Blog

Een bazige juf

IMG_6234.

‘We vinden je een bazige juf’, triomfantelijk kijkt Jonathan me aan. ‘Ja’, beaamt Lore, ‘eigenlijk speel je altijd de baas’. Samenzweerderig zitten ze naast elkaar in de kring toe te kijken hoe ik kinderen naar het kiesbord dirigeer, zorg dat daar netjes zonder duwen en trekken op de beurt gewacht wordt. Terwijl ik ondertussen de kleine kring in de gaten houd en nog snel even een paar boekjes neerleg zodat ze iets te doen hebben voordat ik tijd heb om, met mijn ‘niet-storen-ketting’ om, een leerzame activiteit op te starten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze zitten. En voor ik er over nagedacht heb, hoor ik mezelf zeggen: ‘Ja, zo werkt dat op school’. Ik denk er zelfs achteraan dat ze nog wel zullen merken hoe het is om bij een echt bazige juf in de klas te zitten. Gelukkig zeg ik dat laatste niet hardop. Ik zie ook in één oogopslag dat ze helemaal niet geïnteresseerd zijn in mijn commentaar. Ze hebben eigen plannen gemaakt.

Al een aantal weken spelen en werken we over het thema post. Alle kinderen maakten een brievenbus en ik richtte een tafel in waarop ze kaarten en brieven kunnen tekenen, knippen, plakken en schrijven. ‘Moet jij geen brievenbus?’ vroeg Jonathan die ochtend. Ondertussen pakte hij meteen maar het lege houten kistje dat vóór mij op een plank in de kast stond. ‘Deze kan wel’. En ja, die was inderdaad heel geschikt. Ik plakte er de letters  J U F  op en het goede nummer van onze ‘Raamstraat’.

IMG_6239IMG_6238

Een paar keer die middag vraagt Jonathan of ik al in mijn brievenbus gekeken heb. Pas als de kinderen naar huis zijn vind ik de tijd om dat rustig te doen. En dan zie ik waar Lore en Jonathan de hele middag zo hard aan hebben gewerkt.

Jonathan is mateloos geïnteresseerd in het ‘bijna’ echte geld in ons postkantoor. Eerder vertelde Lore dat je ook brieven met geld kunt krijgen. Dat overkwam haar toen ze haar A-diploma haalde. Van Jonathan krijg ik een envelop met € 30 en een fijn paasfeest gewenst voor een vriend (de i is hij even vergeten). En dat de bazige juf toch best lief is vermoedde ik al toen hij steeds de volgende letter kwam vragen van de woorden die hij wilde schrijven. Eigenlijk had hij al eerder besloten dat hij de liefste juf had die hij kende. ‘Ken je er al veel?’ vroeg ik. En met de zelfverzekerde toon van een kenner: ‘Ik heb al héél veel juffen gezien’.

Ook Lore denkt regelmatig na over haar juf en wat die allemaal bedenkt en initieert. Altijd wil ze weten waarom we doen wat we doen, om vervolgens te vertellen dat het misschien wel veel beter en helemaal anders kan. Laatst keek ze me onder het tekenen ineens onderzoekend aan: ‘Waarom ben je eigenlijk juf geworden?’ Ik antwoordde dat ik het leuk vond om met kinderen te werken, voor te lezen en dingen te verzinnen om te tekenen, te maken en te spelen. ‘Ja’, beaamde ze, ondertussen alweer met haar aandacht bij haar tekening, ‘daar ben je ook heel goed in’. Ook van Lore krijg ik paas-post. Ze heeft vol overgave het adres op de envelop geschreven.

IMG_6242IMG_6240IMG_6241.

.

.

.

Ik ben trots op de kinderen die bij mij in de klas niet bang zijn om te vertellen hoe ze over de dingen denken, die plannen maken, die bespreken met elkaar en tot uitvoer brengen. Ze zijn een voorbeeld voor de jongere 4 jarigen, die, net op school, hun draai nog moeten vinden. Bijvoorbeeld voor Marieke die een tekening gemaakt heeft voor Camilo. Ze wil hem wel in zijn brievenbus stoppen. En als ik vraag of we er iets op zullen schrijven gaat ze er eens goed voor zitten.

lieve Camilo

Camilo, jij zit in mijn vriendenboekje

lieve Camilo, jij bent bij mij geweest

lieve Camilo, ik hou super veel van jou

einde

kus van Marieke

.

De volgende dag in de kring stelt Anne ineens verbaasd vast dat ze verliefd is op de hele klas. ‘Op alle kinderen.’ En daar kan ik me nou helemaal in vinden.

De kleur van een wijd bos

IMG_6094

.

‘Het Wijde Bos, ik bedoel dat het het bos is en daar omheen is het zo …. wijd, zo kijk ……’. Hij gebaart met grote armgebaren om zijn plastic bekertje heen. Het bekertje is gevuld met behangersplaksel, daarin drijven kleine stukjes broccoli en af en toe een flardje rood van rode besjes. De kinderen maken kleuren uit groente en fruit in het atelier. En ik heb gevraagd om voor die kleuren namen te bedenken. De kleine groene miniboompjes in het witte doorzichtige plaksel, de rode accenten; het geeft een wijds gevoel. En buiten het bekertje loopt die wijdsheid alleen nog maar door. Oneindig wijd. Ik schrijf de naam op een stukje tape en plak ‘m op het bekertje. Eigenlijk zou ik er een blog over moeten schrijven, schiet het door mijn hoofd zoals vaker de laatste tijd. Maar door de volle werkdagen, het voorbereiden van mijn cursus en die vervelende maar doorzeurende griep komt het er niet van. Ik denk het ook als ik zie hoe geweldig mijn 2 nieuwe onderbouwcollega’s met hun kleutergroepen aan het werk gaan in het atelier.  Zonder een uitgebreide instructie, alleen door samen materiaal te verzamelen en het atelier in te richten en soms zelfs dat niet eens, gaan ze enthousiast aan de slag. Ze genieten van de kinderen en van deze manier van werken. Lijken zelfs een beetje verbaasd dat dit ook zomaar kan en mag in deze ‘opbrengstgerichte’ tijd.

