samenwerken

Speeldrift

IMG_2231

.

‘Er is een dierenmishandelaar bij ons in de klas!’ Iedereen, net nog druk en lawaaiig aan het opruimen, houdt geschrokken zijn mond. Ook ik en de onderwijsassistent. ‘DIE-REN-MIS-HAN-DE-LING!!!’ Ze spuugt iedere lettergreep met nadruk mijn richting uit. Haar ogen zijn groot van verontwaardiging, haar hele houding een en al onverzettelijkheid, haar blonde krullen gooit ze woest naar achteren. Ik denk aan een spin die een voor een zijn pootjes wordt uitgetrokken, een gestorven vlieg die wordt platgestampt.  ‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik voorzichtig. ‘Nou, een kikker is in een heel klein hokje gestopt. Gewoon GE-PROPT !’ Gespannen wacht ze op mijn reactie. Achter haar zie ik in de huishoek de vermoedelijke dader verstarren. ‘Ik wou ‘m alleen maar opruimen’ fluistert hij dan met een hoog stemmetje. Er begint me iets te dagen. We werken rond het thema vriendschap van de kinderboekenweek. Kikker van Max Velthuis logeert in de huishoek. Bovendien maken we aan het begin van het schooljaar samen onze ‘gouden regels’ en praten we regelmatig over hoe we met elkaar om (willen) gaan. Als ik tegen de potentiële dierenmishandelaar zeg dat kikkers wat meer ruimte nodig hebben omdat ze natuurlijk wel moeten kunnen springen, gaat er een zucht van verlichting door de klas. Een ogenblik later is iedereen weer aan het opruimen. De orde is herstelt. Zo ga je om met kikkers. Het is een spel, dat weten ze allemaal en toch is het bloedserieus.

.

In de kring lees ik het verhaal voor van kikker die een beertje vindt tussen de herfstbladeren. Dat beertje wordt zijn beste vriend. Met kleine poppetjes en attributen speel ik het verhaal ondertussen uit. Als ik vraag wie er wil spelen met de verteltafel van kikker in de speelhoek in de gang, nu ingericht als bibliotheek, steekt bijna iedereen zijn vinger op. Ook Catarina en Isabelle; twee jonge meisjes, verlegen, nog erg gericht op elkaar en niet altijd betrokken bij wat er in de hele groep gebeurt.  Ik geef ze het dienblad met daarop kikker en zijn vriendjes. Voorzichtig en geconcentreerd lopen ze ermee naar de gang om binnen een minuut weer voor mijn neus te staan. ‘Jullie mogen in de bibliotheek spelen hoor.’ ‘Echt?’ Een beetje onwennig maar opgewonden giechelend verdwijnen ze weer naar de gang. Als ik 10 minuten later kom kijken ligt kikker met beertje in het bedje te slapen, over de grond verspreid  liggen de herfstblaadjes, de anderen dieren en de twee meiden daartussen, fluisterend met elkaar en rommelend met de spulletjes. Ze hebben voorlopig mijn hulp niet nodig. De kinderen in de huishoek willen ondertussen boeken ruilen in de bibliotheek. Die blijkt vaak gesloten. Af en toe komen ze klagen bij mij: Dat ze boeken terug moeten brengen maar dat de bibliotheek dicht is. Of dat ze nog boeken aan het uitzoeken waren en dat toen ineens de bibliotheek gewoon weer dicht ging. Ik neem weer een kijkje op de gang. Isabelle en Caterina hebben het open- en dicht-bord ontdekt. Een op elkaar geplakte groene en rode cirkel aan een touwtje, door een andere groep gemaakt en met het touwtje aan de telefoon gehangen. Dit magische teken geeft ze ontzettend veel vrijheid. Als ‘ie op rood staat wordt dat door ieder kind gerespecteerd en kunnen ze zonder gestoord te worden de hele hoek ontdekken. Ze zitten op de hoge stoel achter de balie, typen op het toetsenbord, schrijven in de agenda, rommelen met kaartjes en spelen met de verteltafel en de boeken. Als ze het bordje omdraaien met de groene voorkant naar voren gonst het al snel door de gangen dat de bibliotheek weer open is en komen de kinderen uit de huishoek naar de bibliotheek. Dat is soms overweldigend want niet iedere bezoeker gedraagt zich zoals het hoort. Maar dan draai je gewoon het bordje weer om. Wat leren die twee meiden veel. Niet alleen sociaal en emotioneel maar ook cognitief. Want dat een bordje met een kleur een teken kan zijn voor het begrip ‘dicht’ of ‘open’ en wat die begrippen dan allemaal behelzen is belangrijke kennis. Het is ook een vaardigheid die je nodig hebt om later te kunnen gaan lezen en schrijven.

.

Ook Dries wil graag dat dingen gebeuren zoals hij ze bedenkt. Een jaar lang heeft hij goed gekeken naar het bouwen. Nu de oudsten naar groep 3 zijn begint hij zijn eigen plannen uit te voeren. ‘s Ochtends bij binnenkomst scant hij de mogelijkheden; is er nieuw materiaal? Wat kan hij daarmee? Is de bouwhoek open en heeft juf zijn sleutelhanger nog niet bij een andere activiteit gehangen? Al snel bedenkt hij hoe je een huis kunt bouwen waar je zelf in past. Hij ontwerpt een dakconstructie, spaart een ruimte uit voor een raam, wat weer uitnodigt tot materiaal van buiten naar binnen schuiven of liever ‘werpen’, wat zelfs leidt tot het maken van een ‘bowlingbaan’. Andere kinderen helpen mee maar komen ook regelmatig vertellen dat Dries de baas speelt. ‘Nee, Lasse is ook de baas’, verdedigt hij zich, ‘maar ik ben de eerste baas.’ Als Nick huilend op de grond zit omdat hij door Dries op zijn hoofd is geslagen vraag ik hoe dat nou toch komt. ‘Hij deed niet wat ik zei’, komt er naar enige aarzeling welbewust uit. ‘Tja, dat is niet leuk. Maar nu zijn Lasse en Body al weggegaan omdat je boos op ze was en kijk …. Nick wil straks denk ik ook niet meer in de bouwhoek.’ Dit komt aan. Dries is even stil, zijn ogen lijken naar binnen te kijken. ‘Dat wil ik niet’, zegt hij dan, ‘ik wil samen spelen’. De dagen daarna probeer ik het samen bouwen wat meer te structureren. Aan het eind van de dag ruimen we op zodat de volgende dag andere kinderen weer nieuwe plannetjes kunnen maken. Sietse wil een kasteel voor de Ninjago’s bouwen. Ik laat hem beschrijven hoe dat er dan uitziet. Dries mag er ook aan meewerken. Voor de zekerheid vraag ik nog even na hoe dat kasteel er dan uit gaat zien. Ik zie de tweestrijd die zich binnen in hem voltrekt terug op zijn gezicht. Er verschijnt een rimpel op zijn voorhoofd, hij spert zijn ogen wijd open, wil zich omdraaien en niets zeggen maar weet ook dat dan zijn kans om in de bouwhoek te spelen voorbij is. ‘Een kasteel?’ Voor de Ninjago’s?’ Toch voegt hij zich. De jongens beginnen met overleggen maar krijgen al snel onenigheid. Eigenlijk wil iedereen een kasteel waar ze zelf als Ninja’s in kunnen of anders misschien een voertuig voor de Ninjago’s, alhoewel, dat wordt misschien weer veel te groot. Dat was alleen niet wat Sietse had bedacht. Het moest een kasteel voor lego-poppetjes worden. Na wat vragen van mijn kant gaat Sietse overstag. Ik vertel de jongens wel dat er niet zo veel tijd meer is. Ze moeten aan het eind van de middag opruimen. Misschien kunnen ze het gebouw tekenen voordat het weer afgebroken wordt. Zo weten ze morgen ook nog hoe het eruit zag. Nu gaat het snel. En als ik zeg dat we zo gaan opruimen en ze pen en papier geef, hebben ze onmiddellijk de taken verdeeld; ‘ik doe de voorkant!’, ‘ik de binnenkant’, ‘ik de buitenkant!’ Niemand speelt de baas en ik zie Dries genieten, ook al is het gebouw lang zo mooi niet als zijn eerdere gebouwen.

