tekenen

Speeldrift

IMG_2231

.

‘Er is een dierenmishandelaar bij ons in de klas!’ Iedereen, net nog druk en lawaaiig aan het opruimen, houdt geschrokken zijn mond. Ook ik en de onderwijsassistent. ‘DIE-REN-MIS-HAN-DE-LING!!!’ Ze spuugt iedere lettergreep met nadruk mijn richting uit. Haar ogen zijn groot van verontwaardiging, haar hele houding een en al onverzettelijkheid, haar blonde krullen gooit ze woest naar achteren. Ik denk aan een spin die een voor een zijn pootjes wordt uitgetrokken, een gestorven vlieg die wordt platgestampt.  ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik voorzichtig. ‘Nou, een kikker is in een heel klein hokje gestopt. Gewoon GE-PROPT !’ Gespannen wacht ze op mijn reactie. Achter haar zie ik in de huishoek de vermoedelijke dader verstarren. ‘Ik wou ‘m alleen maar opruimen’ fluistert hij dan met een hoog stemmetje. Er begint me iets te dagen. We werken rond het thema vriendschap van de kinderboekenweek. Kikker van Max Velthuis logeert in de huishoek. Bovendien maken we aan het begin van het schooljaar samen onze ‘gouden regels’ en praten we regelmatig over hoe we met elkaar om (willen) gaan. Als ik tegen de potentiële dierenmishandelaar zeg dat kikkers wat meer ruimte nodig hebben omdat ze natuurlijk wel moeten kunnen springen, gaat er een zucht van verlichting door de klas. Een ogenblik later is iedereen weer aan het opruimen. De orde is herstelt. Zo ga je om met kikkers. Het is een spel, dat weten ze allemaal en toch is het bloedserieus.

.

In de kring lees ik het verhaal voor van kikker die een beertje vindt tussen de herfstbladeren. Dat beertje wordt zijn beste vriend. Met kleine poppetjes en attributen speel ik het verhaal ondertussen uit. Als ik vraag wie er wil spelen met de verteltafel van kikker in de speelhoek in de gang, nu ingericht als bibliotheek, steekt bijna iedereen zijn vinger op. Ook Catarina en Isabelle; twee jonge meisjes, verlegen, nog erg gericht op elkaar en niet altijd betrokken bij wat er in de hele groep gebeurt.  Ik geef ze het dienblad met daarop kikker en zijn vriendjes. Voorzichtig en geconcentreerd lopen ze ermee naar de gang om binnen een minuut weer voor mijn neus te staan. ‘Jullie mogen in de bibliotheek spelen hoor.’ ‘Echt?’ Een beetje onwennig maar opgewonden giechelend verdwijnen ze weer naar de gang. Als ik 10 minuten later kom kijken ligt kikker met beertje in het bedje te slapen, over de grond verspreid  liggen de herfstblaadjes, de anderen dieren en de twee meiden daartussen, fluisterend met elkaar en rommelend met de spulletjes. Ze hebben voorlopig mijn hulp niet nodig. De kinderen in de huishoek willen ondertussen boeken ruilen in de bibliotheek. Die blijkt vaak gesloten. Af en toe komen ze klagen bij mij: Dat ze boeken terug moeten brengen maar dat de bibliotheek dicht is. Of dat ze nog boeken aan het uitzoeken waren en dat toen ineens de bibliotheek gewoon weer dicht ging. Ik neem weer een kijkje op de gang. Isabelle en Caterina hebben het open- en dicht-bord ontdekt. Een op elkaar geplakte groene en rode cirkel aan een touwtje, door een andere groep gemaakt en met het touwtje aan de telefoon gehangen. Dit magische teken geeft ze ontzettend veel vrijheid. Als ‘ie op rood staat wordt dat door ieder kind gerespecteerd en kunnen ze zonder gestoord te worden de hele hoek ontdekken. Ze zitten op de hoge stoel achter de balie, typen op het toetsenbord, schrijven in de agenda, rommelen met kaartjes en spelen met de verteltafel en de boeken. Als ze het bordje omdraaien met de groene voorkant naar voren gonst het al snel door de gangen dat de bibliotheek weer open is en komen de kinderen uit de huishoek naar de bibliotheek. Dat is soms overweldigend want niet iedere bezoeker gedraagt zich zoals het hoort. Maar dan draai je gewoon het bordje weer om. Wat leren die twee meiden veel. Niet alleen sociaal en emotioneel maar ook cognitief. Want dat een bordje met een kleur een teken kan zijn voor het begrip ‘dicht’ of ‘open’ en wat die begrippen dan allemaal behelzen is belangrijke kennis. Het is ook een vaardigheid die je nodig hebt om later te kunnen gaan lezen en schrijven.

.

Ook Dries wil graag dat dingen gebeuren zoals hij ze bedenkt. Een jaar lang heeft hij goed gekeken naar het bouwen. Nu de oudsten naar groep 3 zijn begint hij zijn eigen plannen uit te voeren. ‘s Ochtends bij binnenkomst scant hij de mogelijkheden; is er nieuw materiaal? Wat kan hij daarmee? Is de bouwhoek open en heeft juf zijn sleutelhanger nog niet bij een andere activiteit gehangen? Al snel bedenkt hij hoe je een huis kunt bouwen waar je zelf in past. Hij ontwerpt een dakconstructie, spaart een ruimte uit voor een raam, wat weer uitnodigt tot materiaal van buiten naar binnen schuiven of liever ‘werpen’, wat zelfs leidt tot het maken van een ‘bowlingbaan’. Andere kinderen helpen mee maar komen ook regelmatig vertellen dat Dries de baas speelt. ‘Nee, Lasse is ook de baas’, verdedigt hij zich, ‘maar ik ben de eerste baas.’ Als Nick huilend op de grond zit omdat hij door Dries op zijn hoofd is geslagen vraag ik hoe dat nou toch komt. ‘Hij deed niet wat ik zei’, komt er naar enige aarzeling welbewust uit. ‘Tja, dat is niet leuk. Maar nu zijn Lasse en Body al weggegaan omdat je boos op ze was en kijk …. Nick wil straks denk ik ook niet meer in de bouwhoek.’ Dit komt aan. Dries is even stil, zijn ogen lijken naar binnen te kijken. ‘Dat wil ik niet’, zegt hij dan, ‘ik wil samen spelen’. De dagen daarna probeer ik het samen bouwen wat meer te structureren. Aan het eind van de dag ruimen we op zodat de volgende dag andere kinderen weer nieuwe plannetjes kunnen maken. Sietse wil een kasteel voor de Ninjago’s bouwen. Ik laat hem beschrijven hoe dat er dan uitziet. Dries mag er ook aan meewerken. Voor de zekerheid vraag ik nog even na hoe dat kasteel er dan uit gaat zien. Ik zie de tweestrijd die zich binnen in hem voltrekt terug op zijn gezicht. Er verschijnt een rimpel op zijn voorhoofd, hij spert zijn ogen wijd open, wil zich omdraaien en niets zeggen maar weet ook dat dan zijn kans om in de bouwhoek te spelen voorbij is. ‘Een kasteel?’ Voor de Ninjago’s?’ Toch voegt hij zich. De jongens beginnen met overleggen maar krijgen al snel onenigheid. Eigenlijk wil iedereen een kasteel waar ze zelf als Ninja’s in kunnen of anders misschien een voertuig voor de Ninjago’s, alhoewel, dat wordt misschien weer veel te groot. Dat was alleen niet wat Sietse had bedacht. Het moest een kasteel voor lego-poppetjes worden. Na wat vragen van mijn kant gaat Sietse overstag. Ik vertel de jongens wel dat er niet zo veel tijd meer is. Ze moeten aan het eind van de middag opruimen. Misschien kunnen ze het gebouw tekenen voordat het weer afgebroken wordt. Zo weten ze morgen ook nog hoe het eruit zag. Nu gaat het snel. En als ik zeg dat we zo gaan opruimen en ze pen en papier geef, hebben ze onmiddellijk de taken verdeeld; ‘ik doe de voorkant!’, ‘ik de binnenkant’, ‘ik de buitenkant!’ Niemand speelt de baas en ik zie Dries genieten, ook al is het gebouw lang zo mooi niet als zijn eerdere gebouwen.

