woordenschat

Woordenschat

IMG_0606

..

Bijna herfstvakantie. ’s Ochtends vroeg, onderweg naar de dokter zie ik hoe flarden mist boven de weilanden hangen. Een week later, op weg naar Antwerpen is het weer op een heel andere manier mistig. In Nederland genieten we van de zon in een stralend blauwe lucht met af en toe een mooi, wit schapenwolkje. Maar als we België binnenrijden verandert het. Eerst zweven dicht bij de grond witte nevelflarden over de akkers en weilanden. Een windturbine lijkt de grijswitte damp wel uit de grond omhoog te malen. De zon schijnt tussen de vlagen mist door en laat druppels glinsteren. Steeds dikker en dichter wordt de mist, totdat we een grauwe wereld binnenrijden.  Langs de weg zien we alleen nog maar een smalle strook berm en daarachter de contouren van bomen, huizen, schuren of een hek.

Ik moet denken aan de woordkaartjes over het weer die ik met de kinderen besprak. Zon, regenachtig, hagel, bewolkt en zelfs half-bewolkt was helemaal niet moeilijk. Toen kwam er een kaartje waar ik zelf ook eerst even goed naar moest kijken: schematisch getekende huizen waarvan steeds even een stukje ontbrak met daardoorheen bibberige strepen. Een net 4 jarige wist het toch meteen: ‘mist’. Andere kinderen vulden hem aan. ‘Dan kun je alles niet meer zo goed zien.’ ‘Maar alles is er wel!’ ‘Dat komt omdat de wolken dan helemaal naar beneden zijn’. ‘Ja, de wolken zijn dan op de grond en alles ziet er zo wittig uit.’ Wonderlijk eigenlijk dat de net 4 jarige Giel dat al weet. Zo vaak zal hij toch niet bewust mist gezien hebben in zijn leven. Een herfst geleden was hij nog maar 3. Misschien is er een aantal keren iets gebeurd dat de mensen om hem heen mist noemden. Misschien heeft hij een verhaal gehoord waarin mist voorkwam of zag hij een filmpje op TV. Al die verschillende ervaringen moet hij koppelen aan dat ene woordje ‘mist’ en daarna ook nog eens aan een schematisch plaatje. Een prestatie van formaat zou je zo zeggen.

Bij veel kinderen gaat dit bijna als vanzelf. Maar niet bij allemaal. Een paar jaar gelden las ik voor uit ‘Pluk van de Petteflet’. Onderweg naar de kluizelaar komt Pluk met zijn kraanwagentje in de mist terecht en verdwaald. Nanne van dik 6 jaar keek me niet begrijpend aan. ‘Heb jij wel eens mist gezien?’ vroeg ik. Nee, dat had ze niet. De andere kinderen hielpen enthousiast en vertelden alles wat ze wisten over mist en wolken. We keken naar het plaatje waarin we de koplampen van Pluks wagentje door het grijs zagen schijnen. We zochten op internet andere plaatjes over de mist. Maar ik wist niet goed of het er voor Nanne iets duidelijker op werd. Totdat we een week later buiten speelden. Ineens hoorde ik naast me een kinderstem opgetogen roepen: ‘Juf kijk, ik zie wolken! Juf zijn dat wolken? Ik kan de wolken zien!’ Bijna reageerde ik met: ‘Ja, he he, dat zijn nou wolken.’ Maar toen zag ik dat het Nanne was die zo blij naast me stond te springen. Ik volgde haar blik omhoog. In de blauwe lucht hingen prachtige witte, donzige wolkjes.  En Nanne had ze gezien, opgemerkt en benoemd. Genietend proefde ze het woord als het ware op haar tong: ‘wolken…., wolken ….., allemaal wolken’. Zou ze dit opgemerkt hebben omdat we het over wolken en mist hadden gehad? Kon ze nu de relatie leggen tussen die witte, donzige vormpjes boven haar en het woord ‘wolken’ in verhalen en tussen dat fenomeen in de lucht en allerlei kennis en wetenswaardigheden? En dat waren dan alleen nog maar de woorden wolken en mist. Er zijn nog duizenden andere woorden en begrippen die 4 en 5 en 6 jarigen zich in sneltreinvaart eigen maken. In iedere kleutermethode staat bij elke les een rijtje woorden die aangeboden en liefst ook weer getoetst moeten worden. Ik wordt er altijd een beetje duizelig van. Kan ik, als juf, al die duizenden woorden die kinderen moeten kennen afzonderlijk aanleren? En er dan ook nog voor zorgen dat die woorden deel gaan uitmaken van hun wereld, dat ze ze niet weer vergeten zijn na 2 maanden? Gelukkig merk ik steeds weer dat de meeste kinderen zoveel zelf kunnen. Dat ze uit een rijke, talige omgeving vanzelf ontzettend veel woorden oppikken en dat ze die woorden ook weer  gaan gebruiken. Na de vakantie presenteren de kinderen in onze zelfgemaakte TV het weerbericht en ze gebruiken moeiteloos woorden als regenachtig, half-bewolkt of mistig. En na de storm waarbij zoveel bomen omwaaiden, ook orkaan, windhoos en tornado. ‘Het weer komt vanaf de zee ons landen binnen waaien’ zegt Gijs als een echte nieuwslezer. Zelfs kinderen als Nanne doen voorzichtig mee.