Als je aan kunt sluiten bij wat er bij de kinderen leeft lijkt alles wel vanzelf te gaan. En de kinderen willen spelen. Opruimen duurt lang en de kinderen moeten er steeds opnieuw toe worden aangespoord. Maar als je een hondje bent die alle op de grond gevallen papiertjes terug brengt naar haar baasje is het zo klaar. Het baasje moet dan wel steeds ‘apport!’ zeggen en ‘braaf’ en als een echt baasje de hond belonen. De jongens hebben zo opgeruimd als ik ze aanspreek als werkmannen die moeten zorgen dat de bouwplaats weer klaar is voor het nieuwe bouwwerk morgen. Ze hangen zelfs hun bouwtekeningen goed zichtbaar op het prikbord voor de nieuwe ploeg. En altijd weer moet ik met veel moeite mijn commentaar inslikken als er wordt opgeruimd met planken die vrachtschepen zijn en op ingewikkelde manieren alle over de grond verspreide steentjes naar de mand transporteren of als alle blokken eerst over een glijbaan moeten glijden voor ze op de goede plek belanden. Duurt veel te lang, denk ik dan. Maar eigenlijk is het zo klaar..

.

Verhaal van Mats

Verhaal van Mats

 

En nooit kan ik zo goed aansluiten bij de kinderen als wanneer we een door henzelf gedicteerd verhaal uitspelen. Toch ben ik verbaasd als Mats zegt dat hij de groene Ninja wil spelen uit zijn verhaal. ‘De groene? Maar er zijn toch alleen een rode en oranje krijger en een paarse Ninja?’ ‘Nee kijk’, en hij wijst naar zijn tekening, ‘dit is de groene Ninja.’ En dan volgt er een lang verhaal over de gevechten van de groene Ninja. Zijn spelverhaal was helemaal niet gestopt toen ik stopte met typen. Mats leert iets over de permanentie van geschreven taal maar ik leer over de verhalen die je kunt vastleggen in tekeningen en over kleuters die leven in een groot, doorlopend, meanderend spelverhaal dat zichtbaar wordt in wat ze maken en doen.

Waarom spelen kleuters zo graag? Waarom zitten ze niet het liefst met een boekje in een hoekje of doen ze bij voorkeur de taakjes die ze opgedragen krijgen? Het heeft te maken met de manier waarop ze denken, de manier waarop ze de wereld om hen heen ontdekken en steeds beter gaan begrijpen. Het heeft te maken met hoe ze leren. Als het lukt om aan te haken bij dat spel zie je volgens mij de meeste ontwikkeling. En hoe rijker het spel hoe beter de voorwaarden voor het meer formele leren later. Lieve, die meteen zag dat kikker in een veel te klein hokje was gepropt, heeft veel moeite met het maken van series van groot naar klein of dik naar dun. Een leerdoel deze maand. Moet ze nog een extra werkblad maken of kan ik haar uitnodigen om in de bouwhoek voor dieren van verschillende grootte hokjes te bouwen waar ze in passen? En kan ik een stapje terug doen, ook als ze niet meteen doet wat mijn bedoeling was? Vertrouwen we erop dat de kinderen in een rijke omgeving leren waar ze op dat moment aan toe zijn? En kunnen wij daarbij onze oren en ogen open houden en proberen te begrijpen wat we horen en zien zonder meteen in te grijpen? Alle leerdoelen, weekplanningen, kleine kringen en afvink-lijstjes maken het er niet gemakkelijker op. Maar de kleuters met al hun speldrift zijn een goede leermeester.

Atelier in school

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Iedere groep bij ons op school werkt in ieder geval één keer in het jaar een periode in het atelier. Wat begon als het eenmalige kunst-educatieve project BOUWPLAATS is uitgegroeid tot een vast onderdeel van het lesprogramma. De ateliers zijn een soort laboratorium geworden waar de kinderen onderzoeken, experimenteren, waar ze zich verwonderen, samenwerken en hun eigen verhalen en ideeën vormgeven. Een aantal kunstenaars ondersteunen en begeleiden iedere keer weer de kinderen en de leerkrachten en hun manier van denken en werken worden voor iedereen steeds vertrouwder. Toch denk ik soms; wat doe ik mijn (overbelaste) leerkrachten aan om naast alles ook nog van ze te vragen in het atelier te werken met de kinderen. De leerkracht van groep 4 bijvoorbeeld, die zich met moeite staande houdt op haar wankele, net geopereerde, nieuwe knie. ‘s Ochtends vroeg vertelt ze me met enige paniek in haar stem dat de invalster aan haar had gevraagd of ze nog een keer in het atelier wilde werken met haar groep. ‘Maar ik weet niet wat ik met ze moet doen. Ze zei laat ze maar afmaken waar ze mee bezig zijn. Maar het ziet er niet uit. En het moet ook nog tentoongesteld worden ……..’