Als je aan kunt sluiten bij wat er bij de kinderen leeft lijkt alles wel vanzelf te gaan. En de kinderen willen spelen. Opruimen duurt lang en de kinderen moeten er steeds opnieuw toe worden aangespoord. Maar als je een hondje bent die alle op de grond gevallen papiertjes terug brengt naar haar baasje is het zo klaar. Het baasje moet dan wel steeds ‘apport!’ zeggen en ‘braaf’ en als een echt baasje de hond belonen. De jongens hebben zo opgeruimd als ik ze aanspreek als werkmannen die moeten zorgen dat de bouwplaats weer klaar is voor het nieuwe bouwwerk morgen. Ze hangen zelfs hun bouwtekeningen goed zichtbaar op het prikbord voor de nieuwe ploeg. En altijd weer moet ik met veel moeite mijn commentaar inslikken als er wordt opgeruimd met planken die vrachtschepen zijn en op ingewikkelde manieren alle over de grond verspreide steentjes naar de mand transporteren of als alle blokken eerst over een glijbaan moeten glijden voor ze op de goede plek belanden. Duurt veel te lang, denk ik dan. Maar eigenlijk is het zo klaar..

.

Verhaal van Mats

Verhaal van Mats

 

En nooit kan ik zo goed aansluiten bij de kinderen als wanneer we een door henzelf gedicteerd verhaal uitspelen. Toch ben ik verbaasd als Mats zegt dat hij de groene Ninja wil spelen uit zijn verhaal. ‘De groene? Maar er zijn toch alleen een rode en oranje krijger en een paarse Ninja?’ ‘Nee kijk’, en hij wijst naar zijn tekening, ‘dit is de groene Ninja.’ En dan volgt er een lang verhaal over de gevechten van de groene Ninja. Zijn spelverhaal was helemaal niet gestopt toen ik stopte met typen. Mats leert iets over de permanentie van geschreven taal maar ik leer over de verhalen die je kunt vastleggen in tekeningen en over kleuters die leven in een groot, doorlopend, meanderend spelverhaal dat zichtbaar wordt in wat ze maken en doen.

Waarom spelen kleuters zo graag? Waarom zitten ze niet het liefst met een boekje in een hoekje of doen ze bij voorkeur de taakjes die ze opgedragen krijgen? Het heeft te maken met de manier waarop ze denken, de manier waarop ze de wereld om hen heen ontdekken en steeds beter gaan begrijpen. Het heeft te maken met hoe ze leren. Als het lukt om aan te haken bij dat spel zie je volgens mij de meeste ontwikkeling. En hoe rijker het spel hoe beter de voorwaarden voor het meer formele leren later. Lieve, die meteen zag dat kikker in een veel te klein hokje was gepropt, heeft veel moeite met het maken van series van groot naar klein of dik naar dun. Een leerdoel deze maand. Moet ze nog een extra werkblad maken of kan ik haar uitnodigen om in de bouwhoek voor dieren van verschillende grootte hokjes te bouwen waar ze in passen? En kan ik een stapje terug doen, ook als ze niet meteen doet wat mijn bedoeling was? Vertrouwen we erop dat de kinderen in een rijke omgeving leren waar ze op dat moment aan toe zijn? En kunnen wij daarbij onze oren en ogen open houden en proberen te begrijpen wat we horen en zien zonder meteen in te grijpen? Alle leerdoelen, weekplanningen, kleine kringen en afvink-lijstjes maken het er niet gemakkelijker op. Maar de kleuters met al hun speldrift zijn een goede leermeester.

Begrijpen met je handen 2

DSC05345

 

.

Onze Nieuwe School is een zoektocht van de gemeente Amsterdam naar schoolmakers die de verwachte leerlingengroei in Amsterdam kunnen opvangen. Iedereen met een idee of plan voor een nieuwe school kon reageren. Met de kreet ‘Het atelier is het hart van de school’ lanceerde Marike Hoekstra haar plan op Facebook. En op zo’n school zou ik meteen willen werken. Een aantal verkiezingsronden en presentaties verder belandden we samen aan een tafel in het Springhouse  tijdens een zogenoemde ‘Incubator-dag’. Rond ons veel tekst met prachtige volzinnen. En toch bleef het vaag. Was dat allemaal niet van toepassing op heel veel scholen. Wat was er nu zo uniek aan ons idee? Het atelier is het hart van de school. Hoe zou dat er uitzien? Zou het een ruimte zijn die zich door het gebouw slingerde? We begonnen te tekenen. Nee. Wat als het zich echt in het hart van het gebouw zou bevinden? Een rond gebouw waar de lokalen omheen geplaatst werden. Al schetsend dachten we verder. Marike herinnerde zich een filmpje van een rond kinderdagverblijf in Japan. Als we van de lokalen nu eens kleine stamgroep-ruimtes maakten die weer uit zouden monden een werkplaats? Alles begon te stromen. Freinet, het autonome atelier, de werkwijze in de kindercentra uit Reggio Emilia; het kreeg ineens een heel vanzelfsprekende plek in de plattegrond van onze nieuwe school. We dachten al tekenend. We begrepen met onze handen.

Het idee dat jonge kinderen leren met hun hele lijf is algemeen aanvaard. Als ik mijn groep rondkijk zie ik weinig kinderen stil op een stoel zitten. Lisa maakt een puzzel maar doet tussendoor steeds een dansje en Olaf huppelt meteen mee. Bij Emilio had ik nog geen interesse in letters opgemerkt. Totdat de letter K centraal stond. Bij iedere letter leer ik de kinderen ook het bijbehorende gebaar. Die van de K is mooi duidelijk. Je duim tegen je keel en tijdens het uitspreken van de K klikken de vingers naar beneden. Al gebarend probeert hij uit welke woorden echt met de K beginnen. Al gauw nemen de andere kinderen het over. En ze blijven het doen, de hele dag door. Yindee weet niet zo goed welke woorden er bij het woordweb horen. Totdat ze kan tekenen. Eerst begint ze te schetsen en dan noemt ze het woord. En als Douwe oppert dat het apparaat dat juf meeheeft misschien wel een breimachine is, laat Emilio meteen al bewegend zien hoe dat dan werkt.

Ooit tijdens een kunsteducatief project bekeek ik met een groepje kinderen een aantal opgezette dieren. Het 7 jarig meisje op de foto’s hierboven was gefascineerd door de eend. Met haar handen taste ze steeds opnieuw het zachte lijf af. Heel voorzichtig want eigenlijk mochten de dieren niet worden aangeraakt. Ondertussen vertelde ze over het verschil tussen dode en levende en opgezette dieren. Want alhoewel de eend niet leefde, dood was ‘ie ook niet. Toen de kinderen daarna gingen kleien zag je hoe goed ze de vorm van de eend met haar handen begrepen had. En niet alleen de vorm maar ook haar eigen gevoel en haar gedachten over dood en leven.

Ook oudere kinderen leren door te maken, te bewegen en zingen of door te bouwen en tekenen. ‘Ik zou als je in de klas iets leert over Napoleon daar iets over willen maken. Bijvoorbeeld hoe ze toen er uitzagen. En wapens uit die tijd. Anders ga ik misschien gewoon pistooltjes maken en daar heb je niks aan,’ vertelt een jongen uit groep 8. En: ‘Als je gaat bouwen helpt dat met rekenen in de klas. Door het “puzzelen“ met de stukken hout weet je wat er bij elkaar hoort en als je dan later gaat rekenen in de klas zie je het voor je. Dan weet je precies: drie rode blokken en als die vier blauwe er bij zijn, dan heb ik zeven. En je leert meten en uitrekenen.’ ‘Ieder kind heeft zijn eigen manier van leren,’ vinden ze.