In de voorjaarsvakantie kijk ik al de foto’s nog eens door. Eindelijk tijd om een verslag te maken van het werken in het atelier tijdens het thema eten van Kleuterplein. De eerste atelierdag maakte fotografe Sabine Plamper foto’s. Lees hier het verslag. En kijk hier hoe het verder ging in het atelier en in de klas.

Nascholing

Kunsteducatie-cursus

 

Het is zover. Samen met Sabine Plamper heb ik een nascholing ontwikkeld voor de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Je kunt je nu inschrijven voor de 4 daagse training die start in januari 2015.

Ook kunstenaars koken met water

Van dertig identieke werkjes naar eigen verhalen, verbeelding en onderzoek

Welke plek heeft kunst in een kinderleven? Wat kun je doen met meel, water of een oude knoflookpers? Hoe begeleid je creatieve processen? Hoe wordt kunst en cultuur een volwaardig onderdeel van het onderwijs?

In deze vierdaagse cursus zijn materiaalonderzoek, ervaringen en verhalen van kinderen het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een inspirerende vorm van authentieke kunsteducatie die past binnen je eigen onderwijspraktijk. Praktijk en theorie zullen elkaar afwisselen en versterken. Met opdrachten die je eigen creativiteit aanspreken ervaar je zelf de meerwaarde van het doormaken van een rijk creatief proces.

Deze praktijkscholing focust op beeldende kunst en geeft een helder theoretisch kader waarbij nieuwe inzichten uit de vakliteratuur en atelierpraktijk aan bod komen. Cursisten worden uitgenodigd om gebruik te maken van elkaars expertise en samen te werken aan plannen voor de eigen beroepspraktijk.

Voor wie?

De cursus is bedoeld voor leerkrachten en beleidsmakers in het basisonderwijs en de kinderopvang, afgestudeerde kunstvakdocenten, BIK’ers, PABO-docenten en andere professionals die werken met kunsteducatie en kinderen.

Door wie?

De cursus wordt gegeven door Sabine Plamper en mijzelf.

Sabine Plamper (1972) is cultuurpedagoge en (mede)auteur van het boek Begrijpen met je handen, een andere kijk op kind en creativiteit. Ze heeft ruim vijftien jaar ervaring met het werken met kinderen in ateliers en geeft trainingen en lezingen op het gebied van kind en creativiteit.

Hanneke Saaltink (1961) is beeldend kunstenaar, leerkracht in het primair onderwijs en blogger over kunst en onderwijs. Sinds 2007 zet zij kunsteducatieve projecten op. In 2011 haalde zij haar master Kunsteducatie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Wil je meer weten of je inschrijven? Klik hier voor de digitale flyer: AHK-MK-Nascholing-def-druk

Ook samen leven moet je oefenen

IMG_5934

Bijna terloops komt hij me het bloemetje brengen dat hij plukte aan de rand van het schoolplein. ‘Voor jou, juf.’ En natuurlijk zeg ik hoe blij ik er mee ben. Dat is leuk en hij plukt er nog een paar. De nieuwe bloemetjes legt hij rond het met krijt getekende hart voor mijn voeten. Raijv, net op school en altijd bereid om te doen wat Jelle doet, komt helpen. Een tijdje werken de jongens als galante prinsen door, genietend van de complimentjes die ze krijgen. Dan wordt het hart weggeveegd door springende en rennende voetjes, worden de bloemetjes weggevaagd door rijdende karren en net zo snel weer vergeten. Maar even ervoeren de jongens weer hoe het is om aardig te zijn en lief gevonden te worden. Dat hoeven ze niet te leren, dat gaat helemaal vanzelf. Er is alleen maar iemand nodig die het opmerkt en er blij mee is. En toch; als er woorden aan gegeven worden moeten we het er steeds opnieuw over hebben wat die woorden ook al weer betekenen. Het is de eerste van de acht gouden regels die we samen maakten: –We zijn lief voor elkaar-  Dat is troosten als iemand pijn heeft, weten ze. En zeggen dat een ander mee mag spelen. Maar ze kunnen vooral vertellen wat niet lief is. Schoppen en slaan bijvoorbeeld en iets afpakken waar je heel graag mee wil spelen. En wat is het moeilijk om je daar aan te houden.

We zijn lief voor elkaar

We zijn lief voor elkaar

De vier jarige Nick is, net als Raijv, nieuw op school. Overweldigd door alles wat er op hem af komt kiest hij vaak voor de directe aanval. Overal om hem heen blijken jongetjes te zijn die zeggen dat ze sterker, ouder of groter zijn dan hij. Dat kan hij niet zomaar laten gebeuren. En als hij voor de klapdeuren moet wachten tot hij naar de overblijf gaat, slaat en schopt hij wild om zich heen. De leerkracht van groep 3 probeert in te grijpen maar dat maakt weinig indruk. Met een worstelend en grommend jongetje komt ze mijn lokaal binnen. Ik vraag wat er gebeurde. ‘Ze denken dat ze groter zijn maar dat is niet zo!’ zegt hij tussen woeste snikken door. ‘En toen liet je zien hoe sterk jij was? Weet je nog wat de afspraak was?’ Ja, hij weet wel dat hij niet mag slaan maar zij zeggen dat. En hij wil dat gewoon niet. Ik zucht, ‘dan hebben we wel een probleem’. Een beetje verbaasd kijkt hij me aan. ‘Oh, wat dan?’ ‘Nou ja’, zeg ik, ‘nu zitten wij hier en alle anderen eten fijn samen een broodje. Maar bij de overblijf mag je niet slaan, ook niet als kinderen iets doen wat jij niet leuk vindt, dus daar kun je niet heen.’ Even kijkt hij voor zich uit. ‘… maar ik wil ook naar de overblijf’. ‘Ja maar als kinderen nou iets tegen je zeggen wat niet leuk is?’ ‘Dan ga ik het tegen jou zeggen’. Ik ben er tijdens het overblijven niet bij maar samen vertellen we de overblijfjuf van zijn voornemen en nog nasnikkend eet hij zijn broodje tussen alle anderen.

