ervaring

Begrijpen met je handen 2

DSC05345

 

.

Onze Nieuwe School is een zoektocht van de gemeente Amsterdam naar schoolmakers die de verwachte leerlingengroei in Amsterdam kunnen opvangen. Iedereen met een idee of plan voor een nieuwe school kon reageren. Met de kreet ‘Het atelier is het hart van de school’ lanceerde Marike Hoekstra haar plan op Facebook. En op zo’n school zou ik meteen willen werken. Een aantal verkiezingsronden en presentaties verder belandden we samen aan een tafel in het Springhouse  tijdens een zogenoemde ‘Incubator-dag’. Rond ons veel tekst met prachtige volzinnen. En toch bleef het vaag. Was dat allemaal niet van toepassing op heel veel scholen. Wat was er nu zo uniek aan ons idee? Het atelier is het hart van de school. Hoe zou dat er uitzien? Zou het een ruimte zijn die zich door het gebouw slingerde? We begonnen te tekenen. Nee. Wat als het zich echt in het hart van het gebouw zou bevinden? Een rond gebouw waar de lokalen omheen geplaatst werden. Al schetsend dachten we verder. Marike herinnerde zich een filmpje van een rond kinderdagverblijf in Japan. Als we van de lokalen nu eens kleine stamgroep-ruimtes maakten die weer uit zouden monden een werkplaats? Alles begon te stromen. Freinet, het autonome atelier, de werkwijze in de kindercentra uit Reggio Emilia; het kreeg ineens een heel vanzelfsprekende plek in de plattegrond van onze nieuwe school. We dachten al tekenend. We begrepen met onze handen.

Het idee dat jonge kinderen leren met hun hele lijf is algemeen aanvaard. Als ik mijn groep rondkijk zie ik weinig kinderen stil op een stoel zitten. Lisa maakt een puzzel maar doet tussendoor steeds een dansje en Olaf huppelt meteen mee. Bij Emilio had ik nog geen interesse in letters opgemerkt. Totdat de letter K centraal stond. Bij iedere letter leer ik de kinderen ook het bijbehorende gebaar. Die van de K is mooi duidelijk. Je duim tegen je keel en tijdens het uitspreken van de K klikken de vingers naar beneden. Al gebarend probeert hij uit welke woorden echt met de K beginnen. Al gauw nemen de andere kinderen het over. En ze blijven het doen, de hele dag door. Yindee weet niet zo goed welke woorden er bij het woordweb horen. Totdat ze kan tekenen. Eerst begint ze te schetsen en dan noemt ze het woord. En als Douwe oppert dat het apparaat dat juf meeheeft misschien wel een breimachine is, laat Emilio meteen al bewegend zien hoe dat dan werkt.

Ooit tijdens een kunsteducatief project bekeek ik met een groepje kinderen een aantal opgezette dieren. Het 7 jarig meisje op de foto’s hierboven was gefascineerd door de eend. Met haar handen taste ze steeds opnieuw het zachte lijf af. Heel voorzichtig want eigenlijk mochten de dieren niet worden aangeraakt. Ondertussen vertelde ze over het verschil tussen dode en levende en opgezette dieren. Want alhoewel de eend niet leefde, dood was ‘ie ook niet. Toen de kinderen daarna gingen kleien zag je hoe goed ze de vorm van de eend met haar handen begrepen had. En niet alleen de vorm maar ook haar eigen gevoel en haar gedachten over dood en leven.

Ook oudere kinderen leren door te maken, te bewegen en zingen of door te bouwen en tekenen. ‘Ik zou als je in de klas iets leert over Napoleon daar iets over willen maken. Bijvoorbeeld hoe ze toen er uitzagen. En wapens uit die tijd. Anders ga ik misschien gewoon pistooltjes maken en daar heb je niks aan,’ vertelt een jongen uit groep 8. En: ‘Als je gaat bouwen helpt dat met rekenen in de klas. Door het “puzzelen“ met de stukken hout weet je wat er bij elkaar hoort en als je dan later gaat rekenen in de klas zie je het voor je. Dan weet je precies: drie rode blokken en als die vier blauwe er bij zijn, dan heb ik zeven. En je leert meten en uitrekenen.’ ‘Ieder kind heeft zijn eigen manier van leren,’ vinden ze.

Sommige volwassenen doen het ook nog zo. De architect die voor ons een studio in de tuin ontwerpt, heeft altijd een schetsboekje bij zich. Al tekenend laat hij zien of hij onze wensen goed begrijpt. En ooit had ik een vriend waarmee ik voortdurend toneelstukjes opvoerde, we begrepen elkaar prima. Maar niet altijd is werken met je handen echt begrijpen. Tijdens deze vakantie vertelde mijn broer hoe hij mij ooit vroeg een voorkant voor zijn scriptie over de ‘doordringings-coëfficiënt van het grondwater’ te maken. ‘Want ja, ik was toch zo creatief, zat op de kunstacademie enzo …’ Het resultaat had niets te maken met zijn scriptie. Waarschijnlijk had ik me uitgeleefd in mooie lijntjes, belletjes en vlekjes. ‘Het was een complete chaos,’ herinnert hij zich. ‘Ik dacht; zo zien gewone mensen dat dus’. Hij zei het met iets van spijt, dat mensen niet de moeite namen zich echt te verdiepen in wat hem bezig hield. En wie weet wat het had opgeleverd als ik dat wel had gedaan.

Toch wordt een atelier in school vaak eerder geassocieerd met ‘mooie kunstwerkjes’ dan met ontdekken, onderzoeken of leren door te maken en te doen. En dat is nu juist wel onze opzet. In het atelier is ruimte voor onderzoek, experiment, nieuwsgierigheid en spel. Er is aandacht voor diversiteit, contextualiteit en multidisciplinariteit. Kinderen zullen er heel vanzelfsprekend de verbinding vinden met bijvoorbeeld techniek, beweging/dans, wetenschap, natuur, literatuur of drama. Het autonome atelier wordt zo een vrijplaats in de school en wellicht ook in de buurt.

