ook in het nieuwe schooljaar maken we een stenenbak. Er wordt opnieuw vol overgave in gespeeld. Je ziet de kinderen bijna denken met hun handen; met hun hele lijf. Kijken, doen, praten soms. Met hun volle aandacht onderzoeken ze wat materiaal kan en doet. ‘Hoe werkt het?’ ‘Waar komen de stenen vandaan? Waar gaan ze naartoe? En hoe kun je er invloed op uitoefenen?’ Al handelend en pratend wordt er ontzettend veel geleerd. Door de meisjes net zo goed als door de jongens. Dit leren heeft niet, zoals zo vaak in het onderwijs, als startpunt de taal. Ik heb de kinderen niet van te voren verteld wat ze vandaag gaan leren, ik vink geen leerdoelen af en heb niet precies geformuleerd welke kennis er ontwikkeld moet worden. Het is een leren dat is gegrond in waarneming en fysieke actie. We weten niet precies welke kant het op zal gaan en ik ben ervan overtuigd dat er ook een hoop gebeurt dat ik nooit zal weten. Gewoon omdat ik net mijn aandacht even op iets anders richtte. Wat ik wel zie is de enorme betrokkenheid en af en toe ben ik getuige van een nieuw inzicht dat doorbreekt.

Steeds vaker zie ik jonge kinderen die op school komen met een grote taalvaardigheid en een enorme woordenschat maar met heel weinig stuur over hun eigen lijf en bijna geen ervaringskennis. Ze kunnen prima vertellen wat evenwicht is maar wat ze moeten doen met een balansweegschaal weten ze niet. Moeiteloos sommen ze alle regels voor samenspelen op maar hoe je dat dan doet met je vriendjes? Geen idee. Een potlood vasthouden, knippen, plakken maar ook klimmen, rennen, vallen of spelen met een stokje in een regenplas ….. ze hebben het weinig of nooit gedaan. Het is of al die gekende woorden heel weinig inhoud hebben. Alsof al die begrippen leeg zijn. En juist deze kinderen hebben een enorme honger naar fysieke ervaringen. Ze willen alles voelen, beetpakken en onderzoeken. Ze willen stoeien, rennen, klimmen, sjouwen. En ze willen spelen. Ik denk dat daar tegenwoordig een belangrijke taak ligt voor het onderwijs aan (jonge) kinderen. We moeten een rijke omgeving creeëren waarin de kinderen veel  sensomotorische ervaringen kunnen opdoen, waar ze samen spelen, waar ze conflicten en problemen samen oplossen. Zo worden woorden en begrippen doorleefd en begrepen. De kinderen gaan begrijpen met hun handen. In de stenenbak bijvoorbeeld.

Deze diashow vereist JavaScript.

Een troosttekening

IMG_1624

.

Hoe ik om moest gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende, onderzoekende en creatieve kleutergroep met 20 jongens en 10 meisjes had ik al eens helemaal uitgedacht. Veel doen, weinig praten. Niet 3 kwartier zitten in de kring maar bewegen en spelen. En veel structuur, rituelen en routines.

Maar dan wordt alles ineens helemaal anders. Op zondagavond hoor ik dat een van onze collega’s die middag verongelukte in een klimhal. En ik kan het niet geloven. Zo’n energieke, jonge man vol plannen. Hij werkte nog maar een jaar bij ons op school. Verving een leerkracht die ook al plotseling overleed. Hij heeft een zoontje van 2, een net zwangere vriendin. Dat kan gewoon niet! Mijn lijf snapt echter veel eerder dan mijn vluchtende geest wat dit betekent. Het is alsof ik een baksteen heb opgegeten. Zwaar zinkt iets onverteerbaars naar beneden.

De volgende ochtend hoor ik Abe, net als andere ochtenden, al van ver zingend en roepend aan komen lopen terwijl hij naar iedereen grapjes maakt, want dat kan hij goed. Het voelt ineens misplaatst. Net stonden we hier nog koortsachtig met gedemte stem te praten. Wat was er gebeurt en hoe ging het nu verder? Hoe moest het met die groep 7 van hem? Hoe vertel je dit op een school met 450 kinderen, 800 ouders en 3 locaties? Ik leg een hand op de schouder van Abe. Maan hem wat zachter te praten. En hij voelt het aan. Rustig gaat hij naar binnen. Veel stiller dan anders kiest hij een activititeit en gaat aan het werk. Een vader zegt: ‘Nog niet helemaal wakker juf? Zwaar weekend gehad?’. Ik kom niet verder dan een flauwe glimlach. Dan begint de dag. De kinderen stromen binnen, gewoon net als anders. En ik denk dat ik doe wat ik anders ook altijd doe. Maar dat is niet zo. Vergeten is het -veel doen en weinig praten-. Als vanzelf volg ik mijn eigen voorkeuren. En dat is praten. Net iets langer in de kring zitten dan goed is. Niks oplossen met een knipoog of een grapje maar vragen of het stil kan zijn, zeggen dat de handen en voeten bij jezelf moeten zijn en blijven, eisen dat ze netjes in de rij staan, zonder geduw, zonder getrek en vooral stil! Het gevolg is onrust en ruzie. Mirte die voor het eerst in tranen uitbarst en zachtjes blijft herhalen dat ze bij haar moeder wil blijven. Emilio die als een dolle de klas rondrent en Kai die iedereen duwt en stompt. Niet allemaal, maar een aantal kinderen lijkt te voelen dat er iets anders is, dat ik anders ben. Ze weten niet wat en hoe maar ze reageren. Drie dagen later vraagt een moeder of ik iets meer kan vertellen over het incident. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Graaf diep in mijn geheugen maar kan niets vinden. ‘Ja’, zegt ze, ‘het was wel heel erg, je zag de tandjes in zijn schouder staan. Douwe zei dat hij wel 2 bekertjes water moest drinken voordat het over was’. En dan zie ik het weer voor me. In de deuropening staat mijn bouwcoördinator. Als ik naar haar toe loop komt Douwe hard huilend op mij toegerent, daarachter de beschaamde Nick. Met mijn aandacht al bij de bouwcördinator vraag ik wat er gebeurde. Er wordt sorry gezegd en getroost. Dat gebeurt al jaren met een glaasje water. Ondertussen hoor ik dat alle ouders van groep 7 zijn gewaarschuwd en naar school komen. Dat de kinderen horen wat er gebeurd is in het bijzijn van hun ouders. Dat de directeur daarna langs alle klassen van de betreffende locatie gaat. En dat alle andere ouders via de mail worden geïnformeerd. In die volgorde.

