kleur

De kleur van een voorjaarsvakantie

IMG_5390

 

..

De kleur van sneeuwklokjes in wittig groen gras onder een blauwe lucht, de paarse en lila krokusjes overal. Veel zon en langs waaiende wolken, grijswit, blauwgroen. Eten op de houten tafel onder het zachte licht van de lamp met vrienden, alle kleuren worden warm en gloeiend dan. Het licht door de gekleurde glas-in-lood ramen in de sauna in Amsterdam en de knalgroene supergezonde smoothy na afloop. En dan alle kleur in de foto’s uit het atelier die ik de afgelopen tijd maakte. Af en toe achter de laptop: kijken en plakken en schrijven. Proberen al die kleine verhalen te vertellen. Het zijn er te veel. En het zijn er natuurlijk altijd nog veel meer. Zie hier het resultaat. De kleur van een voorjaarsvakantie.

Een huis voor de dode worm

'Kijk Jonas, wij hebben een huis voor de worm gemaakt.'

‘Kijk Jonas, wij hebben een huis voor de worm gemaakt.’

..

‘Mag ik m’n bakje mee? Want ik ga in het atelier een huis maken voor de worm.’ Eerst wil ik nee zeggen. In het atelier werken we over kleur. Vorige week maakten de kinderen, onder leiding van de kunstenaar Floor Max, composities op een vel papier met allerlei kosteloos materiaal dat prachtig gesorteerd op kleur was uitgestald. Deze week wil ik zo veel mogelijk nuances van de kleur rood aanbieden en gaan we kijken hoe je daarvan iets stevigs kunt bouwen. Maar als ik naar Nanne kijk, zie ik dat ze eerder een mededeling doet dan een vraag stelt. Ze heeft haar plan gemaakt. Het wordt een huis voor de worm! Ik moet ook denken aan die keer dat we in het atelier werkten, bijna een jaar geleden en ik zelf aan de kinderen vroeg plekjes te maken voor de dieren die ze vonden in de grond. Eigenlijk is het prachtig dat ze daar nu op door wil gaan. ‘Ja, natuurlijk, neem maar mee,’ zeg ik dus. In het atelier gaat Nanne samen met haar vriendinnen meteen hard aan de slag. Op het rode vel papier komen etensbakjes, speeltoestellen en een bedje. Op een gegeven moment zie ik Anne Lotte het bakje ver weg op de kast achter wat spullen schuiven. ‘Hebben jullie de worm niet meer nodig?’ vraag ik. ‘Jawel maar hij is morgen jarig,  we gaan z’n huis versieren en dat is een verrassing, dus hij mag het nog niet zien.’ Dat is logisch. De worm blijkt dood en verdroogd te zijn, geduldig ligt ‘ie te wachten in het bakje. Ondertussen wordt het huis versierd met allerlei rood hartjes-tape en verschillende roze-rode lintjes en middenin het huis komt een groot ingepakt cadeau. Later hebben de meiden een probleem. Ze willen dat de worm bij alle drie thuis gaat logeren en dan moet hij natuurlijk overal een bed en etensbakje hebben. Of ze nog een vel papier mogen voor nog 2 huizen. En natuurlijk mag dat.

