leren

Spel is het werk van de kinderen

IMG_0750

Vivian Gussin Paley – A Child’s Work; the importance of fantasy play – “A richly detailed reminder of the enormously important role of imaginairy play”

 

.

De herkenbaarheid is hartverwarmend. Een zevenentachtig jaar oude kleuterjuf, aan de andere kant van de oceaan, vertelt waarom het zo belangrijk is dat kinderen spelen. Vertelt hoe kinderen superhelden en prinsessen worden, overstromingen het hoofd bieden, branden blussen, drankjes brouwen, baby’s redden en spelen dat ze wilde dieren, poesjes en slechteriken zijn of vogels die rond het nest vliegen en een fonkelende boom zien. Maar vooral beargumenteert deze nieuwsgierige en onderzoekende leerkracht waarom verbeeldend spel de lijm is die alle activiteiten in een groep 1/2 samenbindt, inclusief de activiteiten die kinderen voorbereidt op lezen, schrijven en rekenen. Het is aan de ene kant geruststellend te lezen dat kleuters 60 jaar geleden eigenlijk hetzelfde spel speelden als nu. Dat ook 30 jaar eerder een leerkracht die begreep dat ‘play is the work of children’ toch haar geduld kon verliezen als dat spel te heldhaftig en heroïsch werd. De theorie is mooi en inspirerend, de praktijk soms luid, rommelig en onvoorspelbaar. Maar het is ook verontrustend om te lezen hoe het spel zijn vanzelfsprekende plek in het leven van jonge kinderen verloor. Vivian Paley beschrijft hoe ergens halverwege de jaren ’80 steeds vaker geprobeerd werd het spel van kinderen te transformeren in door leerkrachten bedachte projecten en leeractiviteiten, in de illusie dat de spelers het verschil niet op zouden merken. Zelden werden daarbij thema’s uit het spel van de kinderen geleend. Toch bleven de kinderen hun verhalen uitspelen. Veel leerkrachten zagen hoe de kinderen leerden van spel en het evenwicht tussen de bedoelingen van de leerkrachten en de ideeën van de kinderen bleef bestaan.  Totdat steeds vaker brokken met letters en cijfers van de naburige ‘first-grade territory’ de kleuterklas in kwamen rollen. Lesjes, toetsen en testen verdrongen het spel van zijn centrale plek. De kleuterleerkrachten hadden weinig verweer tegen zoveel goed geïnformeerde en onderbouwde tegenstand. En eind jaren ’90 was spel een bedreigde activiteit geworden.

Herkenbaar?

.

Ik heb twee lange weken vakantie en voor het eerst in tijden betekent dat echt even niets doen. Mijn klas, het geven van een cursus, het aanvragen van subsidie, het bedenken van nieuwe projecten of onderzoek; alle deadlines zijn voor nu gehaald of voorbij. En ik kijk vanaf de bank naar donkere wolken of grijze luchten, fiets door jubelend groene weilanden en langs bermen waarin de bloeiende grassen vol verwachting uit hun schulp kruipen. Ik lees en praat en denk en kijk en zoek. En langzaam verbinden de ervaringen van de afgelopen tijd zich met elkaar. Ik ben als een stoofpotje waarin alles gezellig ligt te sudderen. De theorie van Cultuur in de Spiegel bijvoorbeeld en het idee dat kinderen van 5, 6 jaar een sterke voorkeur hebben voor de ‘culturele vaardigheid -verbeelden-‘ en dat ze ‘denken met dingen’, dat ze denken terwijl ze handelen met iets concreets dat je kunt zien en horen en dat ze betekenis geven. Dat een verhaal is, eigenlijk. En hoe dat zich verhoudt tot de gerichtheid in onze cultuur (en dus ook het onderwijs) op het denken in concepten. Ik herinner me de verhalen van de kinderen in mijn klas, die ze dicteerden de afgelopen weken en die we daarna uitspeelden. De verhalen van de jongens waarin wilde en gevaarlijke dieren met allerlei bijzondere krachten uit hun kooien ontsnapten naar het diepe bos en voorbij de grote, donkere bergen en die dan al of niet weer gevonden werden. En de verhalen van de meisjes over paleizen en koninginnen en prinsessen die lieve lammetjes, paardjes, kikkers of een prins vonden buiten in de tuin van het paleis. En ik lees over Learning Story’s; een manier van observeren en volgen van kinderen in de vorm van een verhaal.

