Maandelijks archief: februari 2020

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de wc; 2

Enkele lezers spraken hun zorg uit naar aanleiding van mijn blog van vorige week. Ik wil daarom het verhaal even in context plaatsen.

Evi heeft niet speciaal moeite met toiletbezoek. Als dat wel het geval was geweest had ik daar nooit zo’n vrolijk verhaaltje over geschreven. Soms is het zo dat er bij kinderen wél meer speelt rond zindelijkheid en het naar de wc gaan op school. Het spreekt vanzelf dat we daar in de klas heel zorgvuldig mee omgaan. Ook is het niet zo dat Evi de wc-gang gebruikt als middel om voortdurend de grenzen af te tasten. Die dag was gewoon een dag waarop ze een ontdekking leek te doen.

Evi is wel een vrolijke, springerige, jongste kleuter. Ze vind het moeilijk om stil te zitten, gaat graag op ontdekking en geniet met volle teugen van alles wat er gebeurt. Ze leert door te doen. En al spelend, rommelend met allerlei dingetjes, haar zintuigen wijd open, verkent ze waar de grenzen liggen. Soms stuit ze op zo’n grens en meestal accepteert ze zonder morren dat het zo dus gaat in de klas; op school; in de wereld.

Soms vergeten we misschien aan te sluiten bij deze sensomotorische manier van leren van jonge kinderen, die vraagt om een bedding van routines, rituelen en ritme, vraagt om voorspelbaarheid; zo doen we dat samen bij ons in de klas. Daarin kan een kind, samen met de andere kinderen, met zichzelf als stralend middelpunt, de wereld gaan ontdekken. Zo ontwikkelt een kind grip op zichzelf en de omgeving.

Iedere kleuterleerkracht weet dat het altijd begint met een veilig klimaat in de klas. Een groep waarin duidelijk is wanneer je naar de wc mag en wanneer niet. Maar waar je ook het vertrouwen hebt dat juf weet wanneer je echt niet langer kunt wachten. Waar juf niet boos wordt wanneer je impulsief een hap neemt van die heerlijke appel die naast je op de bank ligt te glimmen voor je buurman maar wel even zegt dat dat niet hoort. Waar juf een stukje uit je appel snijdt als je buurvrouw daar zomaar een hap uit nam en waar je het laatste stukje weg mag gooien als de appel uiteindelijk toch niet meer zo lekker smaakt. Waar je leert hoe je zelf met een emmer en een dweiltje de omgevallen beker weer opruimt. Waar je met veel plezier samen oefent hoe en wanneer je met het nieuwe zeeppompje je handen wast door goed te kijken en dat precies na te doen. En waar je ineens heel stil en rustig in de rij kunt staan als er boven je hoofd, speciaal voor jou, een toversleutel vliegt die je uit de lucht kunt pakken om je mond mee op slot te doen. En die juf geniet dan weer van die jongen, net 4 weken op school, die haar toevertrouwt dat hij de sleutel niet, zoals wij allemaal, weggooit maar hem in z’n zak stopt. Zo kan hij altijd zijn mond weer open maken. Wat een zelfsturing!

In deze context experimenteerde Evi met in de kring zitten en naar de wc gaan.

Burgerschapsvorming voor en door kleuters op de WC

meisjes- en jongenskleren

.

S’ochtends in de kring is het niet ongewoon dat Evi haar vinger opsteekt; ‘juf, ik moet echt, echt heel nodig naar de wc!’ Ondanks het demonstratieve geschuifel op de stoel is mijn antwoord meestal nee. De ervaring leert dat het zitten in die kring haar gewoon een beetje te lang duurt en dat als ik haar laat gaan er nog tien anderen echt geen minuut langer meer kunnen wachten.

Vandaag wordt het wc-bezoek uitgesteld tot later op de ochtend. De onderwijsassistente komt haar tijdens de speelwerktijd tegen in de wc-ruimte. Daar staat ze, wijdbeens, kaplaarzen aan, tussen klapperende deurtjes temidden van het kindergewoel. ‘Ik moet echt heel nodig plassen!’ roept ze vrolijk terwijl ze direct maar de daad bij het woord voegt. Haar laarzen stromen vol. Met grote interesse volgt ze hoe de onderwijsassistente op zoek gaat naar schone, droge kleren. In haar rugzak vinden ze wel een broek maar geen sokken. In de mand met reservekleding blijken naast sokken ook leggings en een maillot te liggen. Er is zelfs een bloemetjes-broek en iets dat op een rokje lijkt. Eigenlijk wil ze wel een jurk aan of een rok, kan dat ook? Maar nee, ze krijgt alleen de sokken.

Een uurtje later komt ze naar mij toe: ‘Ik heb per ongeluk in mijn broek geplast, echt per ongeluk.’ Voor sommige kinderen is dat een hele gebeurtenis zo niet voor Evi. Gezellig kletsend gaan we weer op zoek naar droog ondergoed. De mand kent ze al en nee hoor, geen probleem; ze doet de kleren zelf wel even aan.