Tijdens de afsluiting van de kinderboeken-week; een ochtend met oudhollandse spelletjes, spurt ik even weg om koffie voor de ouders te halen. Vanuit een vrolijke, drukke, dynamische kleuterbende kom ik ineens in een oase van rust terecht. De leerkracht zit in een hoekje op een stoel te schrijven. Alle kinderen zijn bezig. Ik vraag hoe ze dat nou voor elkaar heeft gekregen. Tja, ze had gewoon gezegd; wie iets af wil maken mag het afmaken en anders begin je maar met wat nieuws. Verbaasd had ze gezien hoe binnen een paar minuten iedereen aan het werk was. ‘En nu zit ik dus al 3 kwartier de kinderen te observeren. Maaike die helemaal alleen super geconcentreerd zit te werken. Jonathan die iedereen helpt, alle problemen oplost en tussendoor ook nog complimentjes uitdeelt en daar dat groepje; ze overleggen, proberen iets uit, beginnen opnieuw en er valt geen onvertogen woord’. Ik kijk rond en zie een paar kinderen uit mijn oude groep 1/2. Jonathan die, met een grote lap stof als een mantel om zich heen, rustig kijkt hoe het project van zijn vrienden vordert, Maaike die nog net als toen precies weet wat ze wil en geconcentreerd plakt en knipt en bouwt, ze zijn tegelijkertijd nog precies hetzelfde als toen en toch zo gegroeid. Als ik samen met mijn collega sta te kijken voel ik me trots. Trots op de kinderen, trots op mijn collega’s die het vaak helemaal niet makkelijk vinden en trots op hoe we dit met elkaar toch steeds weer voor elkaar krijgen.

In januari begint weer de 4-daagse cursus Ook kunstenaars koken met water. Naast dat het heerlijk is om kennis en ervaring te delen, is het ook een plek waar ik zelf weer geïnspireerd vandaan kom. Bijvoorbeeld door het idee van een klein ‘postkaarten-projectje‘. Er zijn nog een enkele plekken vrij. Dus heb je tijd en zin om kunsteducatie in je eigen praktijk een nieuwe impuls te geven, schroom niet en meldt je aan.

Ook samen leven moet je oefenen

IMG_5934

Bijna terloops komt hij me het bloemetje brengen dat hij plukte aan de rand van het schoolplein. ‘Voor jou, juf.’ En natuurlijk zeg ik hoe blij ik er mee ben. Dat is leuk en hij plukt er nog een paar. De nieuwe bloemetjes legt hij rond het met krijt getekende hart voor mijn voeten. Raijv, net op school en altijd bereid om te doen wat Jelle doet, komt helpen. Een tijdje werken de jongens als galante prinsen door, genietend van de complimentjes die ze krijgen. Dan wordt het hart weggeveegd door springende en rennende voetjes, worden de bloemetjes weggevaagd door rijdende karren en net zo snel weer vergeten. Maar even ervoeren de jongens weer hoe het is om aardig te zijn en lief gevonden te worden. Dat hoeven ze niet te leren, dat gaat helemaal vanzelf. Er is alleen maar iemand nodig die het opmerkt en er blij mee is. En toch; als er woorden aan gegeven worden moeten we het er steeds opnieuw over hebben wat die woorden ook al weer betekenen. Het is de eerste van de acht gouden regels die we samen maakten: –We zijn lief voor elkaar-  Dat is troosten als iemand pijn heeft, weten ze. En zeggen dat een ander mee mag spelen. Maar ze kunnen vooral vertellen wat niet lief is. Schoppen en slaan bijvoorbeeld en iets afpakken waar je heel graag mee wil spelen. En wat is het moeilijk om je daar aan te houden.

We zijn lief voor elkaar

We zijn lief voor elkaar

De vier jarige Nick is, net als Raijv, nieuw op school. Overweldigd door alles wat er op hem af komt kiest hij vaak voor de directe aanval. Overal om hem heen blijken jongetjes te zijn die zeggen dat ze sterker, ouder of groter zijn dan hij. Dat kan hij niet zomaar laten gebeuren. En als hij voor de klapdeuren moet wachten tot hij naar de overblijf gaat, slaat en schopt hij wild om zich heen. De leerkracht van groep 3 probeert in te grijpen maar dat maakt weinig indruk. Met een worstelend en grommend jongetje komt ze mijn lokaal binnen. Ik vraag wat er gebeurde. ‘Ze denken dat ze groter zijn maar dat is niet zo!’ zegt hij tussen woeste snikken door. ‘En toen liet je zien hoe sterk jij was? Weet je nog wat de afspraak was?’ Ja, hij weet wel dat hij niet mag slaan maar zij zeggen dat. En hij wil dat gewoon niet. Ik zucht, ‘dan hebben we wel een probleem’. Een beetje verbaasd kijkt hij me aan. ‘Oh, wat dan?’ ‘Nou ja’, zeg ik, ‘nu zitten wij hier en alle anderen eten fijn samen een broodje. Maar bij de overblijf mag je niet slaan, ook niet als kinderen iets doen wat jij niet leuk vindt, dus daar kun je niet heen.’ Even kijkt hij voor zich uit. ‘… maar ik wil ook naar de overblijf’. ‘Ja maar als kinderen nou iets tegen je zeggen wat niet leuk is?’ ‘Dan ga ik het tegen jou zeggen’. Ik ben er tijdens het overblijven niet bij maar samen vertellen we de overblijfjuf van zijn voornemen en nog nasnikkend eet hij zijn broodje tussen alle anderen.

Nick is niet het enige stoere, sterke, grote jongetje dat zijn plekje moet vinden in de klas. Dit jaar heb ik een heel clubje vooral 4 jarige ‘stuiterballetjes’ die voortdurend de strijd met elkaar aangaan. Dat gebeurt buiten op het plein, binnen tijdens het spelen en werken en ook in de drama-lessen die ik samen met de vakdocent Joke de Heer geef. In het speellokaal spelen we tijdens die drama-lessen verhalen van de kinderen uit. De laatste les heb ik de leiding en volgt Joke van de zijlijn wat er gebeurt. Langzamerhand is er bij de kinderen een ‘vlucht-vecht-vang’ stramien ontstaan in de verhalen. Eigenlijk wil ik daar wel vanaf. Als Nienke graag een verhaal wil dicteren hoop ik dat ze als meisje een andere input zal geven. Ze gaat er eens goed voor zitten. Maar al gauw wordt ook hier gevochten, gebeukt en laten de dieren zien hoe sterk ze wel niet zijn:

De ezel lag te slapen. Toen kwam er een eend voor de deur. En een muis voor de deur. En toen deed de ezel de deur open. En toen schrok hij zich een hoedje. Het was geen aardige eend en het was geen aardige muis. Ze keken boos. Vet boos. Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze. Toen kwam er een eekhoorntje aan. En Raai de Kraai die boven ons daar in het nest zit. Toen was Raai de Kraai boos. Hij ging ze allebei in elkaar beuken en toen waren ze dood. Toen kwamen alle dieren: de ezel, het eekhoorntje, Raai de Kraai en het varkentje natuurlijk. Ze gingen een feestje vieren. Een heel grappig feestje natuurlijk. Een beetje gek doen, zoals je tong uitsteken. En ezeltje bleef nog lang gelukkig omdat hij nog heel springerig is. En hij bleef nog heel lang levend. 