Nick is niet het enige stoere, sterke, grote jongetje dat zijn plekje moet vinden in de klas. Dit jaar heb ik een heel clubje vooral 4 jarige ‘stuiterballetjes’ die voortdurend de strijd met elkaar aangaan. Dat gebeurt buiten op het plein, binnen tijdens het spelen en werken en ook in de drama-lessen die ik samen met de vakdocent Joke de Heer geef. In het speellokaal spelen we tijdens die drama-lessen verhalen van de kinderen uit. De laatste les heb ik de leiding en volgt Joke van de zijlijn wat er gebeurt. Langzamerhand is er bij de kinderen een ‘vlucht-vecht-vang’ stramien ontstaan in de verhalen. Eigenlijk wil ik daar wel vanaf. Als Nienke graag een verhaal wil dicteren hoop ik dat ze als meisje een andere input zal geven. Ze gaat er eens goed voor zitten. Maar al gauw wordt ook hier gevochten, gebeukt en laten de dieren zien hoe sterk ze wel niet zijn:

De ezel lag te slapen. Toen kwam er een eend voor de deur. En een muis voor de deur. En toen deed de ezel de deur open. En toen schrok hij zich een hoedje. Het was geen aardige eend en het was geen aardige muis. Ze keken boos. Vet boos. Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze. Toen kwam er een eekhoorntje aan. En Raai de Kraai die boven ons daar in het nest zit. Toen was Raai de Kraai boos. Hij ging ze allebei in elkaar beuken en toen waren ze dood. Toen kwamen alle dieren: de ezel, het eekhoorntje, Raai de Kraai en het varkentje natuurlijk. Ze gingen een feestje vieren. Een heel grappig feestje natuurlijk. Een beetje gek doen, zoals je tong uitsteken. En ezeltje bleef nog lang gelukkig omdat hij nog heel springerig is. En hij bleef nog heel lang levend. 

In de klas spelen we het verhaal eerst uit in de kring. We bespreken hoe je dat doet: doen alsof je iemand in elkaar beukt. ‘Nepvechten’ noemen de kinderen het. En dat is nog best moeilijk in de vuur van het spel. In het speellokaal vraag ik, zonder erbij na te denken, 3 meisjes om te laten zien hoe je ‘nepvecht’ zonder elkaar pijn te doen. ‘Mooi’ zegt Joke, ‘maar nu wil ik wel eens zien of ook sterke, stoere jongens dat kunnen’. Dat is moeilijker. Vooral Jonathan laat zich niet zomaar dood beuken en loopt zo hard rondjes dat Nick, als Raai de Kraai, hem alleen met heel veel moeite een heel klein tikje kan geven. Toch ben ik al lang blij dat de jongens niet met elkaar op de vuist gaan en geef ze daarvoor een complimentje. Maar Joke is minder tevreden. ‘Zagen jullie verschil tussen hoe de meisjes het speelden en de jongens?’ vraagt ze de kinderen. Ja, ze kunnen meteen en goed het verschil aangeven. ‘Ja maar ….’ legt Jonathan uit, ‘ik ben gewoon veel sneller en sterker dan Nick’. ‘Dat maakt helemaal niet uit’, antwoordt Joke. ‘Jij bent de eend en in het verhaal is Raai de Kraaier sterker’. Jonathan moet er even over nadenken, het is een hele openbaring. ‘En ik wil het niet zo’, vult Nienke aan. ‘En het is mijn verhaal’.

Ze waren boos. Vet boos.

Ze waren boos. Vet boos.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

 

 

 

 

 

 

 

..

En toen waren ze dood.

En toen waren ze dood.

..

In het speellokaal creëren we verschillende plekken waar de kinderen in kleine groepjes het verhaal uitspelen. De volgende dagen merk ik dat ze buiten veel meer en gevarieerder rollenspel spelen waaraan zowel jongens als meisjes en oudste als jongste kleuters meedoen. Het ‘nepvechten’ wordt een begrip onder de kinderen. Niet dat het altijd goed gaat. Soms gaat het zo vaak mis en komen er zoveel huilende, boze, woeste kinderen bij me dat ik al het vechten en stoeien verbied. Toch denk ik dan weer aan Joke’s opmerking dat je moet laten zien hoe je het hebben wilt. Als Iza na het buitenspelen huilend in de kring zit omdat ze van de glijbaan geduwd werd spelen we de hele situatie uit. Twee jongens renden lekker hard de glijbaan op, gleden naar beneden en dan weer opnieuw en opnieuw. Totdat daar ineens een meisje heel rustig boven op de glijbaan een beetje om zich heen zat te kijken. Toen duwden de jongens haar zonder na te denken opzij en vervolgden hun weg. Ze moeten allemaal lachen als ik dat samen met Iza naspeel. En weten ook best hoe je dat anders kunt doen. Nick laat het zien. Zachtjes tikt hij op de schouder van Iza. ‘Kan je even opzij?’ Met veel plezier oefenen we dat met steeds andere kinderen.