Sommige volwassenen doen het ook nog zo. De architect die voor ons een studio in de tuin ontwerpt, heeft altijd een schetsboekje bij zich. Al tekenend laat hij zien of hij onze wensen goed begrijpt. En ooit had ik een vriend waarmee ik voortdurend toneelstukjes opvoerde, we begrepen elkaar prima. Maar niet altijd is werken met je handen echt begrijpen. Tijdens deze vakantie vertelde mijn broer hoe hij mij ooit vroeg een voorkant voor zijn scriptie over de ‘doordringings-coëfficiënt van het grondwater’ te maken. ‘Want ja, ik was toch zo creatief, zat op de kunstacademie enzo …’ Het resultaat had niets te maken met zijn scriptie. Waarschijnlijk had ik me uitgeleefd in mooie lijntjes, belletjes en vlekjes. ‘Het was een complete chaos,’ herinnert hij zich. ‘Ik dacht; zo zien gewone mensen dat dus’. Hij zei het met iets van spijt, dat mensen niet de moeite namen zich echt te verdiepen in wat hem bezig hield. En wie weet wat het had opgeleverd als ik dat wel had gedaan.

Toch wordt een atelier in school vaak eerder geassocieerd met ‘mooie kunstwerkjes’ dan met ontdekken, onderzoeken of leren door te maken en te doen. En dat is nu juist wel onze opzet. In het atelier is ruimte voor onderzoek, experiment, nieuwsgierigheid en spel. Er is aandacht voor diversiteit, contextualiteit en multidisciplinariteit. Kinderen zullen er heel vanzelfsprekend de verbinding vinden met bijvoorbeeld techniek, beweging/dans, wetenschap, natuur, literatuur of drama. Het autonome atelier wordt zo een vrijplaats in de school en wellicht ook in de buurt.

Met het maken van een plattegrond waren we er natuurlijk nog lang niet. Maar het was wel een belangrijke stap in ons denken. Ook het schrijven en herschrijven, het praten en bevragen van experts en uiteindelijk het vormgeven van een website, scherpte het plan steeds verder aan. En nu is het plan voor onze nieuwe basisschool De Vrijplaats dus klaar en ingeleverd. En wachten wij met spanning af of we doorgaan naar ‘de kraamkamer’ om onze school werkelijkheid te laten worden.

Lees meer op onze website:

Basisschool De Vrijplaats

.

IMG_0406

 

Een troosttekening

IMG_1624

.

Hoe ik om moest gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende, onderzoekende en creatieve kleutergroep met 20 jongens en 10 meisjes had ik al eens helemaal uitgedacht. Veel doen, weinig praten. Niet 3 kwartier zitten in de kring maar bewegen en spelen. En veel structuur, rituelen en routines.

Maar dan wordt alles ineens helemaal anders. Op zondagavond hoor ik dat een van onze collega’s die middag verongelukte in een klimhal. En ik kan het niet geloven. Zo’n energieke, jonge man vol plannen. Hij werkte nog maar een jaar bij ons op school. Verving een leerkracht die ook al plotseling overleed. Hij heeft een zoontje van 2, een net zwangere vriendin. Dat kan gewoon niet! Mijn lijf snapt echter veel eerder dan mijn vluchtende geest wat dit betekent. Het is alsof ik een baksteen heb opgegeten. Zwaar zinkt iets onverteerbaars naar beneden.

De volgende ochtend hoor ik Abe, net als andere ochtenden, al van ver zingend en roepend aan komen lopen terwijl hij naar iedereen grapjes maakt, want dat kan hij goed. Het voelt ineens misplaatst. Net stonden we hier nog koortsachtig met gedemte stem te praten. Wat was er gebeurt en hoe ging het nu verder? Hoe moest het met die groep 7 van hem? Hoe vertel je dit op een school met 450 kinderen, 800 ouders en 3 locaties? Ik leg een hand op de schouder van Abe. Maan hem wat zachter te praten. En hij voelt het aan. Rustig gaat hij naar binnen. Veel stiller dan anders kiest hij een activititeit en gaat aan het werk. Een vader zegt: ‘Nog niet helemaal wakker juf? Zwaar weekend gehad?’. Ik kom niet verder dan een flauwe glimlach. Dan begint de dag. De kinderen stromen binnen, gewoon net als anders. En ik denk dat ik doe wat ik anders ook altijd doe. Maar dat is niet zo. Vergeten is het -veel doen en weinig praten-. Als vanzelf volg ik mijn eigen voorkeuren. En dat is praten. Net iets langer in de kring zitten dan goed is. Niks oplossen met een knipoog of een grapje maar vragen of het stil kan zijn, zeggen dat de handen en voeten bij jezelf moeten zijn en blijven, eisen dat ze netjes in de rij staan, zonder geduw, zonder getrek en vooral stil! Het gevolg is onrust en ruzie. Mirte die voor het eerst in tranen uitbarst en zachtjes blijft herhalen dat ze bij haar moeder wil blijven. Emilio die als een dolle de klas rondrent en Kai die iedereen duwt en stompt. Niet allemaal, maar een aantal kinderen lijkt te voelen dat er iets anders is, dat ik anders ben. Ze weten niet wat en hoe maar ze reageren. Drie dagen later vraagt een moeder of ik iets meer kan vertellen over het incident. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Graaf diep in mijn geheugen maar kan niets vinden. ‘Ja’, zegt ze, ‘het was wel heel erg, je zag de tandjes in zijn schouder staan. Douwe zei dat hij wel 2 bekertjes water moest drinken voordat het over was’. En dan zie ik het weer voor me. In de deuropening staat mijn bouwcoördinator. Als ik naar haar toe loop komt Douwe hard huilend op mij toegerent, daarachter de beschaamde Nick. Met mijn aandacht al bij de bouwcördinator vraag ik wat er gebeurde. Er wordt sorry gezegd en getroost. Dat gebeurt al jaren met een glaasje water. Ondertussen hoor ik dat alle ouders van groep 7 zijn gewaarschuwd en naar school komen. Dat de kinderen horen wat er gebeurd is in het bijzijn van hun ouders. Dat de directeur daarna langs alle klassen van de betreffende locatie gaat. En dat alle andere ouders via de mail worden geïnformeerd. In die volgorde.

De begeleidster van de voorschoolse opvang roept het over de hoofden van de kinderen heen. ‘Kijk eens wat Abe meeheeft! Zo mooi!’ Ik buig voorover en krijg een tekening, zorgvuldig opgeborgen in een doorzichtig hoesje. Het is een troosttekening voor groep 7. ‘Mijn vader heeft verteld wat er met de meester is gebeurd. En toen heb ik een tekening gemaakt voor de kinderen van groep 7.’  Die kinderen zijn daar heel erg blij mee. ‘Ze wilden meteen naar jullie toe’ vertelt de leerkracht die deze dagen voor de groep staat. ‘Vooral toen ze lazen dat zijn zusje ook een tekening maakte. Want die wilden ze dan ook zien, natuurlijk.’

In de weken daarna herneemt het leven in de klas weer zijn gewone gang. Bijna als daarvoor. Niet helemaal. Op een of andere manier lijkt het alsof de wereld net een stukje verschoven is. Alsof ik niet meer helemaal weet hoe het moet. En als ik denk aan zijn kleine gezin, zijn familie en ook aan de collega’s die met hem in hetzelfde gebouw werkten, wordt het mij koud om het hart. Toch is er ook Abe’s troosttekening.