Met het maken van een plattegrond waren we er natuurlijk nog lang niet. Maar het was wel een belangrijke stap in ons denken. Ook het schrijven en herschrijven, het praten en bevragen van experts en uiteindelijk het vormgeven van een website, scherpte het plan steeds verder aan. En nu is het plan voor onze nieuwe basisschool De Vrijplaats dus klaar en ingeleverd. En wachten wij met spanning af of we doorgaan naar ‘de kraamkamer’ om onze school werkelijkheid te laten worden.

Lees meer op onze website:

Basisschool De Vrijplaats

.

IMG_0406

 

Begrijpen met je handen

IMG_6738

..

Hij was 4 en speelde het liefst in de bouwhoek. Daar verzamelde hij zo veel mogelijk vrienden én blokken om zich heen om er vervolgens zo hoog mogelijke stapels van te maken. Zowel van de blokken als van de vrienden! Ook in de huishoek, met de duplo of het poppenhuis stapelde hij alle spullen die hij kon vinden op tot zo hoog mogelijk bergen. En natuurlijk eindigde dat regelmatig in een woeste stoeipartij. Daarom besloot ik de zandtafel te vullen met stenen en grind, nu mócht er gestapeld worden. Ik legde er grote en kleine PVC-buizen, koppelstukken, grote lepels en bakken bij. Toen voltrok zich een klein wondertje. Iedere dag weer veroverde hij zich een plekje aan deze stenentafel. Als een ware onderzoeker keek hij samen met zijn vriendjes hoe de stenen en het grind zich gedroegen in de buizen. Er werd geschept, gegoten, gestapeld en het gewicht werd geschat. Er werden machines gebouwd waar de stenen en het grind moeiteloos doorheen gleden. Nu was er geen tijd meer voor stoeipartijen of ruzietjes. De kinderen waren aan het werk, er moesten problemen worden opgelost, plannen gemaakt en conclusies getrokken.

Ook in het nieuwe schooljaar maken we een stenenbak. Er wordt opnieuw vol overgave in gespeeld. Je ziet de kinderen bijna denken met hun handen; met hun hele lijf. Kijken, doen, praten soms. Met hun volle aandacht onderzoeken ze wat materiaal kan en doet. ‘Hoe werkt het?’ ‘Waar komen de stenen vandaan? Waar gaan ze naartoe? En hoe kun je er invloed op uitoefenen?’ Al handelend en pratend wordt er ontzettend veel geleerd. Door de meisjes net zo goed als door de jongens. Dit leren heeft niet, zoals zo vaak in het onderwijs, als startpunt de taal. Ik heb de kinderen niet van te voren verteld wat ze vandaag gaan leren, ik vink geen leerdoelen af en heb niet precies geformuleerd welke kennis er ontwikkeld moet worden. Het is een leren dat is gegrond in waarneming en fysieke actie. We weten niet precies welke kant het op zal gaan en ik ben ervan overtuigd dat er ook een hoop gebeurt dat ik nooit zal weten. Gewoon omdat ik net mijn aandacht even op iets anders richtte. Wat ik wel zie is de enorme betrokkenheid en af en toe ben ik getuige van een nieuw inzicht dat doorbreekt.

Steeds vaker zie ik jonge kinderen die op school komen met een grote taalvaardigheid en een enorme woordenschat maar met heel weinig stuur over hun eigen lijf en bijna geen ervaringskennis. Ze kunnen prima vertellen wat evenwicht is maar wat ze moeten doen met een balansweegschaal weten ze niet. Moeiteloos sommen ze alle regels voor samenspelen op maar hoe je dat dan doet met je vriendjes? Geen idee. Een potlood vasthouden, knippen, plakken maar ook klimmen, rennen, vallen of spelen met een stokje in een regenplas ….. ze hebben het weinig of nooit gedaan. Het is of al die gekende woorden heel weinig inhoud hebben. Alsof al die begrippen leeg zijn. En juist deze kinderen hebben een enorme honger naar fysieke ervaringen. Ze willen alles voelen, beetpakken en onderzoeken. Ze willen stoeien, rennen, klimmen, sjouwen. En ze willen spelen. Ik denk dat daar tegenwoordig een belangrijke taak ligt voor het onderwijs aan (jonge) kinderen. We moeten een rijke omgeving creeëren waarin de kinderen veel  sensomotorische ervaringen kunnen opdoen, waar ze samen spelen, waar ze conflicten en problemen samen oplossen. Zo worden woorden en begrippen doorleefd en begrepen. De kinderen gaan begrijpen met hun handen. In de stenenbak bijvoorbeeld.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Op hoeveel manieren kun je denken?

