Blog

Het atelier is het hart van onze nieuwe school

atelier..

Twee maanden geleden zette Marike Hoekstra een berichtje op Facebook. ‘Het atelier is het hart van de school’. Amsterdam zocht schoolmakers en vroeg iedereen om mooie plannen te delen. Ik was meteen enthousiast. Stel je voor dat een atelier het hart van de school zou zijn. Een ruimte waarin kinderen op een andere manier kunnen leren en zich ontwikkelen. Waar ze kunnen spelen, ontdekken en de wereld onderzoeken. Waar plannen gemaakt worden, verhalen vertelt, gebouwd, gedanst en samen gewerkt. Een atelier waar de deur voor de kinderen altijd open staat. Waar kinderen op eigen initiatief met kunstenaars kunnen samenwerken en van elkaar kunnen leren. Wat een verrijking voor het onderwijs zou de voortdurende uitwisseling tussen de ateliersituatie en het werken in de klas kunnen zijn.

Marike Hoekstra, Tanja Kerkvliet en ik werkten het plan verder uit en zette het op de site van de ‘Nieuwe School’.   naast alle andere grote, kleine, slimme of bevlogen plannen. Deze week kan er gestemd worden. Wil jij ook dat ons initiatief werkelijkheid wordt, breng dan je stem uit op plan 41. En deel dit met zoveel mogelijk mensen.

Stem hier!

Niet alleen omdat je kinderen hebt die je graag in Amsterdam naar een fijne school zou laten gaan, of omdat je als leerkracht, kunstenaar of schoolleider zou willen werken op zo’n school. Maar gewoon omdat je goed (kunst)onderwijs een warm hart toedraagt en omdat deze school een inspiratiebron zou zijn voor heel veel andere scholen.

 

Het spel van Jackson Pollock

IMG_6345

Meer dan manshoog hangt hij voor de grote ramen van de Tate Modern in Liverpool; de foto van Jackson Pollock terwijl hij één van zijn ‘drippings’ maakt. Een groot wit vlak op de grond, Pollock leunend op een knie gebogen over zijn werk. Concentratie, aandacht. Met zijn hele lijf gericht op de verf die van de kwast druipt. Handen en ogen, zie ik, die elke beweging registreren en daarop reageren. Speelse, liefdevolle ernst. En ik herinner me een flard van een tekst, ooit ergens gelezen. Over een onderzoek waaruit gebleken zou zijn dat kinderen én volwassenen werken op de grond eerder als spel ervaren dan werken aan een tafel.

Later op strand buigt Jan zich ineens, in een onbewaakt ogenblik, voorover en begint met schelpen een mozaïek te leggen rond een aangespoelde kwal. Is dit niet dezelfde houding, dezelfde aandacht en flow? Hetzelfde spel.

..

..

Of Charlotte Schleiffert die haar grote tekeningen ook maakt op de grond.

imgres

..

..

..

..

..

..

Ik denk er opnieuw aan als ik, inmiddels weer thuis, heel voorzichtig en vooral niet te nadrukkelijk begin te denken aan de school die volgende week weer begint. Zittend op het gras in de tuin, schuur en olie ik alvast een oud IKEA laden-blok om daarvan een rekenkastje te maken. Het is een genoegelijk werkje en het heeft vooral nog niets te maken met de drukke, doelgerichte hectiek die het schoolleven normaal gesproken kenmerkt. Iedereen die langsloopt en mij ziet zitten in de zon tussen uitgestalde laatjes, doeken en schuurpapier, herkent het meteen. Er wordt geglimlacht, ‘lekker hè, dat doe je goed!’ zegt de buurvrouw die over de heg kijkt. En terwijl ik de geur van de olie ruik die zich vermengd met die van het pas gemaaide gras, terwijl ik de laatste stickers wegschuur, met mijn handen de houtnerf volg en mij uitstrek om bij mijn kopje thee te kunnen, speel ik met mijn plannen voor het volgende schooljaar. In dit laatje komen alle gevonden slakkenhuisjes en daar de stenen, knopen, cijferkaartjes en dobbelstenen. Is dat anders dan wanneer ik aan tafel zou zitten? Zou het dan eerder ‘werk’ zijn? Kinderen spelen graag op de grond heb ik gemerkt. Ooit begonnen twee jongetjes met gekleurde klei op tafel een parcours voor auto’tjes te maken. Moeiteloos overbrugden ze de ruimte van de tafel naar een nabije stoel, om daarna door te bouwen op de grond. Steeds meer kinderen sloten zich aan bij dit spel en ik kon het niet over mijn hart verkrijgen het te verbieden. Ze waren zo geconcentreerd, zo vol overgave en plezier aan het werk. En ach, het was bijna zomervakantie dan ging die klei toch in de prullenbak. Is het anders om met klei op de grond te spelen? In tegenstelling tot de afgebakende ruimte van de tafel konden ze nu alle kanten op. En spelen op de grond doen kinderen  met hun hele lijf. Zitten op hun hurken of knieën, staan, buiken en kruipen wisselen elkaar moeiteloos af.

