kijken

In het hart van het onderwijs

IMG_5501

 

‘Kijk’, vertelt Anne Lotte tijdens het opruimen, ‘ik heb de bolletjes precies getekend zoals in het echt. De worteltjes die zag je niet maar ik heb ze wel getekend en met verf heb ik het een beetje doorzichtig gemaakt. Nu zie je het toch.’ Ze lacht en kijkt nog een keer naar haar schilderijtje. ‘Handig, he.’ We werken rond het thema ‘Alles groeit’. Op de tekentafel staan verschillende potten met bollen; narcissen, hyacinten en blauwe druifjes. Sommige met dikke knoppen en andere al volop in bloei. Ook in de schooltuin bloeien narcissen. Ik liet de kinderen er een uit de grond graven. Ze ontdekten dat de narcis uit een bol groeit en vonden onder de bol kleine, kronkelende worteltjes. Voorzichtig maakten we de narcis met bol los uit de aarde. Om alles goed te kunnen bekijken legde ik de hele bloem met bol en worteltjes op de tekentafel. Jill probeert de verleppende narcis in het potje te zetten naast het krokusje en de sneeuwklokjes die ik, ook met de bolletjes en worteltjes er nog aan, uit mijn eigen tuin meenam. Ze fluistert: ‘Dood, helemaal dood, oh jee, jullie worden nooit meer levend,’ terwijl ze probeert de stengels stevig in elkaar te vlechten. De aarde stampt ze aan, om later opnieuw te kijken naar de worteltjes onderaan de bollen. Dan werkt ze weer verder aan haar tekening. Ik vroeg de kinderen te tekenen wat er onder en wat er boven de grond groeit. Jort begint met het tekenen van een lijn dwars over het midden van zijn blad. Helemaal onderaan komt een bolletje. Dan trekt hij langzaam een lange lijn omhoog. ‘Ze groeien en groeien en groeien, mijn bloem die groeit …..’ Net boven de lijn is hij er. Daar komt een grote bloem.

De worteltjes zijn een beetje doorzichtig.

De worteltjes die je toch ziet.

Net boven de grond komt een grote bloem.

Mijn bloem die groeit.

..

..

..

..

..

..

..

..

..

Later, tijdens een overleg met een kunstinstelling, ICCers, schooldirecteuren en een onderzoekster moet ik denken aan de betrokkenheid waarmee deze kinderen aan de tekentafel kijken, praten, tekenen, denken en leren.  Cultuuronderwijs staat in het hart van het onderwijs‘ was een van de ambities die de kunstinstelling formuleerde. Daar waren niet alle directeuren het direct mee eens. Het maakt natuurlijk veel uit wat je verstaat onder cultuuronderwijs. Is dat de tekenles of het halve uurtje muziek in de week? Of worden kunst en cultuur, zoals op een OGO-school, verbonden met de thema’s waarmee gewerkt wordt, net zoals de techniek-lessen, wereldoriëntatie, een gast in de klas of onderzoeksvragen op een vanzelfsprekende manier een plek kunnen krijgen binnen het thema? En wat is cultuuronderwijs eigenlijk? Zijn dat de lessen beeldende vorming, muziek, drama en dans? Is het een ontspannen en leuke onderbreking van het gewone lesprogramma of zijn het activiteiten die gerelateerd zijn aan wat er in de echte wereld van de kunst gebeurt? Horen taal en rekenen eigenlijk ook niet bij cultuuronderwijs? En is kunstonderwijs dan misschien een andere, meer zintuigelijke manier van reflecteren, een manier om de wereld en jezelf te leren kennen maar dan met specifieke middelen? De kinderen die tekenen wat er onder en boven de grond groeit, denken na over hoe de wereld in elkaar zit. Hun tekeningen geven vorm aan hun gedachten. Zo worden deze zichtbaar, voor henzelf en voor anderen. Ondertussen praten ze met elkaar en ontwikkelen hun taalvaardigheid en woordenschat. Ze moeten goed kijken en ze zullen nadenken over hoe ze dat wat ze zien in het platte vlak kunnen weergeven, dat raakt alweer aan allerlei rekenvaardigheden. En tenslotte vraagt het ook heel wat van de motoriek om zulke precieze tekeningen te maken. Bovendien gaan echt alle kinderen met veel plezier aan de slag. Ik zie een enorme betrokkenheid. Ik kan dus wel zeggen dat het tekenen helemaal geïntegreerd is in de rest van het onderwijsaanbod en op die manier in het hart van het onderwijs staat.