Dat is ook wat Vivian Paley doet in haar boeken: verhalen vertellen. En die verhalen onderzoekt ze, ze bekijkt ze van alle kanten, deelt ze met collega’s en met de kinderen. Zo vertelt ze bijvoorbeeld hoe een groepje kleuters in de huishoek de verjaardag van Sneeuwwitje viert met een stoelendans. Alleen ….. ze doen het niet zoals het hoort. Iedere kind heeft zijn eigen stoel, al zingend lopen ze om de stoelen en als het liedje uit is gaan ze zitten. Zonder erbij na te denken begint ze de kinderen uit te leggen hoe je stoelendans eigenlijk moet spelen. Ietwat argwanend horen de kinderen haar aan, zíj spelen juist de ‘echte stoelendans’. Toch volgen ze schoorvoetend haar instructies op maar het plezier lijkt verdwenen. Paley heeft meteen spijt van haar ondoordachte ingrijpen. Als Sneeuwwitje degene zonder stoel blijkt te zijn en de kinderen verontwaardigd zeggen dat dat niet eerlijk is want het is tenslotte haar verjaardag, zet ze snel de stoelen terug en geeft de kinderen gelijk. Jonge kinderen spelen stoelendans op een heel andere manier dan oudere kinderen. In de eerste plaats moet het spel gespeeld worden in de vorm van een verhaal, in de tweede plaats moet niemand ooit zijn stoel verliezen. Later beschrijft ze deze gebeurtenis voor kinderen uit groep 4 (second-grade). ‘Saai,’ concludeert een jongen, ‘het doen zoals het hoort is niet moeilijk, toch? Soms verlies je, soms win je.’ ‘Ja, voor ons,’ reageert een meisje, ‘maar niet voor kleine kinderen. Mijn kleine broertje …., we doen dingen altijd anders met hem zodat hij niet denkt dat er iets ergs gebeurt. Zoals wanneer hij moe is en we moeten ergens naartoe lopen, dan zeggen we hem dat hij moet doen alsof hij een puppy is en wij met hem gaan wandelen. Dan is hij gelukkig.’ ‘Kijk,’ besluit ze, ‘je speelt met ze.’ Ook een stagiaire zegt dat doen alsof altijd beter werkt, het is het meest interessante dat ze leerde in een kleuterklas: ‘als ik wil dat de kinderen luisteren zeg ik gewoon dat we gaan doen alsof we gaan opruimen of dat we gaan doen alsof we de mooiste en stilste rij maakten die er ooit was.’ En op de opmerking van een ouder dat de kinderen toch moeten leren om het gewoon uit zichzelf te doen, dat je de kinderen zo niet serieus neemt, antwoordt ze dat het juist op het tegenovergestelde gestelde lijkt. ‘Het voelt alsof ik de kinderen veel meer respecteer, ik houd rekening met hoe zij denken en voelen.’ Ook Vygotsky beweert dat jonge kinderen op een hoger ontwikkelings- niveau functioneren als ze spelen. Als ze zich voorstellen dat ze iemand anders zijn. Zoals de twee zusjes die samen op straat lopen en zeggen; ‘zullen we doen dat we twee zusjes zijn en dat we samen gingen wandelen?’ En je kunt je afvragen wat het met kinderen doet als we willen dat ze leren en ontwikkelen door ze van te voren zeggen wat ze gaan leren, ze instructie te geven, te laten oefenen en ze weer te vragen of ze nu weten en kunnen wat jij wilde dat ze zouden weten en kunnen. Hoe sluiten ‘opbrengstgericht werken’ en ‘Actieve’, ‘Directe’, ‘Interactieve’, ‘Gedifferentieerde’ of zelfs ‘Expliciete’ Instructiemodellen aan bij de verbeeldende en speelse manier waarop jonge kinderen zich ontwikkelen?

.

 

Nu is het niet zo dat Vivian Paley er voor pleit om kinderen maar gewoon te laten spelen. Of om te wachten totdat ze in de volgende fase zijn en wel instructie gestuurd kunnen leren. We zouden zoveel kansen laten liggen. Kinderen die verbeeldend spel spelen, spelen met ideeën. Ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, wie ze zelf zijn en wie hun vriendjes zijn. En ze willen niets liever dan ons deelgenoot maken. Paley ontwikkelde de werkwijze Story Acting & Telling waarbij de kinderen hun verhaal aan de leerkracht dicteren en later met de hele groep het voorgelezen verhaal uitspelen. Het geeft de leerkracht veel nieuwe mogelijkheden voor begeleiding. De laatste weken voor de vakantie starte ik weer met het vertellen en spelen van verhalen. En het is prachtig! Verschillende kinderen vragen al bij binnenkomst of zij vandaag aan de beurt zijn. Iedereen zit op het puntje van zijn stoel, ik net zo goed als de kinderen. Dit is een ernstig spel. Het neemt de eigen interesses, de kennis en vaardigheden van de kinderen serieus.  Een leerkracht uit Boston betoogt hoe het vertellen en spelen van verhalen een brug kan slaan tussen de taal van jonge kinderen, die concreet is en gericht is op het hier en nu, en de geschreven taal die abstract is en niet vanzelf intonatie bevat; je kunt een tekst niet voelen, pakken of ruiken. Kinderen met goede ‘verhalende’ vaardigheden leren beter lezen en schrijven. En doordat de woorden die de kinderen in hun verhalen gebruiken direct betekenis hebben  ontwikkelt de woordenschat. Niet zelden vragen kinderen zelf om de betekenis van woorden. Bovendien  is het goed voor de sociale en emotionele ontwikkeling. En is dat niet waar voor- en vroeg-schoolse educatie vooral over gaat? Het vertellen en uitspelen van verhalen is een activiteit met een open einde. Ook de leerkracht in Boston ziet een enorme opbloeiende creativiteit.

Aarzelend piept de zon door de wolken. Het laat al het jonge groen voor mijn raam glanzen en schitteren. Ik heb zin om de verhalen van de kinderen te horen volgende week. En neem mij voor om weer vaker te schrijven over wat al die ideeën van mijn kleuters zouden kunnen betekenen.

.

Lees ook: Ik was de gouden T-rex met de giftige tong! en vrij spel

Kleutermethode als bronnenboek

.

.

‘een plattegrond is de grond die plat is’

..

IMG_1347IMG_1346

. 

