Maandelijks archief: januari 2020

Waarom kleuterjuffen soms zo moeilijk doen

.

‘Juf, ik wil iets vragen.’ De kinderen spelen na de lunch nog even buiten en Isa komt opvallend netjes en beleefd naast mij lopen als ik na mijn korte pauze weer terugkom op het plein. ‘Ik weet wel dat het kaartje van het knutselen niet op het kiesbord hangt maar mag ik misschien toch alstublieft iets maken? Want het moet voor Stijn, want die was verdrietig.’ In mijn hoofd ga ik razendsnel alle geplande activiteiten na: kleine kringen en ander ‘doelgericht’, ‘gestructureerd’ aanbod dat ik heb voorbereid. Om tijd te winnen vraag ik door en ik hoor dat Stijn verdrietig was omdat hij zijn moeder miste. ‘Wat wil je dan maken?’ vraag ik. Ze fronst haar voorhoofd, beweegt alvast wat met haar handen en dan komt daar ineens dat woord: een KOMPAS. ‘Ik ga een kompas maken! Die kun je omdoen en die is altijd bij je als je je vader en je moeder mist.’ Ik ben verrast door de efficiëntie van dat onalledaagse woord. Een kompas dat de weg wijst zodat je wat verder de grote wereld in kunt stappen maar ook altijd weet hoe je snel terug kunt naar je vertrouwde, veilige thuis. Isa kent het gevoel goed. Ze mist zelf, ondanks dat ze al dik 5 jaar is, nog regelmatig haar vader, moeder, broertje en zusje als ze op school is. En het is me al vaker opgevallen hoe gevoelig ze is voor de emoties van anderen.

Natuurlijk ben ik allang om en gaat Isa binnen aan de slag met papiertjes, stiften, plakband, een schaar, een prikpen en wol. De ietwat verbouwereerde Stijn krijgt een piepklein papiertje aan een draadje omgehangen met daarop getekende knopjes. Daarna gaat ze in één moeite door met een kompas voor zichzelf. Noa, die vandaag na school ook nog naar de buitenschoolse opvang moet, wil ook wel zo’n kompas. Samen werken de meiden verder. Noa krijgt gedetailleerde instructies maar geeft er toch haar eigen draai aan. Op een langwerpig stuk papier tekent ze haar hele familie. Dit moet als een band om haar arm komen. ‘Hoe heet het ook alweer?’ hoor ik haar een aantal keer vragen. ‘Een kompas.’ Het woord begint rond te zingen in de klas. Aan het eind van de middag is Noa intens gelukkig met mijn plakbandje dat de armband compleet maakt. ‘Nu hoef ik nóóit meer naar huis want ik heb een kompas’.

De volgende dag is het Nienke die heel verdrietig is als haar moeder, na een prachtige ‘doktersdemonstratie’ bij ons in de kring, toch naar huis gaat. Ze blijft hartverscheurend huilen en ineens herinner ik mij het kompas van gisteren. Noa spring op en zoekt haar hele lijf af. De armband is weg maar in haar hoofd is ‘ie er nog. Nienke’s verdriet is meteen verdwenen als Isa uitlegt hoe het werkt. En ja, natuurlijk wil ze die wel even met haar maken. Samen wordt druk overlegd. Er moet een moeder getekend worden. Hartjes zijn ook heel belangrijk. Volgens Isa moeten er knopjes bovenaan om je vader en moeder te kunnen bellen. Nienke doet die toch liever aan twee kanten naast de moeder want dat werkt veel beter. Het kompas van Isa komt weer aan een ketting dichtbij haar hart te hangen terwijl dat van Nienke als een vliegertje achter haar aan wappert.

Bijna iedere kleuterleerkracht zal het herkennen; hoe je iedere dag weer balanceert tussen het formele onderwijsaanbod en het improviseren rond al die grote en kleine gebeurtenissen in een groep 1/2. Hoe de kinderen vaak iets anders en misschien wel veel meer leren dan jij van te voren kon bedenken. Zoals Isa, Noa, Nienke en misschien ook Stijn hebben geleerd hoe je betekenis kunt geven aan een ervaring door iets te maken. Hoe je woorden kunt geven aan een gevoel. En hoe je dat tot in detail met elkaar kunt bespreken. En misschien nog wel het allerbelangrijkste: hoe je je in een ander kunt verplaatsen. Jonge kinderen kunnen nog niet op een andere manier leren dan vanuit dat ene moment dat nu betekenis voor hen heeft. En dát is waarom kleuterjuffen vaak zo moeilijk doen als het gaat om het halen van formele leerdoelen.