..

..

 

De Amerikaanse kunstenaar Sharon Lockhart filmde grauwe, betonnen binnenplaatsen in Polen. In een fragment spelen een jongen en meisje met water, modder en zand. Alles onder handbereik. Het meisje strekt haar been, beweegt heen en weer. Ze danst bijna. Kinderen kunnen dat nog. Samen dezelfde aandacht; 2 paar handen en ogen, voortdurend op elkaar reagerend.

..

In de ateliers bij ons op school werken de kinderen ook vaak op de grond.

Alleen:

IMG_3331IMG_3358

.

..

.Of samen:

IMG_3206.

.

.

.

.

.

.Liggend:

IMG_3339IMG_3341

.

.

.

.

.

.

.Of staand:

SONY DSC

.

.

.

.

.

.Soms nauwelijks in evenwicht:

SONY DSCSONY DSC

.

.

.

.

.

.

Terwijl het resultaat zich steeds verder uitbreidt:

.

.

Een ding weet ik zeker. Als ik straks mijn nieuwe klas inricht, komt er tussen de mooie nieuwe tafels en stoelen van ons spik splinter nieuwe meubilair genoeg plek om ook op de grond te kunnen spelen en werken.

Kleutermethode als bronnenboek

.

.

‘een plattegrond is de grond die plat is’

..

IMG_1347IMG_1346

. 

Kijk, ik heb een tekening van onze klas gemaakt’ zeg ik, terwijl ik de plattegrond uitrol die ik tussen de middag van de klas maakte. Ik geef een les uit de methode kleuterplein binnen het thema POST. Het is de bedoeling dat de kinderen oefenen in het opereren met ruimte en vormen, dat ze hun ruimtelijke oriëntatie ontwikkelen en gaan begrijpen wat een plattegrond is. Daarom zal ik op de plattegrond met een mini-envelopje aangeven waar in de klas een echte brief is gepost. Voorlopig zijn de kinderen zeer welwillend maar zien ze nog geen plattegrond in mijn tekening. Eerder een grote brievenbus met poten eronder in een straat. Want dat het iets met post te maken moet hebben, dat hebben ze al wel begrepen. Ik vraag ze of ze weten wat een plattegrond is. Veel vingers gaan omhoog: ‘Dat is de grond, zo hier, de grond die plat is’, er wordt gewezen naar de grond en geklopt, gestampt en gewreven. Ja, de grond is plat en dat kun je op allerlei manieren ervaren. Dan zie ik Raai de Kraai, die in zijn nest boven onze kringtafel hangt en krijg een idee. Ik laat de handpop naar beneden vliegen. Vanuit zijn positie hoog boven de klas snapt hij wel hoe die tekening in elkaar zit. Hij vliegt heen en weer terwijl hij laat zien waar hij is op de plattegrond. Ik noem het woord landkaart en luchtfoto. Af en toe zie ik een kleine glimp van herkenning. Ja, een landkaart of liever een schatkaart, dat kennen ze wel. Ik laat Louis, waarvan ik weet dat hij goed kan ‘opereren met ruimte en vormen’ en een groot ruimtelijk inzicht heeft, samen met Raai zoeken waar het envelopje ligt in de klas. Maar alleen met heel veel hulp en sturing komen we ergens in de buurt. Ondertussen begint Louis, zomaar met Raai de Kraai in zijn eigen handen, gek te doen voor een lach-graag publiek dat genoeg heeft van al dit onbegrijpelijke en ik geef het op.