En dat oefenen blijven we doen, ieder dag opnieuw. Ik net zo goed als de kinderen. Soms kijk ik met plezier hoe fijn Nick samen met de timide Raijv met de knex aan het bouwen is. Het volgende moment staat Raijv in tranen bij me, Nick er boos naast. Hij heeft geslagen en de knex-auto van Raijv kapot gemaakt. ‘Hoe kwam dat nou?’ vraag ik. ‘Ik ….., hij ….., hij is …..’ Dan ineens wat bedachtzamer: ‘Hij is …. verlegen. En dat vind ik niet leuk.’ Het blijkt dat Raijv dan wel verlegen is maar toch een hele mooie auto kon maken. ‘Misschien was je jaloers op die mooie auto van Raijv?’ Met z’n drieën maken we nog precies zo’n auto. En de jongens spelen verder. Ze hebben woorden gegeven aan ingewikkelde gevoelens en een probleem opgelost. En ook ik heb weer wat geleerd over de binnenwereld van 4 jarige jongetjes.

Wat is dat eigenlijk: vrij spel?

 

Magisch is het, iedere keer weer. Jonge kinderen die opgaan in hun spel. Het is alsof je even een glimp opvangt van dat wat anders altijd verborgen blijft. Een paar net vierjarigen bijvoorbeeld. Het ene moment zie ik twee schuchtere meisjes. Er komt geen woord over hun lippen, met gebogen hoofd staan ze de chaotische wirwar van kinderen te bekijken, alsof ze vastgeplakt zijn aan de vloer, daar waar ze toevallig zijn achter gelaten door een bezorgde ouder. Dan komt Camillo langs. Hij heeft een vergrootglas gevonden en al van ver roept hij dat hij de politie is en dat hij de boeven gaat zoeken. Als bij toverslag verandert alles. De drie, die elkaar kennen van de peuterspeelzaal, duiken onder de tafel en turen door het vergrootglas. Ze lachen en fluisteren samen. Roepen naar elkaar: ‘daar is de boef, ik heb ‘m!’ Een paar minuten later zijn het poesjes geworden die luid miauwend rond kruipen. Alle schuchterheid is verdwenen. Ook de meisjes weten precies wat ze willen. Ze blijken heel veel taal tot hun beschikking te hebben. Ze stralen, alledrie. Ze spelen een rol en in de rol kunnen ze ineens veel meer, alles eigenlijk.

Of Nadia, nu in groep 3, die tussen de middag met haar vriendinnen vaak nog even langskomt. ‘Weet je dat ik heel hard kan rennen’, vertelt ze. ‘Want ik ben aan het oefenen om te vliegen, ik kom al een beetje van de grond.’ ‘Goh’, ik ben onder de indruk. ‘En hoe hoog wil je dan vliegen?’ Niet zo’n beetje zweven, dat wil ze niet. Ze wil echt vliegen in de lucht. Later als we samen buiten zijn op het schoolplein laat ze me zien hoe hard ze kan. Ze geeft zich helemaal. Haar witte staartjes strak naar achteren. Haar benen gooit ze naar voren en ze schieten onder haar door. Ik zeg haar hoe hard het ging. Dat het bijna leek of ze zweefde. Maar ze is niet tevreden. ‘Ik denk dat ik wel heel lang moet oefenen. Want ik wil echt boven de wolken vliegen.’ Ze zucht. Marieke heeft staan kijken en luisteren. ‘Of naar de planeten, dat kan ook, boven de planeten vliegen’, vult ze enthousiast aan. Marieke is 2 maanden geleden bij ons in de klas gekomen en als we buiten spelen is ze meestal een paard. Ze briest, proest en hinnikt als een paard, ze rilt, beweegt met zachte schokjes haar paardenhoofd en praat over zichzelf als het paard waar Marieke af en toe op mag rijden. Ze doet dat zo levensecht dat al verschillende collega’s mij vroegen of ik me geen zorgen maak. Als we naar binnen gaan vraagt ze me of het paard ook mee mag. Ik zeg dat het binnen niet zo leuk is voor paarden en dat ze daarom maar gewoon als Marieke naar binnen moet. ‘Wat een goed idee, juf!’ antwoordt ze meteen. Ze blijkt dus heel goed het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te kunnen maken en ik maak me geen zorgen.

In de documentaire Alphabeth stelt Erwin Wagenhofer dat verbeelding een unieke menselijke kwaliteit is. Maar dat het onderwijs deze kwaliteit systematisch vernietigt. Een prikkelende stelling. En ik denk weer aan de drie jonge kinderen bij mij in de klas die met een vergrootglas onder tafels doorkropen op zoek naar de boef. En aan de energie, de betrokkenheid en de verbeeldingskracht waarmee ze dat deden. Toch dirigeer ook ik dat spel naar de huishoek, het poppenhuis of de bouwhoek. Gesprekjes over hoe hoog je zou kunnen vliegen vinden plaats in verloren momenten. En het paardenspel komt alleen echt tot ontwikkeling als we even niet doelgericht aan het leren zijn. Ik baken het af in tijd en ruimte.

Maar als onze drama-docent voorstelt om, geïnspireerd door de ideeën van Vivian Gussin en Jente Baeyens,  verhalen van de kinderen te verzamelen en uit te spelen ben ik meteen enthousiast. We werken rond het thema -thuis- en de eerste les laten we de kinderen in het speellokaal huizen bouwen. Er ontstaan huizen met zolders en kelders. Kleine huizen onder doeken of wijde open huizen op matten en sommige huizen worden een soort vergaarbak van spullen. De kinderen slapen en eten in de huizen, Jort heeft een plek gemaakt voor zijn woeste krokodillen waar hij omzichtig overheen moet springen en alleen hij kan de krokodillen voeren. Ik maak foto’s van de verschillende bouwwerken en vraag de kinderen later in de kring wat er zou kunnen gebeuren in hun huizen. En dan gaat het mis. Ze willen allemaal graag vertellen maar komen niet verder dan een opsomming van de kinderen die meededen of hoe ze het huis maakten. Ik zie vragende blikken -wat bedoel ik toch?- Als ik voorstel om er een verhaal van te maken dat bijvoorbeeld begint met ‘er was eens …’, bedenkt Lore de formulering ‘het was een verhaal en het was echt..’  …. en dan stopt het. Heel anders dan vorig jaar toen ik de verhalen die de kinderen dicteerde opschreef en het gevoel had dat ik een onuitputtelijke bron aanboorde. Dus de week daarop begin ik opnieuw. Zonder foto’s, zonder commentaar, alleen met de vraag wie er een idee heeft voor een verhaal. Heel veel vingers gaan de lucht in. Lore begint. Ze denkt even na, kijkt als het ware naar binnen. En terwijl de anderen geconcentreerd luisteren en ik alles opschrijf, maakt Lore haar verhaal.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht. En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.  Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’  En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.  De beer en de kat renden voor altijd weg.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht.
En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.
Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’
En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’
Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.
De beer en de kat renden voor altijd weg.