In de klas spelen we het verhaal eerst uit in de kring. We bespreken hoe je dat doet: doen alsof je iemand in elkaar beukt. ‘Nepvechten’ noemen de kinderen het. En dat is nog best moeilijk in de vuur van het spel. In het speellokaal vraag ik, zonder erbij na te denken, 3 meisjes om te laten zien hoe je ‘nepvecht’ zonder elkaar pijn te doen. ‘Mooi’ zegt Joke, ‘maar nu wil ik wel eens zien of ook sterke, stoere jongens dat kunnen’. Dat is moeilijker. Vooral Jonathan laat zich niet zomaar dood beuken en loopt zo hard rondjes dat Nick, als Raai de Kraai, hem alleen met heel veel moeite een heel klein tikje kan geven. Toch ben ik al lang blij dat de jongens niet met elkaar op de vuist gaan en geef ze daarvoor een complimentje. Maar Joke is minder tevreden. ‘Zagen jullie verschil tussen hoe de meisjes het speelden en de jongens?’ vraagt ze de kinderen. Ja, ze kunnen meteen en goed het verschil aangeven. ‘Ja maar ….’ legt Jonathan uit, ‘ik ben gewoon veel sneller en sterker dan Nick’. ‘Dat maakt helemaal niet uit’, antwoordt Joke. ‘Jij bent de eend en in het verhaal is Raai de Kraaier sterker’. Jonathan moet er even over nadenken, het is een hele openbaring. ‘En ik wil het niet zo’, vult Nienke aan. ‘En het is mijn verhaal’.

Ze waren boos. Vet boos.

Ze waren boos. Vet boos.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

 

 

 

 

 

 

 

..

En toen waren ze dood.

En toen waren ze dood.

..

In het speellokaal creëren we verschillende plekken waar de kinderen in kleine groepjes het verhaal uitspelen. De volgende dagen merk ik dat ze buiten veel meer en gevarieerder rollenspel spelen waaraan zowel jongens als meisjes en oudste als jongste kleuters meedoen. Het ‘nepvechten’ wordt een begrip onder de kinderen. Niet dat het altijd goed gaat. Soms gaat het zo vaak mis en komen er zoveel huilende, boze, woeste kinderen bij me dat ik al het vechten en stoeien verbied. Toch denk ik dan weer aan Joke’s opmerking dat je moet laten zien hoe je het hebben wilt. Als Iza na het buitenspelen huilend in de kring zit omdat ze van de glijbaan geduwd werd spelen we de hele situatie uit. Twee jongens renden lekker hard de glijbaan op, gleden naar beneden en dan weer opnieuw en opnieuw. Totdat daar ineens een meisje heel rustig boven op de glijbaan een beetje om zich heen zat te kijken. Toen duwden de jongens haar zonder na te denken opzij en vervolgden hun weg. Ze moeten allemaal lachen als ik dat samen met Iza naspeel. En weten ook best hoe je dat anders kunt doen. Nick laat het zien. Zachtjes tikt hij op de schouder van Iza. ‘Kan je even opzij?’ Met veel plezier oefenen we dat met steeds andere kinderen.

En dat oefenen blijven we doen, ieder dag opnieuw. Ik net zo goed als de kinderen. Soms kijk ik met plezier hoe fijn Nick samen met de timide Raijv met de knex aan het bouwen is. Het volgende moment staat Raijv in tranen bij me, Nick er boos naast. Hij heeft geslagen en de knex-auto van Raijv kapot gemaakt. ‘Hoe kwam dat nou?’ vraag ik. ‘Ik ….., hij ….., hij is …..’ Dan ineens wat bedachtzamer: ‘Hij is …. verlegen. En dat vind ik niet leuk.’ Het blijkt dat Raijv dan wel verlegen is maar toch een hele mooie auto kon maken. ‘Misschien was je jaloers op die mooie auto van Raijv?’ Met z’n drieën maken we nog precies zo’n auto. En de jongens spelen verder. Ze hebben woorden gegeven aan ingewikkelde gevoelens en een probleem opgelost. En ook ik heb weer wat geleerd over de binnenwereld van 4 jarige jongetjes.

WERELDS; over kunst, atelier en onderwijs

Drie jaar geleden kwam de kersverse ICC-er naar mij toe. Het leek haar zo leuk om een groot kunstproject te organiseren en we konden dat jaar nog net een ‘samenwerkingssubsidie’ aanvragen. Ook de groepsleerkracht annex drama/dans-docent was enthousiast en samen schoven we aan tafel. We maakten plannen voor een andere, meer explorerende, benadering van kunstonderwijs. Richten 2 ateliers in, benaderden 3 beeldend kunstenaars en organiseerden studiedagen voor het team. Het project werd ook ingezet om het fusieproces waarin de school verwikkeld was te ondersteunen. Twee heel verschillende scholen met een heel andere populatie en schoolcultuur gingen samen hetzelfde avontuur aan. En niet alleen de kinderen leerden en ontwikkelden zich, ook de leerkrachten werden geschoold en deden nieuwe ervaringen op.

Het is niet gestopt bij dat ene project ‘BOUWPLAATS’. Langzamerhand krijgen de ateliers een vaste plek in ons onderwijs.  De kunstenaars worden oude bekenden. En voor de kinderen is het atelier een plek geworden waar ze hun eigen initiatieven kunnen volgen. Waar ze samenwerken, nadenken, creëren, spelen, onderzoeken en experimenteren. De ene leerkracht kan beter met het concept uit de voeten dan de andere. Maar doordat we samen met een groot team dezelfde ontwikkeling doormaken wordt de leerkracht die wat meer moeite heeft heel gemakkelijk meegenomen door die andere bevlogen enthousiasteling. En nog steeds begeleiden kunstenaars zowel de leerkrachten als de kinderen. Als vanzelf gaan ze daarbij in op ieders kwaliteiten en minder sterke kanten.