En deze herfstvakantie zet ik opnieuw op een rijtje hoe ik ook al weer om moet gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende en creatieve donderstenen.

Wat willen we weten en meten in een kleuterklas?

Hij is dé grote initiator van uitgebreide bouwprojecten in de klas. Soms zie ik hem zitten en voor zich uit kijken. Dan denkt hij na. Zijn vrienden wachten geduldig af. Totdat hij opstaat en zijn plannen ontvouwt. Er worden vragen gesteld, er wordt uitleg gegeven, ieder voorstel van de vriendjes wordt gewikt en gewogen, dan verdelen de mannen de taken en gaan aan de slag. Eigenlijk doe ik niet veel meer dan af en toe materiaal, tijd en ruimte  bieden. Vorig jaar was het de vraag of Jort naar groep 3 zou gaan. In december zou hij 6 worden, dus het kon. De CITO-toetsen taal en rekenen deed hij niet slecht en ook met allerlei voorbereidende taal- en rekenen-activiteiten in de kleine kring had hij weinig moeite. Maar zodra het kon spurtte hij weg voor het ‘echte werk'; spelen en bouwen met zijn vrienden, die allemaal nog een jaar bleven omdat ze net 1 of 2 maanden later jarig waren. Nu zijn we blij dat we toen hebben besloten hem nog een jaar te laten ‘kleuteren’. Jort verdiept al spelend zijn kennis en vaardigheden, ook t.a.v. taal en rekenen,  hij geniet van iedere dag op school en bovendien inspireert hij met zijn enthousiaste plannen de anderen.

..

IMG_5532

IMG_5634

Een paar weken geleden lieten een paar kinderen hun Skylanders zien. Kleine poppetjes met indrukwekkende wapens en magische krachten. Zelfs de meisjes vonden ze leuk met al die kleurige attributen. Je bleek er ook op de WII mee te kunnen spelen. Ik kon me er niet zo goed een voorstelling van maken. De jongens legden uit dat je een bepaald poppetje op je WII kon zetten en er dan mee vechten. Ik begreep dat er in het spel verschillende landschappen bestaan, zoals vulkanen, rotsachtige bergen en woestijnen of oceanen waarin iedere Skylander weer zijn eigen speciale krachten kan benutten. Met elkaar besloten we dat we de poppetjes zouden fotograferen en de foto’s afdrukken (natekenen vonden de jongens teveel werk) en dan zouden ze de landschappen nabouwen zodat ik kon zien hoe dat er uitzag op de computer. Gek eigenlijk, dat ze er  zonder het te vragen vanuit gingen dat een WII op school natuurlijk niet kon. Als ik de betrokkenheid en creativiteit zie, is werken met computergames wel iets om over na te denken. Jort nam de leiding, selecteerde de poppetjes die gefotografeerd moesten worden, ik deed voor hoe ze de foto’s uit konden knippen en rechtop konden laten staan en samen bouwden ze met allerlei bouwmateriaal verschillende landschappen. Een week lang werd er aan gewerkt en mee gespeeld. Toen was het klaar en werden de fotokopieën verdeeld en mee naar huis genomen. Toch bleek het Skylander-thema nog niet uitgewoed. Dat had de toekijkende Jonathan sneller begrepen dan ik. Midden in de klas was op een kleedje een nieuw bouw-project ontstaan. Met bouwkistjes waren hoge bergen en diepe ravijnen gemaakt, water stroomde in de vorm van blauwe kleedjes van boven naar beneden en daartussen stonden gekleurde poppetjes van het 100-bord in verschillende formaties opgesteld. Andere kinderen liepen er een tijdje keurig omheen maar steeds vaker kwam het tot botsingen. Daarom maakte Sill een stopbord: Een vel papier met daarop een cirkel met een streep erdoor. ‘Wil je vragen of iedereen stil is en zeggen dat dit betekent dat ze er niet doorheen mogen lopen?’ Ik liet het vel papier zien maar de betekenis was niet voor iedereen meteen duidelijk. Jonathan, bijna een jaar jonger dan Jort en ogenschijnlijk ver van de grote jongens verwijdert, keek op van zijn werk en vroeg toen vrij achteloos of hij misschien even een tekening zou maken om het uit te leggen. Binnen 5 minuten was de tekening klaar, samen met het stopbord werd hij op een bouwkistje gehangen. Pas als de kinderen naar huis zijn bekijk ik de tekening van Jonathan nog eens goed. De schematische pionnetjes van het 100-bord zijn veranderd in Skylanders die op bergen en in dalen op elkaar schieten (want daar gaat het natuurlijk allemaal om). Ik zie dat hij de kistjes precies heeft weergegeven zoals hij ze gezien heeft vanuit de plek waar hij zat. En ik bedenk wat een ontwikkeling Jonathan dit jaar heeft doorgemaakt. Van een jongetje dat nog geen herkenbare voorstelling tekende, dat met lijm de alleen voor hemzelf zichtbare armen van zijn zwarte pietje maakte, dat nooit iets wilde tekenen als het een opdracht was, is hij een kind geworden dat een kloppende voorstelling kan maken van een bouwverhaal dat hij alleen vanuit de verte heeft gevolgd. Hij begrijpt de schematische voorstelling van een stopbord en zijn betekenis, hij snapt dat sommige kinderen dit nog niet begrijpen en dat hij hen daarom uit moet leggen wat er op het kleedje gebeurt, hij weet hoe hij ruimtelijke vormen weer kan geven op het platte vlak en ook hoe hij mensfiguren kan tekenen die een bepaalde handeling verrichten. Ook Jonathan is een jongetje dat laat in het jaar jarig is en waarvan we moeten kijken of hij er al aan toe is om naar groep 3 te gaan. Terwijl ik naar de tekening kijk vraag ik me af waar ik dat soort beslissingen eigenlijk op baseer. Op de resultaten van een toets? Op lijstjes waarop ik afvink of kinderen al hoeveelheden onder de 6 in 1 keer kunnen overzien en of ze kunnen rijmen en begin en eindklanken in woorden kunnen onderscheiden? Of is het eerder zo dat iedere keer dat ik nadenk over een kind een momentopname is. Dat het zien van een tekening alle eerdere observaties door elkaar gooit en in een ander licht zet. En dat ik dan voor me zie hoe dat verder zou kunnen gaan in een kleutergroep of zie ik hem eerder aan een tafeltje in een groep 3? Wat heb ik hem nog te bieden? Welke vragen zou ik kunnen stellen? Welke activiteiten zou ik kunnen aanbieden? Welk materiaal zou hem verder helpen? En hoe belangrijk is dan de letterkennis van een kind en heeft dat ruimtelijk inzicht of de werkhouding niet heel veel te maken met wat het in de bouwhoek of aan de tekentafel deed? En willen we niet weten wat een kind goed kan en waar het van houdt, wie zijn vrienden of haar vriendinnen zijn, hoe het daarmee speelt en praat en hoe betrokken het is?

Tja, wat willen we eigenlijk weten en meten in een kleuterklas? En waarom willen we dat? En hoe gaan we dat dan doen?