De begeleidster van de voorschoolse opvang roept het over de hoofden van de kinderen heen. ‘Kijk eens wat Abe meeheeft! Zo mooi!’ Ik buig voorover en krijg een tekening, zorgvuldig opgeborgen in een doorzichtig hoesje. Het is een troosttekening voor groep 7. ‘Mijn vader heeft verteld wat er met de meester is gebeurd. En toen heb ik een tekening gemaakt voor de kinderen van groep 7.’  Die kinderen zijn daar heel erg blij mee. ‘Ze wilden meteen naar jullie toe’ vertelt de leerkracht die deze dagen voor de groep staat. ‘Vooral toen ze lazen dat zijn zusje ook een tekening maakte. Want die wilden ze dan ook zien, natuurlijk.’

In de weken daarna herneemt het leven in de klas weer zijn gewone gang. Bijna als daarvoor. Niet helemaal. Op een of andere manier lijkt het alsof de wereld net een stukje verschoven is. Alsof ik niet meer helemaal weet hoe het moet. En als ik denk aan zijn kleine gezin, zijn familie en ook aan de collega’s die met hem in hetzelfde gebouw werkten, wordt het mij koud om het hart. Toch is er ook Abe’s troosttekening.

En deze herfstvakantie zet ik opnieuw op een rijtje hoe ik ook al weer om moet gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende en creatieve donderstenen.

Kleutermethode als bronnenboek

.

.

‘een plattegrond is de grond die plat is’

..

IMG_1347IMG_1346

. 

Kijk, ik heb een tekening van onze klas gemaakt’ zeg ik, terwijl ik de plattegrond uitrol die ik tussen de middag van de klas maakte. Ik geef een les uit de methode kleuterplein binnen het thema POST. Het is de bedoeling dat de kinderen oefenen in het opereren met ruimte en vormen, dat ze hun ruimtelijke oriëntatie ontwikkelen en gaan begrijpen wat een plattegrond is. Daarom zal ik op de plattegrond met een mini-envelopje aangeven waar in de klas een echte brief is gepost. Voorlopig zijn de kinderen zeer welwillend maar zien ze nog geen plattegrond in mijn tekening. Eerder een grote brievenbus met poten eronder in een straat. Want dat het iets met post te maken moet hebben, dat hebben ze al wel begrepen. Ik vraag ze of ze weten wat een plattegrond is. Veel vingers gaan omhoog: ‘Dat is de grond, zo hier, de grond die plat is’, er wordt gewezen naar de grond en geklopt, gestampt en gewreven. Ja, de grond is plat en dat kun je op allerlei manieren ervaren. Dan zie ik Raai de Kraai, die in zijn nest boven onze kringtafel hangt en krijg een idee. Ik laat de handpop naar beneden vliegen. Vanuit zijn positie hoog boven de klas snapt hij wel hoe die tekening in elkaar zit. Hij vliegt heen en weer terwijl hij laat zien waar hij is op de plattegrond. Ik noem het woord landkaart en luchtfoto. Af en toe zie ik een kleine glimp van herkenning. Ja, een landkaart of liever een schatkaart, dat kennen ze wel. Ik laat Louis, waarvan ik weet dat hij goed kan ‘opereren met ruimte en vormen’ en een groot ruimtelijk inzicht heeft, samen met Raai zoeken waar het envelopje ligt in de klas. Maar alleen met heel veel hulp en sturing komen we ergens in de buurt. Ondertussen begint Louis, zomaar met Raai de Kraai in zijn eigen handen, gek te doen voor een lach-graag publiek dat genoeg heeft van al dit onbegrijpelijke en ik geef het op.

Toch kan ik het nog niet helemaal loslaten. Verschillende keren zag ik jonge kinderen die spontaan plattegronden maakten, soms zelfs opvallend kloppend met de werkelijkheid. Ik besluit nog een poging te wagen. Met groepjes van 6 kinderen ga ik zitten in de kleine kring. Ik vertel een verhaal over een dorp dat door een orkaan verwoest wordt. Van de burgemeester krijgt iedereen 4 dezelfde blokjes. Daar mogen ze een nieuw huis van bouwen op een vel papier maar ….! Geen enkel huis mag hetzelfde zijn en ieder blokje moet in ieder geval met één hele kant aan een ander grenzen. De kinderen vinden het niet moeilijk, er zijn veel mogelijkheden en zes verschillende: dat is zo gepiept. Maar in het dorp moet natuurlijk ook post bezorgt worden. Ik vraag ze een plattegrond te maken zodat de postbode weet waar iedereen woont. We trekken de huisjes om en halen dan de blokken van het papier. Hoe kan het dat je soms nog maar 1 blokje ziet? Sommige kinderen vinden dat heel logisch; ‘die andere blokjes stonden er bovenop’. Anderen kijken en herkennen hun huisje niet meer. Dat lossen ze onmiddellijk op door de blokjes alsnog naast elkaar te leggen en die om te trekken. Het meest fascinerend zijn de kinderen die op de grens tussen inzicht en niet begrijpen balanceren. Blokken worden weggehaald en weer neergelegd, geteld, gestapeld en weer afgebroken. Als alle huisjes omgetrokken zijn moeten er natuurlijk ook wegen, rotondes, zebrapaden en parken getekend worden. Inmiddels heb ik in de thema-hoek die postkantoor geworden is een kaart van onze stad neergelegd. Jonathan vindt dat hij moet worden opgehangen zodat iedereen hem goed kan zien. Regelmatig zijn er kinderen voor de plattegrond te vinden, kijkend en soms heftig met elkaar in gesprek. De ‘blokjes’-plattegrond wordt net zo mooi ingekleurd als de echte. Maaike heeft haar eigen straat getekend en vraagt of ik er Boterbloemstraat bij wil schrijven. Jill schrijft zelf haar eigen straatnaam op de goede plek.