Nu is het voor mij heel vanzelfsprekend om beeldende activiteiten zinvol aan te bieden. Dat gaat min of meer vanzelf, het is mij, zeg maar, op het lijf geschreven. Maar kunstonderwijs of cultuureducatie is natuurlijk meer dan dat. Laatst besloot ik een les uit de methode waarbij de kinderen een verhaal moesten uitbeelden een andere invulling te geven. Ik was geïnspireerd door de manier waarop Vivian Gussin en Jente Baeyens kinderen hun eigen verhalen laten spelen. In de kring vroeg ik wie er een verhaal wilde vertellen. Nadja wilde dat wel. Ik schreef het verhaal op, Nadja verdeelde de rollen en terwijl ik het verhaal opnieuw voorlas speelde de kinderen het uit. Onmiddellijk zaten alle kinderen op het puntje van hun stoel. De spelende kinderen gebruikten al snel het hele lokaal en pakten allerlei spullen die toevallig in de buurt stonden. Het publiek  wilde daar natuurlijk achteraan. Het was een leuk en spannend intermezzo maar de volgende keer zou ik het toch iets beter moeten structuren. Een paar weken later vroeg ik Jonathan of hij een verhaal wilde vertellen voor het ‘verhalenboek’ dat we inmiddels gemaakt hadden. Ja, dat wilde hij wel en hij begon meteen. Jonathan weet alles over de natuur, buiten vangt hij wurmen, vlinders en andere kleine beestjes. Hij weet allerlei planten, bloemen en dieren bij naam en kan daar van alles over vertellen. Het sprak vanzelf dat zijn verhaal over dieren zou gaan. Maar Jonathan is ook een echte jongen, altijd in beweging, hij klimt in de hoogste bomen, wil overal en altijd de sterkste, de snelste, de beste zijn en doet dat het liefst met zoveel mogelijk lawaai. De liefelijkheid van zijn verhaal verbaasde me. Ook het thema groeien en bloeien kwam terug in zijn verhaal, net zoals eerder bij Nadja trouwens. Het spelen van het verhaal deed ik de volgende dag in het speellokaal. Ik grensde een duidelijk speelveld af door daar banken omheen te zetten. Vanaf het moment dat de kinderen weten dat we het verhaal van Jonathan gaan uitspelen ontstaat er een bijzondere dynamiek in de klas. Ze weten nog precies welke rollen er te verdelen zijn en bestoken Jonathan al in de klas met verzoeken om een bepaalde rol te mogen spelen. In het speellokaal lees ik het verhaal nog eens voor, het publiek luistert super geconcentreerd. Jonathan verdeelt heel concentieus de rollen. Zowel meisjes als jongens en zowel jonge als oudere kinderen krijgen een rol. Het verhaal gaat over een poesje, een hondje, en een konijntje die elkaar ‘ontmoeten’ in de wei. Daar spelen ze samen. Ik vraag Jonathan hoe ze dat doen; dat spelen. ‘Nou gewoon, achter elkaar aanlopen. Zo ….’ En hij doet het voor op handen en knieën. Even later kijk ik enigszins verontrust naar de kluwen kruipende, grommende en piepende kinderen op de grond. Het publiek miauwt en blaft enthousiast mee. Ik vraag me af hoe ik hier weer orde in moet krijgen. Voor Lore is dat geen enkel probleem. Ze roept: ‘Hé, dat kan niet, het konijn loopt achter de hond aan.’ ‘Ja’, reageert Jonathan meteen, ‘het konijn loopt ook weg!’ Onmiddellijk hupt het konijn naar de bank en kan ik het verhaal verder voorlezen. Ik denk dat ik al bijna bij het eind ben maar vergeet het stukje waarin de bij en de vlinder bij de bloemen in de wei komen. Terwijl ik anders als leerkracht altijd degene ben die het meeste grip heeft op het verhaal is dat nu andersom. Voortdurend wordt ik gecorrigeerd, aspecten van het verhaal die voor mij onduidelijk zijn worden door de kinderen prima begrepen. Ook weten ze precies hoe ze iets uit moeten beelden en alles gaat met een vaart die ik bijna niet bij kan houden. Na een paar minuten zijn we alweer aan het eind van het verhaal. De net vierjarige Yindee staat heel stil en vol overgave, met haar handen gracieus omhoog, als bloem te bloeien in de wei. Terwijl rond haar de bij zoemt, de vlinder fladdert en de hond, de poes, de muis, het konijn en het molletje met elkaar spelen. Niet lang daarna zijn we allemaal weer terug in de klas en kijk ik terug op een kort, heftig en wervelend gebeuren. Alsof ik even een glimp opving van een kinderwereld die anders altijd verborgen blijft.