Toch kan ik het nog niet helemaal loslaten. Verschillende keren zag ik jonge kinderen die spontaan plattegronden maakten, soms zelfs opvallend kloppend met de werkelijkheid. Ik besluit nog een poging te wagen. Met groepjes van 6 kinderen ga ik zitten in de kleine kring. Ik vertel een verhaal over een dorp dat door een orkaan verwoest wordt. Van de burgemeester krijgt iedereen 4 dezelfde blokjes. Daar mogen ze een nieuw huis van bouwen op een vel papier maar ….! Geen enkel huis mag hetzelfde zijn en ieder blokje moet in ieder geval met één hele kant aan een ander grenzen. De kinderen vinden het niet moeilijk, er zijn veel mogelijkheden en zes verschillende: dat is zo gepiept. Maar in het dorp moet natuurlijk ook post bezorgt worden. Ik vraag ze een plattegrond te maken zodat de postbode weet waar iedereen woont. We trekken de huisjes om en halen dan de blokken van het papier. Hoe kan het dat je soms nog maar 1 blokje ziet? Sommige kinderen vinden dat heel logisch; ‘die andere blokjes stonden er bovenop’. Anderen kijken en herkennen hun huisje niet meer. Dat lossen ze onmiddellijk op door de blokjes alsnog naast elkaar te leggen en die om te trekken. Het meest fascinerend zijn de kinderen die op de grens tussen inzicht en niet begrijpen balanceren. Blokken worden weggehaald en weer neergelegd, geteld, gestapeld en weer afgebroken. Als alle huisjes omgetrokken zijn moeten er natuurlijk ook wegen, rotondes, zebrapaden en parken getekend worden. Inmiddels heb ik in de thema-hoek die postkantoor geworden is een kaart van onze stad neergelegd. Jonathan vindt dat hij moet worden opgehangen zodat iedereen hem goed kan zien. Regelmatig zijn er kinderen voor de plattegrond te vinden, kijkend en soms heftig met elkaar in gesprek. De ‘blokjes’-plattegrond wordt net zo mooi ingekleurd als de echte. Maaike heeft haar eigen straat getekend en vraagt of ik er Boterbloemstraat bij wil schrijven. Jill schrijft zelf haar eigen straatnaam op de goede plek.

De volgende weektaak staat in het teken van plattegronden. Ik vraag de kinderen huizen te bouwen langs een getekende weg maar ook om een plattegrond te tekenen van onze klas waarop je de weg kunt vinden naar alle zelfgemaakte brievenbussen in onze groep. Nienke weet niet hoe ze beginnen moet. Als ik naast haar ga zitten en doorvraag begrijp ik ineens dat ze vooral moeite heeft met de manier waarop je de grens van een ruimte aangeeft. Dat je een tafel tekent als een rechthoek met daarom stoelen die een streepje zijn, dat snapt ze nog wel. Dat kun je ook nog wel zien als boven op een kast zou klimmen. Maar dat de muren van de klas een rechthoek kunnen zijn, dat kun je op geen enkele manier zien. Iets wat ik gedachteloos deed, een ruimte afgrenzen, is eigenlijk een ingewikkeld concept. Ik vertel dat je ook alleen de vloer kunt tekenen en een streep waar die vloer ophoud. Dat snapt ze en binnen een paar minuten staat er een rechthoek op haar papier waar ze wild omheen begint te krassen. ‘Het is buiten en het is de woeste wind die waait’. Later vraag ik of er ook iets in de klas is. Even tekent ze een tafel met stoelen erom heen om dan weer verder te gaan met de wind: blauw voor de wind binnenin de klas en rood voor de storm buiten. Ze geniet met volle teugen, binnen, buiten, buiten, binnen. Ze heeft een grens getrokken tussen binnen en buiten. En viert het nieuwe inzicht.

IMG_1349

.

Al snel wordt het tekenen van de plattegrond iets waarvan de kinderen weten hoe het moet: eerst een rechthoek en daarbinnen kleinere rechthoeken met vormpjes die stoelen voorstellen. Bijna als een soort van abstracte patronen. Toch komen daarin weer de brievenbussen met nummers! En inderdaad hebben we in de huishoek een rond tafeltje. De plattegrond wordt soms opgefleurd met bloemetjes en hartjes en de vriendinnetjes en juf moeten er natuurlijk ook bij: van voren.

IMG_1351IMG_1353

.

Jonathan ontdekt dat niemand het bureau van juf tekent. Enthousiast begint hij aan de bovenkant, tegen de muur, gedetailleerd een bureau te tekenen. Precies zoals het eruit ziet, met laatjes en daarnaast het kastje met daarop de map van juf. Toch zit hij somber voor zich uit te kijken als ik weer langs kom: ‘Mislukt! Ik heb het van de verkeerde kant getekend’. En inderdaad, het bureau zie je, in tegenstelling tot de tafels, het kleedje en de kast, van opzij.

IMG_1352.

Maar hij is niet de enige. De meeste kinderen tekenen alles vanuit het perspectief dat de meeste informatie geeft. Ze tekenen datgene wat het het eerst opvalt. Alhoewel niet allemaal. Fréderique tekent alles van boven. Zelfs de schooltuin buiten, staat op haar plattegrond. Maar wat doet die lange vorm daar, helemaal links op het blad? Dat is de ijzeren paal natuurlijk, die omhoog het dak inloopt.

IMG_1354IMG_1350

.

Aan het eind van de week kijkt Jill, terwijl ze zit te tekenen, verlangend omhoog. ‘Oh, ik wou dat ik het een keertje écht kon! Zo omhoog zijn en dan zien hoe de klas eruit ziet.’ Op de fiets naar huis bedenk ik dat ik een selfie stick hoog in het puntje van ons schuine plafond zou kunnen houden en dan een foto maken. Sowieso zouden we met zo’n stick van alles van boven kunnen fotograferen. Daarna kunnen we natuurlijk op Goolge Earth kijken naar alle plekken die we kennen. En het boek ‘De gele ballon’ van Charlotte Dematons zouden ik ook kunnen opsnorren. Maar het is genoeg geweest. Het thema is afgelopen. De vakantie komt eraan.