Sinds de kerstvakantie werk ik 4 dagen in de week. Het leek me heerlijk om niets meer te missen van alle grote en kleine gebeurtenissen van mijn kleuters. Ik verheugde me op de plannen die ik samen met de kinderen zou maken en uitvoeren. Maar met een nieuwe kleutermethode plus bijbehorend leerling-volgsysteem, een op handen zijnd inspectiebezoek dat vooral zal gaan over ‘het papieren spoor’ en de ‘opbrengsten’, het maken en  evalueren van didactische groepsplannen en het opzetten en verantwoorden van een nieuwe atelierperiode blijft er weinig tijd en aandacht over voor mijn groep. Gelukkig zijn de kinderen met hele andere dingen bezig. Als ik me enigszins vertwijfeld afvraag hoe ik erachter kom hoeveel seconden ieder kind op 1 been kan staan en of ik  moet corrigeren wat ik invulde bij Annemijn die de ene dag precies wist welke dag het was maar de volgende dag kijkt of ze het in Keulen hoort donderen, vraagt Jorrit hoe hij een luchtballon met een bakje kan maken. Ze zijn namelijk een computerspel in het echt aan het maken en daarbij moet je in een luchtballon overal heen vliegen en nu hebben ze dus een luchtballon nodig. Even loop ik in mijn hoofd verschillende mogelijkheden af; kan ik een ballon gaan halen? Nee nu niet,  David kan niet langer zonder begeleiding met de duplo spelen en ik moet zo direct met een groepje in de kleine kring voor een lesje rijmen. Als ik opkijk is Jorrit alweer verdwenen. Pas aan het eind van de dag zie ik wat de jongens hebben gemaakt. In een bouwkist staat een prachtig tafereeltje. Van een prop papier hebben ze een luchtballon gemaakt met daaronder een gevouwen bakje, alles stevig aan elkaar bevestigd met plakband. De dagen daarna wordt het spel in de bouwhoek en ver daar buiten uitgebouwd. Er komen bergen met lava, moerassen en andere hindernissen. Niemand weet precies hoe het spel gaat want het is bij iedereen al weer van de I-pad afgehaald dus kunnen ze zelf de regels bedenken. Wie de ‘witte geest’ mag zijn leidt even tot een heftige discussie maar uiteindelijk wordt besloten dat er ook wel drie geesten in het spel kunnen.

Kijkend naar de kinderen die bezig zijn in het atelier bedenk ik wat een groot gemis het is dat er nergens iets gevraagd wordt over spel in ons leerling-volgsysteem. Spel; de leidende activiteit bij jonge kinderen. In een vrije situatie zie je het bij vrijwel alle kinderen. Van het sensomotorische spel van David die met een bolletje gele wol de hele ruimte verkent, onder de tafel door, dwars over andere kinderen heen en kijken welk spoor je achter laat en dan nog verder, de gang op, net zo lang ronddraaien tot je helemaal verward raakt in de draad en Lore je los moet knippen. Tot de jongens die een vlot maken dat straks echt gaat varen en dus wel moet kunnen drijven en stevig moet zijn. De meeste kinderen kunnen in hun spel veel meer dan ze tijdens de CITO-toets laten zien. In de kring bekijken we een van de wormen-huizen van Nanne, Nadja en Anne-Lotte. ‘Waar is de worm nu’, willen de andere kinderen weten. ‘Nou die is dood……’ ‘En uh, mijn huis is eigenlijk voor m’n Furby’ bedenkt Nadja ineens. Jort bekijkt het huis eens goed. Met zijn handen past hij een grootte af. ‘Ik weet het niet maar past je Furby er wel in? Want hoe groot is ‘ie eigenlijk? Mijn zus heeft ook een Furby maar die is ….. zó groot ongeveer’. Weer geeft hij met zijn handen de grootte aan. Nadja denkt even na, ook zij geeft met haar handen aan hoe groot haar Furby ongeveer is en kijkt dan of ‘ie wel in het huis past. Anne-Lotte neemt het over. ‘We zijn ook nog helemaal niet klaar. De volgende keer gaan we een bed maken waar ‘ie inpast en ook een tafel en een stoel en nog meer speelgoed.’ En zo gebeurt het. De volgende dagen in het atelier wordt er verder gebouwd aan het Furby-huis. Alles in rood, roze, paars-rood oranje-rood en een heel klein beetje geel, blauw en groen.

IMG_5360

Wat kun je als leerkracht toch veel leren van je kinderen. Misschien moeten we toch nog maar eens goed nadenken over wat er echt nodig is voor het ontwerpen van een ‘beredeneerd aanbod’.

KLEUR en andere projecten

De verzameling gekleurde Nespresso Cups van kunstenaar Floor Max

De verzameling gekleurde Nespresso Cups van kunstenaar Floor Max

..