Ik weet niet of dit uitspelen van verhalen iets te maken heeft met het vak ‘drama’ of met ‘kunstzinnige oriëntatie’ of met kunst en cultuuronderwijs. Wat ik wel weer heb ervaren is dat de eigen verhalen van kinderen een krachtige bron zijn voor ontwikkelen en leren. Het is niet altijd gemakkelijk en druist misschien wel in tegen de meetcultuur in het huidige onderwijs maar de kinderen laten heel veel betrokkenheid zien en kunnen ineens ook echt meer dan wanneer ik bedenk waar het over moet gaan.

Het liefst zou ik dus de eigen verhalen en ervaringen van kinderen in het hart van mijn onderwijs zetten. En dan is het heel gemakkelijk om de verbinding te maken met kunst en cultuuronderwijs.

..

Meer lezen?

het-begint-met-kijken-en-luisteren---jenthe-baeyens[0]

9780226645032

‘Juf, ik kan toveren!’

IMG_4645

‘En?’ vraagt mijn directeur verwachtingsvol. Enthousiast maakt hij weidse armgebaren voor het raam boven de bouwhoek. Ik kijk hem niet begrijpend aan.  Blij dat ik deze ochtend zonder kleerscheuren ben doorgekomen met mijn pijnlijke, niet zo lang geleden gebroken hand in een mitella, met mijn gedachte bij mijn dochter die van haar lies tot haar enkel in het gips thuis op de bank ligt omdat haar knieschijf op een plek terechtgekomen was waar je hem nooit zou zoeken. ‘Wat een licht, he?’ Ik kijk om me heen en realiseer me dat ik de afgelopen dagen niet meer heb gezien dan het strikt noodzakelijke. Alleen maar schoentjes gezien als er veters gestrikt moesten worden, alleen gekeken naar dat ene bouwwerk, die bepaalde tekening en de niet gewassen kwasten of de rotzooi die is blijven liggen in de huishoek. Terwijl ik me ondertussen afvroeg of er wel genoeg uitnodigingen waren verstuurd voor de tentoonstelling over ons BOUWPLAATS-project en in gedachte alle afspraken nog eens naliep. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je niets hebt gemerkt!’ Ik werp een snelle blik door het raam. Daar waar eerst een vrolijke wildernis groeide en bloeide in de patio zie ik nu een echte tuin met een gesnoeide boom en een vijvertje. Ook de schooltuinen aan de andere kant blijken dezelfde metamorfose te hebben ondergaan. Ineens begint me iets te dagen. Eerst Anne-Lotte die plotseling, terwijl ze aan het tekenen was, uitriep: ‘Kijk! Kijk, ik heb een tover-shirt aan!’ Springend en dansend liet ze zien, aan de snel groter groeiende groep kinderen om haar heen, hoe de glitters op haar T-shirt patronen op de muur toverden. En later Lore die zachtjes in mijn oor fluisterde dat zij ook kon toveren en of ik even kwam kijken. Het eerste toveren alweer helemaal vergeten liet ik mij meevoeren. Bij de tekentafel, in de zon die overvloedig naar binnen scheen, voerden verschillende meisjes hun sprookjesachtige lichtdans uit. Ademloos gadegeslagen door de rest van de klas.