IMG_1079

‘Wanneer ben ik nou aan aan de beurt?’ Ze had er echt zin in. Na de vakantie zou ze naar groep 3 gaan en ze kende al zoveel letters. Dat wilde ze heel graag laten zien. Toen het eindelijk zo ver was spatte de motivatie er vanaf. Rechtop zat ze op haar stoel. De 2 spierwitte staartjes zwiepten vrolijk in de lucht. Een paar heldere blauwe ogen keken me verwachtingsvol aan. Eerst vroeg ik haar verschillende letters te benoemen. Die van haar eigen naam kende ze wel maar ze wist niet meer precies welke nou ook alweer bij welke klank hoorde. Eerst noemde ze nog willekeurige klanken, later zei ze steeds vaker: ‘weet ik niet’. Uit haar ooghoeken telde ze mijn krulletjes. ‘…… heb ik er maar 5 goed?’ Haar stemmetje werd dun, ze zuchtte en haar schouders zakten naar beneden. ‘Joh, je kent er al 5 en de rest ga je straks allemaal in groep 3 leren!’ probeerde ik haar op te beuren. We gingen verder; nieuwe kansen. Ik vertelde dat ik een woord in stukjes (letters) zou gaan zeggen en vroeg of ze kon horen welk woord het was. Het was de bedoeling dat ik eerst de context aangaf. ‘Het is vaak op een (kinder)boerderij ….’, begon ik. ‘Een paard!’ riep ze meteen enthousiast, weer helemaal rechtop en stralend op haar stoeltje. Ik legde uit dat ik het woordje nog in stukjes moest zeggen, dat ze goed moest luisteren, net zoals we weleens in de kring deden. G – EI – T, spelde ik. Ze wachtte, haar ogen keken naar binnen. Ze maakte kleine gebaartjes met haar handen. ‘Schaap’, zei ze uiteindelijk. Zo ging het vaker. De voet die aan je lijf zit werd een been, de vis een kwal. Op een gegeven moment nam ze de tijd om mij gedetailleerd uit leggen hoe ze het deed. Ze luisterde eerst heel goed in haar hoofd naar de letters. Ze zei ze heel, heel zachtjes, zonder dat ik het kon horen. Daarna maakte ze er een woord van, dan plakte ze de letters gewoon aan elkaar. Ik zag de concentratie waarmee ze bezig was. Ik dacht ook dat ik kon zien wat ze allemaal moest onderdrukken. Als ik vertelde dat het in de zee zwom, kwamen er bijna meteen allerlei beelden op in haar hoofd. Ergens hoorde ze wel het woordje -vis-. Maar dat riep vast ook meteen associaties op met de kwallen die we laatst gemaakt hadden en de filmpjes die we daarbij bekeken, daar zwommen tenslotte ook vissen tussendoor. Maandag begint de school weer en gaat ze echt naar groep 3. Nog steeds vol verwachting en overtuigd van haar eigen kunnen. Toch ben ik ook een beetje bezorgd. Zal er nog aandacht zijn voor al haar vragen en voor de verhalen in geuren en kleuren, die ze vertelt terwijl ze wel op móét staan om alles uit te beelden? Is er nog tijd om te luisteren naar alle aarzelend uitgesproken gedachten? Gaat het ook af en toe nog om andere dingen dan goed of fout? Leerkrachten in groep 3 krijgen niet veel ruimte. De kinderen mogen nog maar 15 minuten naar buiten in de ochtend en eigenlijk ‘s middags helemaal niet meer. In een half uur moet er gegeten, gedronken en buiten gespeeld zijn en moeten de kinderen weer startklaar zitten om zoveel mogelijk ‘effectieve leertijd’ over te houden. Stilzwijgend wordt er dus vanuit gegaan dat je alleen leert van directe instructie en het uitvoeren van doelgerichte opdrachten. Je leert niet van buiten spelen, samen even kletsen, bewegen of dagdromen terwijl je uit het raam staart.

Soms wordt er een onderscheid gemaakt tussen beelddenken en taaldenken. Beelddenken is intuïtief, associatief en zintuigelijk. Doen en ervaren staan centraal. Kleuters zijn nog nog echte beelddenkers. Ze werken graag vanuit het grote geheel, zien vooral de overeenkomsten en willen altijd weten waarom iets is zoals het is. Nieuwe informatie wordt vooral visueel opgenomen, het luisteren is veel minder actief. Kleuters zitten als het ware in het beeld en doen actief mee. In een kleutergroep sluit je daarbij aan. Vanaf groep 3 maakt het onderwijs de overstap naar taaldenken. Het luisteren komt centraal te staan. Regels en volgorde worden belangrijk en de leerkracht biedt alles tweedimensionaal aan. Iets is goed of fout en geen voortdurend veranderend proces. Beelden zijn soms een ondersteuning voor talige informatie maar nooit meer wordt iets eerst visueel aangeboden. Veel kinderen maken zonder moeite de overstap van een voorkeur voor beelddenken naar het denken in taal. Maar niet allemaal!

Het onderwijs is bij uitstek een plek voor taaldenkers. Dat merk ik ook weer op de startvergadering aan het begin van schooljaar. Het pedagogisch klimaat is een speerpunt op onze school en het is prachtig daar de eerste weken wat extra de aandacht aan te geven. Maar dat gebeurt vooral talig. We hebben met elkaar schoolregels gemaakt. Die regels zijn dan wel geschreven in een mooi vormgegeven hand (Wij hebben het samen in de hand). Maar toch … allemaal taal. Iedere groep maakt zijn eigen ‘Gouden Regels’ en we houden kringgesprekken. Natuurlijk kun je alles ‘vertalen’ naar beelden, ervaringen, beweging. Toch blijft de ingang en het uitgangspunt talig. Ook het testen, toetsen en de rapportage is onderwerp van gesprek. Daarbij wordt lang stil gestaan bij de weging van verschillende toets-vormen en de objectiviteit. In de kleutergroepen moeten we dit jaar na iedere les uit de methode aftekenen welke kinderen het aangegeven ontwikkelingsdoel beheersen. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld na een kringgesprek moet invullen welke van de 25 kinderen nog niet hun mening kunnen geven. Ik kan daar buikpijn van krijgen. Dus een klein beetje meer beelddenkerij in het onderwijs kan vast geen kwaad. Er zijn zoveel manieren waarop je kunt denken.

 

Vertrouwen kost moeite

IMG_5620..