De volgende weektaak staat in het teken van plattegronden. Ik vraag de kinderen huizen te bouwen langs een getekende weg maar ook om een plattegrond te tekenen van onze klas waarop je de weg kunt vinden naar alle zelfgemaakte brievenbussen in onze groep. Nienke weet niet hoe ze beginnen moet. Als ik naast haar ga zitten en doorvraag begrijp ik ineens dat ze vooral moeite heeft met de manier waarop je de grens van een ruimte aangeeft. Dat je een tafel tekent als een rechthoek met daarom stoelen die een streepje zijn, dat snapt ze nog wel. Dat kun je ook nog wel zien als boven op een kast zou klimmen. Maar dat de muren van de klas een rechthoek kunnen zijn, dat kun je op geen enkele manier zien. Iets wat ik gedachteloos deed, een ruimte afgrenzen, is eigenlijk een ingewikkeld concept. Ik vertel dat je ook alleen de vloer kunt tekenen en een streep waar die vloer ophoud. Dat snapt ze en binnen een paar minuten staat er een rechthoek op haar papier waar ze wild omheen begint te krassen. ‘Het is buiten en het is de woeste wind die waait’. Later vraag ik of er ook iets in de klas is. Even tekent ze een tafel met stoelen erom heen om dan weer verder te gaan met de wind: blauw voor de wind binnenin de klas en rood voor de storm buiten. Ze geniet met volle teugen, binnen, buiten, buiten, binnen. Ze heeft een grens getrokken tussen binnen en buiten. En viert het nieuwe inzicht.

IMG_1349

.

Al snel wordt het tekenen van de plattegrond iets waarvan de kinderen weten hoe het moet: eerst een rechthoek en daarbinnen kleinere rechthoeken met vormpjes die stoelen voorstellen. Bijna als een soort van abstracte patronen. Toch komen daarin weer de brievenbussen met nummers! En inderdaad hebben we in de huishoek een rond tafeltje. De plattegrond wordt soms opgefleurd met bloemetjes en hartjes en de vriendinnetjes en juf moeten er natuurlijk ook bij: van voren.

IMG_1351IMG_1353

.

Jonathan ontdekt dat niemand het bureau van juf tekent. Enthousiast begint hij aan de bovenkant, tegen de muur, gedetailleerd een bureau te tekenen. Precies zoals het eruit ziet, met laatjes en daarnaast het kastje met daarop de map van juf. Toch zit hij somber voor zich uit te kijken als ik weer langs kom: ‘Mislukt! Ik heb het van de verkeerde kant getekend’. En inderdaad, het bureau zie je, in tegenstelling tot de tafels, het kleedje en de kast, van opzij.

IMG_1352.

Maar hij is niet de enige. De meeste kinderen tekenen alles vanuit het perspectief dat de meeste informatie geeft. Ze tekenen datgene wat het het eerst opvalt. Alhoewel niet allemaal. Fréderique tekent alles van boven. Zelfs de schooltuin buiten, staat op haar plattegrond. Maar wat doet die lange vorm daar, helemaal links op het blad? Dat is de ijzeren paal natuurlijk, die omhoog het dak inloopt.

IMG_1354IMG_1350

.

Aan het eind van de week kijkt Jill, terwijl ze zit te tekenen, verlangend omhoog. ‘Oh, ik wou dat ik het een keertje écht kon! Zo omhoog zijn en dan zien hoe de klas eruit ziet.’ Op de fiets naar huis bedenk ik dat ik een selfie stick hoog in het puntje van ons schuine plafond zou kunnen houden en dan een foto maken. Sowieso zouden we met zo’n stick van alles van boven kunnen fotograferen. Daarna kunnen we natuurlijk op Goolge Earth kijken naar alle plekken die we kennen. En het boek ‘De gele ballon’ van Charlotte Dematons zouden ik ook kunnen opsnorren. Maar het is genoeg geweest. Het thema is afgelopen. De vakantie komt eraan.

Zo is het vaak met de lessen in kleuterplein. Met één activiteit kun je weken voort. Vooral als je de doelen die er bij genoemd worden wilt halen. De methode als leidraad voor wie daar behoefte aan heeft en als bronnenboek voor de ervaren leerkracht; daar adverteren ze mee. Ik ga voor dat bronnenboek maar moet wel jongleren tussen alle verschillende en uiteenlopende input door. Maandag beginnen al onze kleutergroepen met een eigen thema. Ik ga maar eens heel weinig plannen en heel goed luisteren en kijken en naar mijn kinderen.

Wie leert van wie?

.

‘Hoe gaat ‘t met je cursus?’ was meestal de eerste vraag die mijn dochter stelde wanneer we elkaar zagen. Voor het eerst gaf ik een cursus aan volwassenen. Het ging goed en was erg leuk. Soms bedacht ik me dat ik zelf misschien wel meer leerde dan m’n cursisten. Ja, dat herkende ze wel. Ook zij leerde veel toen ze practicum begeleidde op de UVA. Je moet bedenken wat je wilt vertellen. Wat is belangrijk en waarom en hoe hangt alles met elkaar samen? Sabine Plamper en ik hebben er menige verhitte discussie over gevoerd. Het gaf onverwachte inzichten. En dan …, hoe breng je dat over? In de cursus probeerden we theorie en praktisch werken af te wisselen. Sabine stelde voor om een klein ‘Postkaarten-project’ op te starten. Iedere cursusdag voor de lunch tekenden de cursisten met een zwarte fineliner op een blanco postkaart terwijl ik een kort verhaal voorlas. Ook vroegen we hen om hetzelfde te doen in de eigen werksituatie. Met mijn eigen volle kleutergroep leek me dat eigenlijk vrij ingewikkeld. Hoe kreeg ik al die 32 kinderen aan een tafel en dan aan het tekenen terwijl ik ook nog voorlas? Maar een van mijn cursisten vond het geen probleem. Gewoon de kinderen op hun knieën voor de bank of stoel in de kring. In een halve minuut gepiept. Het zag er prachtig uit. Tja, ook daar kon ik wat van leren.