‘Ja,’ zeg ik tegen mijn directeur, ‘wat een licht! En wat een geweldige tuinen.’ Ondertussen glimlach ik van binnen om de meisjes met hun glitters. Wel gezien maar me nauwelijks bewust geworden. Hoeveel meer gouden momenten gaan er bijna ongemerkt voorbij? Terwijl dat eigenlijk is waar het om zou moeten gaan. Dit  zijn de momenten die het werken in het onderwijs de moeite waard maken. Zomaar een kind in een klas dat op een vrijdagochtend ontdekt dat het kan toveren met licht! En een juf die de tijd en de rust heeft om dat echt te zien.

De eerste dagen van het nieuwe schooljaar

IMG_0549

Hij is perfect. Twee lange oren, twee paar slap hangende poten, waarvan een van de uiteinden altijd precies in je handpalm past terwijl de rest van het zachte konijnenlijf zich moeiteloos plooit. Een hoofd dat iedere uitdrukking aan kan nemen. Een gekruld verwassen vachtje. En hij heet Karel. Dat weten alle juffen van BSO en het broertje en de vriendjes. Maar ik nog niet want Karel is van de 4 jarige Ties die nog maar net op school zit. Vier dagen lang verdween Karel ’s ochtends samen met de jas in de luizenzak aan de kapstok om pas weer gevonden te worden als we naar huis gingen. Maar op vrijdag hangt ‘ie ineens op de stoel naast Ties. Die staart voor zich uit en krult zijn hand gedachteloos om het konijnenpootje. De hele week heeft hij vriendjes gemaakt, puzzels uit de kast gepakt en in sneltreinvaart gelegd op het daarvoor bestemde tafeltje, in de zandtafel gespeeld, geleerd wanneer je in de kring moet luisteren en wanneer je zelf iets mag zeggen en geprobeerd of hij toch ondanks al die regels de aandacht kan krijgen af en toe. Maar nu is hij moe en mag Karel even op schoot. Als Karel voor de derde keer verdwenen is zeg ik dat ook Karel misschien wel moe is. ‘Ja’, antwoord Ties, ‘als ik moe ben is Karel ook altijd moe’.

Ook ik heb het gevoel dat het schooljaar deze keer erg dynamisch begint. Naast de veranderde samenstelling van de groep waarin iedereen weer zijn plekje moet vinden, de nieuwe ouders die je wil leren kennen en de net weer even andere collega’s, beginnen we dit jaar met het werken met de methode Kleuterplein en besteden we ook nog met de hele school aandacht aan de eerste ‘Gouden Weken’. Na afloop van mijn eerste werkdag vergaderen we lang over de tentoonstelling die we over het project Bouwplaats willen inrichten in de plaatselijke kunstuitleen. Ik voel me weer helemaal terug in een volle, rijke en enerverende baan. En net als de kinderen heb ik ook nog een leven thuis met dit keer een zoon die naar Toronto vertrekt om daar een half jaar te gaan studeren. Een beetje anders dan de vierjarige die voor het eerst naar school gaat maar voor moeders misschien ook wel weer heel erg hetzelfde. En dan …. Is het domme pech? Struikel ik over een boomstronk en breek mijn pink.