Kijk, ik heb een tekening van onze klas gemaakt’ zeg ik, terwijl ik de plattegrond uitrol die ik tussen de middag van de klas maakte. Ik geef een les uit de methode kleuterplein binnen het thema POST. Het is de bedoeling dat de kinderen oefenen in het opereren met ruimte en vormen, dat ze hun ruimtelijke oriëntatie ontwikkelen en gaan begrijpen wat een plattegrond is. Daarom zal ik op de plattegrond met een mini-envelopje aangeven waar in de klas een echte brief is gepost. Voorlopig zijn de kinderen zeer welwillend maar zien ze nog geen plattegrond in mijn tekening. Eerder een grote brievenbus met poten eronder in een straat. Want dat het iets met post te maken moet hebben, dat hebben ze al wel begrepen. Ik vraag ze of ze weten wat een plattegrond is. Veel vingers gaan omhoog: ‘Dat is de grond, zo hier, de grond die plat is’, er wordt gewezen naar de grond en geklopt, gestampt en gewreven. Ja, de grond is plat en dat kun je op allerlei manieren ervaren. Dan zie ik Raai de Kraai, die in zijn nest boven onze kringtafel hangt en krijg een idee. Ik laat de handpop naar beneden vliegen. Vanuit zijn positie hoog boven de klas snapt hij wel hoe die tekening in elkaar zit. Hij vliegt heen en weer terwijl hij laat zien waar hij is op de plattegrond. Ik noem het woord landkaart en luchtfoto. Af en toe zie ik een kleine glimp van herkenning. Ja, een landkaart of liever een schatkaart, dat kennen ze wel. Ik laat Louis, waarvan ik weet dat hij goed kan ‘opereren met ruimte en vormen’ en een groot ruimtelijk inzicht heeft, samen met Raai zoeken waar het envelopje ligt in de klas. Maar alleen met heel veel hulp en sturing komen we ergens in de buurt. Ondertussen begint Louis, zomaar met Raai de Kraai in zijn eigen handen, gek te doen voor een lach-graag publiek dat genoeg heeft van al dit onbegrijpelijke en ik geef het op.

Toch kan ik het nog niet helemaal loslaten. Verschillende keren zag ik jonge kinderen die spontaan plattegronden maakten, soms zelfs opvallend kloppend met de werkelijkheid. Ik besluit nog een poging te wagen. Met groepjes van 6 kinderen ga ik zitten in de kleine kring. Ik vertel een verhaal over een dorp dat door een orkaan verwoest wordt. Van de burgemeester krijgt iedereen 4 dezelfde blokjes. Daar mogen ze een nieuw huis van bouwen op een vel papier maar ….! Geen enkel huis mag hetzelfde zijn en ieder blokje moet in ieder geval met één hele kant aan een ander grenzen. De kinderen vinden het niet moeilijk, er zijn veel mogelijkheden en zes verschillende: dat is zo gepiept. Maar in het dorp moet natuurlijk ook post bezorgt worden. Ik vraag ze een plattegrond te maken zodat de postbode weet waar iedereen woont. We trekken de huisjes om en halen dan de blokken van het papier. Hoe kan het dat je soms nog maar 1 blokje ziet? Sommige kinderen vinden dat heel logisch; ‘die andere blokjes stonden er bovenop’. Anderen kijken en herkennen hun huisje niet meer. Dat lossen ze onmiddellijk op door de blokjes alsnog naast elkaar te leggen en die om te trekken. Het meest fascinerend zijn de kinderen die op de grens tussen inzicht en niet begrijpen balanceren. Blokken worden weggehaald en weer neergelegd, geteld, gestapeld en weer afgebroken. Als alle huisjes omgetrokken zijn moeten er natuurlijk ook wegen, rotondes, zebrapaden en parken getekend worden. Inmiddels heb ik in de thema-hoek die postkantoor geworden is een kaart van onze stad neergelegd. Jonathan vindt dat hij moet worden opgehangen zodat iedereen hem goed kan zien. Regelmatig zijn er kinderen voor de plattegrond te vinden, kijkend en soms heftig met elkaar in gesprek. De ‘blokjes’-plattegrond wordt net zo mooi ingekleurd als de echte. Maaike heeft haar eigen straat getekend en vraagt of ik er Boterbloemstraat bij wil schrijven. Jill schrijft zelf haar eigen straatnaam op de goede plek.

De volgende weektaak staat in het teken van plattegronden. Ik vraag de kinderen huizen te bouwen langs een getekende weg maar ook om een plattegrond te tekenen van onze klas waarop je de weg kunt vinden naar alle zelfgemaakte brievenbussen in onze groep. Nienke weet niet hoe ze beginnen moet. Als ik naast haar ga zitten en doorvraag begrijp ik ineens dat ze vooral moeite heeft met de manier waarop je de grens van een ruimte aangeeft. Dat je een tafel tekent als een rechthoek met daarom stoelen die een streepje zijn, dat snapt ze nog wel. Dat kun je ook nog wel zien als boven op een kast zou klimmen. Maar dat de muren van de klas een rechthoek kunnen zijn, dat kun je op geen enkele manier zien. Iets wat ik gedachteloos deed, een ruimte afgrenzen, is eigenlijk een ingewikkeld concept. Ik vertel dat je ook alleen de vloer kunt tekenen en een streep waar die vloer ophoud. Dat snapt ze en binnen een paar minuten staat er een rechthoek op haar papier waar ze wild omheen begint te krassen. ‘Het is buiten en het is de woeste wind die waait’. Later vraag ik of er ook iets in de klas is. Even tekent ze een tafel met stoelen erom heen om dan weer verder te gaan met de wind: blauw voor de wind binnenin de klas en rood voor de storm buiten. Ze geniet met volle teugen, binnen, buiten, buiten, binnen. Ze heeft een grens getrokken tussen binnen en buiten. En viert het nieuwe inzicht.