Ik heb een echte jongensgroep. Het laatste half jaar meldt zich bijna geen enkel meisje voor onze kleutergroepen. Zo’n klas vol jonge jongetjes betekent dat activiteiten meestal ontvangen worden met een wild en onstuimig enthousiasme. Het betekent dat alles met grote nieuwsgierigheid en een enorm kabaal wordt onderzocht, dat er altijd beweging en actie is. Af en toe vind je een groepje woeste jongetjes als een stel jonge hondjes boven op elkaar op de grond. En regelmatig word je door een klein prinsje het hof gemaakt. Maar het is best moeilijk om iedere dag de energie op te brengen om positief te reageren op al die springerige, onverwachte incidenten. Als je bijvoorbeeld drie jongens met hun meegebrachte kiepwagens ‘even’ naar de open plek vlak voor de net opgeruimde huis/thema-hoek dirigeert, moet je niet verbaasd zijn als je na een paar minuten enthousiaste kreten hoort: ‘Juf, kijk, kijk, we hebben een vuilnisbelt gemaakt!’ Als je dan aanschouwt hoe ze in die paar minuten alles, echt alles wat er te vinden was aan potjes, pannetjes, plastic eten en poppen op een grote berg hebben geveegd, is het best knap dat je al je ergernis weet te onderdrukken en rustig zegt dat dit niet echt de bedoeling was, dat we bijna vakantie hebben en of ze alvast maar willen beginnen met opruimen. Dat opruimen gebeurt dan natuurlijk met dezelfde kiepwagens en er wordt druk gegraven, gekiept en nog hoger gestapeld. Al snel is iedereen alweer vergeten dat we aan het opruimen waren, bovendien blijkt dit zo leuk dat er in plaats van drie nu zes jongens aan het ‘opruimen’ zijn. Als je dan alle kiepwagens en graafmachines vertwijfeld bovenop de kast zet en de één een woedeaanval krijgt en de ander wegloopt omdat het nu toch niet interessant meer is, weet je weer dat je het zo niet aanpakt in een jongensklas. Toch neem ik me voor om op een middag te beginnen met een klein postkaarten-project. We werken rond het thema ‘post’ van kleuterplein en ik heb het idee om de kinderen te laten luisteren naar het versje over de rode brievenbus van Annie M.G Schmidt, gezongen door VOF de Kunst. De ochtend verloopt jammer genoeg niet helemaal zoals gepland. Gijs heeft sinds hij op school zit eigenlijk maar één groot doel en dat is vrienden maken. Dat begon aardig te lukken nu ook Storm op zoek was naar een maatje. De afgelopen week liepen de twee nieuwe vrienden regelmatig innig gearmd door de klas. Maar helaas is Nick vanochtend teruggekomen van vakantie. En Nick blijkt net iets meer de beste vriend van Storm te zijn. Met z’n drieën hebben de jongens heel wat uit te vechten. Bovendien heb ik de ‘time out-plek’ van Camilo verplaatst naar een plek tussen twee kasten omdat de oude plek zich wel erg dicht bleek te bevinden bij de tafel waar meisjes met lijm en glitter aan de gang gingen.  Voor alsnog helemaal fout natuurlijk. Als ik vraag of Camilo eerst maar even rustig moet worden op zijn kussen voordat hij samen met ons in de kring komt zitten, doet hij dat braaf maar stuitert er ook net zo snel weer vandaan. Aan het eind van de ochtend is mijn geduld op en dirigeer ik hem hardhandig naar zijn ‘zitzak’. Dit leidt tot een jongetje dat bovenop de kast klimt en daar alles wat hij te pakken kan krijgen de klas in slingert.

de brievenbus wou niet meer

de brievenbus wou niet meer

.

‘s Middags ben ik nog steeds aan het uithijgen en zijn mijn verwachtingen tot nul gereduceerd. Ik vertel de kinderen dat we iets uit gaan proberen en leg uit wat de bedoeling is, ze gaan luisteren naar de ‘brievenbus die niet meer wilde’ en mogen tekenen wat er in hen opkomt. Dat kan een brievenbus zijn maar ook iets heel anders.  Ik deel de blanco kaartjes en zwarte fineliners uit en dan voltrekt zich een klein wondertje. In opperste concentratie zitten ze knie aan knie voorover gebogen aan de banken en hun stoeltjes. Vergeten zijn alle incidenten en al het tumult. Twee keer laat ik het liedje van de brievenbus horen. En de kinderen tekenen. Ik kijk naar de reïntegrerende leerkracht, vanmiddag bij mij in de klas, en we kunnen een opkomende giechel bijna niet onderdrukken. De kinderen hebben nergens anders oog voor dan voor hun tekening. Ik zie brievenbussen op het kaartje verschijnen maar ook stippen, strepen en krassen, vrolijke poppetjes en letters. Pas als het liedje voor de 2de keer bijna op zijn eind is, beginnen de kinderen te kijken naar degene naast hen. En als ik de kaartjes ophaal is het ‘Kijk! Kijk, wat ik heb gedaan!’ niet van de lucht.

IMG_1362IMG_1357

IMG_1360IMG_1359IMG_1358IMG_1363

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

‘Ga met een lijn uit wandelen’, zegt Sabine altijd. En dat hebben de kinderen gedaan. Ik vertel ze hoe trots ik op ze ben.

Een bazige juf

IMG_6234.

‘We vinden je een bazige juf’, triomfantelijk kijkt Jonathan me aan. ‘Ja’, beaamt Lore, ‘eigenlijk speel je altijd de baas’. Samenzweerderig zitten ze naast elkaar in de kring toe te kijken hoe ik kinderen naar het kiesbord dirigeer, zorg dat daar netjes zonder duwen en trekken op de beurt gewacht wordt. Terwijl ik ondertussen de kleine kring in de gaten houd en nog snel even een paar boekjes neerleg zodat ze iets te doen hebben voordat ik tijd heb om, met mijn ‘niet-storen-ketting’ om, een leerzame activiteit op te starten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze zitten. En voor ik er over nagedacht heb, hoor ik mezelf zeggen: ‘Ja, zo werkt dat op school’. Ik denk er zelfs achteraan dat ze nog wel zullen merken hoe het is om bij een echt bazige juf in de klas te zitten. Gelukkig zeg ik dat laatste niet hardop. Ik zie ook in één oogopslag dat ze helemaal niet geïnteresseerd zijn in mijn commentaar. Ze hebben eigen plannen gemaakt.