Als ik de tweede week met mijn pijnlijke hand en halve arm in het gips de klas in kom merk ik pas echt wat er allemaal op je af komt als je een kleutergroep binnenloopt. Terwijl de invalster de groep runt stel ik de kinderen gerust. ‘Nee, mijn vinger is er echt niet af’. ‘Dat gebeurt alleen als je dood gaat’, oppert de net vierjarige Jill terwijl ze onverstoorbaar verder tekent, ‘dan valt je hand eraf en je been en je voet. Dan val je helemaal uit elkaar en dan ben je dood.’ ‘Nee hoor, alle mensen die ik dood zag waren nog helemaal heel.’ Dan komt Dries nog even terug: ‘Maar ik snap het niet, het was toch helemaal blauw, waar is het blauwe dan? En wat zit er onder het gips? En hoe is het dan precies gebeurd?’ ‘Gelukkig kan je niet je mond breken’, lacht Storm, ‘dan zou er allemaal gips om je mond moeten en dan kan je niet meer eten.’ Een groepje meisjes bedenkt wat ik allemaal niet kan: een broodje eten, eten koken, de knijper van de kalender een dag verder zetten, veters strikken … Ik krijg prachtige tekeningen (om te lenen want ze zijn wel erg mooi) en heel veel vlinderkusjes en aaitjes. Annelotte staat mij eerst van een afstandje te bekijken, dan komt ze dicht bij me zitten en vertelt voor het eerst alles over de ziekte van haar moeder. Ze verzekert mij dat ze me overal mee zal helpen en ze strijkt zachtjes over mijn arm. ’s Middags geeft ze me haar enorme dolfijnenknuffel. ‘Je moet hier en hier goed ruiken want daar is waspoeder want er was verf opgekomen’. Ondertussen gaat alles door, de invalster leest voor in de kring en Ties, alweer moe op alweer een vrijdag, kijkt een beetje glazig voor zich uit. Zijn ogen glijden langs de kalender met de dagen van de maand. Ineens klaart zijn gezicht op, dwars door het verhaal roept hij: ‘We zijn bijna klaar! We hoeven er nog maar eentje en dan zijn we klaar!’ Wat hij zich daarbij voorstelt weet ik niet precies maar vast niet dat hij tussen de middag toch moet overblijven. Als alle kinderen naar buiten zijn zit hij zachtjes te snikken. ‘Waar is Karel?’ vraag ik. ‘Pak ‘m maar uit je luizenzak’. Dat helpt, even zit hij stil met Karel op zijn stoeltje. Dan is hij er weer en stort hij zich opnieuw vol energie in het woelige kleuterklas-leven. Een klein alledaags wonder; een vierjarig jongetje dat een lapje stof zo tot leven kan brengen dat het al zijn gevoelens spiegelt en hem alle steun geeft die hij nodig heeft. En soms zou je willen dat je nog even ook een Karel had.

Daan Roosegaarde liet gisteren in Zomergasten zien hoe een stuk plat plastic door de warme lucht van de metro verandert in een kwispelende blije beer-hond. Buiten dat het in al zijn eenvoud en helderheid een mooi kunstwerk is, is het ook hetzelfde wonder als een kleuter en zijn knuffel. Want je doet het ook als kijker; een stuk plastic bezielen, of je nu een kind bent of een volwassene.

 

Il Palazzo Enciclopedia

 

 

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Begin augustus 2013 in Venetië. Dat is warm, druk en heel veel kunst. Ogen op steeltjes. Op de de Biënnale van Venetië  is in verschillende paviljoens werk te zien uit 37 landen. De hoofdtentoonstelling in de oude scheepswerf Arsenale en het centrale gebouw in het park Giardini heeft dit jaar als thema: ‘Encyclopedic Palace’.

