Maandelijks archief: februari 2020

Samen nadenken in de kring

.

Zou onderwijs dat recht doet aan de ontwikkeling van het jonge kind een al te cognitieve benadering af moeten wijzen? Moeten kinderen zich eerst veilig voelen, leren (samen)spelen en een taakje af kunnen maken voordat ze werkelijk kunnen gaan leren? Beginnen kinderen pas op een zekere leeftijd met nadenken en reflecteren? Helma Brouwers laat in haar boek: ‘Waar blijft de kleuter?’ zien dat jonge kinderen vanaf hun geboorte, en vermoedelijk al daarvoor, ongelooflijke grote cognitieve inspanningen en prestaties leveren. Dat ze dat doen met ontzettend veel plezier maar wel op een andere manier dan oudere kinderen. Dus ook, of misschien wel juist, jonge kinderen moeten cognitief worden uitgedaagd! En dat gebeurt vooral als we ze samen laten handelen, praten en spelen. Zo kan een kleutergroep een plek voor ‘shared thinking worden.

In de klas werken we rond het thema ‘Kijk, ik ben gegroeid!’. We maken een woordweb rond ‘groeien’. Max noemt onmiddellijk groeipijn, waar hij vaak last van heeft en hij blijkt niet de enige. Bij het naar buiten gaan hoor ik Gijs zeggen dat hij vandaag nog veel groeipijn heeft maar dat hij morgen even stopt met groeien. We vragen ons af hoe we groeipijn moeten tekenen op het woordweb. ‘Met veel bloed!’ stelt Liam enthousiast voor. ‘Bloed je dan als je groeipijn hebt?’ vraag ik. Nee dat niet. Al pratend constateren we dat je botjes groeien. ‘Maar die kan ik niet tekenen want botjes zijn wit en het papier is al wit’, zegt Isa. Maar op een zwart papiertje met een wit potlood is het zo gepiept. We meten hoe lang we zijn en kijken hoeveel (afgedrukte) handjes passen in de gemarkeerde lengte. Alle kinderen nemen een babyfoto mee die we ter hoogte van de geboortelengte hangen. Als vanzelf gaan de kinderen vergelijken. Wie is er langer? Hoeveel ben ik al gegroeid? En natuurlijk spelen de kinderen: in het consultatiebureau waar je wordt gewogen en opgemeten, waar van alles wordt opgeschreven en genoteerd, waar je een afspraak moet maken en waar je in de wachtkamer moet wachten tot de dokter je roept. We zorgen voor de babypoppen, die we in bad doen, eten geven en in het consultatiebureau laten onderzoeken.

En vandaag vraag ik de kinderen in de kring om iemand te zoeken die even groot is als henzelf. Met 28 kinderen wordt dat een vrolijke drukte. Ik zie dat de meesten hun vriendje opzoeken en ook snel tevreden zijn; ja hoor; net zo groot! Als ik ze vraag beter te kijken ontstaat er verwarring. ‘Hoe kan dat nou? Ik ben bijna 6 en Tim is nog 4 en toch is Tim groter?’ Als we weer zitten vertelt Nora dat zij 2 jaar ouder is dan haar broertje maar dat haar broertje later toch groter wordt. Ik vraag hoe ze dat weet. ‘Omdat jongens groter worden dan meisjes. Dat heeft mijn vader verteld. En je kunt wel groter worden dan iemand anders maar je kunt in leeftijd nooit iemand inhalen.’ Dit nodigt uit tot het geven van heel veel voorbeelden en evenzoveel nieuwe inzichten. Ik vat samen dat je weet hoe oud je bent en weet hoe groot je bent en dat kinderen van 4 niet altijd kleiner zijn dan kinderen van 6. Maar kun je ook weten wie er even zwaar is als jij? Liam denkt dat je dat wel goed kan zien aan iemand zijn vorm. ‘Dat je een beetje dikker bent of dunner’. ‘Maar hoe weet je dat dan zeker?’ Dex, die altijd overal de kleinste dingen opmerkt, heeft allang de verschillende weegschalen zien staan en springt op. Eerst proberen we de balansweegschaal uit. Hoe werkt dat dan? Dex legt aan de ene kant een groot blok en probeert dat aan de andere kant in balans te brengen met heel veel kapla. Dat gaat nooit lukken, ziet Max meteen. En zonder er al te veel woorden aan vuil te maken pakt hij eenzelfde blok voor de andere kant. Maar … de blokken blijken niet even zwaar. Nog steeds zwijgend zoekt hij de balans door de verschillende bakjes aan te vullen met Kapla; 3 aan de ene kant en 2 aan de andere.