In het hart van het onderwijs

IMG_5501

 

‘Kijk’, vertelt Anne Lotte tijdens het opruimen, ‘ik heb de bolletjes precies getekend zoals in het echt. De worteltjes die zag je niet maar ik heb ze wel getekend en met verf heb ik het een beetje doorzichtig gemaakt. Nu zie je het toch.’ Ze lacht en kijkt nog een keer naar haar schilderijtje. ‘Handig, he.’ We werken rond het thema ‘Alles groeit’. Op de tekentafel staan verschillende potten met bollen; narcissen, hyacinten en blauwe druifjes. Sommige met dikke knoppen en andere al volop in bloei. Ook in de schooltuin bloeien narcissen. Ik liet de kinderen er een uit de grond graven. Ze ontdekten dat de narcis uit een bol groeit en vonden onder de bol kleine, kronkelende worteltjes. Voorzichtig maakten we de narcis met bol los uit de aarde. Om alles goed te kunnen bekijken legde ik de hele bloem met bol en worteltjes op de tekentafel. Jill probeert de verleppende narcis in het potje te zetten naast het krokusje en de sneeuwklokjes die ik, ook met de bolletjes en worteltjes er nog aan, uit mijn eigen tuin meenam. Ze fluistert: ‘Dood, helemaal dood, oh jee, jullie worden nooit meer levend,’ terwijl ze probeert de stengels stevig in elkaar te vlechten. De aarde stampt ze aan, om later opnieuw te kijken naar de worteltjes onderaan de bollen. Dan werkt ze weer verder aan haar tekening. Ik vroeg de kinderen te tekenen wat er onder en wat er boven de grond groeit. Jort begint met het tekenen van een lijn dwars over het midden van zijn blad. Helemaal onderaan komt een bolletje. Dan trekt hij langzaam een lange lijn omhoog. ‘Ze groeien en groeien en groeien, mijn bloem die groeit …..’ Net boven de lijn is hij er. Daar komt een grote bloem.

De worteltjes zijn een beetje doorzichtig.

De worteltjes die je toch ziet.

Net boven de grond komt een grote bloem.

Mijn bloem die groeit.

..

..

..

..

..

..

..

..

..

Later, tijdens een overleg met een kunstinstelling, ICCers, schooldirecteuren en een onderzoekster moet ik denken aan de betrokkenheid waarmee deze kinderen aan de tekentafel kijken, praten, tekenen, denken en leren.  Cultuuronderwijs staat in het hart van het onderwijs‘ was een van de ambities die de kunstinstelling formuleerde. Daar waren niet alle directeuren het direct mee eens. Het maakt natuurlijk veel uit wat je verstaat onder cultuuronderwijs. Is dat de tekenles of het halve uurtje muziek in de week? Of worden kunst en cultuur, zoals op een OGO-school, verbonden met de thema’s waarmee gewerkt wordt, net zoals de techniek-lessen, wereldoriëntatie, een gast in de klas of onderzoeksvragen op een vanzelfsprekende manier een plek kunnen krijgen binnen het thema? En wat is cultuuronderwijs eigenlijk? Zijn dat de lessen beeldende vorming, muziek, drama en dans? Is het een ontspannen en leuke onderbreking van het gewone lesprogramma of zijn het activiteiten die gerelateerd zijn aan wat er in de echte wereld van de kunst gebeurt? Horen taal en rekenen eigenlijk ook niet bij cultuuronderwijs? En is kunstonderwijs dan misschien een andere, meer zintuigelijke manier van reflecteren, een manier om de wereld en jezelf te leren kennen maar dan met specifieke middelen? De kinderen die tekenen wat er onder en boven de grond groeit, denken na over hoe de wereld in elkaar zit. Hun tekeningen geven vorm aan hun gedachten. Zo worden deze zichtbaar, voor henzelf en voor anderen. Ondertussen praten ze met elkaar en ontwikkelen hun taalvaardigheid en woordenschat. Ze moeten goed kijken en ze zullen nadenken over hoe ze dat wat ze zien in het platte vlak kunnen weergeven, dat raakt alweer aan allerlei rekenvaardigheden. En tenslotte vraagt het ook heel wat van de motoriek om zulke precieze tekeningen te maken. Bovendien gaan echt alle kinderen met veel plezier aan de slag. Ik zie een enorme betrokkenheid. Ik kan dus wel zeggen dat het tekenen helemaal geïntegreerd is in de rest van het onderwijsaanbod en op die manier in het hart van het onderwijs staat.

Nu is het voor mij heel vanzelfsprekend om beeldende activiteiten zinvol aan te bieden. Dat gaat min of meer vanzelf, het is mij, zeg maar, op het lijf geschreven. Maar kunstonderwijs of cultuureducatie is natuurlijk meer dan dat. Laatst besloot ik een les uit de methode waarbij de kinderen een verhaal moesten uitbeelden een andere invulling te geven. Ik was geïnspireerd door de manier waarop Vivian Gussin en Jente Baeyens kinderen hun eigen verhalen laten spelen. In de kring vroeg ik wie er een verhaal wilde vertellen. Nadja wilde dat wel. Ik schreef het verhaal op, Nadja verdeelde de rollen en terwijl ik het verhaal opnieuw voorlas speelde de kinderen het uit. Onmiddellijk zaten alle kinderen op het puntje van hun stoel. De spelende kinderen gebruikten al snel het hele lokaal en pakten allerlei spullen die toevallig in de buurt stonden. Het publiek  wilde daar natuurlijk achteraan. Het was een leuk en spannend intermezzo maar de volgende keer zou ik het toch iets beter moeten structuren. Een paar weken later vroeg ik Jonathan of hij een verhaal wilde vertellen voor het ‘verhalenboek’ dat we inmiddels gemaakt hadden. Ja, dat wilde hij wel en hij begon meteen. Jonathan weet alles over de natuur, buiten vangt hij wurmen, vlinders en andere kleine beestjes. Hij weet allerlei planten, bloemen en dieren bij naam en kan daar van alles over vertellen. Het sprak vanzelf dat zijn verhaal over dieren zou gaan. Maar Jonathan is ook een echte jongen, altijd in beweging, hij klimt in de hoogste bomen, wil overal en altijd de sterkste, de snelste, de beste zijn en doet dat het liefst met zoveel mogelijk lawaai. De liefelijkheid van zijn verhaal verbaasde me. Ook het thema groeien en bloeien kwam terug in zijn verhaal, net zoals eerder bij Nadja trouwens. Het spelen van het verhaal deed ik de volgende dag in het speellokaal. Ik grensde een duidelijk speelveld af door daar banken omheen te zetten. Vanaf het moment dat de kinderen weten dat we het verhaal van Jonathan gaan uitspelen ontstaat er een bijzondere dynamiek in de klas. Ze weten nog precies welke rollen er te verdelen zijn en bestoken Jonathan al in de klas met verzoeken om een bepaalde rol te mogen spelen. In het speellokaal lees ik het verhaal nog eens voor, het publiek luistert super geconcentreerd. Jonathan verdeelt heel concentieus de rollen. Zowel meisjes als jongens en zowel jonge als oudere kinderen krijgen een rol. Het verhaal gaat over een poesje, een hondje, en een konijntje die elkaar ‘ontmoeten’ in de wei. Daar spelen ze samen. Ik vraag Jonathan hoe ze dat doen; dat spelen. ‘Nou gewoon, achter elkaar aanlopen. Zo ….’ En hij doet het voor op handen en knieën. Even later kijk ik enigszins verontrust naar de kluwen kruipende, grommende en piepende kinderen op de grond. Het publiek miauwt en blaft enthousiast mee. Ik vraag me af hoe ik hier weer orde in moet krijgen. Voor Lore is dat geen enkel probleem. Ze roept: ‘Hé, dat kan niet, het konijn loopt achter de hond aan.’ ‘Ja’, reageert Jonathan meteen, ‘het konijn loopt ook weg!’ Onmiddellijk hupt het konijn naar de bank en kan ik het verhaal verder voorlezen. Ik denk dat ik al bijna bij het eind ben maar vergeet het stukje waarin de bij en de vlinder bij de bloemen in de wei komen. Terwijl ik anders als leerkracht altijd degene ben die het meeste grip heeft op het verhaal is dat nu andersom. Voortdurend wordt ik gecorrigeerd, aspecten van het verhaal die voor mij onduidelijk zijn worden door de kinderen prima begrepen. Ook weten ze precies hoe ze iets uit moeten beelden en alles gaat met een vaart die ik bijna niet bij kan houden. Na een paar minuten zijn we alweer aan het eind van het verhaal. De net vierjarige Yindee staat heel stil en vol overgave, met haar handen gracieus omhoog, als bloem te bloeien in de wei. Terwijl rond haar de bij zoemt, de vlinder fladdert en de hond, de poes, de muis, het konijn en het molletje met elkaar spelen. Niet lang daarna zijn we allemaal weer terug in de klas en kijk ik terug op een kort, heftig en wervelend gebeuren. Alsof ik even een glimp opving van een kinderwereld die anders altijd verborgen blijft.