Als ze vlak voor de lunch weer komt melden dat haar broek nat is, vis ik de laatste onderbroek uit de steeds leger wordende mand. ‘Dit is echt de laatste keer hoor! Dan zijn ze op.’ ‘Moet ik dan een jongensonderbroek aan?’ vraagt ze enthousiast. ‘Zitten die in de andere mand?’ Ze wil ze wel even zien en kijken wat dan eigenlijk het verschil is.

En natuurlijk: Als ik buiten kom na mijn eigen korte pauze heeft ze toch weer, een heel klein beetje, in haar broek geplast. ‘Maar het ondergoed was op, weet je nog?’ ‘Er is toch nog een jongensonderbroek, die wil ik wel hoor!’ Ze kijkt me verwachtingsvol maar ook wel wat uitdagend aan. Ik zie dat de schade dit keer beperkt is gebleven en zeg dat we dat niet gaan doen. ‘Oké!’ En weg is ze. Weer een hoop geleerd over hoe het gaat in de wereld en hoe je daar zelf in kunt bewegen.

Thuis wordt genoten van de gebeurtenis die tijdens een wandeling weer bij mij op plopt en waar ik natuurlijk in geuren en kleuren over vertel. Iedere keer dat manlief daarna iets in de krant leest over burgerschapsvorming in het primair onderwijs hoor ik hem gniffelen en zegt hij ‘maar de beste les in burgerschap is toch uitproberen hoe vaak je in je broek kunt plassen, welk ondergoed je daarna uit kunt zoeken en wanneer de grens is bereikt’.

Samen nadenken in de kring

.

Zou onderwijs dat recht doet aan de ontwikkeling van het jonge kind een al te cognitieve benadering af moeten wijzen? Moeten kinderen zich eerst veilig voelen, leren (samen)spelen en een taakje af kunnen maken voordat ze werkelijk kunnen gaan leren? Beginnen kinderen pas op een zekere leeftijd met nadenken en reflecteren? Helma Brouwers laat in haar boek: ‘Waar blijft de kleuter?’ zien dat jonge kinderen vanaf hun geboorte, en vermoedelijk al daarvoor, ongelooflijke grote cognitieve inspanningen en prestaties leveren. Dat ze dat doen met ontzettend veel plezier maar wel op een andere manier dan oudere kinderen. Dus ook, of misschien wel juist, jonge kinderen moeten cognitief worden uitgedaagd! En dat gebeurt vooral als we ze samen laten handelen, praten en spelen. Zo kan een kleutergroep een plek voor ‘shared thinking worden.

In de klas werken we rond het thema ‘Kijk, ik ben gegroeid!’. We maken een woordweb rond ‘groeien’. Max noemt onmiddellijk groeipijn, waar hij vaak last van heeft en hij blijkt niet de enige. Bij het naar buiten gaan hoor ik Gijs zeggen dat hij vandaag nog veel groeipijn heeft maar dat hij morgen even stopt met groeien. We vragen ons af hoe we groeipijn moeten tekenen op het woordweb. ‘Met veel bloed!’ stelt Liam enthousiast voor. ‘Bloed je dan als je groeipijn hebt?’ vraag ik. Nee dat niet. Al pratend constateren we dat je botjes groeien. ‘Maar die kan ik niet tekenen want botjes zijn wit en het papier is al wit’, zegt Isa. Maar op een zwart papiertje met een wit potlood is het zo gepiept. We meten hoe lang we zijn en kijken hoeveel (afgedrukte) handjes passen in de gemarkeerde lengte. Alle kinderen nemen een babyfoto mee die we ter hoogte van de geboortelengte hangen. Als vanzelf gaan de kinderen vergelijken. Wie is er langer? Hoeveel ben ik al gegroeid? En natuurlijk spelen de kinderen: in het consultatiebureau waar je wordt gewogen en opgemeten, waar van alles wordt opgeschreven en genoteerd, waar je een afspraak moet maken en waar je in de wachtkamer moet wachten tot de dokter je roept. We zorgen voor de babypoppen, die we in bad doen, eten geven en in het consultatiebureau laten onderzoeken.