.

Het is mooi om te zien hoe allerlei verhalen en gebeurtenissen in de klas een plek vinden in het verhaal. In de klas staat een verteltafel van het verhaal ‘Kleine muis zoekt een huis’ waarin de muis ook hard wegloopt voor de beer. De volgende verhalen borduren voort op hetzelfde thema. Steeds is er een dier dat ligt te slapen in zijn huis en dan staat er voor zijn deur een slecht of gevaarlijk beest waaraan hij nog maar net kan ontsnappen. Josse gebruikt in zijn verhaal het idee dat een beer nooit in een konijnenhol past (zoals in het verhaal van Kleine muis). Ik vind het bijzonder om uit de mond van de kinderen te horen hoe zij de activiteiten in de klas eigenlijk beleven. En het is opvallend hoe betrokken ze zijn bij elkaars verhalen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond. Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.  De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend.  En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien. Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond.
Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.
De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend. En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien.
Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

.

Dat jonge kinderen zich ontwikkelen en leren door spel is een wijdverbreide gedachte. Toch vonden Lillard e.a. (2012) weinig bewijs dat (verbeeldend)spel invloed heeft op de ontwikkeling en het leren van kinderen in de onderzoeken die de afgelopen 50 jaar zijn gedaan. In een commentaar op Lillard e.a. vraagt Doris Bergen (2013) zich echter af of wat door onderzoekers (of leerkrachten) spel wordt genoemd niet vaak ‘speels werk’ is. Een leuke speelse introductie, het spel in de huishoek waarbij de leerkracht meespeelt en terloops allerlei reken en schrijfvaardigheden introduceert, de door leerkrachten ingerichte speelhoeken die bepaald spel moeten uitlokken. Het is heel herkenbaar. Echt vrij spel, wat is dat eigenlijk? Gebeurt dat niet heel vaak buiten het zicht van volwassenen? En, vraagt Bergen zich af, wat is eigenlijk de invloed van (verbale)instructie op het tot ontwikkeling komen van vrij spel? Zou onderzoek niet moeten proberen door te dringen in authentieke voorbeelden van verbeeldend spel?  Zonder daarbij te kijken of het al of niet academische vaardigheden bevordert.

In ieder geval lijkt het uitspelen van de door de kinderen gedicteerde verhalen een krachtig middel om dat wat bij de kinderen leeft zichtbaar te maken. Zeker als dat zonder uitgebreide verbale instructie gebeurt waarmee je allerlei bedoelingen hebt. Het geeft mij als leerkracht een inkijkje in de belevingswereld van de kinderen. En ook de kinderen worden op een intensieve manier deelgenoot van elkaars verhalen. Bovendien zie ik tijdens het vertellen en uitspelen veel taal, sociaal/emotionele ontwikkeling, inlevingsvermogen en vooral plezier!

Spelen met de knopendoos

IMG_5762..

Alles is nieuw; het lokaal ziet er anders uit, de oudste kinderen zijn naar groep 3 en een paar net vierjarigen huppelen, stuiven of lopen verscholen achter hun moeder onze groep binnen. We moeten er allemaal aan wennen. Het geeft wel ruimte om te improviseren. De methode kan nog best even wachten en ik haal de knopendoos te voorschijn. Eerst lees ik een stukje voor uit het boek Kobe maakt een museum. Kobe is een echte verzamelaar en alles wat hij mee naar huis neemt wordt gesorteerd. De kinderen vinden het fascinerend om dingen te bedenken die in het groepje -dingen die kunnen buigen- passen of -dingen die plakken-. Op een wit vel keer ik de doos met knopen om en vraag aan vier kinderen of ze groepjes kunnen maken. Vrijwel onmiddellijk gaan ze aan de slag.

Er wordt gesorteerd op kleur.

groen

groen 

zwart

zwart 

wit

wit

 

 

 

 

 

 

Of op materiaal.

hout

hout 

ijzer

ijzer

.

.

.

.

.

.

De kinderen ontdekken dat niet alle knoopjes evenveel gaatjes hebben. Je hebt er met 2 en met 4 gaatjes en er zijn zelfs knopen met 0 gaatjes!

2 gaatjes

2 gaatjes 

4 gaatjes

4 gaatjes

.

 

 

 

 

..

Ze overleggen samen, ruilen en zoeken knopen die in de verzameling van de ander passen. Jonathan heeft een groepje van ijzeren knopen gemaakt. Daarna begint hij met het zoeken naar knopen zonder gat. Dat blijken er veel van ijzer te zijn en hij schuift de knopen naar het nieuwe groepje. Ik teken op het papier 2 cirkels die elkaar voor een deel overlappen en laat hem zien hoe er ijzeren knopen zijn en knopen met 0 gaten maar ook knopen van ijzer én zonder gat. Eerst snapt hij het niet maar ineens breekt het inzicht door. Enthousiast vult hij de overlappende verzamelingen.

overlappende verzamlingen

overlappende verzamelingen

.