Ik weet niet of dit uitspelen van verhalen iets te maken heeft met het vak ‘drama’ of met ‘kunstzinnige oriëntatie’ of met kunst en cultuuronderwijs. Wat ik wel weer heb ervaren is dat de eigen verhalen van kinderen een krachtige bron zijn voor ontwikkelen en leren. Het is niet altijd gemakkelijk en druist misschien wel in tegen de meetcultuur in het huidige onderwijs maar de kinderen laten heel veel betrokkenheid zien en kunnen ineens ook echt meer dan wanneer ik bedenk waar het over moet gaan.

Het liefst zou ik dus de eigen verhalen en ervaringen van kinderen in het hart van mijn onderwijs zetten. En dan is het heel gemakkelijk om de verbinding te maken met kunst en cultuuronderwijs.

..

Meer lezen?

het-begint-met-kijken-en-luisteren---jenthe-baeyens[0]

9780226645032

KLEUR in het thema ‘kunst’ uit een kleutermethode en in het atelier

groen 2

Het is een levendige herinnering. Ik heb een tekening gemaakt op de kleuterschool en vind dat ik klaar ben maar de stagiaire wil dat ik de tekening eerst kleur. Dat het een stagiaire was is een gek detail. Ik zal haar vast niet zo genoemd hebben maar weet dat het bijzonder was dat ze er was. Dat ze jonger was dan de juf, een beetje meer zoals wij; de kinderen. Ze kijkt naar mijn tekening en zegt dat ik alleen maar lijntjes heb gemaakt. Dat zie ik ook wel maar toch heb ik helemaal geen zin in kleuren. Dan zegt ze: ‘Maar in de echte wereld heeft alles toch ook een kleur. Kijk maar, je ziet nergens lijntjes.’ Ik kijk om me heen en het is alsof er een explosie plaatsvindt in mijn hoofd. Nergens zie ik lijnen. De poten van de tafel zijn kleine kleurvlakken in het omringende grijsbruin van de vloer. Mijn jurk heeft een ander kleur dan mijn benen die daaronder vandaan komen. De lucht is niet overal van hetzelfde blauw maar toch hebben de bomen die zich aftekenen tegen die lucht een hele ander kleur. De grens is geen lijn maar een tegen elkaar opbotsen van kleuren. Euforisch loop ik naar huis terwijl ik niet kan stoppen met kijken. Alles, echt alles heeft een kleur! Thuis wil ik mijn moeder vertellen over deze ontdekking. Ik zeg: ‘Mama, alles heeft een kleur!’ ‘Ja’, zegt mijn moeder, ‘soms is iets rood, soms blauw of groen’. Dit klinkt niet als wat ik bedoel en ik probeer het opnieuw: ‘ja maar echt alles heeft een kleur……!’ Hoe het gesprek verder ging herinner ik mij niet, alleen de teleurstelling dat ik niet duidelijk kon maken hoe bijzonder het was dat de wereld bestond uit kleurvlakken en niet uit vormen die begrensd werden door lijnen.

Ik moet aan deze herinnering denken bij het voorbereiden van het werken in het atelier de komende periode. Het is de bedoeling dat we met vier kleutergroepen  vier keer een dagdeel in hetzelfde atelier gaan werken. We proberen daarbij de verbinding te leggen met het thema en de leer- en ontwikkelingsdoelen van onze methode ‘Kleuterplein’.  Dat thema is die periode ‘kunst’ en al pratend met de collega’s komt daaruit het deelthema ‘kleur’ naar voren.

De ene herinnering roept de andere wakker. De wereld die bestaat uit botsende kleurvlakken doet denken aan de schilderijen van Rothko en de keer dat ik als 14 of 15 jarige zei dat ik de reproductie van een werk van hem het mooiste vond uit een boek over moderne kunst, eigenlijk misschien wel van alle schilderijen die ik ooit zag. Het leverde een smalend lachen van mijn vriendinnen op. En later het zichtbaar gemaakte  over elkaar schuiven van gekleurde doeken bij Rob van Koningsbruggen. En steeds wordt mijn oog getrokken naar daar waar de ene kleur in de andere overgaat, waar het mengt en botst. De gloeiende rafelrandjes bij Rothko, de ene kleur die op de andere ligt bij van Koningsbruggen en de grens van het doek waar de onderliggende kleur onderuit piept.

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

 

Rob van koningsbruggen, GH96.23

Rob van Koningsbruggen, GH96.23

..

Ik was een jaar of 7 en liep op een zonnige voorjaarsochtend alleen buiten. Een beetje verveeld. Het was zonnig maar fris en de wind blies koud langs mijn blote benen. Aan de zijkant van onze flat stonden twee roze bloeiende boompjes. Toen ik daar voor de derde keer langsliep keek ik naar boven. Als ik onder de boompjes ging staan was mijn hele blikveld gevuld met het roze van de bloesem. Daar doorheen zag ik de heldere blauwe lucht. Nu kon ik met mijn ogen focussen op de lucht of op de bloesem. Vaag blauw en helder roze of andersom. Ineens voelde ik mij onverwachts en heftig gelukkig. Ik dacht dit moet ik voor altijd onthouden. Hetzelfde geluksgevoel als toen ik ooit bijkwam uit een narcose waarin het was alsof ik levensgrote kleurvlekken in de ruimte maakte waar ik zelf in rond zweefde. Loïs, een vriendin uit de tijd op de Rietveld, zei ooit dat ze sommige kleuren in schilderijen kon voelen achter haar achterste kiezen. Een soort kwijlen bij het zien van kleur, stel ik mij voor. Zo heeft het kijken naar kleur veel te maken met genot.

Maar hoe zet je dit soort gedachten en herinneringen om in een aanbod voor kinderen in een atelier? Eerst maar eens kijken wat ik bij de kinderen in mijn klas zie. Drie jaar geleden gaf ik alle kinderen een schetsboek waarin ze mochten tekenen wat ze zelf wilden. De net 4 jarige Lisa oogstte toen veel bewondering met het tekenen van symmetrische patronen van hartjes, bloemetjes en abstracte vormen. Al snel werd dat iets wat hele klas overnam, uitbreidde en waarop allerlei variaties ontstonden. Nu zit Lisa allang in groep 3 en is vanuit deze manier van tekenen een hele nieuwe variant ontstaan. De kinderen krassen met verschillende kleuren in een slingerende beweging een wolk op het papier. Soms nemen ze zelfs een heel aantal stiften of kleurpotloden tegelijkertijd in hun hand. Ze gaan door totdat er dichte kluwen van kleur op papier staat. Zelf noemen ze het resultaat een ‘kunstwerk’. Af en toe kijken we samen welke kleuren er allemaal wel niet in de kluwen te ontdekken zijn. Ook met verf doen ze iets soortgelijks. Meestal drie wolken van op papier gemengde kleuren. Sommige meisjes schilderen samen; allebei drie dezelfde kleurwolken als hun vriendinnetje. Vorig jaar maakten Anne Lotte en Isa eens elk een schilderij waarin ze lieten zien uit welke afzonderlijke kleuren ieder wolkje was opgebouwd, als een soort som. Bv. geel rondje – rood rondje – roze rondje, wordt dit viezig rozerode kleurwolkje. En gisteren vroeg ik Anne Lotte even haar naam achterop een tekening op zwart papier te zetten. ‘Goed’, zei ze, ‘maar dan pak ik wel even een stift’. Waarop ze een zwarte stift pakte. ‘Dat zie je niet zo goed, denk ik. Een zwarte stift op zwart papier’. Maar even later zag ik dat er prachtig Anne Lotte met zwart op het zwarte papier stond. ‘Hé, je ziet het toch’, zei ik, ‘het is een iets andere kleur zwart’. Toen ik later langs de tekentafel liep hoorde ik Anne Lotte tegen haar vriendinnen zeggen terwijl ze met een bruine dikke stift over allerlei andere kleuren ging: ‘Kijk, dit is bruin en dit is een beetje andere kleur bruin en dit is weer een andere kleur bruin’. Ik moet ook denken aan de ‘kleurenfabriek’ die we 3 jaar geleden in de watertafel maakten. Daarin mengden de kinderen kleuren met water, voedingskleurstof, crêpepapier of allerlei natuurlijke materialen. Het leidde tot een rij prachtige, met gekleurde vloeistof gevulde, glazen potjes voor het raam en tot veel verwondering en plezier.  En ook tot sorteren op kleur, het maken van reeksen, het precies omschrijven van kleur, het bedenken van nieuwe namen voor nieuwe kleuren en tot mooie gesprekken. Terwijl ondertussen met het gieten, druppelen en mengen heel wat motorische vaardigheden werden geoefend.