Al een aantal weken spelen en werken we over het thema post. Alle kinderen maakten een brievenbus en ik richtte een tafel in waarop ze kaarten en brieven kunnen tekenen, knippen, plakken en schrijven. ‘Moet jij geen brievenbus?’ vroeg Jonathan die ochtend. Ondertussen pakte hij meteen maar het lege houten kistje dat vóór mij op een plank in de kast stond. ‘Deze kan wel’. En ja, die was inderdaad heel geschikt. Ik plakte er de letters  J U F  op en het goede nummer van onze ‘Raamstraat’.

IMG_6239IMG_6238

Een paar keer die middag vraagt Jonathan of ik al in mijn brievenbus gekeken heb. Pas als de kinderen naar huis zijn vind ik de tijd om dat rustig te doen. En dan zie ik waar Lore en Jonathan de hele middag zo hard aan hebben gewerkt.

Jonathan is mateloos geïnteresseerd in het ‘bijna’ echte geld in ons postkantoor. Eerder vertelde Lore dat je ook brieven met geld kunt krijgen. Dat overkwam haar toen ze haar A-diploma haalde. Van Jonathan krijg ik een envelop met € 30 en een fijn paasfeest gewenst voor een vriend (de i is hij even vergeten). En dat de bazige juf toch best lief is vermoedde ik al toen hij steeds de volgende letter kwam vragen van de woorden die hij wilde schrijven. Eigenlijk had hij al eerder besloten dat hij de liefste juf had die hij kende. ‘Ken je er al veel?’ vroeg ik. En met de zelfverzekerde toon van een kenner: ‘Ik heb al héél veel juffen gezien’.

Ook Lore denkt regelmatig na over haar juf en wat die allemaal bedenkt en initieert. Altijd wil ze weten waarom we doen wat we doen, om vervolgens te vertellen dat het misschien wel veel beter en helemaal anders kan. Laatst keek ze me onder het tekenen ineens onderzoekend aan: ‘Waarom ben je eigenlijk juf geworden?’ Ik antwoordde dat ik het leuk vond om met kinderen te werken, voor te lezen en dingen te verzinnen om te tekenen, te maken en te spelen. ‘Ja’, beaamde ze, ondertussen alweer met haar aandacht bij haar tekening, ‘daar ben je ook heel goed in’. Ook van Lore krijg ik paas-post. Ze heeft vol overgave het adres op de envelop geschreven.

IMG_6242IMG_6240IMG_6241.

.

.

.

Ik ben trots op de kinderen die bij mij in de klas niet bang zijn om te vertellen hoe ze over de dingen denken, die plannen maken, die bespreken met elkaar en tot uitvoer brengen. Ze zijn een voorbeeld voor de jongere 4 jarigen, die, net op school, hun draai nog moeten vinden. Bijvoorbeeld voor Marieke die een tekening gemaakt heeft voor Camilo. Ze wil hem wel in zijn brievenbus stoppen. En als ik vraag of we er iets op zullen schrijven gaat ze er eens goed voor zitten.

lieve Camilo

Camilo, jij zit in mijn vriendenboekje

lieve Camilo, jij bent bij mij geweest

lieve Camilo, ik hou super veel van jou

einde

kus van Marieke

.

De volgende dag in de kring stelt Anne ineens verbaasd vast dat ze verliefd is op de hele klas. ‘Op alle kinderen.’ En daar kan ik me nou helemaal in vinden.

Ook samen leven moet je oefenen

IMG_5934

Bijna terloops komt hij me het bloemetje brengen dat hij plukte aan de rand van het schoolplein. ‘Voor jou, juf.’ En natuurlijk zeg ik hoe blij ik er mee ben. Dat is leuk en hij plukt er nog een paar. De nieuwe bloemetjes legt hij rond het met krijt getekende hart voor mijn voeten. Raijv, net op school en altijd bereid om te doen wat Jelle doet, komt helpen. Een tijdje werken de jongens als galante prinsen door, genietend van de complimentjes die ze krijgen. Dan wordt het hart weggeveegd door springende en rennende voetjes, worden de bloemetjes weggevaagd door rijdende karren en net zo snel weer vergeten. Maar even ervoeren de jongens weer hoe het is om aardig te zijn en lief gevonden te worden. Dat hoeven ze niet te leren, dat gaat helemaal vanzelf. Er is alleen maar iemand nodig die het opmerkt en er blij mee is. En toch; als er woorden aan gegeven worden moeten we het er steeds opnieuw over hebben wat die woorden ook al weer betekenen. Het is de eerste van de acht gouden regels die we samen maakten: –We zijn lief voor elkaar-  Dat is troosten als iemand pijn heeft, weten ze. En zeggen dat een ander mee mag spelen. Maar ze kunnen vooral vertellen wat niet lief is. Schoppen en slaan bijvoorbeeld en iets afpakken waar je heel graag mee wil spelen. En wat is het moeilijk om je daar aan te houden.

We zijn lief voor elkaar

We zijn lief voor elkaar

De vier jarige Nick is, net als Raijv, nieuw op school. Overweldigd door alles wat er op hem af komt kiest hij vaak voor de directe aanval. Overal om hem heen blijken jongetjes te zijn die zeggen dat ze sterker, ouder of groter zijn dan hij. Dat kan hij niet zomaar laten gebeuren. En als hij voor de klapdeuren moet wachten tot hij naar de overblijf gaat, slaat en schopt hij wild om zich heen. De leerkracht van groep 3 probeert in te grijpen maar dat maakt weinig indruk. Met een worstelend en grommend jongetje komt ze mijn lokaal binnen. Ik vraag wat er gebeurde. ‘Ze denken dat ze groter zijn maar dat is niet zo!’ zegt hij tussen woeste snikken door. ‘En toen liet je zien hoe sterk jij was? Weet je nog wat de afspraak was?’ Ja, hij weet wel dat hij niet mag slaan maar zij zeggen dat. En hij wil dat gewoon niet. Ik zucht, ‘dan hebben we wel een probleem’. Een beetje verbaasd kijkt hij me aan. ‘Oh, wat dan?’ ‘Nou ja’, zeg ik, ‘nu zitten wij hier en alle anderen eten fijn samen een broodje. Maar bij de overblijf mag je niet slaan, ook niet als kinderen iets doen wat jij niet leuk vindt, dus daar kun je niet heen.’ Even kijkt hij voor zich uit. ‘… maar ik wil ook naar de overblijf’. ‘Ja maar als kinderen nou iets tegen je zeggen wat niet leuk is?’ ‘Dan ga ik het tegen jou zeggen’. Ik ben er tijdens het overblijven niet bij maar samen vertellen we de overblijfjuf van zijn voornemen en nog nasnikkend eet hij zijn broodje tussen alle anderen.