Kijk eens wat ik al kan!

.

Het is een engelachtig jongetje. Dromerige ogen als spiegeltjes. Eerst kijkt hij alleen, zijn doekje veilig in zijn knuist geklemd. Hij lijkt op zijn tenen te lopen en als hij tekent houdt hij zijn potlood vast als een veertje dat zachtjes aait over het papier. Maar … hij weet alles van cijfers, telt, bijna zingend, in het Engels heen en terug tot minstens 50, vertelt terloops dat 2 en 8 10 is maar 3 en 7 ook en 4 en 6 en 5 en 5 natuurlijk. Het eerste wat hij mij vroeg was de maat van mijn schoenen om dit daarna tevreden te vergelijken met de maat van zijn moeder, zijn vader, zijn oma en zijn peuterjuffen. Ik was in kaart gebracht

Hij houdt best van buiten spelen, ook al is het spannend met al die steppen en fietsen die van verschillende kanten op je af komen en met karren die op hoge snelheid rakelings langs je heen denderen. Gelukkig heeft hij een vriend die hij nog kent van de peuterspeelzaal. Samen zijn ze werkmannen en sjouwen met planken en banden. Hij met in zijn ene hand het doekje dat als een klein vlaggetje fier in de lucht wappert terwijl hij met zijn andere hand probeert een band in evenwicht te houden. Ik zie hem schrikken van onverwachtse geluiden, van alle beweging die ongecontroleerd langs en door zijn spel heen flitst. En als zijn vriendje in die eerste weken een keertje ziek is of met iemand anders speelt staat hij onzeker in een hoekje van het plein. ‘Ik ga zo naar huis’, zegt hij terwijl de tranen een voor een uit zijn ogen druppen.

‘Juf, kijk eens wat ik al kan!’ zegt hij een paar maanden later. ‘Ik kan die hoogste al aanraken.’ En natuurlijk wil ik kijken hoe hij, nog steeds voorzichtig en met beleid andere kinderen ontwijkend, helemaal tot bovenaan het klimrek klimt. Eerst met zijn handen op de bovenste lat, daarna hoger en hoger. Totdat hij op de hoogste sport staat. Zijn vriendje is al ergens anders gaan spelen maar het deert hem niet. Even gaat hij helemaal op in wat hij al kan, zelf, in zijn eigen lijf. Om daarna achter de anderen aan te rennen.

Ieder kind ontwikkelt zich weer anders, denk ik als hij ineens samen met Anne langs komt huppelen. Ze zijn vogels, babyvogeltjes eigenlijk. Ze zoeken eten, fladderen achter elkaar aan, af en toe hand in hand. Het doekje is niet meer nodig.

De magie van het maken

.

Eigenlijk heeft ze geen tijd voor de gewone begroeting van iedere ochtend. Ze moet hoognodig iets heel belangrijks vertellen:

‘Ik heb magische krachten gekregen van Isa!’

Na de uitroep staat ze stil, kijkt schuin omhoog, alsof zich daar nog een spoor van de magie bevindt. Haar tante lacht, net zoals een paar andere moeders en vaders die hun kind naar school brengen. ‘Goh’, zeg ik, ‘wat goed, kan ik ook van die krachten krijgen?’ ‘Nee, het moet met de toverstok. Isa, heeft een toverstok; zo!’ Ze springt omhoog, komt neer met haar benen wijd, spreidt haar armen uit en zwaait met de denkbeeldige toverstok. ‘Nu kan alles in ijs veranderen en dan gaat het sneeuwen. Maar het moet wel buiten.’ Ik herken het Frozen-thema maar denk ook dat Nienke een belangrijke stap in haar ontwikkeling heeft gezet. Niet alleen kan ze zich van alles voorstellen, ze kan ook aanhaken bij de voorstellingen en verhalen om haar heen. Als we later die dag buiten spelen zie ik het weer. De kinderen spelen ‘ijskoning’. Er is een ijskoningin met twee baby’s waarvan er één opgroeit en de ander klein en afhankelijk blijft, er is een ijspaleis, een koets met een paard ervoor en een oppasser voor de baby’s en het paard. Het ijspaleis bevindt zich op een heuveltje, banden en planken zijn bedden en tafels, scheppen laten zien waar de deur is, er zijn emmers waarvan mij de functie niet helemaal duidelijk is maar voor de kinderen die meespelen is het zonneklaar. Soms wordt er onderhandeld en verandert een bed met een kleine ingreep in een tafel of ontstaat er een stal in het paleis. Kinderen die zich niet houden aan deze ongeschreven regels over wat iets voorstelt worden onverbiddelijk weggebonjourd. Een paar weken geleden had Nienke nog veel moeite met het vinden van aansluiting bij het spel van anderen, nu doet ze helemaal mee.