Juf Gerda die al meer dan 40 jaar voor de klas staat gaat met pensioen en ze neemt afscheid met het opvoeren van de kleutermusical ‘We gaan op berenjacht’. Een koor van 24 kinderen uit groep 5 t/m 8 zingt de speciaal door Jan van Zelm gecomponeerde liedjes. Het ‘sneeuwlied’ is populair. Twee coupletten lang worden lieflijk de sneeuwvlokjes bezongen en de warme kleren die je aan moet trekken. Maar dan: O jee, een loeiende, zwiepende sneeuwstorm! Het raast en tiert, het lijkt wel Schubert. Na afloop verzucht Lewi: ‘iedereen zegt altijd dat ik dat zo boos zing maar ik wordt ook zo boos als dit stukje komt!’ Haar ogen schitteren en genietend stampt ze nog een keer op de grond. Ze heeft het helemaal begrepen. De dramatische opbouw van het lied en hoe je met muziek dus emoties kunt verbeelden. Of neem de kleuters die helemaal gefascineerd kijken naar de overheadprojector waarmee we de sneeuw achter het podium projecteren. ‘O, ik snap het al’ roept Jort, ‘er zit een lamp in en dan komt het licht daaruit’. Ze kunnen er niet afblijven. Willen weten wat er met de schaduwen gebeurt en die plaatjes kun je die bewegen en waar zie je dat dan. Bij ieder nieuw beeld klinkt de uitroep: ’oh, wat mooi!’ Het zijn gebeurtenissen die zo de doelen van ‘kunstzinnige oriëntatie’ kunnen dekken. Die sowieso heel waardevol zijn in een kinderleven.  Maar hoe zorg je dat dit geen toevallige incidenten blijven? Dat het wordt ingebed in de schooltijd van alle kinderen?

De groepen 7 en 8 bij ons op school hebben de afgelopen weken een aantal keren in het atelier gewerkt. Daarbij probeerden de leerkrachten samen met een kunstenaar een link te leggen met een ander vakgebied. Met aardrijkskunde of geschiedenis kwam in alle groepen  het thema ‘ontdekkingsreizen’ aan bod. Dit werd de aanleiding voor de 4 keer dat er in het atelier gewerkt werd. Vorige week werd het geëvalueerd. Een van de leerkrachten noemde als doel: het verrijken van het onderwerp V.O.C. en ontdekkingsreizen. De kinderen kregen de opdracht een object te maken dat kon drijven of rijden. Ze moesten nadenken over beweegbare constructies en leerden deze zelf te maken. Daarbij werden ze uitgenodigd om veel samen te werken. De opdracht bleek heel uitdagend en sloot goed aan bij het niveau van de kinderen. Je zou hierbij de koppeling kunnen maken met een aantal kerndoelen:

45       De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,  deze uit te voeren en te evalueren.

42       De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.

55       De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

Het werken in het atelier voelde voor een andere leerkracht als een luxe, bijna alsof het niet strookt met de focus op spelling en rekenen. Door de druk om de prestaties op die gebieden te verbeteren lijkt het alsof je geen kostbare uren in een atelier kunt doorbrengen. Maar zou die tijd echt ten koste gaan van de leeropbrengsten voor taal en rekenen? Het gaat om veel jongere kinderen maar Hans laat op de site Creatief Denken in het Onderwijs zien hoe je getallen, maten en gewichten kunt onderzoeken. Activiteiten die een goed uitgangspunt zouden kunnen zijn voor het werken in een atelier en zo kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van rekenvaardigheden.

Ondertussen bereiden wij, voor onze kleutergroepen, het werken in het atelier na de kerstvakantie verder voor. Is het goed om de doelen te koppelen aan die van de methode? De eerste week zijn de activiteiten een oriëntatie op het thema ‘Kunst’. Wat een verrijking om dat in het atelier te verdiepen met het onderzoeken van het deelthema ‘Kleur’. Floor Max, de kunstenaar, neemt misschien wel haar hele verzameling prachtig gekleurde Nespresso cups mee. Misschien laat een leerkracht zich inspireren door de herinnering aan alle prachtige gekleurde stoffen die ze als kind zag. En het toveren met gekleurd licht op de overheadprojector moet ook zeker een plek krijgen in het atelier. Zo weven we met z’n allen aan een manier van werken in het atelier en verder aan kunstonderwijs in het algemeen. Het gaat niet snel en misschien met vallen en opstaan. Maar het doel is een stevig, door iedereen gedragen cultuuraanbod voor alle kinderen.