‘…. en vind je dat goed? Oh, ík zou geen oog meer dicht doen!’ Het was niet de eerste keer dat iemand dat geschrokken uitriep. Iedere keer weer draaide mijn maag om. Onze 21 jarige dochter wilde 4 maanden gaan rondreizen in Azië, alleen. Voor thuisblijvende ouders is dat dus doodeng. En naarmate het afscheid dichterbij kwam leek de wereld steeds gevaarlijker en onherbergzamer te worden. Vliegtuigen kunnen spoorloos van de radar verdwijnen, veerboten kapseizen en ik zag goedwillende vrijwilligers bijna geplet worden toen ze probeerden een angstige olifant in een vrachtwagen te drijven. En dan durfde ik nog niet eens te denken aan die 2 verantwoordelijke, goed voorbereide jonge vrouwen die enthousiast op reis gingen en onvindbaar werden. Toch hebben we nooit gedacht dat we haar konden verbieden om te gaan. Ze trainde vooraf weken lang elke dag om haar knieschijf, die een paar keer pijnlijk uit wandelen ging, op zijn plaats te houden. Ze liet zien waar ze naartoe wilde. Samen zochten we naar een hostel in Singapore en bij het zien van foto’s van backpackers in vrolijke, gemeenschappelijke chat-ruimten werd mijn beeld van een alleen reizende jonge vrouw in Azië langzaam losgezongen van verontrustende verhalen uit het nieuws. Het vertrouwen groeide. En nu ze dan echt weg is blijkt het allemaal weer helemaal anders te zijn dan wij ons voorstelden. ‘Vandaag heb ik gedoken naar een wrak, het was prachtig en ik leef nog steeds,’ app’te ze. We merkten dat alleen reizen zelden echt alleen is. Overal zijn jonge mensen onderweg en dat doen ze samen. In haar blog las ik hoe ze dwars door de jungle liep en na een hachelijke afdaling een moeder orang-oetang met baby ontmoette. Vastbesloten pakte de aap haar arm en probeerde haar mee te nemen de jungle in. En soms zitten we zomaar een uurtje te kletsen via Skype, net alsof ze naast ons zit op de bank. Thuis genieten we van de verhalen, trots merken we hoe ze problemen oplost, ontdekkingen doet, mensen ontmoet, vrienden maakt, hoe ze een andere wereld leert kennen, verliefd wordt misschien. Maar toch …. als ik een aantal dagen niets heb gehoord groeit de ongerustheid. Het is als toen ik de eerste keer mijn 6 weken oude zoon achterliet bij goede vrienden om een stukje te gaan varen. Het was alsof ik met een onzichtbaar draadje met hem verbonden was. Een draadje met een beperkte lengte. De straat uit ging goed, in de roeiboot stappen en de gracht uit varen in het zonnetje was heerlijk maar toen ik de bocht om voer kwam er een vage onrust opzetten, die groeide en groeide. Tot ik verbaasd constateerde dat het niet meer ging, ik móést terug. Zo staat het draadje nu ook af en toe te strak gespannen. Die ongerustheid voelen is niet moeilijk. Het gaat vanzelf, ineens zijn ze er gewoon, de zorgen en de angstige fantasieën. Voor vertrouwen moet je moeite doen. En ik denk aan de keer dat ze 3 was, die inmiddels volwassen dochter, en naar het kinderdagverblijf ging. Ineens pakte ze haar lievelingsknuffel en gaf ‘m aan mij: ‘Je mag ‘m wel even, voor als je mij mist, dan wordt je niet zo verdrietig’, zei ze. Daarna stapte ze vol vertrouwen het kinderdagverblijf binnen. Pas later dacht ik hoe goed ze dat had gedaan voor ons alle twee. Voor zichzelf had ze een anker gemaakt, veilig thuis bij haar moeder. En ík had een extra sterk draadje dat ik lang kon laten vieren. Bovendien zag ik hoe goed ze voor zichzelf kon zorgen en dat geeft pas echt vertrouwen.

Toch snap ik ze goed, al die ouders die aarzelend hun net 4 jarigen achter laten in een volle, lawaaiige kleuterklas. Ik merk hoe ze nog even, ongerust, staan de kijken, verstopt op de gang. Wordt mijn kind niet gepest? Luistert ‘ie wel naar de juf en loopt ‘ie niet weg? Voelt ‘ie zich wel prettig en weet ‘ie wat ‘ie moet doen? Ziet de juf wel wat ‘ie allemaal al kan en wil? Ik snap de schrik als een moeder per ongeluk ziet hoe haar kind buiten op de speelplaats in een afgelegen hoekje op de grond wordt gegooid door de grote jongens. Ik begrijp hoe het is om diezelfde 6 jarigen ineens thuis te krijgen om te spelen met jouw al heel grote maar toch nog maar net 4 jarige zoon; ‘alsof er een soort pubers in je huis komen’ vertrouwde een andere moeder mij eens toe. En dan al die nieuwe woorden en andere gedragingen die ze meenemen naar huis. Een collega bedankt de ouders altijd voor het ‘lenen’ van hun kinderen. En dat is heel terecht, het vraagt vertrouwen om je kind urenlang achter te laten in een wereld waar je toch eigenlijk weinig vanaf weet.

Voor dat vertrouwen moet je moeite doen. De eerste impuls is meestal al het gevaar en eigen initiatief zo veel mogelijk uit te bannen. Ik zag een keer een invaller die om de 5 minuten alle kinderen telde en er dus steeds een paar kwijt was. Of een kleuterleerkracht die de prikpennen boven op de kast zette omdat ze zo gevaarlijk waren. Je kunt proberen alle kinderen als een kloek onder je vleugels te houden bij het naar huis gaan of je kunt vertellen dat ze bij je blijven wachten als ze hun ouders nog niet zien en er op vertrouwen dat ze dat dan doen. Waarom nemen we scholen voortdurend de maat en gaan we er vanuit dat werknemers moeten worden aangespoord om minder te verzuimen? Hoeveel vertrouwen hebben we eigenlijk in kinderen als we voortdurend testen of ze wel genoeg hebben geleerd? En wat zegt dat over het vertrouwen in leerkrachten?

Maar hoe doe je het dan wel? Ik denk allereerst door er vanuit te gaan dat een ander altijd een goede reden heeft om te doen wat ‘ie doet. Dat mensen én kinderen weten wat ze wel kunnen en wat niet en wanneer ze hulp nodig hebben. Vertrouwen  is iets dat moet groeien en voor dat groeien zijn in ieder geval 2 mensen nodig. Daarbij is vertrouwen geven net zo belangrijk als het krijgen. Als ik merk dat niemand gelooft dat ik iets kan, wordt het echt heel moeilijk om te doen. Terwijl je van het tegenovergestelde vleugels krijgt, dan kun je (bijna) alles. Wat natuurlijk geen garantie is tegen ongeluk. Want ja, soms loopt iets anders dan verwacht of ontstaan er problemen. Dat hoort er ook bij.