The Encyclopedic Palace of the World. Een droom. Alles wat mensen hebben uitgevonden en gedacht, alle beelden, kennis en ervaring opgeslagen in één gebouw. Het eerste wat we zien is een maquette van 5 meter hoog, 136 verdiepingen met balustrades gemaakt van haarkammetjes en raampjes van celluloid. Dit had het grootste museum ter wereld moeten worden. En dan verder zwerven door de ruimtes van het Arsenale. Ordening van beelden. Bloemen, plekken, verhalen, steen, mensen, vliegende vogels, gebouwen, poppen, dingen, bergen. Hermetische werelden soms. Schurend en dan weer zo prachtig. Grote volle werelden beladen met details. Of kaal en leeg. Werk van outsiders, gevestigde en onbekende kunstenaars; het doet er niet meer toe. Ook in het Giardini. Een kunstenaar als bouwer van zijn eigen universum. Kijken hoe blinden een landschap en zichzelf schilderen op een groot vel papier. Ordening in de ruimte; hier de wolken, hier de rivier en voor de zon heb ik een kwast nodig want ik heb gehoord dat de zon eruit ziet als een gele bol met stralen en die stralen zijn dun en kan ik niet met mijn vingers maken. Van het ene paviljoen naar het andere. Marc Manders natuurlijk.  Zo mooi in het rijtje Spanje, Nederland, België. Kreupelhout verbonden met oude lappen, besmeerd met zalf in het Belgische paviljoen. kreupel – kruipen – krom – creep – crouch – crutch (kruk) Met mijn biologe-dochter het wonder van fotosynthese ontrafelen. Dood en leven.  Over een braak liggend terrein in het onttakelde Deense paviljoen terecht komen.  Vervreemdend. Vreemdeling. Veel. Een groep Amerikanen die grote cirkels bouwden van spullen en dingen. Zoals de kinderen doen in ‘t atelier op school. De kinderen kunnen er dan ook niet afblijven. ‘Pleace, hold your children by the hand!!’ klinkt het regelmatig. En er is nog meer. Venetië doorkruisen. De zon en veel schitterend water. Turen in een bak water, de reflectie op het plafond. En dan plotseling Venetië dat nat en blinkend uit dat water omhoogkomt. Door nauwe straatjes tussen de mensen doorlopen, steeds de schaduw zoekend. Al te nadrukkelijke verhalen, soms. En dan ineens weer iets prachtigs tegenkomen. Angola in het intieme Palazzo Cini. Tussen de schilderijen, het aardewerk, de meubels liggen stapels foto’s van kapotte, achtergelaten dingen op straat. En dan is het weer voorbij. Nog niet alles gezien. Maar wel helemaal vol met nieuwe beelden.

Een gesprek met kleuters

5098095-a-whitetail-cerf-male-en-ete-velours-debout-dans-les-bois

‘… en de hertjes hadden een gewei van stof!’ vertelt Lyam opgetogen en een beetje verbaasd. Een prachtig beeld. Het roept meteen associaties op met wat ik denk te weten. De ooit geziene, nieuwe, bijna viltachtige geweien van herten na de rui? Lyam tekent al weer  verder aan zijn geit. De kinderen tekenen over het bezoek van gisteren met mijn collega aan de kinderboerderij bij de hertenkamp.

’s Middags zegt hij het opnieuw. We zitten in de kring. Isa heeft een hoorn van een bok meegenomen. Ze heeft hem van haar opa gekregen, vertelt ze. De bok was dood gegaan en toen was die hoorn eraf gegaan. Daar merkt ‘ie natuurlijk niets meer van, gelukkig! Ik laat de hoorn de kring rondgaan. De kinderen willen allemaal wel even voelen en van binnen in de hoorn kijken.  Lyam bekijkt de hoorn aandachtig en laat zijn vingers langs de ribbeltjes gaan. Dan zegt hij weer: ‘hertjes hebben een gewei van stof’. Mijn juffenhart springt op. Zonder dat ik het mij bewust ben wil ik ineens van alles aan de kinderen leren. ‘Hoe zou dat komen?’ vraag ik. Een niet begrijpende blik is het antwoord. Dat is natuurlijk ook de foute vraag. ‘Zag het gewei er hetzelfde uit als de hoorn van de bok?’ probeer ik. ‘Hertjes hebben een gewei van stof,’ herhaalt Lyam nog maar eens als tegen een onwillige leerling. ‘De hertjes hadden een gewei van stof en dat is niet zo hard als de hoorn van de bok. Maar zou het gewei echt van stof zijn?’ Ik kijk de kring rond om ook de andere kinderen erbij te betrekken. Maar het gesprek dat eerst heel levendig was is stil gevallen. Wat wil ik eigenlijk? Dat de kinderen zeggen dat dat komt omdat het oude gewei is afgevallen en dit een nieuw gewei is? Of dat ze zich afvragen waarom het hertengewei van stof is en de hoorns van een bok niet? Lyam is duidelijk de enige die het is opgevallen dat de geweien van herten van stof zijn. Hij heeft zich daar over verwonderd. Zoals hij zich over wel meer dingen verwondert die hij toch meteen accepteert. Zo zit de wereld klaarblijkelijk in elkaar. Ik realiseer mij dat hij de herten alleen heeft gezien, waarschijnlijk van een afstandje. Dat hij ze niet heeft gevoeld. En ook dat hij niet kan weten dat er iets veranderde. Hij zag niet eerst herten die hun gewei verloren, waarna er weer kleine jonge stompjes uit hun kop groeiden. Met een haastige, schijnbaar niet opgemerkte verklaring sluit ik af. ‘Herten krijgen af en toe een nieuw gewei, dat groeit en ziet er eerst net uit als stof’. Dan wil Tjeerd nog wel iets anders vertellen. ‘Als er nou een bok is die zijn hoorn er is afgegaan door een ongeluk, misschien kan die dan die hoorn van Isa gebruiken, dan kunnen zie die er misschien opplakken?’ ‘Zou dat kunnen?’ vraag ik Isa en meteen is iedereen weer betrokken. Nee, dat kan niet want je kunt niet iets aan je lijf plakken, dat moet groeien. Maar Gijs zijn oma had een been dat gebroken was en die is wel weer heel gemaakt. Maar was dat wel met lijm gedaan? Je hebt geen mensenlijm of dierenlijm.  Was dat been van oma er echt af of was haar bot gebroken? Gijs weet het niet maar wel dat het heel erg was en dat ze nog steeds met krukken loopt.