Als we naar binnen gaan is Isa, die de magie van het maken tot in de puntjes beheerst, verdwenen. Ze blijkt al in de klas te zijn. Op de grond in de deuropening is ze bezig met een takje, een blaadje en plakband. Tijdens de speelwerktijd, later, gaat ze verder. Sil vraagt aan mij wat Isa toch aan het doen is. Ik hoor mijzelf terug als Isa antwoordt dat hij dat aan haar moet vragen dat ze het dan wel zal vertellen. Ze maakt namelijk een indianenhoed.

De tekentafel met verschillende formaten papier, potloden, stiften, plakband, een perforator en draadjes en lintjes is favoriet tijdens het spelen en werken. Ook Nienke schuift aan. Aandachtig kijkt ze toe hoe Anne een echt tasje maakt van papier; er kan iets in, er zit een hengsel aan en het is aan de buitenkant mooi versierd. Dat wil ze óók. Worstelend, soms stampvoetend omdat het niet lukt, krijgt ze het voor elkaar om ook een tasje te maken. ‘Het is dezelfde als van Anne maar toch een beetje anders gemaakt’, legt ze later uit in de kring.

Steeds vaker denk ik dat het een van de belangrijkste ontwikkelingen is in de kleutertijd; het maken en gebruiken van symbolen en het begrijpen van de symbolen van anderen. Dit leren kinderen door te spelen én door te ‘maken’. En al die letters, cijfers en teksten, die tenslotte ook allemaal symbolen zijn, gedijen later veel beter in een goed ontwikkeld symbolisch denken.  

Ons fotoboek

.

Iedereen knikt instemmend als Gijs vertelt over die keer dat zijn vinger gebroken was. ‘Weet je nog juf, toen zag je het gips om mijn vinger’. ‘Ja’, ‘ja’, klinkt het van alle kanten. ‘Ja, toen lag je in bed in het ziekenhuis en toen zag je dat’. Ik zoek naarstig mijn herinneringen af maar kan geen moment vinden waarin ik Gijs met gips of mitella ben tegengekomen of berichten kreeg over een ziekenhuisopname. Totdat Lisa zegt dat er toen ook een foto was gemaakt. Dan begint me iets te dagen. Dit schooljaar ben ik weer eens gestart met een ‘klassen-fotoboek’. Alle kinderen kregen een blad mee met hun naam erop, dit konden ze vullen met foto’s van thuis. Al gauw kwamen de bladen terug, vaak gevuld met veel kleine fotootjes. De kinderen thuis, met papa en mama, broertjes en zusjes, hun speelgoed, een huisdier, samen met vriendjes en vriendinnetjes in hun eigen kamer, in de tuin, buiten op straat of op een verre vakantiereis. Zo zit er in het boek ook een blad met foto’s van Gijs. Op een van de foto’s zien we de twee of driejarige held in bed met zijn hand in het gips.

Het fotoboek is al snel favoriet. Als de kinderen die klaar zijn met de lunch nog even een boekje mogen lezen vindt er een ware stormloop op ons fotoboek plaats. Vooraf worden alvast afspraken gemaakt; ‘mag ik na jou?’ ‘En daarna ben ik aan de buurt’, ‘en ik’, ‘en ik’. De broodjes zijn ineens snel op. Het bekijken van de fotobladen gaat snel en de aandacht lijkt vluchtig. Toch krijgen ze er geen genoeg van om steeds opnieuw dezelfde foto’s te bekijken. Ondertussen wordt alles benoemd; wie is wie, waar zijn ze, wat gebeurt er? Om dat meteen te relateren aan hun eigen ervaringen; ‘dat was het zwembad, daar was ik ook, in het rode badje zit ik.’ ‘Mijn poes is zwart.’ ‘Mijn poes is dood’. Of; ‘Wow, dat zijn veel pannenkoeken, lekker!’