Goed, stof genoeg. Volgende keer verder over hoe we dit omzetten in een aanbod in het atelier dat verbonden is met de leer- en ontwikkelingsdoelen uit onze kleutermethode.

‘Juf, ik kan toveren!’

IMG_4645

‘En?’ vraagt mijn directeur verwachtingsvol. Enthousiast maakt hij weidse armgebaren voor het raam boven de bouwhoek. Ik kijk hem niet begrijpend aan.  Blij dat ik deze ochtend zonder kleerscheuren ben doorgekomen met mijn pijnlijke, niet zo lang geleden gebroken hand in een mitella, met mijn gedachte bij mijn dochter die van haar lies tot haar enkel in het gips thuis op de bank ligt omdat haar knieschijf op een plek terechtgekomen was waar je hem nooit zou zoeken. ‘Wat een licht, he?’ Ik kijk om me heen en realiseer me dat ik de afgelopen dagen niet meer heb gezien dan het strikt noodzakelijke. Alleen maar schoentjes gezien als er veters gestrikt moesten worden, alleen gekeken naar dat ene bouwwerk, die bepaalde tekening en de niet gewassen kwasten of de rotzooi die is blijven liggen in de huishoek. Terwijl ik me ondertussen afvroeg of er wel genoeg uitnodigingen waren verstuurd voor de tentoonstelling over ons BOUWPLAATS-project en in gedachte alle afspraken nog eens naliep. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je niets hebt gemerkt!’ Ik werp een snelle blik door het raam. Daar waar eerst een vrolijke wildernis groeide en bloeide in de patio zie ik nu een echte tuin met een gesnoeide boom en een vijvertje. Ook de schooltuinen aan de andere kant blijken dezelfde metamorfose te hebben ondergaan. Ineens begint me iets te dagen. Eerst Anne-Lotte die plotseling, terwijl ze aan het tekenen was, uitriep: ‘Kijk! Kijk, ik heb een tover-shirt aan!’ Springend en dansend liet ze zien, aan de snel groter groeiende groep kinderen om haar heen, hoe de glitters op haar T-shirt patronen op de muur toverden. En later Lore die zachtjes in mijn oor fluisterde dat zij ook kon toveren en of ik even kwam kijken. Het eerste toveren alweer helemaal vergeten liet ik mij meevoeren. Bij de tekentafel, in de zon die overvloedig naar binnen scheen, voerden verschillende meisjes hun sprookjesachtige lichtdans uit. Ademloos gadegeslagen door de rest van de klas.

‘Ja,’ zeg ik tegen mijn directeur, ‘wat een licht! En wat een geweldige tuinen.’ Ondertussen glimlach ik van binnen om de meisjes met hun glitters. Wel gezien maar me nauwelijks bewust geworden. Hoeveel meer gouden momenten gaan er bijna ongemerkt voorbij? Terwijl dat eigenlijk is waar het om zou moeten gaan. Dit  zijn de momenten die het werken in het onderwijs de moeite waard maken. Zomaar een kind in een klas dat op een vrijdagochtend ontdekt dat het kan toveren met licht! En een juf die de tijd en de rust heeft om dat echt te zien.

Een bijzondere tentoonstelling

IMG_5037

image001Het gebeurt zelden: Je hebt een idee en  praat daarover met anderen. Je maakt samen plannen, misschien niet altijd even realistisch maar het enthousiasme groeit. Voorzichtig probeer je iets van de plannen te realiseren. De problemen die je tegenkomt lijken soms onoplosbaar maar toch, maar toch ……. ineens is daar een resultaat dat alle verwachtingen overtreft. Er komt iets tot stand dat meer is dan ieders afzonderlijke gedachten en ideeën. Alsof iedereen zonder voorbehoud zijn deel in de smeltkroes stort en het laat gisten en borrelen totdat er uiteindelijk een chemische verbinding ontstaat die leidt tot iets dat helemaal nieuw is. Het overkwam ons bij het maken van de tentoonstelling BOUWPLAATS. We wilden laten zien hoe we een jaar lang met de hele school hebben gewerkt  aan het kunst-educatieve project BOUWPLAATS. Laten zien wat kunst, creativiteit en ontdekkend leren met elkaar te maken hebben. Hoe geweldig het was om de concentratie en de aandacht van de kinderen te zien, de manier waarop ze experimenteerden en samenwerkten. Hoe mooi de producten soms waren die uit dat proces voortkwamen. We wilden het werk uit de vertrouwde context van de school halen en plaatsen in de omgeving van de professionele beeldende kunst. Tonen wat de overeenkomsten zijn tussen kunst en het creatieve proces van kinderen die in een atelier aan de slag gaan. Niet laten zien wat alle kinderen in al de 20 groepen hadden gemaakt. Dat hadden we op school al gedaan. Maar inzoomen op de details, op dat ene proces, dat ene kind, die ene situatie. Om zo voelbaar te maken wat de kinderen dachten en deden. En wat er gebeurt bij de leerkrachten die op deze manier met hun kinderen werkten. De kunstenaars Floor Max en Jaap Velserboer richten de tentoonstelling in. Ik zie het groeien en als het uiteindelijk klaar is wil ik net als bij bijvoorbeeld een tekening die net af is alleen maar heel lang kijken. Zien dat het is gelukt om dat wat er eerst nog niet was, wat alleen vaag in mijn hoofd zat, zichtbaar te maken. Want gelukt is het! Het is een mooie, rijke en heldere tentoonstelling geworden. Maar net als bij een geslaagd schilderij volgt op dat eerste tevreden kijken de gedachte dat iedereen dit moet zien. Wie weet eigenlijk wat voor prachtigs er verborgen ligt achter de dichtgeplakte ramen van de tentoonstellingsruimte naast de kunstuitleen? Het is bijna als een klein, intiem geheim wat je alleen kunt vinden als je weet dat je ernaar moet zoeken. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling van een mooie tentoonstelling. Daar moeten heel veel mensen naartoe! Dus kijk met mij mee en besluit om dit ook in het echt te zien in de kunstuitleen in Alkmaar aan de Bergerweg 1. (Ook open op tijden dat de kunstuitleen gesloten is! Zie verder onderaan deze blog.)

IMG_5022

Aandacht, concentratie en schoonheid. Dat is wat grote foto’s laten zien.

..