Iemand vindt knopen met letters en Loubna bedenkt dat ze een groepje kan maken van knopen waar nog een touwtje aan zit. Ze vindt er heel wat.

knoopjes met touw

knoopjes met touw

 

Er wordt heel geconcentreerd gewerkt, gekeken, geteld en vergeleken.

IMG_5765IMG_5766

.

 

.

.

 

.

.

.

.

Als alle knoopjes gesorteerd zijn geef ik de kinderen een zwarte stift waarmee ze de groepjes kunnen omcirkelen. Voor sommigen schrijf ik de naam van de verzameling in de getekende cirkels. Anderen doen het zelf. Ook over het schrijven van de verschillende letters hoor ik de kinderen met elkaar overleggen.

IMG_5759

.

Jill is zo enthousiast dat ze doorgaat met het ordenen van de stiften, krijtjes en potloden op kleur. Ze heeft een prachtig geel bakje gemaakt met dikke en dunne gele kleurpotloden, gele stiften, gele woody’s en gele panda krijtjes. En Nienke maakt in de week erna mooie, verfijnde composities van doppen, knoopjes en schelpen. Gevonden steentjes ordent ze van klein naar groot. Al snel dromt een groepje kinderen rond haar tafel want iedereen wil wel meedoen.

Zomaar een knopendoos op een verloren moment, zonder vooraf geformuleerd leerdoel en zonder methode. Maar wat een rijkdom!

Op hoeveel manieren kun je denken?

IMG_1079

‘Wanneer ben ik nou aan aan de beurt?’ Ze had er echt zin in. Na de vakantie zou ze naar groep 3 gaan en ze kende al zoveel letters. Dat wilde ze heel graag laten zien. Toen het eindelijk zo ver was spatte de motivatie er vanaf. Rechtop zat ze op haar stoel. De 2 spierwitte staartjes zwiepten vrolijk in de lucht. Een paar heldere blauwe ogen keken me verwachtingsvol aan. Eerst vroeg ik haar verschillende letters te benoemen. Die van haar eigen naam kende ze wel maar ze wist niet meer precies welke nou ook alweer bij welke klank hoorde. Eerst noemde ze nog willekeurige klanken, later zei ze steeds vaker: ‘weet ik niet’. Uit haar ooghoeken telde ze mijn krulletjes. ‘…… heb ik er maar 5 goed?’ Haar stemmetje werd dun, ze zuchtte en haar schouders zakten naar beneden. ‘Joh, je kent er al 5 en de rest ga je straks allemaal in groep 3 leren!’ probeerde ik haar op te beuren. We gingen verder; nieuwe kansen. Ik vertelde dat ik een woord in stukjes (letters) zou gaan zeggen en vroeg of ze kon horen welk woord het was. Het was de bedoeling dat ik eerst de context aangaf. ‘Het is vaak op een (kinder)boerderij ….’, begon ik. ‘Een paard!’ riep ze meteen enthousiast, weer helemaal rechtop en stralend op haar stoeltje. Ik legde uit dat ik het woordje nog in stukjes moest zeggen, dat ze goed moest luisteren, net zoals we weleens in de kring deden. G – EI – T, spelde ik. Ze wachtte, haar ogen keken naar binnen. Ze maakte kleine gebaartjes met haar handen. ‘Schaap’, zei ze uiteindelijk. Zo ging het vaker. De voet die aan je lijf zit werd een been, de vis een kwal. Op een gegeven moment nam ze de tijd om mij gedetailleerd uit leggen hoe ze het deed. Ze luisterde eerst heel goed in haar hoofd naar de letters. Ze zei ze heel, heel zachtjes, zonder dat ik het kon horen. Daarna maakte ze er een woord van, dan plakte ze de letters gewoon aan elkaar. Ik zag de concentratie waarmee ze bezig was. Ik dacht ook dat ik kon zien wat ze allemaal moest onderdrukken. Als ik vertelde dat het in de zee zwom, kwamen er bijna meteen allerlei beelden op in haar hoofd. Ergens hoorde ze wel het woordje -vis-. Maar dat riep vast ook meteen associaties op met de kwallen die we laatst gemaakt hadden en de filmpjes die we daarbij bekeken, daar zwommen tenslotte ook vissen tussendoor. Maandag begint de school weer en gaat ze echt naar groep 3. Nog steeds vol verwachting en overtuigd van haar eigen kunnen. Toch ben ik ook een beetje bezorgd. Zal er nog aandacht zijn voor al haar vragen en voor de verhalen in geuren en kleuren, die ze vertelt terwijl ze wel op móét staan om alles uit te beelden? Is er nog tijd om te luisteren naar alle aarzelend uitgesproken gedachten? Gaat het ook af en toe nog om andere dingen dan goed of fout? Leerkrachten in groep 3 krijgen niet veel ruimte. De kinderen mogen nog maar 15 minuten naar buiten in de ochtend en eigenlijk ‘s middags helemaal niet meer. In een half uur moet er gegeten, gedronken en buiten gespeeld zijn en moeten de kinderen weer startklaar zitten om zoveel mogelijk ‘effectieve leertijd’ over te houden. Stilzwijgend wordt er dus vanuit gegaan dat je alleen leert van directe instructie en het uitvoeren van doelgerichte opdrachten. Je leert niet van buiten spelen, samen even kletsen, bewegen of dagdromen terwijl je uit het raam staart.