IMG_1349

.

Al snel wordt het tekenen van de plattegrond iets waarvan de kinderen weten hoe het moet: eerst een rechthoek en daarbinnen kleinere rechthoeken met vormpjes die stoelen voorstellen. Bijna als een soort van abstracte patronen. Toch komen daarin weer de brievenbussen met nummers! En inderdaad hebben we in de huishoek een rond tafeltje. De plattegrond wordt soms opgefleurd met bloemetjes en hartjes en de vriendinnetjes en juf moeten er natuurlijk ook bij: van voren.

IMG_1351IMG_1353

.

Jonathan ontdekt dat niemand het bureau van juf tekent. Enthousiast begint hij aan de bovenkant, tegen de muur, gedetailleerd een bureau te tekenen. Precies zoals het eruit ziet, met laatjes en daarnaast het kastje met daarop de map van juf. Toch zit hij somber voor zich uit te kijken als ik weer langs kom: ‘Mislukt! Ik heb het van de verkeerde kant getekend’. En inderdaad, het bureau zie je, in tegenstelling tot de tafels, het kleedje en de kast, van opzij.

IMG_1352.

Maar hij is niet de enige. De meeste kinderen tekenen alles vanuit het perspectief dat de meeste informatie geeft. Ze tekenen datgene wat het het eerst opvalt. Alhoewel niet allemaal. Fréderique tekent alles van boven. Zelfs de schooltuin buiten, staat op haar plattegrond. Maar wat doet die lange vorm daar, helemaal links op het blad? Dat is de ijzeren paal natuurlijk, die omhoog het dak inloopt.

IMG_1354IMG_1350

.

Aan het eind van de week kijkt Jill, terwijl ze zit te tekenen, verlangend omhoog. ‘Oh, ik wou dat ik het een keertje écht kon! Zo omhoog zijn en dan zien hoe de klas eruit ziet.’ Op de fiets naar huis bedenk ik dat ik een selfie stick hoog in het puntje van ons schuine plafond zou kunnen houden en dan een foto maken. Sowieso zouden we met zo’n stick van alles van boven kunnen fotograferen. Daarna kunnen we natuurlijk op Goolge Earth kijken naar alle plekken die we kennen. En het boek ‘De gele ballon’ van Charlotte Dematons zouden ik ook kunnen opsnorren. Maar het is genoeg geweest. Het thema is afgelopen. De vakantie komt eraan.

Zo is het vaak met de lessen in kleuterplein. Met één activiteit kun je weken voort. Vooral als je de doelen die er bij genoemd worden wilt halen. De methode als leidraad voor wie daar behoefte aan heeft en als bronnenboek voor de ervaren leerkracht; daar adverteren ze mee. Ik ga voor dat bronnenboek maar moet wel jongleren tussen alle verschillende en uiteenlopende input door. Maandag beginnen al onze kleutergroepen met een eigen thema. Ik ga maar eens heel weinig plannen en heel goed luisteren en kijken en naar mijn kinderen.

Odyssee

IMG_1391.

Gewapend met dikke sokken en warme truien nestelen we ons een paar dagen in een huisje in de duinen. Ondanks de sombere weersvoorspellingen zwerven we iedere dag, zonder zelfs maar een spatje regen, door zonnig struikgewas en langs de kust waar wilde windvlagen het schuim hoog het strand opblazen. Tussen het orkest van zingende vogels herken ik sinds kort de nachtegaal. En als ik mij koester in het zonnetje, beschut tegen de wind achter het huisje, hoor ik de kikkers zachtjes kwaken in de poel verderop. In het kleine keukentje improviseer ik een maaltijd terwijl Jan, met partituur, luistert naar Otello van Verdi op CD. Af en toe hoor ik hem zachtjes mompelend commentaar geven. En dan enthousiast naar mij: ‘Hoor je dat … en dat …, hoor je de elementen van Verdi die ik, zonder het te weten, verwerkt heb in mijn muziek!’ Ja, na bijna 30 jaar samenleven met een musicus herken ik niet alleen een nachtegaal maar ook moeiteloos Monteverdi of Josquin des Prez, onderscheid ik Schumann van Poulenc of Hindemith van Schönberg. De afgelopen maanden maakte ik van dichtbij mee hoe Jan muziek schreef voor de nieuwe toneelvoorstelling ‘De Odyssee’, van het gymnasium bij ons in de buurt. Ik hoorde de liederen op teksten van Robbert Grijsen groeien, herkende Monteverdi, Schubert, Verdi misschien en vooral heel veel Jan van Zelm.