KLEUR in het thema ‘kunst’ uit een kleutermethode en in het atelier

groen 2

Het is een levendige herinnering. Ik heb een tekening gemaakt op de kleuterschool en vind dat ik klaar ben maar de stagiaire wil dat ik de tekening eerst kleur. Dat het een stagiaire was is een gek detail. Ik zal haar vast niet zo genoemd hebben maar weet dat het bijzonder was dat ze er was. Dat ze jonger was dan de juf, een beetje meer zoals wij; de kinderen. Ze kijkt naar mijn tekening en zegt dat ik alleen maar lijntjes heb gemaakt. Dat zie ik ook wel maar toch heb ik helemaal geen zin in kleuren. Dan zegt ze: ‘Maar in de echte wereld heeft alles toch ook een kleur. Kijk maar, je ziet nergens lijntjes.’ Ik kijk om me heen en het is alsof er een explosie plaatsvindt in mijn hoofd. Nergens zie ik lijnen. De poten van de tafel zijn kleine kleurvlakken in het omringende grijsbruin van de vloer. Mijn jurk heeft een ander kleur dan mijn benen die daaronder vandaan komen. De lucht is niet overal van hetzelfde blauw maar toch hebben de bomen die zich aftekenen tegen die lucht een hele ander kleur. De grens is geen lijn maar een tegen elkaar opbotsen van kleuren. Euforisch loop ik naar huis terwijl ik niet kan stoppen met kijken. Alles, echt alles heeft een kleur! Thuis wil ik mijn moeder vertellen over deze ontdekking. Ik zeg: ‘Mama, alles heeft een kleur!’ ‘Ja’, zegt mijn moeder, ‘soms is iets rood, soms blauw of groen’. Dit klinkt niet als wat ik bedoel en ik probeer het opnieuw: ‘ja maar echt alles heeft een kleur……!’ Hoe het gesprek verder ging herinner ik mij niet, alleen de teleurstelling dat ik niet duidelijk kon maken hoe bijzonder het was dat de wereld bestond uit kleurvlakken en niet uit vormen die begrensd werden door lijnen.

Ik moet aan deze herinnering denken bij het voorbereiden van het werken in het atelier de komende periode. Het is de bedoeling dat we met vier kleutergroepen  vier keer een dagdeel in hetzelfde atelier gaan werken. We proberen daarbij de verbinding te leggen met het thema en de leer- en ontwikkelingsdoelen van onze methode ‘Kleuterplein’.  Dat thema is die periode ‘kunst’ en al pratend met de collega’s komt daaruit het deelthema ‘kleur’ naar voren.

De ene herinnering roept de andere wakker. De wereld die bestaat uit botsende kleurvlakken doet denken aan de schilderijen van Rothko en de keer dat ik als 14 of 15 jarige zei dat ik de reproductie van een werk van hem het mooiste vond uit een boek over moderne kunst, eigenlijk misschien wel van alle schilderijen die ik ooit zag. Het leverde een smalend lachen van mijn vriendinnen op. En later het zichtbaar gemaakte  over elkaar schuiven van gekleurde doeken bij Rob van Koningsbruggen. En steeds wordt mijn oog getrokken naar daar waar de ene kleur in de andere overgaat, waar het mengt en botst. De gloeiende rafelrandjes bij Rothko, de ene kleur die op de andere ligt bij van Koningsbruggen en de grens van het doek waar de onderliggende kleur onderuit piept.

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

 

Rob van koningsbruggen, GH96.23

Rob van Koningsbruggen, GH96.23

..