Afgelopen jaar maakten we een filmpje over de verbinding tussen het werken in het atelier en in de klas. We hebben behoorlijk wat bereikt in die 3 jaar. Dus we zijn best trots!

Opbrengstgericht werken

..OGW..

Stem ik het handelen op de individuele cognitieve ontwikkeling af, conform de geldende schoolafspraken? En verantwoord ik dit dan ook nog op de afgesproken manier? De vragen blijven rondzingen in mijn hoofd. Op school werken we opbrengstgericht, we maken DGO’s (Didactische GroepsOverzichten) en gebruiken het Interactieve Gedifferentieerde Directe Instructiemodel bij het voorbereiden van onze lessen, twee keer per jaar maken de kinderen in groep 2, vooralsnog, de CITO-kleutertoets, we hebben een leerlingvolgsysteem en in september zijn we begonnen met het werken met de kleutermethode Kleuterplein zodat het halen van de nodige doelen gewaarborgd is. Dit doe ik allemaal niet met tegenzin. Het is goed om af en toe even te gaan zitten en na te denken over wat je eigenlijk aan het doen bent. En spreekt ‘de cyclus van opbrengstgericht werken’ in principe voor iedere kleuterleerkracht niet vanzelf? Voortdurend observeer je de kinderen (1. Check) en bedenk je wat je kunt doen om ze verder te helpen (2. Act), daar maken je dan plannen voor (3. Plan), die je vervolgens uitvoert en evalueert (4. Do) waarna je de gegevens uit die evaluatie weer opnieuw analyseert en interpreteert en zo verder. Toch kan ik het niet laten om op studiedagen kritische kanttekeningen te maken bij het OGW en kleuters. Waarom eigenlijk? Zit dat ‘m vooral in de verantwoording op papier? Het proces van observeren, plannen maken, die uitvoeren en weer bijstellen, gaat razendsnel in je hoofd. Natuurlijk is het goed om daarover af en toe iets op papier te zetten. Maar daarbij gaat ook een hoop verloren. Bovendien vraagt een kleuterklas, met kinderen van net 4 tot ruim 6, om veel differentiatie. Hetzelfde aanbod, net even anders, komt voortdurend terug, kinderen haken aan of laten het langs zich heen gaan en op het moment dat ze een ontwikkelingsstap maken moet er in de klas de mogelijkheid zijn om te verdiepen. Jonge kinderen leren door te spelen, door samen te werken en te praten en door te bewegen. En ze ontwikkelen zich gelijktijdig op heel verschillende gebieden. Dat is toch anders dan wanneer de hele groep een bepaalde spellingsregel leert. In schriftelijk werk kun je nagaan wie de regel toe kan passen en wie niet. In het kleuteronderwijs gaat het zelden om goed of fout.

Robbert Dijkgraaf stelt in zijn column ” Onderwijs versus vernieuwing’ (NRC, 9 november 2013) dat het onderwijs  het instituut is dat het verst vooruitkijkt maar zich het angstigst vastklampt aan het verleden. ‘Als in een ideale wereld 100% uit iedere leerling wordt gehaald, wat is dan het huidige rendement? Kosmologen hebben ontdekt dat minder dan 5% van het heelal  bestaat uit bekende materie. De overige 95% bestaat uit onbegrepen, donkere materie en energie. Ik schat dat er minstens evenveel ‘donkere materie’ in het onderwijs te ontdekken valt. Het is goed denkbaar dat komende generaties zich zullen verbazen over de harteloze slordigheid waarmee wij talent vermorsen. Een reden voor dit oerconcervatieve gedrag is het ‘onzekerheidsprincipe’ in het onderwijs. De grootste effecten worden op jonge leeftijd bereikt maar juist dan is het moeilijk te voorspellen wat de precieze gevolgen zijn.’

‘Maar ik durf bij iedereen te spelen!’ zegt de net 4 jarige Chiel verontwaardigd. ‘Ik ben alleen nog nooit uitgenodigd.’ Ik loop met Jonas en Chiel naar binnen. De jongens vertellen dat ze vrienden zijn en dat Jonas laatst bij Chiel thuis speelde. Jonas, die al 6 is, denkt dat Chiel te klein is om al bij iemand anders te durven spelen. Dat is dus helemaal niet waar. Later wil Chiel graag even naar binnen, naar Jonas die daar aan het werk is. ‘Ik wil even met hem praten en anders ben ik het straks vergeten’. ‘Zal ik het voor je onthouden?’ stel ik voor. ‘Nee, dat kan niet. Ik wou praten over vriendschap en zo.’ David, een maand jonger dan Chiel, doet het heel anders. Ook hij wil graag samenspelen maar is met taal nog niet vaardig genoeg om dat duidelijk te maken. Daarom springt hij soms midden in het spel van andere kinderen, duwt en trekt of roept hard ‘van mij!’ terwijl hij een stuk speelgoed afpakt. Buiten krijgt Arthur per ongeluk een van de loopklossen in zijn gezicht met 2 schrammen en een opgezette wang tot gevolg. Toch zijn ook Arthur en David vrienden. Arthur maakt het de volgende dag goed door een tekening te maken voor David. In prachtige gotisch aandoende letters, met streepjes en bolletjes en sierlijke haaltjes, ‘schrijft’ hij -deze tekening is voor David- op het papier. Nog even leest hij hardop wat hij geschreven heeft, ondertussen de klankgroepen tellend. Dat zijn er te weinig dus hij maakt er nog een paar bij. David weet nog niet wat geschreven taal is maar hij begrijpt wel de bedoeling van Arthurs gebaar en koestert de tekening als een kostbare schat. Is dit allemaal terug te vinden op papier? Nee, het zit in mijn hoofd en wordt voortdurend aangevuld met nieuwe informatie, wat er weer voor zorgt dat mijn beeld van een kind of van de groep genuanceerd wordt of zich verdiept of wordt bijgesteld.