Vorig jaar componeerde hij ook al muziek bij een toneelvoorstelling op de school. Toen ik naar die uitvoering kwam kijken en luisteren werd ik ontvangen door een oud leerling van mij. Hé, deed ze ook mee? ‘Nee’, antwoordde ze terwijl haar schouders, bijna wanhopig, naar beneden zakten. ‘Te laat met opgeven! M’n broer wel.’ Ik herkende meteen de kleuter die ooit vertelde dat ze thuis een speelgoedkonijn had dat echt kon lopen. Toen ze ‘m in de kring liet zien bleek dat geen opwind-beestje maar een gewoon knuffeltje. Vol verwachting keek de rest van de klas toe hoe het zachte witte konijntje zou gaan lopen maar er gebeurde niets. ‘Nee, natuurlijk niet’, zei de vijfjarige met eenzelfde wanhopige blik over zoveel onbegrip, ‘hij durft het pas als niemand kijkt, we moeten hem met rust laten, dan is ‘ie vanzelf een stukje verder’. ‘Misschien doe je volgend jaar mee’, zei ik tegen de inmiddels 13 jarige. En dat heeft ze gedaan. In de Odyssee speelt en zingt ze mee. Als Odysseus langs Scylla vaart, een zeemonster met 6 hondenkoppen en daartegenover Charybdis die driemaal per dag zo’n enorme hoeveelheid water opzuigt en uitspuwt dat er vervolgens een draaikolk ontstaat, jaagt ze al klappend, sissend en stampend samen met het koor alle mannen van Odysseus de dood in.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4613phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4606

.

Voor het eerst dit jaar worden de leerlingen niet alleen begeleid door de piano maar ook door het strijkers-ensemble Indigo. Het geeft Jan nog meer mogelijkheden. Even ben ik bang dat het teveel zal zijn. Zoveel muzikale ideeën en dan de professionele musici die weten hoe ze dat ook echt kunnen laten horen. Is dat nog wel in balans met leerlingen die niet allemaal een evengrote muzikale achtergrond en ervaring hebben? Maar het omgekeerde gebeurt. De strijkers tillen de zangers op, trekken iedereen de sfeer van de muziek in en laten ze de structuur nog beter begrijpen. Thema’s die terugkomen en door de instrumenten herhaalt worden, stemmen en tegenstemmen die om elkaar heen wervelen. Gloedvol roept Penelope vanachter haar weefgetouw de goden aan.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4449

.

En het zijn niet alleen meisjes die mee willen spelen en zingen in de voorstelling. Sommige jongens kiezen voor toneel maar hebben zelden of nooit gezongen. Allemaal staan ze er met evenveel overtuigingskracht en enthousiasme. Al zingend steken ze elkaar, als de vrijers die het paleis van Ithaka bevolken, de loef af.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4354

.

Vorig jaar kwam ik ook al een andere oud leerling van mijn eigen school tegen. Toen verraste ze iedereen met haar heldere stem tijdens verschillende 3-stemmige stukjes. Het afgelopen jaar zag ik haar vaker. Ze had de smaak te pakken gekregen en zangles genomen bij Jan. In de Odyssee krijgt ze de rol van de moeder van Odysseus toebedeeld. Ze zingt vanuit de onderwereld haar lied van verdriet om de verloren zoon. En ze doet dat met zoveel inlevingsvermogen en gevoel dat de tranen me in de ogen schieten. Wat heeft ze veel geleerd en wat een muzikaliteit. ‘Hoe doe je dat toch?’ zegt ze zelf tegen Jan, ‘zulke mooie muziek componeren’. Om dan met een tegendraadsheid die ik nog van haar ken te vervolgen: ‘Ik snap niet dat je niet allang beroemd bent. Dit is toch veel mooier dan al die troep op You Tube!’.

 

.

In ons huisje in de duinen hebben we het over authentieke kunsteducatie. Volgens Jan zou je zo’n voorstelling dan heel anders aanpakken: ‘Je moet de leerlingen zelf laten improviseren en componeren, werken met spreekkoren en ritme-instrumenten en zo.’ Ik weet het niet. Het kan natuurlijk maar door een stuk en muziek te schrijven zonder concessies te doen, zonder te bedenken dat het vooral voor ouders, broertjes en zusjes leuk moet zijn en door samen te werken met professionele musici ervaren de leerlingen hoe het er in de wereld van de kunst aan toe gaat. Toch ook een belangrijk uitgangspunt van authentieke kunsteducatie. Bovendien organiseren de leerlingen alles zelf, van de  belichting en het geluid tot de financiën. En als ik de aanstekelijke betrokkenheid, het enthousiasme en de samenhorigheid zie, denk ik dat het zeker gelukt is een voorstelling neer te zetten zoals dat ook in de ‘echte wereld’ gebeurt.

Wie leert van wie?

.

‘Hoe gaat ‘t met je cursus?’ was meestal de eerste vraag die mijn dochter stelde wanneer we elkaar zagen. Voor het eerst gaf ik een cursus aan volwassenen. Het ging goed en was erg leuk. Soms bedacht ik me dat ik zelf misschien wel meer leerde dan m’n cursisten. Ja, dat herkende ze wel. Ook zij leerde veel toen ze practicum begeleidde op de UVA. Je moet bedenken wat je wilt vertellen. Wat is belangrijk en waarom en hoe hangt alles met elkaar samen? Sabine Plamper en ik hebben er menige verhitte discussie over gevoerd. Het gaf onverwachte inzichten. En dan …, hoe breng je dat over? In de cursus probeerden we theorie en praktisch werken af te wisselen. Sabine stelde voor om een klein ‘Postkaarten-project’ op te starten. Iedere cursusdag voor de lunch tekenden de cursisten met een zwarte fineliner op een blanco postkaart terwijl ik een kort verhaal voorlas. Ook vroegen we hen om hetzelfde te doen in de eigen werksituatie. Met mijn eigen volle kleutergroep leek me dat eigenlijk vrij ingewikkeld. Hoe kreeg ik al die 32 kinderen aan een tafel en dan aan het tekenen terwijl ik ook nog voorlas? Maar een van mijn cursisten vond het geen probleem. Gewoon de kinderen op hun knieën voor de bank of stoel in de kring. In een halve minuut gepiept. Het zag er prachtig uit. Tja, ook daar kon ik wat van leren.