Soms wordt er een onderscheid gemaakt tussen beelddenken en taaldenken. Beelddenken is intuïtief, associatief en zintuigelijk. Doen en ervaren staan centraal. Kleuters zijn nog nog echte beelddenkers. Ze werken graag vanuit het grote geheel, zien vooral de overeenkomsten en willen altijd weten waarom iets is zoals het is. Nieuwe informatie wordt vooral visueel opgenomen, het luisteren is veel minder actief. Kleuters zitten als het ware in het beeld en doen actief mee. In een kleutergroep sluit je daarbij aan. Vanaf groep 3 maakt het onderwijs de overstap naar taaldenken. Het luisteren komt centraal te staan. Regels en volgorde worden belangrijk en de leerkracht biedt alles tweedimensionaal aan. Iets is goed of fout en geen voortdurend veranderend proces. Beelden zijn soms een ondersteuning voor talige informatie maar nooit meer wordt iets eerst visueel aangeboden. Veel kinderen maken zonder moeite de overstap van een voorkeur voor beelddenken naar het denken in taal. Maar niet allemaal!

Het onderwijs is bij uitstek een plek voor taaldenkers. Dat merk ik ook weer op de startvergadering aan het begin van schooljaar. Het pedagogisch klimaat is een speerpunt op onze school en het is prachtig daar de eerste weken wat extra de aandacht aan te geven. Maar dat gebeurt vooral talig. We hebben met elkaar schoolregels gemaakt. Die regels zijn dan wel geschreven in een mooi vormgegeven hand (Wij hebben het samen in de hand). Maar toch … allemaal taal. Iedere groep maakt zijn eigen ‘Gouden Regels’ en we houden kringgesprekken. Natuurlijk kun je alles ‘vertalen’ naar beelden, ervaringen, beweging. Toch blijft de ingang en het uitgangspunt talig. Ook het testen, toetsen en de rapportage is onderwerp van gesprek. Daarbij wordt lang stil gestaan bij de weging van verschillende toets-vormen en de objectiviteit. In de kleutergroepen moeten we dit jaar na iedere les uit de methode aftekenen welke kinderen het aangegeven ontwikkelingsdoel beheersen. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld na een kringgesprek moet invullen welke van de 25 kinderen nog niet hun mening kunnen geven. Ik kan daar buikpijn van krijgen. Dus een klein beetje meer beelddenkerij in het onderwijs kan vast geen kwaad. Er zijn zoveel manieren waarop je kunt denken.

 

WERELDS; over kunst, atelier en onderwijs

Drie jaar geleden kwam de kersverse ICC-er naar mij toe. Het leek haar zo leuk om een groot kunstproject te organiseren en we konden dat jaar nog net een ‘samenwerkingssubsidie’ aanvragen. Ook de groepsleerkracht annex drama/dans-docent was enthousiast en samen schoven we aan tafel. We maakten plannen voor een andere, meer explorerende, benadering van kunstonderwijs. Richten 2 ateliers in, benaderden 3 beeldend kunstenaars en organiseerden studiedagen voor het team. Het project werd ook ingezet om het fusieproces waarin de school verwikkeld was te ondersteunen. Twee heel verschillende scholen met een heel andere populatie en schoolcultuur gingen samen hetzelfde avontuur aan. En niet alleen de kinderen leerden en ontwikkelden zich, ook de leerkrachten werden geschoold en deden nieuwe ervaringen op.

Het is niet gestopt bij dat ene project ‘BOUWPLAATS’. Langzamerhand krijgen de ateliers een vaste plek in ons onderwijs.  De kunstenaars worden oude bekenden. En voor de kinderen is het atelier een plek geworden waar ze hun eigen initiatieven kunnen volgen. Waar ze samenwerken, nadenken, creëren, spelen, onderzoeken en experimenteren. De ene leerkracht kan beter met het concept uit de voeten dan de andere. Maar doordat we samen met een groot team dezelfde ontwikkeling doormaken wordt de leerkracht die wat meer moeite heeft heel gemakkelijk meegenomen door die andere bevlogen enthousiasteling. En nog steeds begeleiden kunstenaars zowel de leerkrachten als de kinderen. Als vanzelf gaan ze daarbij in op ieders kwaliteiten en minder sterke kanten.

Afgelopen jaar maakten we een filmpje over de verbinding tussen het werken in het atelier en in de klas. We hebben behoorlijk wat bereikt in die 3 jaar. Dus we zijn best trots!

Vertrouwen 2

Drie maanden geleden schreef ik een blog over vertrouwen. Onze dochter vertrok in haar eentje naar Zuid Oost Azië met het plan om pas maanden later weer terug te komen. Wij waren trots, volgden haar avonturen vol enthousiasme en waren verrast over de kleine, mooie inzichten die ze beschreef. Maar we moesten ons ook wapenen tegen allerlei angstige fantasieën. Want wat zou er allemaal wel niet kunnen gebeuren?

Toch hebben wij nooit gedacht dat het vliegtuig waarmee ze naar Kuala Lumpur vloog in een oorlog terecht zou kunnen komen. Nu blijkt dat ook op het moment dat zij over de Oekraïne vloog enkele andere vliegtuigmaatschappijen al een alternatieve route kozen. De gevonden lonely planet had ook de hare kunnen zijn. Dus mij identificeren met de nabestaanden die geliefden verloren tijdens de vliegtuigramp gaat angstig genoeg helemaal vanzelf. Het is slechts een toevallige, wrede speling van het lot die bepaalt wie er getroffen wordt. Een studiegenoot van mijn zoon verloor beide ouders en zijn enige zus. Als ik samen met mijn zoon op huizenjacht ben in Liverpool waar hij de komende jaren hoopt te promoveren, stel ik me voor hoe het zou zijn als hij dat ineens alleen zou moeten doen. Aan het begin van je volwassen leven zonder een veilige haven waar je af en toe nog even naar terug kunt gaan. En wat betekent vertrouwen dan? Wat als het op zo’n grove manier is geschonden? Wat heb je eraan dat je vol vertrouwen een vliegtuig instapt of je dochter vol vertrouwen op reis laat gaan als de rest van de wereld dat vertrouwen helemaal niet waard blijkt te zijn? Is het naïef om te denken dat vertrouwen iets is om na te streven? Iets dat makkelijk gezegd is in het veilige, welvarende Nederland maar in andere delen van de wereld zijn betekenis verliest.