IMG_5007

IMG_5009De ruimte is ingericht als een werkplaats. Materiaal is uitgestald alsof het snoepjes zijn; je wilt het oppakken, voelen, verplaatsen, je wilt ermee bouwen. En in dit geval mag dat ook gewoon. Op een overzichtsfoto uit één van de ateliers zie je hoe ieder kind actief en volkomen geconcentreerd bezig is.

IMG_5008

..

De eerste periode van het project werd gewerkt vanuit het thema ‘bouwen’. Bouwen met allerlei materiaal zoals stenen, bamboestokken of piepschuim, bouwen met karton of met wilgentenen en tie-rips. Bouwen door te stapelen, te verbinden, te vervormen. Bouwen in de hoogte of juist door het uitleggen en omsluiten van vormen. En hoe teken je dat wat je bouwde? Begrippen als evenwicht, balans en symmetrie, hoeveelheden, ordenen en verzamelen kwamen heel vanzelfsprekend aan de orde. De kinderen zochten naar manieren om stevige verbindingen te maken en ontwikkelden de nodige vaardigheden.  Ook werd er gepraat en nagedacht over wat dat eigenlijk is; bouwen.

..

..

IMG_5042

In de tentoonstelling is een deel van de film ‘Rivers and Tides’ van de kunstenaar Andy Goldsworthy te zien. De kunstenaar bouwt hier net als de kinderen ronde vormen met stenen. Verschillende keren stort het bouwwerk in, terwijl ondertussen het tij opkomt. Net als de kinderen leert de kunstenaar de eigenschappen van steen steeds beter kennen en lukt het uiteindelijk om te bouwen wat hij wil. Maar zijn ideeën en plannen veranderen ook door wat hij te weten komt over stenen.

..

..

..

IMG_5028IMG_5024De tweede project- periode sloot aan bij het schoolproject ‘bouwen en dieren’. Hoe bouwen dieren? Hoe groot, hoe zacht of hoe donker moet het hol van een konijn worden? En een dinosaurus? Waar woont die? En mag ‘ie wel ontsnappen?

..

IMG_5034

IMG_5035

IMG_5030

Een gangenstelsel waarin verschillende dieren elkaar ontmoeten hangt als een prachtig, bijna abstract kunstwerk aan de muur.

..

IMG_5040

IMG_5012De kinderen van een groep 6 verzamelden oude apparaten die ze uit elkaar haalden. De verschillende onderdelen werden gesorteerd en de kinderen kregen de opdracht om op te schrijven welke onderdelen ze zouden kunnen gebruiken om een nieuwe insectensoort te bouwen. Net als bestaande insecten moest het nieuwe beestje een lijf krijgen dat uit drie geledingen bestond. En het zou natuurlijk heel mooi zijn als dat lijf zou kunnen bewegen. Tussen de insecten en hun behuizing valt het werk van de kunstenaar Panamarenko helemaal niet op. Ook bij Panamarenko zie je de fascinatie voor beweging, soms alleen maar voor de suggestie daarvan. Een kunstenaar die experimenteerde, fantaseerde en droomde en met zijn ‘vliegtuigen’ een heel eigen universum bouwde.

 

IMG_5021

Niet alleen bij de kinderen werd veel teweeg gebracht. Ook de leerkrachten leerden veel. Op tafel enkele uitspraken van leerkrachten.

‘Wij hebben ook een wereld, kijk maar!’ zei Isia uit groep 1/2 tegen haar vriendinnen en bracht hen naar de plek waar ze samen met anderen aan het bouwen was. En die uitnodiging geef ik graag door.tekeningen A3 (4)

De tentoonstelling is nog tot 14 oktober te zien:

Bergerweg 1, Alkmaar

openingstijden

maandag t/m vrijdag: 9.00 – 18.00 u.

zaterdag: 12.00 – 17.00 u., zondag 14.00 – 17.00 u.

Afscheid

IMG_4334

IMG_4332

 

 

 

 

 

 

 

…….

 

….

….

Ooit zei een vader die een-vakantie-lang met zijn puberdochters naar een soap keek: ‘ik snap niet waarom, maar iedereen geeft elkaar de hele tijd cadeautjes, dat maakt dan alles goed. Of niet natuurlijk en dan hebben ze ruzie, in ieder geval tot het volgende cadeautje.’

De laatste schooldag lijkt wel een beetje op zo’n soap. En ik ben in ieder geval heel blij met alle cadeaus die ik van de kinderen krijg. Met alle dozen chocolade, het badschuim, de lekkere geurtjes, de prachtige lavendel en fuchsia en vooral de mooie tekeningen, zelfgemaakt doosjes, bordjes en schilderijtjes. ‘Waarom krijg je cadeautjes?’ vraagt een net 4 jarige verbaasd. Dat weten de gulle gevers eigenlijk ook niet. En een vader fluistert zijn zoon nog snel even in dat hij moet bedanken voor het leuke jaar.

Twee weken eerder is het begonnen. Sindsdien hangt er iets in de lucht. Maar veel 4 en 5 jarigen weten niet precies wat. Het is tenslotte de eerste keer dat ze het einde van een schooljaar meemaken. Niels komt vertellen dat hij ’s middags niet naar school komt, hij moet naar de podoloog. Hij zegt het half verontschuldigend met een onzeker lachje. ‘Vind je het eng?’ vraag ik. ‘Nee, maar ik ben dan niet op school’. De middag zelf komt hij toch in de klas. ‘Hij moest en zou je nog gedag zeggen’, vertelt moeder. ‘Hij denkt dat hij je nooit meer ziet, geloof ik.’

De klas wordt steeds leger. Al het materiaal wordt gewassen, alles geordend, opgeruimd en meegegeven. Ineens is er een groot verschil tussen de kinderen die volgend jaar naar groep 3 gaan en de kinderen die blijven.  En dan komt die laatste schooldag met de cadeautjes en een kaartje van juf voor de kinderen van groep 2. De zomer is losgebarsten dus we spelen lekker veel buiten. Toch kan Isabelle haar draai niet vinden. Ze wil zo graag spelen met haar nieuwe vriendinnetje Lotte. Maar Lotte heeft alleen maar oog voor Naomi. Naomi die volgend jaar naar groep 3 gaat. Isabelle klaagt dat ze niet mee mag doen. ‘Zou dat misschien komen omdat ze elkaar volgend jaar niet zo vaak meer zien?’ Daar moet Isabelle even over nadenken. Dan licht haar gezicht op van het nieuwe inzicht. ‘Ik ga mijn groep 2 vriendinnen missen! Daarom ben ik verdrietig. Ik ga Anouk en Pip en Lotte zo missen.’ En ze stapt op Anouk af die toevallig in de buurt is en omhelst haar zo lang en stevig dat het lijkt of ze haar nooit meer los zal laten. Tobias zit het van een afstandje allemaal te bekijken. ‘Ik ben een beetje ziek’ zegt hij, terwijl hij tegen mij aanhangt. ‘Misschien ga je ook de kinderen die naar groep 3 gaan missen? opper ik. ‘Wat is dat, missen?’ Ik leg uit dat hij het dan jammer vindt dat hij volgend jaar Boris en Iza en de andere kinderen van groep 2 niet meer zo vaak ziet, dat je daar dan een beetje verdrietig van wordt. ‘Nee’, antwoord Tobias, ‘dat heb ik niet. Ik ben gewoon ziek.’ In de klas maken Lotte en Naomi allebei een identieke tekening, terwijl ze dicht naast elkaar aan één tafel zitten. Daaronder schrijven ze hun namen. Ik mag op een blaadje voorschrijven: Lotte en Naomi zijn beste vriendinnen voor altijd. In opperste concentratie maken ze een begin met het naschrijven.

En zo begint de vakantie. Alle cadeautjes ingepakt, de laatste groepswerken verloot, iedereen nog een dikke knuffel en het schooljaar is voorbij.

IMG_4347

IMG_4342