Ik heb een echte jongensgroep. Het laatste half jaar meldt zich bijna geen enkel meisje voor onze kleutergroepen. Zo’n klas vol jonge jongetjes betekent dat activiteiten meestal ontvangen worden met een wild en onstuimig enthousiasme. Het betekent dat alles met grote nieuwsgierigheid en een enorm kabaal wordt onderzocht, dat er altijd beweging en actie is. Af en toe vind je een groepje woeste jongetjes als een stel jonge hondjes boven op elkaar op de grond. En regelmatig word je door een klein prinsje het hof gemaakt. Maar het is best moeilijk om iedere dag de energie op te brengen om positief te reageren op al die springerige, onverwachte incidenten. Als je bijvoorbeeld drie jongens met hun meegebrachte kiepwagens ‘even’ naar de open plek vlak voor de net opgeruimde huis/thema-hoek dirigeert, moet je niet verbaasd zijn als je na een paar minuten enthousiaste kreten hoort: ‘Juf, kijk, kijk, we hebben een vuilnisbelt gemaakt!’ Als je dan aanschouwt hoe ze in die paar minuten alles, echt alles wat er te vinden was aan potjes, pannetjes, plastic eten en poppen op een grote berg hebben geveegd, is het best knap dat je al je ergernis weet te onderdrukken en rustig zegt dat dit niet echt de bedoeling was, dat we bijna vakantie hebben en of ze alvast maar willen beginnen met opruimen. Dat opruimen gebeurt dan natuurlijk met dezelfde kiepwagens en er wordt druk gegraven, gekiept en nog hoger gestapeld. Al snel is iedereen alweer vergeten dat we aan het opruimen waren, bovendien blijkt dit zo leuk dat er in plaats van drie nu zes jongens aan het ‘opruimen’ zijn. Als je dan alle kiepwagens en graafmachines vertwijfeld bovenop de kast zet en de één een woedeaanval krijgt en de ander wegloopt omdat het nu toch niet interessant meer is, weet je weer dat je het zo niet aanpakt in een jongensklas. Toch neem ik me voor om op een middag te beginnen met een klein postkaarten-project. We werken rond het thema ‘post’ van kleuterplein en ik heb het idee om de kinderen te laten luisteren naar het versje over de rode brievenbus van Annie M.G Schmidt, gezongen door VOF de Kunst. De ochtend verloopt jammer genoeg niet helemaal zoals gepland. Gijs heeft sinds hij op school zit eigenlijk maar één groot doel en dat is vrienden maken. Dat begon aardig te lukken nu ook Storm op zoek was naar een maatje. De afgelopen week liepen de twee nieuwe vrienden regelmatig innig gearmd door de klas. Maar helaas is Nick vanochtend teruggekomen van vakantie. En Nick blijkt net iets meer de beste vriend van Storm te zijn. Met z’n drieën hebben de jongens heel wat uit te vechten. Bovendien heb ik de ‘time out-plek’ van Camilo verplaatst naar een plek tussen twee kasten omdat de oude plek zich wel erg dicht bleek te bevinden bij de tafel waar meisjes met lijm en glitter aan de gang gingen.  Voor alsnog helemaal fout natuurlijk. Als ik vraag of Camilo eerst maar even rustig moet worden op zijn kussen voordat hij samen met ons in de kring komt zitten, doet hij dat braaf maar stuitert er ook net zo snel weer vandaan. Aan het eind van de ochtend is mijn geduld op en dirigeer ik hem hardhandig naar zijn ‘zitzak’. Dit leidt tot een jongetje dat bovenop de kast klimt en daar alles wat hij te pakken kan krijgen de klas in slingert.

de brievenbus wou niet meer

de brievenbus wou niet meer

.

‘s Middags ben ik nog steeds aan het uithijgen en zijn mijn verwachtingen tot nul gereduceerd. Ik vertel de kinderen dat we iets uit gaan proberen en leg uit wat de bedoeling is, ze gaan luisteren naar de ‘brievenbus die niet meer wilde’ en mogen tekenen wat er in hen opkomt. Dat kan een brievenbus zijn maar ook iets heel anders.  Ik deel de blanco kaartjes en zwarte fineliners uit en dan voltrekt zich een klein wondertje. In opperste concentratie zitten ze knie aan knie voorover gebogen aan de banken en hun stoeltjes. Vergeten zijn alle incidenten en al het tumult. Twee keer laat ik het liedje van de brievenbus horen. En de kinderen tekenen. Ik kijk naar de reïntegrerende leerkracht, vanmiddag bij mij in de klas, en we kunnen een opkomende giechel bijna niet onderdrukken. De kinderen hebben nergens anders oog voor dan voor hun tekening. Ik zie brievenbussen op het kaartje verschijnen maar ook stippen, strepen en krassen, vrolijke poppetjes en letters. Pas als het liedje voor de 2de keer bijna op zijn eind is, beginnen de kinderen te kijken naar degene naast hen. En als ik de kaartjes ophaal is het ‘Kijk! Kijk, wat ik heb gedaan!’ niet van de lucht.

IMG_1362IMG_1357

IMG_1360IMG_1359IMG_1358IMG_1363

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

‘Ga met een lijn uit wandelen’, zegt Sabine altijd. En dat hebben de kinderen gedaan. Ik vertel ze hoe trots ik op ze ben.

Leren op eigen kracht

IMG_0877

‘Niet rennen in de gang! Rustig lopen!’