knikkerbaan

Van Sinterklaas kreeg de klas een doos blokken om zelf een knikkerbaan te bouwen. Een aantal kinderen was meteen enthousiast en iedere dag werd er met de knikkerbaan gespeeld. Toch deden ze niet meer dan de gootjes achter elkaar leggen en de knikker erin voortduwen. Ik bedenk hoe ik in een kleine kring de kinderen kan laten experimenteren met hoogteverschillen, welke vragen moet ik dan stellen en moet ik misschien iets minder tegelijk aanbieden? Maar dan zie ik vanuit mijn ooghoek hele andere dingen gebeuren. De blokjes zijn klein en vallen snel om. De kinderen vragen plakband en maken zo een hoog, stevig bouwwerk. Ze hebben al doende geleerd hoe de knikkers door de gootjes rollen en hoe ze vaart kunnen maken. Als ze de gaten die in de uiteinden van de gootjes zitten precies boven een nieuw, lager gootje plaatsen, rolt de knikker vanzelf door. En later zie ik ze experimenteren met de afstand waarop je nog zeker kunt weten of de knikker op de goede plek valt. Als je de knikker van het gootje op de tafel naar beneden laat vallen, valt ‘ie dan precies goed om verder te rollen in de baan? Het zijn vragen en experimenten die ik zelf niet beter had kunnen bedenken. Een groepje oudere jongens is de vaste kern rond deze knikkerbaan-experimenten. Ze overleggen, maken plannen, redeneren. Af en toe schuiven er andere kinderen aan. David speelt ook graag met de knikkerbaan, hij legt een aantal gootjes achter elkaar en probeert er een knikker doorheen te rollen, ondertussen luistert hij naar de gesprekken van de grote jongens. Ook de meisjes beginnen te experimenteren met het bouwen van knikkerbanen.

We kregen van sinterklaas ook een handzaam poppenhuis. Een soort koffertje dat je open kunt zetten en waarbij de hele tafel wordt gebruikt om taferelen uit te spelen met de meubels en de verschillende poppetjes. Tijdens een speelwerktijd hoor ik Chiel hard uitroepen: ‘waar is mijn meisje nou!’ Hij speelt samen met Nadja en Tessa met het poppenhuis. Voor hen ligt een schijnbaar chaotische hoop meubeltjes, poppetjes en piepkleine uitgetrokken kleertje. Achter het huis zie ik een popje liggen, met rok. Ik pak het op en vraag Chiel of dit soms zijn meisje is. ‘Nee, die is nog niet geboren!’ roepen Tessa, Nadja en Chiel tegelijkertijd, een beetje verontwaardigd over zoveel onbegrip. Nadja legt nog even uit dat zij straks in de buik van haar moeder komt en dat ze dan geboren wordt. Alledrie weten ze dus dat dit scenario zich gaat voltrekken. Ze hebben het samen bedacht en spelen het uit. Ze hebben een oplossing gevonden voor het probleem waar je bent als je nog niet geboren bent. Als ik een les uit de kleutermethode zou geven met als doel het ontwikkelen van verhaalbegrip zou ik nooit zo slagen als deze drie kinderen nu, bijna ongemerkt, zelf hebben gedaan.

Vind ik dus dat we de hele cyclus van het opbrengstgericht werken maar moeten vergeten. Nee, helemaal niet. We moeten alleen beseffen dat alle onze toetsen, leerlingvolgsystemen met afvink-lijstjes, groepsplannen en instructiemodellen gaan over die 5% bekende materie. En dat we af en toe een glimp opvangen van de 95% onbekende, onbegrepen ‘donkere materie’ in het onderwijs. En die glimpen moeten we koesteren, die moeten ons nieuwsgierig maken naar wat er nog meer verborgen ligt en die moet eventueel ons hele DGO op scherp zetten.

Een bijzondere tentoonstelling

IMG_5037

image001Het gebeurt zelden: Je hebt een idee en  praat daarover met anderen. Je maakt samen plannen, misschien niet altijd even realistisch maar het enthousiasme groeit. Voorzichtig probeer je iets van de plannen te realiseren. De problemen die je tegenkomt lijken soms onoplosbaar maar toch, maar toch ……. ineens is daar een resultaat dat alle verwachtingen overtreft. Er komt iets tot stand dat meer is dan ieders afzonderlijke gedachten en ideeën. Alsof iedereen zonder voorbehoud zijn deel in de smeltkroes stort en het laat gisten en borrelen totdat er uiteindelijk een chemische verbinding ontstaat die leidt tot iets dat helemaal nieuw is. Het overkwam ons bij het maken van de tentoonstelling BOUWPLAATS. We wilden laten zien hoe we een jaar lang met de hele school hebben gewerkt  aan het kunst-educatieve project BOUWPLAATS. Laten zien wat kunst, creativiteit en ontdekkend leren met elkaar te maken hebben. Hoe geweldig het was om de concentratie en de aandacht van de kinderen te zien, de manier waarop ze experimenteerden en samenwerkten. Hoe mooi de producten soms waren die uit dat proces voortkwamen. We wilden het werk uit de vertrouwde context van de school halen en plaatsen in de omgeving van de professionele beeldende kunst. Tonen wat de overeenkomsten zijn tussen kunst en het creatieve proces van kinderen die in een atelier aan de slag gaan. Niet laten zien wat alle kinderen in al de 20 groepen hadden gemaakt. Dat hadden we op school al gedaan. Maar inzoomen op de details, op dat ene proces, dat ene kind, die ene situatie. Om zo voelbaar te maken wat de kinderen dachten en deden. En wat er gebeurt bij de leerkrachten die op deze manier met hun kinderen werkten. De kunstenaars Floor Max en Jaap Velserboer richten de tentoonstelling in. Ik zie het groeien en als het uiteindelijk klaar is wil ik net als bij bijvoorbeeld een tekening die net af is alleen maar heel lang kijken. Zien dat het is gelukt om dat wat er eerst nog niet was, wat alleen vaag in mijn hoofd zat, zichtbaar te maken. Want gelukt is het! Het is een mooie, rijke en heldere tentoonstelling geworden. Maar net als bij een geslaagd schilderij volgt op dat eerste tevreden kijken de gedachte dat iedereen dit moet zien. Wie weet eigenlijk wat voor prachtigs er verborgen ligt achter de dichtgeplakte ramen van de tentoonstellingsruimte naast de kunstuitleen? Het is bijna als een klein, intiem geheim wat je alleen kunt vinden als je weet dat je ernaar moet zoeken. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling van een mooie tentoonstelling. Daar moeten heel veel mensen naartoe! Dus kijk met mij mee en besluit om dit ook in het echt te zien in de kunstuitleen in Alkmaar aan de Bergerweg 1. (Ook open op tijden dat de kunstuitleen gesloten is! Zie verder onderaan deze blog.)

IMG_5022

Aandacht, concentratie en schoonheid. Dat is wat grote foto’s laten zien.

..