Nick is niet het enige stoere, sterke, grote jongetje dat zijn plekje moet vinden in de klas. Dit jaar heb ik een heel clubje vooral 4 jarige ‘stuiterballetjes’ die voortdurend de strijd met elkaar aangaan. Dat gebeurt buiten op het plein, binnen tijdens het spelen en werken en ook in de drama-lessen die ik samen met de vakdocent Joke de Heer geef. In het speellokaal spelen we tijdens die drama-lessen verhalen van de kinderen uit. De laatste les heb ik de leiding en volgt Joke van de zijlijn wat er gebeurt. Langzamerhand is er bij de kinderen een ‘vlucht-vecht-vang’ stramien ontstaan in de verhalen. Eigenlijk wil ik daar wel vanaf. Als Nienke graag een verhaal wil dicteren hoop ik dat ze als meisje een andere input zal geven. Ze gaat er eens goed voor zitten. Maar al gauw wordt ook hier gevochten, gebeukt en laten de dieren zien hoe sterk ze wel niet zijn:

De ezel lag te slapen. Toen kwam er een eend voor de deur. En een muis voor de deur. En toen deed de ezel de deur open. En toen schrok hij zich een hoedje. Het was geen aardige eend en het was geen aardige muis. Ze keken boos. Vet boos. Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze. Toen kwam er een eekhoorntje aan. En Raai de Kraai die boven ons daar in het nest zit. Toen was Raai de Kraai boos. Hij ging ze allebei in elkaar beuken en toen waren ze dood. Toen kwamen alle dieren: de ezel, het eekhoorntje, Raai de Kraai en het varkentje natuurlijk. Ze gingen een feestje vieren. Een heel grappig feestje natuurlijk. Een beetje gek doen, zoals je tong uitsteken. En ezeltje bleef nog lang gelukkig omdat hij nog heel springerig is. En hij bleef nog heel lang levend. 

In de klas spelen we het verhaal eerst uit in de kring. We bespreken hoe je dat doet: doen alsof je iemand in elkaar beukt. ‘Nepvechten’ noemen de kinderen het. En dat is nog best moeilijk in de vuur van het spel. In het speellokaal vraag ik, zonder erbij na te denken, 3 meisjes om te laten zien hoe je ‘nepvecht’ zonder elkaar pijn te doen. ‘Mooi’ zegt Joke, ‘maar nu wil ik wel eens zien of ook sterke, stoere jongens dat kunnen’. Dat is moeilijker. Vooral Jonathan laat zich niet zomaar dood beuken en loopt zo hard rondjes dat Nick, als Raai de Kraai, hem alleen met heel veel moeite een heel klein tikje kan geven. Toch ben ik al lang blij dat de jongens niet met elkaar op de vuist gaan en geef ze daarvoor een complimentje. Maar Joke is minder tevreden. ‘Zagen jullie verschil tussen hoe de meisjes het speelden en de jongens?’ vraagt ze de kinderen. Ja, ze kunnen meteen en goed het verschil aangeven. ‘Ja maar ….’ legt Jonathan uit, ‘ik ben gewoon veel sneller en sterker dan Nick’. ‘Dat maakt helemaal niet uit’, antwoordt Joke. ‘Jij bent de eend en in het verhaal is Raai de Kraaier sterker’. Jonathan moet er even over nadenken, het is een hele openbaring. ‘En ik wil het niet zo’, vult Nienke aan. ‘En het is mijn verhaal’.

Ze waren boos. Vet boos.

Ze waren boos. Vet boos.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

 

 

 

 

 

 

 

..

En toen waren ze dood.

En toen waren ze dood.

..

In het speellokaal creëren we verschillende plekken waar de kinderen in kleine groepjes het verhaal uitspelen. De volgende dagen merk ik dat ze buiten veel meer en gevarieerder rollenspel spelen waaraan zowel jongens als meisjes en oudste als jongste kleuters meedoen. Het ‘nepvechten’ wordt een begrip onder de kinderen. Niet dat het altijd goed gaat. Soms gaat het zo vaak mis en komen er zoveel huilende, boze, woeste kinderen bij me dat ik al het vechten en stoeien verbied. Toch denk ik dan weer aan Joke’s opmerking dat je moet laten zien hoe je het hebben wilt. Als Iza na het buitenspelen huilend in de kring zit omdat ze van de glijbaan geduwd werd spelen we de hele situatie uit. Twee jongens renden lekker hard de glijbaan op, gleden naar beneden en dan weer opnieuw en opnieuw. Totdat daar ineens een meisje heel rustig boven op de glijbaan een beetje om zich heen zat te kijken. Toen duwden de jongens haar zonder na te denken opzij en vervolgden hun weg. Ze moeten allemaal lachen als ik dat samen met Iza naspeel. En weten ook best hoe je dat anders kunt doen. Nick laat het zien. Zachtjes tikt hij op de schouder van Iza. ‘Kan je even opzij?’ Met veel plezier oefenen we dat met steeds andere kinderen.

En dat oefenen blijven we doen, ieder dag opnieuw. Ik net zo goed als de kinderen. Soms kijk ik met plezier hoe fijn Nick samen met de timide Raijv met de knex aan het bouwen is. Het volgende moment staat Raijv in tranen bij me, Nick er boos naast. Hij heeft geslagen en de knex-auto van Raijv kapot gemaakt. ‘Hoe kwam dat nou?’ vraag ik. ‘Ik ….., hij ….., hij is …..’ Dan ineens wat bedachtzamer: ‘Hij is …. verlegen. En dat vind ik niet leuk.’ Het blijkt dat Raijv dan wel verlegen is maar toch een hele mooie auto kon maken. ‘Misschien was je jaloers op die mooie auto van Raijv?’ Met z’n drieën maken we nog precies zo’n auto. En de jongens spelen verder. Ze hebben woorden gegeven aan ingewikkelde gevoelens en een probleem opgelost. En ook ik heb weer wat geleerd over de binnenwereld van 4 jarige jongetjes.