..

‘Niet rennen in de gang! Rustig lopen!’ Luid en duidelijk leest ze het voor. Die dag hebben enkele bovenbouwers door de hele school energiezuinige tips opgehangen. Zo hangt er naast het lichtknopje de vermaning om het licht uit te doen. Toevallig hangt het briefje net naast het ‘stoplicht’ dat het wc gebruik regelt. Als de zes jarige Mees in volle vaart langs Yindee de gang op stormt legt het 2 jaar jongere meisje moeiteloos het verband tussen briefjes die een geschreven boodschap bevatten, allerlei ver- en geboden en het stoplicht dat ervoor moet zorgen dat er maar 1 kind tegelijk over de gang naar de wc loopt. ‘Mees’, zegt ze, terwijl ze streng omhoog kijkt naar de in zijn vaart gestuite grote jongen, ‘je moet rustig lopen! Dat staat hier toch: – NIET – REN – NEN – IN – DE – GANG!  – RUS – TIG – LO – PEN! -‘ Bij iedere lettergreep tikt ze vinnig op een woord. Vol ontzag kijkt Mees van Yindee naar het briefje, om dan rustig, met misschien alleen af en toe een klein hupje, zijn weg naar de WC te vervolgen.

Later zit Mees naast mij in de kring als ik het boek -Kikker is Kikker- van Max Velthuis voorlees. Mees heeft zijn CITO-taal toets voor kleuters niet zo goed gemaakt. Iets wat hij zelf gelukkig niet weet. Ineens doet hij een grote ontdekking: ‘Hé, dat is hetzelfde woord! KIKKER en KIKKER! Kijk maar die is hetzelfde en die en die!’ Opgewonden springt hij van zijn stoel. ‘Daar staat KIK-KER en daar staat KIK-KER! Kikker én Kikker.’ Ik vertel dat er -Kikker ís Kikker- staat. De I en de S. ‘Kikker ís kikker’ herhaalt hij nog een paar keer, terwijl hij met zichtbaar plezier de verschillende woorden op de kaft van het boek aanwijst. Het stelt mij gerust over de taalontwikkeling en de aanwezige leesvoorwaarden van Mees.

Anne-Lotte is al wat verder doorgedrongen in de wereld van de geschreven taal. Aan het begin van de middag kijken en lezen de kinderen nog even in een boekje terwijl ze wachten tot iedereen er is. Anne-Lotte heeft een boekje over de zee gevonden. Hardop spellend, kijkend naar de plaatjes, terwijl ze de herhaling in de zinnen opmerkt, ontcijfert ze zin voor zin de tekst. – ‘Heeft een vis eten nodig? Ja! Heeft een vis water nodig? Ja! Heeft een vis zuurstof nodig? Ja! Leeft een vis? Ja!’ – Iedere met moeite gedecodeerde zin komt ze vol trots aan mij voorlezen. Maar dan wordt het ineens echt grappig. – ‘Heeft zand eten nodig? Nee! (Nee, haha natuurlijk niet.) Heeft zand water nodig? Nee! (Hihihaha, zand kan toch niet drinken.) Heeft zand zuurstof nodig? Nee! (Zuurstof, dan moet ‘ie ademen. Kan zand ademen? Hihihaha … nee natuurlijk niet!) Leeft zand? Nee!  (Hahah, hihi. Hier staat leeft zand? Nee! Zand leeft niet. Haha.)’ – Aan iedereen die het horen wil leest ze het boekje voor, ondertussen springend en dansend van plezier. Ze heeft het zelf gelezen én begrepen én het is zo leuk, hoor maar.

Zo leren kinderen. Voortdurend en overal. Met elkaar en alleen. Soms hoef je als leerkracht niet meer te doen dan daar de ruimte voor geven.

Vertrouwen kost moeite

IMG_5620..