Voorlopig bijt ik me dus dapper door de zorgen-wolkjes heen en geniet ik zoveel mogelijk van die dochter van ons, ver weg in Azië.

Musical ‘Wij gaan op berenjacht!’

Helemaal klaar voor de berenjacht!

Helemaal klaar voor de berenjacht!

 

‘ … en het lijkt me leuk om afscheid te nemen met het opvoeren van een musical. En dan helemaal echt; met muziek, decors, kostuums en licht en zo,’ zei mijn duopartner. Het was juni en nog volop zomer. Mijn collega had besloten  om in december met pensioen te gaan. Na meer dan 40 jaar werken hoort daar natuurlijk een spetterend afscheid bij. Ik was meteen enthousiast. En die musical gaan we zelf maken, met alles erop en eraan! Jan van Zelm, mijn lief, partner en maatje, schreef al eerder muziek voor de musical ‘Midzomernachtsdroom’ opgevoerd door het Murmellius Gymnasium. Hij wilde best eens kijken of hij ook muziek voor een kleutermusical zou kunnen schrijven. Van Joke de Heer, de drama-docent op onze school, kreeg ik het goede advies om een prentenboek met een duidelijke verhaallijn als uitgangspunt te nemen. Het werd ‘We gaan op berenjacht’ van Helen Oxenbury en Michael Rosen. Na de grote vakantie maakten we voorzichtig de eerste opzet. Ideeën genoeg maar hoe zorg je dat het behapbaar en duidelijk blijft voor jonge kinderen? Al gauw bleek dat we vooral veel moesten schrappen. Niet allerlei attributen, geen uitgebreide handelingen en uitweidingen in de tekst. Het boek ‘We gaan op berenjacht’ is niet voor niets een geliefde aanleiding voor voorstellingen en presentaties met de vele herhalingen en de repeterende tekst. Een gezin moet in de zoektocht naar de beer dwars door het gras, de rivier, de modder, het donkere bos en uiteindelijk door de grot. Het is een prachtige dag en ze zijn niet bang. Maar als ze uiteindelijk oog in oog staan met de beer, willen ze alleen maar zo snel mogelijk dezelfde weg terug naar het veilige, warme huis. ‘Kinderen tot een jaar of 8 geven eigenlijk nog niet echt een voorstelling’ zei de drama-docent. ‘Iedere keer dat ze spelen is een nieuwe andere ervaring, ook wanneer ze dan uiteindelijk op het podium staan. Je moet de kinderen daarom steeds meenemen in het verhaal.’ Het verhaal bestaat uit een aantal duidelijke scenes en juf Gerda neemt steeds een ander groepje kinderen mee op berenjacht. Zo kan zij de verhaallijn duidelijk neerzetten.

Hé, daar glijdt een slakje door het gras. Heel langzaamaan.

Hé, daar glijdt een slakje langzaam door het gras.

..

In het gras kun je van alles tegenkomen. Langzame, glibberige slakken bijvoorbeeld of heel veel snelle miertjes. Ik maak teksten over slakken en mieren in het gras, biggetjes in de modder en over een kolkende rivier, een uil die de weg wijst in het donkere bos of hoe je zomaar in een sneeuwstorm terecht kunt komen. Jan zet de teksten op muziek. Ieder liedje krijgt een heel eigen sfeer en nodigt direct uit tot beweging. De muziek wordt een dankbare aanleiding voor bewegingslessen. Hoe langzaam beweegt een slak en hoe trippelen kleine, vlugge mierenvoetjes?

Heel veel vlugge mierenvoetjes.

Heel veel vlugge mierenvoetjes.

..

IMG_5262De plek waar we zijn in het verhaal is essentieel. Snel moet de sfeer van modder of een donker bos opgeroepen worden zonder iedere keer het hele podium te verbouwen. Zelf houdt ik erg van de sprookjesachtige sfeer die je kunt oproepen met een overheadprojector, net een toverlantaren. Voor iedere scene maak ik een plaat. De kinderen zijn meteen enthousiast als ik ze de eerste keer laat zien...

..

De uil wijst de weg door het stille, donkere bos in de nacht.

De uil wijst de weg door het stille, donkere bos in de nacht.

..

Bah, vieze, slikkerige modder!

Bah, vieze, slikkerige modder!

En dan begint het oefenen. We lezen het boek, spelen het verhaal, zingen de liedjes en ondernemen allerlei activiteiten rond elementen uit het verhaal. De kinderen maken modder in de zandtafel. We onderzoeken en tekenen het lange, bloeiende gras dat juf Gerda plukte langs de kant van de sloot, we bedenken wat je allemaal aan moet als je in de sneeuw wil spelen en regelmatig zie je ons sluipen terwijl je natuurlijk niets hoort, zo stil gaat dat. Tegelijkertijd zingen en spelen is voor jonge kinderen nog best lastig, vooral als je ook nog eens op het toneel staat. Daarom vraag ik of de leerkracht met een conservatorium-opleiding een koortje wil dirigeren met kinderen uit groep 5 t/m 8. Dat wil ze en wel 25 kinderen melden zich aan om te komen zingen. Jan zal het koor begeleiden op de piano. Iedere week wordt er enthousiast geoefend en het is prachtig om te zien hoe achtste groepers sommige jongere kinderen onder hun hoede nemen en vertellen hoe je alles aan moet pakken; onthouden wat de dirigente zegt en tegelijkertijd je tekst lezen en kijken naar de dirigent...

1461816_521941314568927_122190492_n1472820_528605987235793_854379135_n

..

 

 

..