Het is mij wel weer duidelijk. Kleuters leren niet wat ik bedenk dat ze moeten weten. Kleuters leren van directe ervaringen en van elkaar. Het enige wat ik als leerkracht kan doen is een rijke omgeving creëren waar ze met al hun zintuigen zoveel mogelijk verschillende ervaringen op kunnen doen. En ze de mogelijkheid geven die te delen door te praten, te tekenen, te dansen, te zingen, verhalen te vertellen en natuurlijk door er heel veel over te spelen!

Atelier-dag

IMG_4280

 

 

..

Vorige week met mijn fotocamera langs het Geestmerambacht. Boterbloemen tussen lang bloeiend gras, ondoorzichtige poelen, de weerspiegeling in een slootje tussen wolken geel en groen, jonge boompjes als ijle tekens in de lucht, licht en schaduwen in het kreupelhout. De rijkdom van bloeiende oude bomen in het gras die een verlangen wakker maken naar heel lang en gedachteloos liggen. De zon die schijnt, glinstering op het water, op het jonge blad. En dan nog meer water, breeduit ineens, glad.

Eerder zag ik in de krant foto’s van het in flinterdunne plakjes gesneden brein van de overleden patiënt Henry Molaison. ‘Gevecht om een gehavend brein’. Waarom is ook dit zo mooi? De verdwenen hypocampus heeft de vorm van de reflectie van de ondergaande zon in het meer. De uitwaaierende gekronkelde vormen die aan de randen doorzichtig verkleuren op het glazen plaatje zijn prachtig. Of heeft het ook te maken met het onbegrijpelijke dat je ziet? Dat daar de gedachten ontstonden, het kijken, het geheugen? Het vasthouden, onthouden van wat je ziet en dat dat is wat juist deze man niet meer kon.

Ik hang alles op de muur in mijn atelier. Tijdens het schilderen kijk ik soms met een half oog naar reflecties op het water, de vorm van het brein, dan weer vergeet ik alles, is er alleen maar verf, die dichtloopt, modder wordt, openbreekt, gaat gloeien aan de randen … tot het moment dat ik niet meer weet waar ik ook alweer mee bezig was. Dan weer zitten en kijken en kijken en kijken.

’s Avonds zie ik op een terras, achter de dames met hun glazen witte wijn en de Tony Soprano-boot, een klein uitgesneden stukje water met daarin zulke helwitte uitelkaar spattende reflecterende sterren dat het wel een sprookje lijkt. Wonderlijker en magischer dan alles wat we bovennatuurlijk noemen. En we kunnen dat gewoon zien, midden in de alledaagse wereld. Later op de fiets terug naar huis zie ik het weer. Een roeier in het kanaal die even wordt opgetild en verder glijdt op het wit uiteenspattende licht, los van het zilveren water.

Thuis blijken alle A4-tjes naar beneden gedwarreld. Ik hang ze weer zorgvuldig op. Voor mijn volgende atelier-dag.