‘…. en vind je dat goed? Oh, ík zou geen oog meer dicht doen!’ Het was niet de eerste keer dat iemand dat geschrokken uitriep. Iedere keer weer draaide mijn maag om. Onze 21 jarige dochter wilde 4 maanden gaan rondreizen in Azië, alleen. Voor thuisblijvende ouders is dat dus doodeng. En naarmate het afscheid dichterbij kwam leek de wereld steeds gevaarlijker en onherbergzamer te worden. Vliegtuigen kunnen spoorloos van de radar verdwijnen, veerboten kapseizen en ik zag goedwillende vrijwilligers bijna geplet worden toen ze probeerden een angstige olifant in een vrachtwagen te drijven. En dan durfde ik nog niet eens te denken aan die 2 verantwoordelijke, goed voorbereide jonge vrouwen die enthousiast op reis gingen en onvindbaar werden. Toch hebben we nooit gedacht dat we haar konden verbieden om te gaan. Ze trainde vooraf weken lang elke dag om haar knieschijf, die een paar keer pijnlijk uit wandelen ging, op zijn plaats te houden. Ze liet zien waar ze naartoe wilde. Samen zochten we naar een hostel in Singapore en bij het zien van foto’s van backpackers in vrolijke, gemeenschappelijke chat-ruimten werd mijn beeld van een alleen reizende jonge vrouw in Azië langzaam losgezongen van verontrustende verhalen uit het nieuws. Het vertrouwen groeide. En nu ze dan echt weg is blijkt het allemaal weer helemaal anders te zijn dan wij ons voorstelden. ‘Vandaag heb ik gedoken naar een wrak, het was prachtig en ik leef nog steeds,’ app’te ze. We merkten dat alleen reizen zelden echt alleen is. Overal zijn jonge mensen onderweg en dat doen ze samen. In haar blog las ik hoe ze dwars door de jungle liep en na een hachelijke afdaling een moeder orang-oetang met baby ontmoette. Vastbesloten pakte de aap haar arm en probeerde haar mee te nemen de jungle in. En soms zitten we zomaar een uurtje te kletsen via Skype, net alsof ze naast ons zit op de bank. Thuis genieten we van de verhalen, trots merken we hoe ze problemen oplost, ontdekkingen doet, mensen ontmoet, vrienden maakt, hoe ze een andere wereld leert kennen, verliefd wordt misschien. Maar toch …. als ik een aantal dagen niets heb gehoord groeit de ongerustheid. Het is als toen ik de eerste keer mijn 6 weken oude zoon achterliet bij goede vrienden om een stukje te gaan varen. Het was alsof ik met een onzichtbaar draadje met hem verbonden was. Een draadje met een beperkte lengte. De straat uit ging goed, in de roeiboot stappen en de gracht uit varen in het zonnetje was heerlijk maar toen ik de bocht om voer kwam er een vage onrust opzetten, die groeide en groeide. Tot ik verbaasd constateerde dat het niet meer ging, ik móést terug. Zo staat het draadje nu ook af en toe te strak gespannen. Die ongerustheid voelen is niet moeilijk. Het gaat vanzelf, ineens zijn ze er gewoon, de zorgen en de angstige fantasieën. Voor vertrouwen moet je moeite doen. En ik denk aan de keer dat ze 3 was, die inmiddels volwassen dochter, en naar het kinderdagverblijf ging. Ineens pakte ze haar lievelingsknuffel en gaf ‘m aan mij: ‘Je mag ‘m wel even, voor als je mij mist, dan wordt je niet zo verdrietig’, zei ze. Daarna stapte ze vol vertrouwen het kinderdagverblijf binnen. Pas later dacht ik hoe goed ze dat had gedaan voor ons alle twee. Voor zichzelf had ze een anker gemaakt, veilig thuis bij haar moeder. En ík had een extra sterk draadje dat ik lang kon laten vieren. Bovendien zag ik hoe goed ze voor zichzelf kon zorgen en dat geeft pas echt vertrouwen.

Toch snap ik ze goed, al die ouders die aarzelend hun net 4 jarigen achter laten in een volle, lawaaiige kleuterklas. Ik merk hoe ze nog even, ongerust, staan de kijken, verstopt op de gang. Wordt mijn kind niet gepest? Luistert ‘ie wel naar de juf en loopt ‘ie niet weg? Voelt ‘ie zich wel prettig en weet ‘ie wat ‘ie moet doen? Ziet de juf wel wat ‘ie allemaal al kan en wil? Ik snap de schrik als een moeder per ongeluk ziet hoe haar kind buiten op de speelplaats in een afgelegen hoekje op de grond wordt gegooid door de grote jongens. Ik begrijp hoe het is om diezelfde 6 jarigen ineens thuis te krijgen om te spelen met jouw al heel grote maar toch nog maar net 4 jarige zoon; ‘alsof er een soort pubers in je huis komen’ vertrouwde een andere moeder mij eens toe. En dan al die nieuwe woorden en andere gedragingen die ze meenemen naar huis. Een collega bedankt de ouders altijd voor het ‘lenen’ van hun kinderen. En dat is heel terecht, het vraagt vertrouwen om je kind urenlang achter te laten in een wereld waar je toch eigenlijk weinig vanaf weet.

Voor dat vertrouwen moet je moeite doen. De eerste impuls is meestal al het gevaar en eigen initiatief zo veel mogelijk uit te bannen. Ik zag een keer een invaller die om de 5 minuten alle kinderen telde en er dus steeds een paar kwijt was. Of een kleuterleerkracht die de prikpennen boven op de kast zette omdat ze zo gevaarlijk waren. Je kunt proberen alle kinderen als een kloek onder je vleugels te houden bij het naar huis gaan of je kunt vertellen dat ze bij je blijven wachten als ze hun ouders nog niet zien en er op vertrouwen dat ze dat dan doen. Waarom nemen we scholen voortdurend de maat en gaan we er vanuit dat werknemers moeten worden aangespoord om minder te verzuimen? Hoeveel vertrouwen hebben we eigenlijk in kinderen als we voortdurend testen of ze wel genoeg hebben geleerd? En wat zegt dat over het vertrouwen in leerkrachten?

Maar hoe doe je het dan wel? Ik denk allereerst door er vanuit te gaan dat een ander altijd een goede reden heeft om te doen wat ‘ie doet. Dat mensen én kinderen weten wat ze wel kunnen en wat niet en wanneer ze hulp nodig hebben. Vertrouwen  is iets dat moet groeien en voor dat groeien zijn in ieder geval 2 mensen nodig. Daarbij is vertrouwen geven net zo belangrijk als het krijgen. Als ik merk dat niemand gelooft dat ik iets kan, wordt het echt heel moeilijk om te doen. Terwijl je van het tegenovergestelde vleugels krijgt, dan kun je (bijna) alles. Wat natuurlijk geen garantie is tegen ongeluk. Want ja, soms loopt iets anders dan verwacht of ontstaan er problemen. Dat hoort er ook bij.

Voorlopig bijt ik me dus dapper door de zorgen-wolkjes heen en geniet ik zoveel mogelijk van die dochter van ons, ver weg in Azië.