 

Het begint te zoemen in de school. De koorleden krijgen een CD om thuis te kunnen oefenen en koesteren dit als een kostbare schat. Ouders worden nieuwsgierig. De kleuters vragen op weg naar het speellokaal: ‘gaan we op berenjacht of gaan we gymmen?’ De kinderen spelen buiten dat ze met magische krachten een sneeuwstorm overwinnen. En het wordt langzaam duidelijk dat het afscheid van juf, waar het allemaal om begonnen was, steeds dichterbij komt. En dan is daar de voorstelling. Eerst voor de ouders met na afloop heerlijke cup-cakes, cadeautjes en toespraken. En de volgende dag nog een keer voor de kinderen van de onderbouw. Dat is veel, vol en druk allemaal. Zeker nu Sinterklaas net is vertrokken en de kerstboom weer is opgetuigd. Nienke kan soms alleen nog maar huilen. Jonathan kondigt aan dat hij echt niet als eerste het podium op zal gaan en dat hij trouwens dat geen uil meer is. Maar op het podium staan ze er, alle vijfentwintig! En het mooiste compliment is misschien wel dat bijna tweehonderd kinderen, van net 4 tot 9 jaar oud, drie kwartier ademloos kijken hoe het verhaal zich ontrolt. Zelfs de kinderen uit groep 5, helemaal achteraan in de zaal, steken enthousiast hun vinger op als Gerda vraagt wie er mee gaat berenjacht. Ja, ook zij willen wel!

..

 

IMG_5159

Bij een afscheid hoort natuurlijk een afscheidscadeau. We maken samen een harmonicaboek waarin de hele tocht naar het hol van de beer te volgen is. Op de achterkant van ieder kind een paar regels voor juf Gerda met een tekeningetje. Eerst weten de kinderen niet goed wat je zegt tegen een juf die weggaat ‘voor altijd’. Maar als ik de stukjes voorlees komen er steeds meer woorden voor. ‘Ik hoop dat je echt nog een keer langskomt want ik vind dat heel leuk. En ik wil dat heel graag. Ik vind je echt heel lief. Want je ging mij heel hoog duwen met schommelen en toen kreeg ik kriebels in mijn buik’, zegt Nadja. En ze wil graag weten of ik dat echt precies zo heb opgeschreven. Lore zegt thuis dat ze niet meer wil praten over juf die weggaat, ze wordt er alleen maar verdrietig van. Maar het geven van het cadeau maakt het wel weer een beetje goed.

Het met elkaar maken en opvoeren van een musical was een geweldige ervaring. Iedereen heeft genoten en er is veel geleerd. Toch ben ik weer eens doordrongen van de meerwaarde van vakdocenten, musici en kunstenaars in het onderwijs. Een leerkracht die een koor kan dirigeren, een componist die mooie, rijke liedjes schrijft, een drama-docent die goed advies kan geven. En  als die drama-docent tijd had gekregen om de voorstelling te regisseren, was alles dan niet net even op een hoger plan getild? Zo bouw je aan een rijke omgeving waar kinderen kunnen leren en zich ontwikkelen op allerlei gebieden, ieder kind op een manier die bij hem of haar past.

KLEUR in het thema ‘kunst’ uit een kleutermethode en in het atelier

groen 2

Het is een levendige herinnering. Ik heb een tekening gemaakt op de kleuterschool en vind dat ik klaar ben maar de stagiaire wil dat ik de tekening eerst kleur. Dat het een stagiaire was is een gek detail. Ik zal haar vast niet zo genoemd hebben maar weet dat het bijzonder was dat ze er was. Dat ze jonger was dan de juf, een beetje meer zoals wij; de kinderen. Ze kijkt naar mijn tekening en zegt dat ik alleen maar lijntjes heb gemaakt. Dat zie ik ook wel maar toch heb ik helemaal geen zin in kleuren. Dan zegt ze: ‘Maar in de echte wereld heeft alles toch ook een kleur. Kijk maar, je ziet nergens lijntjes.’ Ik kijk om me heen en het is alsof er een explosie plaatsvindt in mijn hoofd. Nergens zie ik lijnen. De poten van de tafel zijn kleine kleurvlakken in het omringende grijsbruin van de vloer. Mijn jurk heeft een ander kleur dan mijn benen die daaronder vandaan komen. De lucht is niet overal van hetzelfde blauw maar toch hebben de bomen die zich aftekenen tegen die lucht een hele ander kleur. De grens is geen lijn maar een tegen elkaar opbotsen van kleuren. Euforisch loop ik naar huis terwijl ik niet kan stoppen met kijken. Alles, echt alles heeft een kleur! Thuis wil ik mijn moeder vertellen over deze ontdekking. Ik zeg: ‘Mama, alles heeft een kleur!’ ‘Ja’, zegt mijn moeder, ‘soms is iets rood, soms blauw of groen’. Dit klinkt niet als wat ik bedoel en ik probeer het opnieuw: ‘ja maar echt alles heeft een kleur……!’ Hoe het gesprek verder ging herinner ik mij niet, alleen de teleurstelling dat ik niet duidelijk kon maken hoe bijzonder het was dat de wereld bestond uit kleurvlakken en niet uit vormen die begrensd werden door lijnen.

Ik moet aan deze herinnering denken bij het voorbereiden van het werken in het atelier de komende periode. Het is de bedoeling dat we met vier kleutergroepen  vier keer een dagdeel in hetzelfde atelier gaan werken. We proberen daarbij de verbinding te leggen met het thema en de leer- en ontwikkelingsdoelen van onze methode ‘Kleuterplein’.  Dat thema is die periode ‘kunst’ en al pratend met de collega’s komt daaruit het deelthema ‘kleur’ naar voren.

De ene herinnering roept de andere wakker. De wereld die bestaat uit botsende kleurvlakken doet denken aan de schilderijen van Rothko en de keer dat ik als 14 of 15 jarige zei dat ik de reproductie van een werk van hem het mooiste vond uit een boek over moderne kunst, eigenlijk misschien wel van alle schilderijen die ik ooit zag. Het leverde een smalend lachen van mijn vriendinnen op. En later het zichtbaar gemaakte  over elkaar schuiven van gekleurde doeken bij Rob van Koningsbruggen. En steeds wordt mijn oog getrokken naar daar waar de ene kleur in de andere overgaat, waar het mengt en botst. De gloeiende rafelrandjes bij Rothko, de ene kleur die op de andere ligt bij van Koningsbruggen en de grens van het doek waar de onderliggende kleur onderuit piept.