En vandaag vraag ik de kinderen in de kring om iemand te zoeken die even groot is als henzelf. Met 28 kinderen wordt dat een vrolijke drukte. Ik zie dat de meesten hun vriendje opzoeken en ook snel tevreden zijn; ja hoor; net zo groot! Als ik ze vraag beter te kijken ontstaat er verwarring. ‘Hoe kan dat nou? Ik ben bijna 6 en Tim is nog 4 en toch is Tim groter?’ Als we weer zitten vertelt Nora dat zij 2 jaar ouder is dan haar broertje maar dat haar broertje later toch groter wordt. Ik vraag hoe ze dat weet. ‘Omdat jongens groter worden dan meisjes. Dat heeft mijn vader verteld. En je kunt wel groter worden dan iemand anders maar je kunt in leeftijd nooit iemand inhalen.’ Dit nodigt uit tot het geven van heel veel voorbeelden en evenzoveel nieuwe inzichten. Ik vat samen dat je weet hoe oud je bent en weet hoe groot je bent en dat kinderen van 4 niet altijd kleiner zijn dan kinderen van 6. Maar kun je ook weten wie er even zwaar is als jij? Liam denkt dat je dat wel goed kan zien aan iemand zijn vorm. ‘Dat je een beetje dikker bent of dunner’. ‘Maar hoe weet je dat dan zeker?’ Dex, die altijd overal de kleinste dingen opmerkt, heeft allang de verschillende weegschalen zien staan en springt op. Eerst proberen we de balansweegschaal uit. Hoe werkt dat dan? Dex legt aan de ene kant een groot blok en probeert dat aan de andere kant in balans te brengen met heel veel kapla. Dat gaat nooit lukken, ziet Max meteen. En zonder er al te veel woorden aan vuil te maken pakt hij eenzelfde blok voor de andere kant. Maar … de blokken blijken niet even zwaar. Nog steeds zwijgend zoekt hij de balans door de verschillende bakjes aan te vullen met Kapla; 3 aan de ene kant en 2 aan de andere.

We zitten eigenlijk al te lang in de kring en de kinderen worden onrustig. Evi staat op en begint te rommelen in het boekenkastje achter haar. Als ik haar echter vraag of ze net zo zwaar is als haar tweelingzus blijkt ze alles helemaal te hebben gevolgd. Om de beurt gaan de dames op de personenweegschaal staan en ze constateren zelf dat de één 1 kilo zwaarder is dan de ander. En dat terwijl ze er precies hetzelfde uitzien! Nu willen alle kinderen wel even op de weegschaal! Dit is het startschot voor allerlei nieuwe ontdekkingen.

Het is niet altijd makkelijk om al dat enthousiasme in goede banen te leiden maar wat is het heerlijk om samen na te denken in de kring!

Bloggen als ‘werkdrukverlichting’

.

Het wordt al een prettige gewoonte. Aan het eind van de week kruip ik genoeglijk op de bank om een blog te schrijven. Ik scroll door de foto’s op mijn telefoon, herinner me kleine anekdotes, hoor de stemmen van de kinderen in mijn hoofd, vind een briefje, een tekening of een klein vergeten voorwerpje in mijn broekzak; ik zoom in en uit, blijf ergens dralen, verwerp het weer en kies uiteindelijk iets. Dat is het begin. Daarna moet die kleine gebeurtenis, dat ene gebaar in de werveling van beweging, taal worden. En altijd merk ik dat ik al eerder die week begonnen was met het transformeren van de chaos van een kleuterklas tot een verhaal.

Twee weken geleden zag ik in een artikel over Nina Weijers exact deze ervaring verwoord. Niet voor niets maakte ik er een fotootje van. Het concreet maken van de gebeurtenissen in de klas door er woorden aan te geven maakt dat ik beter begrijp wat er gebeurt. Ik krijg grip op al die rommelige ervaringen, die vaak plaatsvinden aan de rand van mijn blikveld. Daarom houd ik van schrijven, het liefst met een beeld erbij. En precies daarom helpt het bloggen tegen de werkdruk.

Die werkdruk is hoog in het onderwijs. Afgelopen vrijdag heb ik gestaakt. Donderdag werkten ik en veel van mijn collega’s wel omdat we de maatregelen, de loonsverhoging en het extra geld voor werkdrukvermindering zeker waarderen. Maar het is niet genoeg! Een paar gymlessen van een vakdocent, iedere week wat uren ondersteuning van een onderwijsassistent en extra geld voor materiaal zijn fijn maar zorgen niet voor structurele werkdrukvermindering. Ik denk dat de klassen niet groter dan 24 kinderen zouden moeten zijn in plaats van door te groeien tot meer dan 30 of er zouden structureel, iedere dag, voor langere tijd meer ‘handen’ in de klas moeten komen. Tja, kom daar nog maar eens om in een tijd met zo’n enorm lerarentekort.

Maar wat mij de meeste werkdruk geeft is dat ik het onderwijs steeds minder in kan richten zoals ik denk dat het goed is. Alle goedbedoelde doel-, opbrengst- en handelingsgerichte modellen ontnemen mij het zicht op wat er werkelijk bij de kinderen gebeurt. Op hoe jonge kinderen leren en ontwikkelen en hoe je van daaruit een stapje verder kunt zetten. Of soms alleen maar aanwezig bent en samen met de kinderen geniet van wat er is.

Het regelmatig schrijven van een blog kost tijd, energie en aandacht. Toch voel ik me wonderlijk uitgerust als een verhaaltje afgerond en gepubliceerd is. En de reacties die ik krijg zijn hartverwarmend. Het stemt mij hoopvol voor de toekomst van het kleuteronderwijs dat zoveel mensen mijn verhalen herkennen.