We zitten eigenlijk al te lang in de kring en de kinderen worden onrustig. Evi staat op en begint te rommelen in het boekenkastje achter haar. Als ik haar echter vraag of ze net zo zwaar is als haar tweelingzus blijkt ze alles helemaal te hebben gevolgd. Om de beurt gaan de dames op de personenweegschaal staan en ze constateren zelf dat de één 1 kilo zwaarder is dan de ander. En dat terwijl ze er precies hetzelfde uitzien! Nu willen alle kinderen wel even op de weegschaal! Dit is het startschot voor allerlei nieuwe ontdekkingen.

Het is niet altijd makkelijk om al dat enthousiasme in goede banen te leiden maar wat is het heerlijk om samen na te denken in de kring!

Bloggen als ‘werkdrukverlichting’

.

Het wordt al een prettige gewoonte. Aan het eind van de week kruip ik genoeglijk op de bank om een blog te schrijven. Ik scroll door de foto’s op mijn telefoon, herinner me kleine anekdotes, hoor de stemmen van de kinderen in mijn hoofd, vind een briefje, een tekening of een klein vergeten voorwerpje in mijn broekzak; ik zoom in en uit, blijf ergens dralen, verwerp het weer en kies uiteindelijk iets. Dat is het begin. Daarna moet die kleine gebeurtenis, dat ene gebaar in de werveling van beweging, taal worden. En altijd merk ik dat ik al eerder die week begonnen was met het transformeren van de chaos van een kleuterklas tot een verhaal.

Twee weken geleden zag ik in een artikel over Nina Weijers exact deze ervaring verwoord. Niet voor niets maakte ik er een fotootje van. Het concreet maken van de gebeurtenissen in de klas door er woorden aan te geven maakt dat ik beter begrijp wat er gebeurt. Ik krijg grip op al die rommelige ervaringen, die vaak plaatsvinden aan de rand van mijn blikveld. Daarom houd ik van schrijven, het liefst met een beeld erbij. En precies daarom helpt het bloggen tegen de werkdruk.

Die werkdruk is hoog in het onderwijs. Afgelopen vrijdag heb ik gestaakt. Donderdag werkten ik en veel van mijn collega’s wel omdat we de maatregelen, de loonsverhoging en het extra geld voor werkdrukvermindering zeker waarderen. Maar het is niet genoeg! Een paar gymlessen van een vakdocent, iedere week wat uren ondersteuning van een onderwijsassistent en extra geld voor materiaal zijn fijn maar zorgen niet voor structurele werkdrukvermindering. Ik denk dat de klassen niet groter dan 24 kinderen zouden moeten zijn in plaats van door te groeien tot meer dan 30 of er zouden structureel, iedere dag, voor langere tijd meer ‘handen’ in de klas moeten komen. Tja, kom daar nog maar eens om in een tijd met zo’n enorm lerarentekort.

Maar wat mij de meeste werkdruk geeft is dat ik het onderwijs steeds minder in kan richten zoals ik denk dat het goed is. Alle goedbedoelde doel-, opbrengst- en handelingsgerichte modellen ontnemen mij het zicht op wat er werkelijk bij de kinderen gebeurt. Op hoe jonge kinderen leren en ontwikkelen en hoe je van daaruit een stapje verder kunt zetten. Of soms alleen maar aanwezig bent en samen met de kinderen geniet van wat er is.

Het regelmatig schrijven van een blog kost tijd, energie en aandacht. Toch voel ik me wonderlijk uitgerust als een verhaaltje afgerond en gepubliceerd is. En de reacties die ik krijg zijn hartverwarmend. Het stemt mij hoopvol voor de toekomst van het kleuteronderwijs dat zoveel mensen mijn verhalen herkennen.