Wat is dat eigenlijk: vrij spel?

 

Magisch is het, iedere keer weer. Jonge kinderen die opgaan in hun spel. Het is alsof je even een glimp opvangt van dat wat anders altijd verborgen blijft. Een paar net vierjarigen bijvoorbeeld. Het ene moment zie ik twee schuchtere meisjes. Er komt geen woord over hun lippen, met gebogen hoofd staan ze de chaotische wirwar van kinderen te bekijken, alsof ze vastgeplakt zijn aan de vloer, daar waar ze toevallig zijn achter gelaten door een bezorgde ouder. Dan komt Camillo langs. Hij heeft een vergrootglas gevonden en al van ver roept hij dat hij de politie is en dat hij de boeven gaat zoeken. Als bij toverslag verandert alles. De drie, die elkaar kennen van de peuterspeelzaal, duiken onder de tafel en turen door het vergrootglas. Ze lachen en fluisteren samen. Roepen naar elkaar: ‘daar is de boef, ik heb ‘m!’ Een paar minuten later zijn het poesjes geworden die luid miauwend rond kruipen. Alle schuchterheid is verdwenen. Ook de meisjes weten precies wat ze willen. Ze blijken heel veel taal tot hun beschikking te hebben. Ze stralen, alledrie. Ze spelen een rol en in de rol kunnen ze ineens veel meer, alles eigenlijk.

Of Nadia, nu in groep 3, die tussen de middag met haar vriendinnen vaak nog even langskomt. ‘Weet je dat ik heel hard kan rennen’, vertelt ze. ‘Want ik ben aan het oefenen om te vliegen, ik kom al een beetje van de grond.’ ‘Goh’, ik ben onder de indruk. ‘En hoe hoog wil je dan vliegen?’ Niet zo’n beetje zweven, dat wil ze niet. Ze wil echt vliegen in de lucht. Later als we samen buiten zijn op het schoolplein laat ze me zien hoe hard ze kan. Ze geeft zich helemaal. Haar witte staartjes strak naar achteren. Haar benen gooit ze naar voren en ze schieten onder haar door. Ik zeg haar hoe hard het ging. Dat het bijna leek of ze zweefde. Maar ze is niet tevreden. ‘Ik denk dat ik wel heel lang moet oefenen. Want ik wil echt boven de wolken vliegen.’ Ze zucht. Marieke heeft staan kijken en luisteren. ‘Of naar de planeten, dat kan ook, boven de planeten vliegen’, vult ze enthousiast aan. Marieke is 2 maanden geleden bij ons in de klas gekomen en als we buiten spelen is ze meestal een paard. Ze briest, proest en hinnikt als een paard, ze rilt, beweegt met zachte schokjes haar paardenhoofd en praat over zichzelf als het paard waar Marieke af en toe op mag rijden. Ze doet dat zo levensecht dat al verschillende collega’s mij vroegen of ik me geen zorgen maak. Als we naar binnen gaan vraagt ze me of het paard ook mee mag. Ik zeg dat het binnen niet zo leuk is voor paarden en dat ze daarom maar gewoon als Marieke naar binnen moet. ‘Wat een goed idee, juf!’ antwoordt ze meteen. Ze blijkt dus heel goed het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te kunnen maken en ik maak me geen zorgen.

In de documentaire Alphabeth stelt Erwin Wagenhofer dat verbeelding een unieke menselijke kwaliteit is. Maar dat het onderwijs deze kwaliteit systematisch vernietigt. Een prikkelende stelling. En ik denk weer aan de drie jonge kinderen bij mij in de klas die met een vergrootglas onder tafels doorkropen op zoek naar de boef. En aan de energie, de betrokkenheid en de verbeeldingskracht waarmee ze dat deden. Toch dirigeer ook ik dat spel naar de huishoek, het poppenhuis of de bouwhoek. Gesprekjes over hoe hoog je zou kunnen vliegen vinden plaats in verloren momenten. En het paardenspel komt alleen echt tot ontwikkeling als we even niet doelgericht aan het leren zijn. Ik baken het af in tijd en ruimte.

Maar als onze drama-docent voorstelt om, geïnspireerd door de ideeën van Vivian Gussin en Jente Baeyens,  verhalen van de kinderen te verzamelen en uit te spelen ben ik meteen enthousiast. We werken rond het thema -thuis- en de eerste les laten we de kinderen in het speellokaal huizen bouwen. Er ontstaan huizen met zolders en kelders. Kleine huizen onder doeken of wijde open huizen op matten en sommige huizen worden een soort vergaarbak van spullen. De kinderen slapen en eten in de huizen, Jort heeft een plek gemaakt voor zijn woeste krokodillen waar hij omzichtig overheen moet springen en alleen hij kan de krokodillen voeren. Ik maak foto’s van de verschillende bouwwerken en vraag de kinderen later in de kring wat er zou kunnen gebeuren in hun huizen. En dan gaat het mis. Ze willen allemaal graag vertellen maar komen niet verder dan een opsomming van de kinderen die meededen of hoe ze het huis maakten. Ik zie vragende blikken -wat bedoel ik toch?- Als ik voorstel om er een verhaal van te maken dat bijvoorbeeld begint met ‘er was eens …’, bedenkt Lore de formulering ‘het was een verhaal en het was echt..’  …. en dan stopt het. Heel anders dan vorig jaar toen ik de verhalen die de kinderen dicteerde opschreef en het gevoel had dat ik een onuitputtelijke bron aanboorde. Dus de week daarop begin ik opnieuw. Zonder foto’s, zonder commentaar, alleen met de vraag wie er een idee heeft voor een verhaal. Heel veel vingers gaan de lucht in. Lore begint. Ze denkt even na, kijkt als het ware naar binnen. En terwijl de anderen geconcentreerd luisteren en ik alles opschrijf, maakt Lore haar verhaal.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht. En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.  Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’  En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.  De beer en de kat renden voor altijd weg.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht.
En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.
Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’
En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’
Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.
De beer en de kat renden voor altijd weg.

.