Ondertussen laaien overal in de wereld de brandhaarden op. Ineens lijkt het onmogelijk om géén compassie te voelen met de kinderen in Gaza, de  Yazidi’s op de berg, de Oekraïners of vluchtelingen in Syrië. Oorlog, pijn en verlies is ineens niet meer iets dat ver weg gebeurt en waar we niets mee te maken hebben, het is voorstelbaar leed geworden dat ons allemaal kan overkomen. Ik lees in de krant dat Unicef schat dat er in Gaza 373.000 kinderen getraumatiseerd zijn en langdurig psychologische hulp nodig hebben, iets wat ze waarschijnlijk voor het allergrootste deel niet zullen krijgen. Ik lees -dat een trauma dat deel van het centrale zenuwstelsel aantast dat adrenaline, ademhaling en hartslag controleert. Kinderen krijgen slaapproblemen, plassen in bed, kunnen zich moeilijk concentreren, (..) worden agressief of zonderen zich af. Een deel zal later een posttraumatische stress-stoornis ontwikkelen.- Dit zijn de volwassenen van de toekomst. Hoeveel vertrouwen zullen zij in de wereld hebben? En hoeveel jonge mannen zullen er voor kiezen om terug te vechten?

Misschien is vertrouwen iets wat pas kan groeien als je veilig bent, als je genoeg te eten hebt en een dak boven je hoofd. Op die manier is het een luxe die wij ons, nog steeds, kunnen veroorloven. En toch …… denk ik dat wij onze kinderen moeten opvoeden met vertrouwen. ‘Het is goed’, zei een collega, ‘dat er mensen bestaan die weten dat je conflicten ook anders kunt oplossen, die zichzelf begrijpen en zich kunnen verplaatsen in anderen en die zelfs begrijpen dat er omstandigheden zijn waarin je dat allemaal niet kunt.’ Als tegenwicht, als plek van hoop. Het is misschien niet veel maar veel anders hebben we op dit moment niet.

Leren op eigen kracht

IMG_0877

‘Niet rennen in de gang! Rustig lopen!’

..

‘Niet rennen in de gang! Rustig lopen!’ Luid en duidelijk leest ze het voor. Die dag hebben enkele bovenbouwers door de hele school energiezuinige tips opgehangen. Zo hangt er naast het lichtknopje de vermaning om het licht uit te doen. Toevallig hangt het briefje net naast het ‘stoplicht’ dat het wc gebruik regelt. Als de zes jarige Mees in volle vaart langs Yindee de gang op stormt legt het 2 jaar jongere meisje moeiteloos het verband tussen briefjes die een geschreven boodschap bevatten, allerlei ver- en geboden en het stoplicht dat ervoor moet zorgen dat er maar 1 kind tegelijk over de gang naar de wc loopt. ‘Mees’, zegt ze, terwijl ze streng omhoog kijkt naar de in zijn vaart gestuite grote jongen, ‘je moet rustig lopen! Dat staat hier toch: – NIET – REN – NEN – IN – DE – GANG!  – RUS – TIG – LO – PEN! -‘ Bij iedere lettergreep tikt ze vinnig op een woord. Vol ontzag kijkt Mees van Yindee naar het briefje, om dan rustig, met misschien alleen af en toe een klein hupje, zijn weg naar de WC te vervolgen.

Later zit Mees naast mij in de kring als ik het boek -Kikker is Kikker- van Max Velthuis voorlees. Mees heeft zijn CITO-taal toets voor kleuters niet zo goed gemaakt. Iets wat hij zelf gelukkig niet weet. Ineens doet hij een grote ontdekking: ‘Hé, dat is hetzelfde woord! KIKKER en KIKKER! Kijk maar die is hetzelfde en die en die!’ Opgewonden springt hij van zijn stoel. ‘Daar staat KIK-KER en daar staat KIK-KER! Kikker én Kikker.’ Ik vertel dat er -Kikker ís Kikker- staat. De I en de S. ‘Kikker ís kikker’ herhaalt hij nog een paar keer, terwijl hij met zichtbaar plezier de verschillende woorden op de kaft van het boek aanwijst. Het stelt mij gerust over de taalontwikkeling en de aanwezige leesvoorwaarden van Mees.

Anne-Lotte is al wat verder doorgedrongen in de wereld van de geschreven taal. Aan het begin van de middag kijken en lezen de kinderen nog even in een boekje terwijl ze wachten tot iedereen er is. Anne-Lotte heeft een boekje over de zee gevonden. Hardop spellend, kijkend naar de plaatjes, terwijl ze de herhaling in de zinnen opmerkt, ontcijfert ze zin voor zin de tekst. – ‘Heeft een vis eten nodig? Ja! Heeft een vis water nodig? Ja! Heeft een vis zuurstof nodig? Ja! Leeft een vis? Ja!’ – Iedere met moeite gedecodeerde zin komt ze vol trots aan mij voorlezen. Maar dan wordt het ineens echt grappig. – ‘Heeft zand eten nodig? Nee! (Nee, haha natuurlijk niet.) Heeft zand water nodig? Nee! (Hihihaha, zand kan toch niet drinken.) Heeft zand zuurstof nodig? Nee! (Zuurstof, dan moet ‘ie ademen. Kan zand ademen? Hihihaha … nee natuurlijk niet!) Leeft zand? Nee!  (Hahah, hihi. Hier staat leeft zand? Nee! Zand leeft niet. Haha.)’ – Aan iedereen die het horen wil leest ze het boekje voor, ondertussen springend en dansend van plezier. Ze heeft het zelf gelezen én begrepen én het is zo leuk, hoor maar.

Zo leren kinderen. Voortdurend en overal. Met elkaar en alleen. Soms hoef je als leerkracht niet meer te doen dan daar de ruimte voor geven.