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

Mark Rothko, 1954, Royal Red and Blue

 

Rob van koningsbruggen, GH96.23

Rob van Koningsbruggen, GH96.23

..

Ik was een jaar of 7 en liep op een zonnige voorjaarsochtend alleen buiten. Een beetje verveeld. Het was zonnig maar fris en de wind blies koud langs mijn blote benen. Aan de zijkant van onze flat stonden twee roze bloeiende boompjes. Toen ik daar voor de derde keer langsliep keek ik naar boven. Als ik onder de boompjes ging staan was mijn hele blikveld gevuld met het roze van de bloesem. Daar doorheen zag ik de heldere blauwe lucht. Nu kon ik met mijn ogen focussen op de lucht of op de bloesem. Vaag blauw en helder roze of andersom. Ineens voelde ik mij onverwachts en heftig gelukkig. Ik dacht dit moet ik voor altijd onthouden. Hetzelfde geluksgevoel als toen ik ooit bijkwam uit een narcose waarin het was alsof ik levensgrote kleurvlekken in de ruimte maakte waar ik zelf in rond zweefde. Loïs, een vriendin uit de tijd op de Rietveld, zei ooit dat ze sommige kleuren in schilderijen kon voelen achter haar achterste kiezen. Een soort kwijlen bij het zien van kleur, stel ik mij voor. Zo heeft het kijken naar kleur veel te maken met genot.

Maar hoe zet je dit soort gedachten en herinneringen om in een aanbod voor kinderen in een atelier? Eerst maar eens kijken wat ik bij de kinderen in mijn klas zie. Drie jaar geleden gaf ik alle kinderen een schetsboek waarin ze mochten tekenen wat ze zelf wilden. De net 4 jarige Lisa oogstte toen veel bewondering met het tekenen van symmetrische patronen van hartjes, bloemetjes en abstracte vormen. Al snel werd dat iets wat hele klas overnam, uitbreidde en waarop allerlei variaties ontstonden. Nu zit Lisa allang in groep 3 en is vanuit deze manier van tekenen een hele nieuwe variant ontstaan. De kinderen krassen met verschillende kleuren in een slingerende beweging een wolk op het papier. Soms nemen ze zelfs een heel aantal stiften of kleurpotloden tegelijkertijd in hun hand. Ze gaan door totdat er dichte kluwen van kleur op papier staat. Zelf noemen ze het resultaat een ‘kunstwerk’. Af en toe kijken we samen welke kleuren er allemaal wel niet in de kluwen te ontdekken zijn. Ook met verf doen ze iets soortgelijks. Meestal drie wolken van op papier gemengde kleuren. Sommige meisjes schilderen samen; allebei drie dezelfde kleurwolken als hun vriendinnetje. Vorig jaar maakten Anne Lotte en Isa eens elk een schilderij waarin ze lieten zien uit welke afzonderlijke kleuren ieder wolkje was opgebouwd, als een soort som. Bv. geel rondje – rood rondje – roze rondje, wordt dit viezig rozerode kleurwolkje. En gisteren vroeg ik Anne Lotte even haar naam achterop een tekening op zwart papier te zetten. ‘Goed’, zei ze, ‘maar dan pak ik wel even een stift’. Waarop ze een zwarte stift pakte. ‘Dat zie je niet zo goed, denk ik. Een zwarte stift op zwart papier’. Maar even later zag ik dat er prachtig Anne Lotte met zwart op het zwarte papier stond. ‘Hé, je ziet het toch’, zei ik, ‘het is een iets andere kleur zwart’. Toen ik later langs de tekentafel liep hoorde ik Anne Lotte tegen haar vriendinnen zeggen terwijl ze met een bruine dikke stift over allerlei andere kleuren ging: ‘Kijk, dit is bruin en dit is een beetje andere kleur bruin en dit is weer een andere kleur bruin’. Ik moet ook denken aan de ‘kleurenfabriek’ die we 3 jaar geleden in de watertafel maakten. Daarin mengden de kinderen kleuren met water, voedingskleurstof, crêpepapier of allerlei natuurlijke materialen. Het leidde tot een rij prachtige, met gekleurde vloeistof gevulde, glazen potjes voor het raam en tot veel verwondering en plezier.  En ook tot sorteren op kleur, het maken van reeksen, het precies omschrijven van kleur, het bedenken van nieuwe namen voor nieuwe kleuren en tot mooie gesprekken. Terwijl ondertussen met het gieten, druppelen en mengen heel wat motorische vaardigheden werden geoefend.

Goed, stof genoeg. Volgende keer verder over hoe we dit omzetten in een aanbod in het atelier dat verbonden is met de leer- en ontwikkelingsdoelen uit onze kleutermethode.

Il Palazzo Enciclopedia

 

 

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Begin augustus 2013 in Venetië. Dat is warm, druk en heel veel kunst. Ogen op steeltjes. Op de de Biënnale van Venetië  is in verschillende paviljoens werk te zien uit 37 landen. De hoofdtentoonstelling in de oude scheepswerf Arsenale en het centrale gebouw in het park Giardini heeft dit jaar als thema: ‘Encyclopedic Palace’.