Nelson (2009) schetst in haar boek ‘Young minds in possible worlds’ hoe de wereld van kinderen vanaf een jaar of 4 snel groter wordt. Steeds beter kunnen ze zich dingen voorstellen die er op dat moment niet zijn maar die misschien lijken op iets wat ze zelf ongeveer zo hebben meegemaakt. En steeds meer maken ze een (autobiografisch) verhaal van de betekenisvolle gebeurtenissen in hun leven. Die verhalen worden verknoopt met die van anderen waarover ze hoorden, die ze zagen op TV (of fotoboek) of voorgelezen kregen. En altijd zijn zijzelf het stralende middelpunt. Zo ontstond in mijn groep van vorig jaar de gewoonte om als we naar een filmpje keken meteen de rollen te verdelen. ‘Ik ben die vaderleeuw’, ‘en ik de moeder’, ‘en ik ben dat babyleeuwtje’. Om daarna op te springen, te grommen en mee te bewegen met alle acties. De scheidslijn tussen de eigen ervaring en die van anderen is nog dun en vloeibaar.

Jezelf in de wereld leren kennen; het verklaart de gretigheid om steeds opnieuw dezelfde foto’s te zien. En het is genieten om dat van dichtbij mee te maken.

We zullen, zal ik, in het nieuwe jaar ….

1 januari 2020

Het eerste rondje hardlopen in het nieuw jaar. Mistig land, kaal, leeg, resten opgehoopt vuurwerk. Ik kom één wandelaar en één fietser tegen op het pad tussen de weilanden. Langzaam loop ik mij warm en richten mijn gedachten zich, langzaam komen de plannen. Alle verhalen van de kinderen in mijn klas; kleine gebeurtenissen, kinderen die groeien en zich ontwikkelen, die van alles meemaken, kinderen die met hun eigen karakter en al hun eerder opgedane ervaringen een plekje vinden in onze groep, in de school, in de wereld; ik zou het weer wat vaker op moeten schrijven. Korte afgeronde gebeurtenissen, kleine kind-portretjes. Niet meer dan 500 woorden en misschien wel iedere week. Ook als tegenwicht of misschien eerder een aanvulling op alle methodes, het doelgerichte werken en de leerlingvolgsystemen. Opdat we niet vergeten dat iedere plus of min die wij als leerkracht ergens invullen geworteld is in een gebeurtenis, in een ervaring van een kind dat de wereld wil leren kennen en wil begrijpen, dat ontdekkingen doet, relaties aangaat, vriendjes maakt, tekent, schildert en voortdurend dingen maakt, verhalen maakt en die uitspeelt. Ieder plus of min die wij invullen in een leerlingvolgsysteem, registreren wij vanuit ons eigen blikveld. Geen objectief feit dus! Terwijl dat vinkje zomaar een eigen leven kan gaan leiden in een systeem.

Ondertussen heb ik de weilanden al bijna weer achter mij gelaten en kom ik een collega tegen op de fiets. Mijn gedachten kristalliseren zich uit tot een heus ‘goed voornemen’. Op straat staan een vader en zoon vuurwerkresten in vuilniszakken te proppen, ik steek mijn duim omhoog. ‘Ja, anderen maken rotzooi en wij ruimen op, zo maken we de wereld weer een stukje mooier’ lachen ze. Ja, de wereld een stukje mooier maken. Dat gaan we doen!

…. dacht ik. Maar een ongebruikte, niet beheerde website stort langzaam in elkaar. En terwijl ik mijn blog wil posten doen steeds meer knoppen het niet meer, verschijnen er alarmerende foutmeldingen. De schrik verspreid zich als een snel opkomende koorts van mijn tenen naar mijn kruin, van mijn diep in mijn keel tot aan mijn vingertoppen. En na een week en veel chat-gesprekken, hulpvragen, het volgen van heel veel stappenplannen, slapeloze nachten en zenuwachtige acties verder doet bijna alles het weer. Bijna; alleen mijn homepage niet. Maar ik besluit dat nog maar even uit te stellen.

Dus hier gaat ‘ie dan ……. we zullen, ik zal, in het nieuwe jaar!