En wij? Als we in Antwerpen het MuHKA binnengaan is het nog steeds grauw, grijs en mistig. Maar een uur later zitten we in een werk van James Turrel. Een klein houten huisje buiten op het dak van het museum.  Bij de ingang hangt een bordje waarop staat: ‘There is no light. Even when all the light is gone, you can still sense light.’ Zittend op een van de houten banken langs de wand kijk je als vanzelf omhoog door de vierkanten uitsnede in het plafond. Nu is er wel licht, veel herfstig licht. Achter witte wolken-flarden zien we een helder blauwe lucht . Het is nog een beetje vochtig maar fris en prikkelend. Een schoon gewaaide wereld. Echt herfstweer en we hebben daar heel veel woorden voor.

IMG_0619

Heel veel voorlezen!

decoration_heks

De boze heks is ziek. Ze kan niets meer, zelfs het toveren lukt niet. Daarom moeten de andere dieren in het bos haar voor één keer helpen. Maar Gijs gelooft er niets van. ‘Ik heb dat boek wel eens eerder gelezen. En het is altijd een list. In het volgende verhaal kan ze gewoon weer toveren, dan tovert ze je in een dennenappel en zo, dan heb je er heel veel last van.’ En inderdaad als ik de volgende dag verder lees uit het boek van Hanna Kraan snerpt het ‘oei, oei, oei, oei!!’ weer vervaarlijk door het bos. Lore is die dag de hulp en zit mij van dichtbij met grote ogen aan te kijken. Als de boze heks aan het eind van het verhaal nog een keer in woede ontsteekt springt ze op. Vlak voor me danst ze heen en weer, duikt weg, maakt opgewonden gebaren en roept ‘neehee, nee!’ Pas als alle dieren veilig samen appeltaart eten komt ze weer zitten. Met een mengeling van opwinding, angst en genot vertrouwt ze me toe dat ze dacht dat ík de boze heks was. ‘Echt, echt waar. Ik dacht dat je het echt was en mij zo –oei, oei, oei!- wilde pakken!’ Ondertussen duikt ze opgewonden lachend en springend nog een keertje weg.

Als ik dit later, tijdens de eerste wandeling in mijn pas begonnen herfstvakantie, vertel moet ik denken aan een herinnering uit mijn eigen schooltijd. Ik zit met alle kleuters op een mat en midden in de klas staat een grote, massieve trap, hij komt tot aan het plafond. Die trap is net zo werkelijk als de andere kinderen, het lokaal en de juf. Die juf gaat onderaan de trap staan en roept omhoog: ‘Kaatje, ben je boven?’ Bovenaan de trap verschijnt een soort Saartje met een zwarte jurk, een wit schortje en een kapje op haar hoofd. Ze zegt: ‘Ja, mevrouw’. ‘Wil je wat beloven?’ ‘Ja mevrouw.’ ‘…..’ Nog steeds zie ik het hele tafereel meteen voor me als ik aan dit versje denk. Of hij dit herkent, vraag ik mijn lief. ‘Nee, zoveel fantasie heb ik niet’, antwoord hij meteen. Maar dan, na even nadenken: ‘…. of toch wel. We gingen vroeger eens naar een boerderij. Ik herinner me dat er in de stal een geit stond die kon praten. Misschien vroeg de meester iets aan die geit, misschien gaf hij ook antwoord. In ieder geval hoorde ik uit de mond van de geit een antwoord komen, met een soort geitenstem.’ Hij glimlacht bij de herinnering.

Fantastisch eigenlijk, dat kinderen dat kunnen. Verhalen maken, naar verhalen luisteren, in die verhalen geloven en ze helemaal voor zich zien. Zou dat rond een jaar of 2 beginnen? Een auto die de hoek omgaat. Een poes waarvan het etensbakje omvalt. En dan steeds ingewikkelder. Bij 4 en 5 jarigen gaat het vaak moeiteloos. De grens tussen verhaal en werkelijkheid is nog vaag en realiteit en fantasie lopen voortdurend in elkaar over. Alhoewel ze toch weten: heksen bestaan alleen in verhalen en als het boek dicht is kan juf niet meer toveren. Ze hebben al geleerd dat je in je verbeelding kunt spelen met ideeën, dat onmogelijke dingen in je gedachte toch kunnen bestaan, hoe het is om iemand anders te zijn en hoe je zou kunnen reageren als de boze heks woedend wordt omdat je hebt gezegd dat je wilde dat ze wegwaaide.

Ieder kind zou dus veel moeten worden voorgelezen. Niet alleen omdat het dan een grotere woordenschat krijgt of een betere taalontwikkeling of omdat het dan sneller en beter leert lezen. Maar ook of vooral om al die andere dingen!

..

boze heks

.. 

Jan zei het altijd zo: ‘Heel veel voorlezen en verder met rust laten!’ Onze kinderen hebben ervaren hoe heerlijk dat was. Vele jaren vol genoeglijke, spannende voorlees-uren lang. Van peuters die boos of verdrietig zagen hoe een andere poes zomaar het eten van Dikkie Dik opat tot 10 en 12 jarigen die in een vakantiehuisje uren luisterden hoe Frodo uit ‘In de Ban van de Ring’ zijn queeste volbracht.