The Encyclopedic Palace of the World. Een droom. Alles wat mensen hebben uitgevonden en gedacht, alle beelden, kennis en ervaring opgeslagen in één gebouw. Het eerste wat we zien is een maquette van 5 meter hoog, 136 verdiepingen met balustrades gemaakt van haarkammetjes en raampjes van celluloid. Dit had het grootste museum ter wereld moeten worden. En dan verder zwerven door de ruimtes van het Arsenale. Ordening van beelden. Bloemen, plekken, verhalen, steen, mensen, vliegende vogels, gebouwen, poppen, dingen, bergen. Hermetische werelden soms. Schurend en dan weer zo prachtig. Grote volle werelden beladen met details. Of kaal en leeg. Werk van outsiders, gevestigde en onbekende kunstenaars; het doet er niet meer toe. Ook in het Giardini. Een kunstenaar als bouwer van zijn eigen universum. Kijken hoe blinden een landschap en zichzelf schilderen op een groot vel papier. Ordening in de ruimte; hier de wolken, hier de rivier en voor de zon heb ik een kwast nodig want ik heb gehoord dat de zon eruit ziet als een gele bol met stralen en die stralen zijn dun en kan ik niet met mijn vingers maken. Van het ene paviljoen naar het andere. Marc Manders natuurlijk.  Zo mooi in het rijtje Spanje, Nederland, België. Kreupelhout verbonden met oude lappen, besmeerd met zalf in het Belgische paviljoen. kreupel – kruipen – krom – creep – crouch – crutch (kruk) Met mijn biologe-dochter het wonder van fotosynthese ontrafelen. Dood en leven.  Over een braak liggend terrein in het onttakelde Deense paviljoen terecht komen.  Vervreemdend. Vreemdeling. Veel. Een groep Amerikanen die grote cirkels bouwden van spullen en dingen. Zoals de kinderen doen in ‘t atelier op school. De kinderen kunnen er dan ook niet afblijven. ‘Pleace, hold your children by the hand!!’ klinkt het regelmatig. En er is nog meer. Venetië doorkruisen. De zon en veel schitterend water. Turen in een bak water, de reflectie op het plafond. En dan plotseling Venetië dat nat en blinkend uit dat water omhoogkomt. Door nauwe straatjes tussen de mensen doorlopen, steeds de schaduw zoekend. Al te nadrukkelijke verhalen, soms. En dan ineens weer iets prachtigs tegenkomen. Angola in het intieme Palazzo Cini. Tussen de schilderijen, het aardewerk, de meubels liggen stapels foto’s van kapotte, achtergelaten dingen op straat. En dan is het weer voorbij. Nog niet alles gezien. Maar wel helemaal vol met nieuwe beelden.

Een gesprek met kleuters

5098095-a-whitetail-cerf-male-en-ete-velours-debout-dans-les-bois

‘… en de hertjes hadden een gewei van stof!’ vertelt Lyam opgetogen en een beetje verbaasd. Een prachtig beeld. Het roept meteen associaties op met wat ik denk te weten. De ooit geziene, nieuwe, bijna viltachtige geweien van herten na de rui? Lyam tekent al weer  verder aan zijn geit. De kinderen tekenen over het bezoek van gisteren met mijn collega aan de kinderboerderij bij de hertenkamp.

’s Middags zegt hij het opnieuw. We zitten in de kring. Isa heeft een hoorn van een bok meegenomen. Ze heeft hem van haar opa gekregen, vertelt ze. De bok was dood gegaan en toen was die hoorn eraf gegaan. Daar merkt ‘ie natuurlijk niets meer van, gelukkig! Ik laat de hoorn de kring rondgaan. De kinderen willen allemaal wel even voelen en van binnen in de hoorn kijken.  Lyam bekijkt de hoorn aandachtig en laat zijn vingers langs de ribbeltjes gaan. Dan zegt hij weer: ‘hertjes hebben een gewei van stof’. Mijn juffenhart springt op. Zonder dat ik het mij bewust ben wil ik ineens van alles aan de kinderen leren. ‘Hoe zou dat komen?’ vraag ik. Een niet begrijpende blik is het antwoord. Dat is natuurlijk ook de foute vraag. ‘Zag het gewei er hetzelfde uit als de hoorn van de bok?’ probeer ik. ‘Hertjes hebben een gewei van stof,’ herhaalt Lyam nog maar eens als tegen een onwillige leerling. ‘De hertjes hadden een gewei van stof en dat is niet zo hard als de hoorn van de bok. Maar zou het gewei echt van stof zijn?’ Ik kijk de kring rond om ook de andere kinderen erbij te betrekken. Maar het gesprek dat eerst heel levendig was is stil gevallen. Wat wil ik eigenlijk? Dat de kinderen zeggen dat dat komt omdat het oude gewei is afgevallen en dit een nieuw gewei is? Of dat ze zich afvragen waarom het hertengewei van stof is en de hoorns van een bok niet? Lyam is duidelijk de enige die het is opgevallen dat de geweien van herten van stof zijn. Hij heeft zich daar over verwonderd. Zoals hij zich over wel meer dingen verwondert die hij toch meteen accepteert. Zo zit de wereld klaarblijkelijk in elkaar. Ik realiseer mij dat hij de herten alleen heeft gezien, waarschijnlijk van een afstandje. Dat hij ze niet heeft gevoeld. En ook dat hij niet kan weten dat er iets veranderde. Hij zag niet eerst herten die hun gewei verloren, waarna er weer kleine jonge stompjes uit hun kop groeiden. Met een haastige, schijnbaar niet opgemerkte verklaring sluit ik af. ‘Herten krijgen af en toe een nieuw gewei, dat groeit en ziet er eerst net uit als stof’. Dan wil Tjeerd nog wel iets anders vertellen. ‘Als er nou een bok is die zijn hoorn er is afgegaan door een ongeluk, misschien kan die dan die hoorn van Isa gebruiken, dan kunnen zie die er misschien opplakken?’ ‘Zou dat kunnen?’ vraag ik Isa en meteen is iedereen weer betrokken. Nee, dat kan niet want je kunt niet iets aan je lijf plakken, dat moet groeien. Maar Gijs zijn oma had een been dat gebroken was en die is wel weer heel gemaakt. Maar was dat wel met lijm gedaan? Je hebt geen mensenlijm of dierenlijm.  Was dat been van oma er echt af of was haar bot gebroken? Gijs weet het niet maar wel dat het heel erg was en dat ze nog steeds met krukken loopt.

Het is mij wel weer duidelijk. Kleuters leren niet wat ik bedenk dat ze moeten weten. Kleuters leren van directe ervaringen en van elkaar. Het enige wat ik als leerkracht kan doen is een rijke omgeving creëren waar ze met al hun zintuigen zoveel mogelijk verschillende ervaringen op kunnen doen. En ze de mogelijkheid geven die te delen door te praten, te tekenen, te dansen, te zingen, verhalen te vertellen en natuurlijk door er heel veel over te spelen!