Ik was een jaar of 7 en liep op een zonnige voorjaarsochtend alleen buiten. Een beetje verveeld. Het was zonnig maar fris en de wind blies koud langs mijn blote benen. Aan de zijkant van onze flat stonden twee roze bloeiende boompjes. Toen ik daar voor de derde keer langsliep keek ik naar boven. Als ik onder de boompjes ging staan was mijn hele blikveld gevuld met het roze van de bloesem. Daar doorheen zag ik de heldere blauwe lucht. Nu kon ik met mijn ogen focussen op de lucht of op de bloesem. Vaag blauw en helder roze of andersom. Ineens voelde ik mij onverwachts en heftig gelukkig. Ik dacht dit moet ik voor altijd onthouden. Hetzelfde geluksgevoel als toen ik ooit bijkwam uit een narcose waarin het was alsof ik levensgrote kleurvlekken in de ruimte maakte waar ik zelf in rond zweefde. Loïs, een vriendin uit de tijd op de Rietveld, zei ooit dat ze sommige kleuren in schilderijen kon voelen achter haar achterste kiezen. Een soort kwijlen bij het zien van kleur, stel ik mij voor. Zo heeft het kijken naar kleur veel te maken met genot.

Maar hoe zet je dit soort gedachten en herinneringen om in een aanbod voor kinderen in een atelier? Eerst maar eens kijken wat ik bij de kinderen in mijn klas zie. Drie jaar geleden gaf ik alle kinderen een schetsboek waarin ze mochten tekenen wat ze zelf wilden. De net 4 jarige Lisa oogstte toen veel bewondering met het tekenen van symmetrische patronen van hartjes, bloemetjes en abstracte vormen. Al snel werd dat iets wat hele klas overnam, uitbreidde en waarop allerlei variaties ontstonden. Nu zit Lisa allang in groep 3 en is vanuit deze manier van tekenen een hele nieuwe variant ontstaan. De kinderen krassen met verschillende kleuren in een slingerende beweging een wolk op het papier. Soms nemen ze zelfs een heel aantal stiften of kleurpotloden tegelijkertijd in hun hand. Ze gaan door totdat er dichte kluwen van kleur op papier staat. Zelf noemen ze het resultaat een ‘kunstwerk’. Af en toe kijken we samen welke kleuren er allemaal wel niet in de kluwen te ontdekken zijn. Ook met verf doen ze iets soortgelijks. Meestal drie wolken van op papier gemengde kleuren. Sommige meisjes schilderen samen; allebei drie dezelfde kleurwolken als hun vriendinnetje. Vorig jaar maakten Anne Lotte en Isa eens elk een schilderij waarin ze lieten zien uit welke afzonderlijke kleuren ieder wolkje was opgebouwd, als een soort som. Bv. geel rondje – rood rondje – roze rondje, wordt dit viezig rozerode kleurwolkje. En gisteren vroeg ik Anne Lotte even haar naam achterop een tekening op zwart papier te zetten. ‘Goed’, zei ze, ‘maar dan pak ik wel even een stift’. Waarop ze een zwarte stift pakte. ‘Dat zie je niet zo goed, denk ik. Een zwarte stift op zwart papier’. Maar even later zag ik dat er prachtig Anne Lotte met zwart op het zwarte papier stond. ‘Hé, je ziet het toch’, zei ik, ‘het is een iets andere kleur zwart’. Toen ik later langs de tekentafel liep hoorde ik Anne Lotte tegen haar vriendinnen zeggen terwijl ze met een bruine dikke stift over allerlei andere kleuren ging: ‘Kijk, dit is bruin en dit is een beetje andere kleur bruin en dit is weer een andere kleur bruin’. Ik moet ook denken aan de ‘kleurenfabriek’ die we 3 jaar geleden in de watertafel maakten. Daarin mengden de kinderen kleuren met water, voedingskleurstof, crêpepapier of allerlei natuurlijke materialen. Het leidde tot een rij prachtige, met gekleurde vloeistof gevulde, glazen potjes voor het raam en tot veel verwondering en plezier.  En ook tot sorteren op kleur, het maken van reeksen, het precies omschrijven van kleur, het bedenken van nieuwe namen voor nieuwe kleuren en tot mooie gesprekken. Terwijl ondertussen met het gieten, druppelen en mengen heel wat motorische vaardigheden werden geoefend.

Goed, stof genoeg. Volgende keer verder over hoe we dit omzetten in een aanbod in het atelier dat verbonden is met de leer- en ontwikkelingsdoelen uit onze kleutermethode.