IMG_5007

IMG_5009De ruimte is ingericht als een werkplaats. Materiaal is uitgestald alsof het snoepjes zijn; je wilt het oppakken, voelen, verplaatsen, je wilt ermee bouwen. En in dit geval mag dat ook gewoon. Op een overzichtsfoto uit één van de ateliers zie je hoe ieder kind actief en volkomen geconcentreerd bezig is.

IMG_5008

..

De eerste periode van het project werd gewerkt vanuit het thema ‘bouwen’. Bouwen met allerlei materiaal zoals stenen, bamboestokken of piepschuim, bouwen met karton of met wilgentenen en tie-rips. Bouwen door te stapelen, te verbinden, te vervormen. Bouwen in de hoogte of juist door het uitleggen en omsluiten van vormen. En hoe teken je dat wat je bouwde? Begrippen als evenwicht, balans en symmetrie, hoeveelheden, ordenen en verzamelen kwamen heel vanzelfsprekend aan de orde. De kinderen zochten naar manieren om stevige verbindingen te maken en ontwikkelden de nodige vaardigheden.  Ook werd er gepraat en nagedacht over wat dat eigenlijk is; bouwen.

..

..

IMG_5042

In de tentoonstelling is een deel van de film ‘Rivers and Tides’ van de kunstenaar Andy Goldsworthy te zien. De kunstenaar bouwt hier net als de kinderen ronde vormen met stenen. Verschillende keren stort het bouwwerk in, terwijl ondertussen het tij opkomt. Net als de kinderen leert de kunstenaar de eigenschappen van steen steeds beter kennen en lukt het uiteindelijk om te bouwen wat hij wil. Maar zijn ideeën en plannen veranderen ook door wat hij te weten komt over stenen.

..

..

..

IMG_5028IMG_5024De tweede project- periode sloot aan bij het schoolproject ‘bouwen en dieren’. Hoe bouwen dieren? Hoe groot, hoe zacht of hoe donker moet het hol van een konijn worden? En een dinosaurus? Waar woont die? En mag ‘ie wel ontsnappen?

..

IMG_5034

IMG_5035

IMG_5030

Een gangenstelsel waarin verschillende dieren elkaar ontmoeten hangt als een prachtig, bijna abstract kunstwerk aan de muur.

..

IMG_5040

IMG_5012De kinderen van een groep 6 verzamelden oude apparaten die ze uit elkaar haalden. De verschillende onderdelen werden gesorteerd en de kinderen kregen de opdracht om op te schrijven welke onderdelen ze zouden kunnen gebruiken om een nieuwe insectensoort te bouwen. Net als bestaande insecten moest het nieuwe beestje een lijf krijgen dat uit drie geledingen bestond. En het zou natuurlijk heel mooi zijn als dat lijf zou kunnen bewegen. Tussen de insecten en hun behuizing valt het werk van de kunstenaar Panamarenko helemaal niet op. Ook bij Panamarenko zie je de fascinatie voor beweging, soms alleen maar voor de suggestie daarvan. Een kunstenaar die experimenteerde, fantaseerde en droomde en met zijn ‘vliegtuigen’ een heel eigen universum bouwde.

 

IMG_5021

Niet alleen bij de kinderen werd veel teweeg gebracht. Ook de leerkrachten leerden veel. Op tafel enkele uitspraken van leerkrachten.

‘Wij hebben ook een wereld, kijk maar!’ zei Isia uit groep 1/2 tegen haar vriendinnen en bracht hen naar de plek waar ze samen met anderen aan het bouwen was. En die uitnodiging geef ik graag door.tekeningen A3 (4)

De tentoonstelling is nog tot 14 oktober te zien:

Bergerweg 1, Alkmaar

openingstijden

maandag t/m vrijdag: 9.00 – 18.00 u.

zaterdag: 12.00 – 17.00 u., zondag 14.00 – 17.00 u.

De Biënnale van Venetië en Mark Manders

3241-

SONY DSC

 

Met mijn twee volwassen kinderen naar de Biënnale in Venetië. Dat is nieuw, spannend, interessant en vooral ontzettend leuk. Tussen het inpakken en het bestuderen van de plattegronden en bootlijnen door, zoek ik de aflevering van Mark Manders uit de prachtige serie ‘Hollandse Meesters’ nog maar eens op. Mark Manders vertegenwoordigt Nederland in het Rietveld-paviljoen met ‘Room with Broken Sentences’.  In de documentaire beweegt hij door zijn atelier. Een grote ruimte met overal plekken met werk. ‘Living Room Scene’ bijvoorbeeld. Een aantal stoelen waarvan de bovenkant is afgezaagd, een triplex plaat, een band daaromheen, een brok klei. Overal in zijn werkplek staan tafels, stoelen, gereedschap, rekken met buizen, botten, onderdelen, touw, stenen, wol, verf en kwasten. Er liggen fabriekspijpen, bakstenen, houten platen, er staat een heftruck, ergens hangt een muur van plastic. En Mark Manders praat. Zorgvuldig formuleert hij, enigszins binnensmonds welke gedachten en ideeën ten grondslag liggen aan zijn werk. Al eerder hoorde ik hem in andere filmpjes dezelfde dingen zeggen. Toch is het niet afgezaagd of een herhaling van zetten. Ieder woord is doordacht, geproefd en zorgvuldig op de juiste plek gezet. Zoals hij dat doet met het neerzetten van theezakjes. De theezakjes gaan bijna als woorden functioneren en ‘vormen een zin, niet een zin die iets zegt maar één die iets probeert te zeggen.’

En terwijl ik kijk hoe Manders praat en loopt en af toe iets opraapt, verzet of een tekening uit een rek pakt om te laten zien wat hij wil met een werk, denk ik aan de ateliers die we inrichtten op school voor de kinderen.  Manders laat zien hoe hij de hele dag rondloopt, hoe hij bijvoorbeeld op zoek is naar een stuk hout, een beetje voorover gebogen, flinke passen, zoekende ogen, maar dan iets anders tegenkomt dat veel geschikter is. ‘Alles is er op ingericht dat ik voortdurend ideeën krijg. Heel vaak denk ik dat ik zelf geen ideeën heb maar dat het het atelier is dat mij ideeën geeft. Een machine die voortdurend ideeën genereert.’ En zo zag ik het ook bij de kinderen. Ze bewegen door het atelier, ze lopen heen en weer, gaan op zoek en komen iets anders tegen. Het materiaal wordt onderzocht, neergelegd, geordend, verplaatst. In Reggio Emilia wordt gesproken over de 100 talen. Manders maakt zichtbaar en voelbaar wat de taal van materiaal is.