Het is mooi om te zien hoe allerlei verhalen en gebeurtenissen in de klas een plek vinden in het verhaal. In de klas staat een verteltafel van het verhaal ‘Kleine muis zoekt een huis’ waarin de muis ook hard wegloopt voor de beer. De volgende verhalen borduren voort op hetzelfde thema. Steeds is er een dier dat ligt te slapen in zijn huis en dan staat er voor zijn deur een slecht of gevaarlijk beest waaraan hij nog maar net kan ontsnappen. Josse gebruikt in zijn verhaal het idee dat een beer nooit in een konijnenhol past (zoals in het verhaal van Kleine muis). Ik vind het bijzonder om uit de mond van de kinderen te horen hoe zij de activiteiten in de klas eigenlijk beleven. En het is opvallend hoe betrokken ze zijn bij elkaars verhalen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond. Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.  De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend.  En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien. Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond.
Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.
De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend. En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien.
Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

.

Dat jonge kinderen zich ontwikkelen en leren door spel is een wijdverbreide gedachte. Toch vonden Lillard e.a. (2012) weinig bewijs dat (verbeeldend)spel invloed heeft op de ontwikkeling en het leren van kinderen in de onderzoeken die de afgelopen 50 jaar zijn gedaan. In een commentaar op Lillard e.a. vraagt Doris Bergen (2013) zich echter af of wat door onderzoekers (of leerkrachten) spel wordt genoemd niet vaak ‘speels werk’ is. Een leuke speelse introductie, het spel in de huishoek waarbij de leerkracht meespeelt en terloops allerlei reken en schrijfvaardigheden introduceert, de door leerkrachten ingerichte speelhoeken die bepaald spel moeten uitlokken. Het is heel herkenbaar. Echt vrij spel, wat is dat eigenlijk? Gebeurt dat niet heel vaak buiten het zicht van volwassenen? En, vraagt Bergen zich af, wat is eigenlijk de invloed van (verbale)instructie op het tot ontwikkeling komen van vrij spel? Zou onderzoek niet moeten proberen door te dringen in authentieke voorbeelden van verbeeldend spel?  Zonder daarbij te kijken of het al of niet academische vaardigheden bevordert.

In ieder geval lijkt het uitspelen van de door de kinderen gedicteerde verhalen een krachtig middel om dat wat bij de kinderen leeft zichtbaar te maken. Zeker als dat zonder uitgebreide verbale instructie gebeurt waarmee je allerlei bedoelingen hebt. Het geeft mij als leerkracht een inkijkje in de belevingswereld van de kinderen. En ook de kinderen worden op een intensieve manier deelgenoot van elkaars verhalen. Bovendien zie ik tijdens het vertellen en uitspelen veel taal, sociaal/emotionele ontwikkeling, inlevingsvermogen en vooral plezier!

Spelen met de knopendoos

IMG_5762..

Alles is nieuw; het lokaal ziet er anders uit, de oudste kinderen zijn naar groep 3 en een paar net vierjarigen huppelen, stuiven of lopen verscholen achter hun moeder onze groep binnen. We moeten er allemaal aan wennen. Het geeft wel ruimte om te improviseren. De methode kan nog best even wachten en ik haal de knopendoos te voorschijn. Eerst lees ik een stukje voor uit het boek Kobe maakt een museum. Kobe is een echte verzamelaar en alles wat hij mee naar huis neemt wordt gesorteerd. De kinderen vinden het fascinerend om dingen te bedenken die in het groepje -dingen die kunnen buigen- passen of -dingen die plakken-. Op een wit vel keer ik de doos met knopen om en vraag aan vier kinderen of ze groepjes kunnen maken. Vrijwel onmiddellijk gaan ze aan de slag.

Er wordt gesorteerd op kleur.

groen

groen 

zwart

zwart 

wit

wit

 

 

 

 

 

 

Of op materiaal.

hout

hout 

ijzer

ijzer

.

.

.

.

.

.

De kinderen ontdekken dat niet alle knoopjes evenveel gaatjes hebben. Je hebt er met 2 en met 4 gaatjes en er zijn zelfs knopen met 0 gaatjes!

2 gaatjes

2 gaatjes 

4 gaatjes

4 gaatjes

.

 

 

 

 

..

Ze overleggen samen, ruilen en zoeken knopen die in de verzameling van de ander passen. Jonathan heeft een groepje van ijzeren knopen gemaakt. Daarna begint hij met het zoeken naar knopen zonder gat. Dat blijken er veel van ijzer te zijn en hij schuift de knopen naar het nieuwe groepje. Ik teken op het papier 2 cirkels die elkaar voor een deel overlappen en laat hem zien hoe er ijzeren knopen zijn en knopen met 0 gaten maar ook knopen van ijzer én zonder gat. Eerst snapt hij het niet maar ineens breekt het inzicht door. Enthousiast vult hij de overlappende verzamelingen.

overlappende verzamlingen

overlappende verzamelingen

.

Iemand vindt knopen met letters en Loubna bedenkt dat ze een groepje kan maken van knopen waar nog een touwtje aan zit. Ze vindt er heel wat.

knoopjes met touw

knoopjes met touw

 

Er wordt heel geconcentreerd gewerkt, gekeken, geteld en vergeleken.

IMG_5765IMG_5766

.

 

.

.

 

.

.

.

.

Als alle knoopjes gesorteerd zijn geef ik de kinderen een zwarte stift waarmee ze de groepjes kunnen omcirkelen. Voor sommigen schrijf ik de naam van de verzameling in de getekende cirkels. Anderen doen het zelf. Ook over het schrijven van de verschillende letters hoor ik de kinderen met elkaar overleggen.

IMG_5759

.

Jill is zo enthousiast dat ze doorgaat met het ordenen van de stiften, krijtjes en potloden op kleur. Ze heeft een prachtig geel bakje gemaakt met dikke en dunne gele kleurpotloden, gele stiften, gele woody’s en gele panda krijtjes. En Nienke maakt in de week erna mooie, verfijnde composities van doppen, knoopjes en schelpen. Gevonden steentjes ordent ze van klein naar groot. Al snel dromt een groepje kinderen rond haar tafel want iedereen wil wel meedoen.

Zomaar een knopendoos op een verloren moment, zonder vooraf geformuleerd leerdoel en zonder methode. Maar wat een rijkdom!