‘En wanneer is het af?’ vraagt de interviewer. ‘Wanneer ik wil dat het af is. Ik ben een gebouw aan het maken, dat is eigenlijk op elk moment af.’ Elk werk dat Mark Manders maakt is onderdeel van een groot Zelfportret als Gebouw. ‘Het is natuurlijk pas echt af als ik dood ben. Maar het is nu ook af. Zoals een encyclopedie of zoals de wereld, die is ook altijd af’. En zo gaat het ook bij jonge kinderen. Het is duidelijk wanneer het af is, dat beslissen ze zelf. Maar op een ander moment tekenen of bouwen ze weer verder. Omdat het werk daarom vraagt en omdat het een ander moment is.

Als 18 jarige wilde Manders schrijver worden en hij maakte van pennen en ander schrijfmateriaal een plattegrond van een gebouw. Het was de bedoeling om de rest van zijn leven te schrijven over dit gebouw. Alleen kwam hij er gaandeweg achter dat hij veel beter met voorwerpen, met dingen, kon schrijven. ‘Dingen hebben een heel andere relatie met het denken dan het schrijven. Ik maak eigenlijk gewoon woorden. Dit is een boek’, en hij pakt een boek. ‘Dit is een tafel’, en hij wijst op een zelfgebouwde tafel. ‘Er is altijd iets mee maar dit is een tafel!’ Wij investeren in ons onderwijs veel in taal en in het leren lezen en schrijven. Maar als je kinderen de mogelijkheid geeft om in een atelier te werken blijkt dat ze heel ontvankelijk zijn voor die andere talen. Je gedachten ‘vastvriezen’ in materiaal. En die mogelijkheid creëer je niet omdat het een doel dient of omdat het noodzakelijk is of om wat voor reden dan ook maar zoals Manders zegt: ‘gewoon omdat je dat kan als mens’.

Er zijn natuurlijk ook veel verschillen tussen een kunstenaar als Mark Manders en kinderen. Naast dat de gedachten en het werk van een kunstenaar natuurlijk veel meer en verder uitgekristalliseerd zijn vind ik het meest opvallende verschil dat kinderen eigenlijk altijd lijken te willen samenwerken. Dat alles in kinderen gericht lijkt op communiceren met hun omgeving. Manders zegt dat het hem fijn lijkt om samen te werken, zoals een strijkkwartet bijvoorbeeld samenwerkt. Maar hij is vooral geïnteresseerd in kunnen zien wat 1 persoon heeft gedacht.

 

De laatste shampoo-fles is in de rugzak gepropt. De kinderen losgeweekt van Bachelor-project en het geven van een zomercursus. We gaan met wijd open ogen op weg naar Venetië.

Bekijk hier de aflevering van Hollandse Meesters over Marc Manders.

 

Een atelier in school

Ooit zei iemand na het zien van een tentoonstelling van Toeval Gezocht; ‘ach ja, zo zijn kleuters gewoon, altijd friemelen en frutselen en bezig maar of dat nou zo bijzonder is?’

Kleuters aan het werk in een atelier. Elk kind is doelgericht bezig. Samen en alleen, pratend, dromend, bouwend, tekenend, aandachtig, vrolijk of nadenkend. Het stroomt. Als in een dans bewegen twee meisjes samen boven een groot vel papier. Als twee zwaantjes bijna. Gewoon kleuters maar toch …. als je goed kijkt gebeurt er zoveel.

Lees verder in ‘Wij hebben ook een wereld, kijk maar!’

Samen spelen en delen in het atelier

IMG_3744

Bouwplaats is een kunsteducatief project waarbij in onze school 2 ateliers ingericht zijn. Van bijna alle leerkrachten hoor ik regelmatig hoe geweldig de kinderen samenwerken in het atelier, hoe vanzelf dat gaat en hoeveel taal zij daarbij gebruiken. Heel anders dan in de klas.

Als ik de kinderen van mijn groep 1/2 vraag wat ze hebben geleerd tijdens het thema ‘Dieren en hun Bouwplaats’, waarbij we veel in het atelier werkten, is het opvallend dat ze allemaal over ‘wij’ praten.

We kunnen nu dinonesten bouwen. En vogelnesten met een beetje modder en stokjes en met blaadjes. We weten nu dat een krokodil in de dierentuin woont. Ja, en ook in een soort dam met een beetje groen, zoals een bever. We weten hoe we een nest van een ooievaar moeten maken; takken neerleggen, heel groot, stenen voor eieren en de sinaasappelnetjes gebruiken voor de eieren warm te houden. En zachtjes zegt Lotte: Samen spelen, samen delen. Samen spelen, samen delen? Ja, in het atelier gaan we samen spelen.

Als ik voorstel om op een middag nog een keer in het atelier te gaan werken beginnen de kinderen meteen afspraken te maken. Zullen wij straks samen op de Bouwplaats? Ja maar ik ga al met iemand anders, zullen we dan met z’n allen? Ook worden er met elkaar alvast plannen bedacht over wat ze zullen gaan maken vanmiddag.

 

Het is iets wat ik steeds weer zie als er in een school een atelier ingericht wordt waarin de kinderen met elkaar beeldend kunnen werken, spelen, onderzoeken en creëren. De meeste kinderen willen heel graag samenwerken, ideeën en gedachten worden gedeeld en razendsnel van elkaar overgenomen. Ze overleggen, maken samen plannen, stellen de plannen weer bij als er een ander idee langskomt en dat gebeurt bijna zonder ruzie. Ook kinderen die liever alleen werken vinden zonder problemen een plekje in het geheel. Is dat omdat de kinderen belang hebben bij de samenwerking, zoals iemand eens opperde? Ze kiezen zelf wat ze willen doen, hoe ze dat doen en met wie. Ze kiezen zelf het doel en kunnen de samenwerking ook weer stoppen of uitbreiden als ze dat willen. De kinderen lijken voortdurend uit op communicatie; met elkaar en met hun omgeving. Het is een steeds veranderende stroom met een heel eigen dynamiek die soms uitmond in wat een leerkracht eens ‘dan gaat het zoemen’ noemde.

Als we er nu eens voor zouden zorgen dat iedere basisschoolklas een atelier tot zijn beschikking had waarin de kinderen regelmatig op deze manier samen konden werken, zou dat niet veel effectiever zijn tegen pesten dan alle anti-pest-protocollen en –methoden die je nu om de oren vliegen? Al is dat natuurlijk niet de belangrijkste reden voor een atelier in school.