Zo is het vaak met de lessen in kleuterplein. Met één activiteit kun je weken voort. Vooral als je de doelen die er bij genoemd worden wilt halen. De methode als leidraad voor wie daar behoefte aan heeft en als bronnenboek voor de ervaren leerkracht; daar adverteren ze mee. Ik ga voor dat bronnenboek maar moet wel jongleren tussen alle verschillende en uiteenlopende input door. Maandag beginnen al onze kleutergroepen met een eigen thema. Ik ga maar eens heel weinig plannen en heel goed luisteren en kijken en naar mijn kinderen.

Odyssee

IMG_1391.

Gewapend met dikke sokken en warme truien nestelen we ons een paar dagen in een huisje in de duinen. Ondanks de sombere weersvoorspellingen zwerven we iedere dag, zonder zelfs maar een spatje regen, door zonnig struikgewas en langs de kust waar wilde windvlagen het schuim hoog het strand opblazen. Tussen het orkest van zingende vogels herken ik sinds kort de nachtegaal. En als ik mij koester in het zonnetje, beschut tegen de wind achter het huisje, hoor ik de kikkers zachtjes kwaken in de poel verderop. In het kleine keukentje improviseer ik een maaltijd terwijl Jan, met partituur, luistert naar Otello van Verdi op CD. Af en toe hoor ik hem zachtjes mompelend commentaar geven. En dan enthousiast naar mij: ‘Hoor je dat … en dat …, hoor je de elementen van Verdi die ik, zonder het te weten, verwerkt heb in mijn muziek!’ Ja, na bijna 30 jaar samenleven met een musicus herken ik niet alleen een nachtegaal maar ook moeiteloos Monteverdi of Josquin des Prez, onderscheid ik Schumann van Poulenc of Hindemith van Schönberg. De afgelopen maanden maakte ik van dichtbij mee hoe Jan muziek schreef voor de nieuwe toneelvoorstelling ‘De Odyssee’, van het gymnasium bij ons in de buurt. Ik hoorde de liederen op teksten van Robbert Grijsen groeien, herkende Monteverdi, Schubert, Verdi misschien en vooral heel veel Jan van Zelm.

Vorig jaar componeerde hij ook al muziek bij een toneelvoorstelling op de school. Toen ik naar die uitvoering kwam kijken en luisteren werd ik ontvangen door een oud leerling van mij. Hé, deed ze ook mee? ‘Nee’, antwoordde ze terwijl haar schouders, bijna wanhopig, naar beneden zakten. ‘Te laat met opgeven! M’n broer wel.’ Ik herkende meteen de kleuter die ooit vertelde dat ze thuis een speelgoedkonijn had dat echt kon lopen. Toen ze ‘m in de kring liet zien bleek dat geen opwind-beestje maar een gewoon knuffeltje. Vol verwachting keek de rest van de klas toe hoe het zachte witte konijntje zou gaan lopen maar er gebeurde niets. ‘Nee, natuurlijk niet’, zei de vijfjarige met eenzelfde wanhopige blik over zoveel onbegrip, ‘hij durft het pas als niemand kijkt, we moeten hem met rust laten, dan is ‘ie vanzelf een stukje verder’. ‘Misschien doe je volgend jaar mee’, zei ik tegen de inmiddels 13 jarige. En dat heeft ze gedaan. In de Odyssee speelt en zingt ze mee. Als Odysseus langs Scylla vaart, een zeemonster met 6 hondenkoppen en daartegenover Charybdis die driemaal per dag zo’n enorme hoeveelheid water opzuigt en uitspuwt dat er vervolgens een draaikolk ontstaat, jaagt ze al klappend, sissend en stampend samen met het koor alle mannen van Odysseus de dood in.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4613phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4606

.

Voor het eerst dit jaar worden de leerlingen niet alleen begeleid door de piano maar ook door het strijkers-ensemble Indigo. Het geeft Jan nog meer mogelijkheden. Even ben ik bang dat het teveel zal zijn. Zoveel muzikale ideeën en dan de professionele musici die weten hoe ze dat ook echt kunnen laten horen. Is dat nog wel in balans met leerlingen die niet allemaal een evengrote muzikale achtergrond en ervaring hebben? Maar het omgekeerde gebeurt. De strijkers tillen de zangers op, trekken iedereen de sfeer van de muziek in en laten ze de structuur nog beter begrijpen. Thema’s die terugkomen en door de instrumenten herhaalt worden, stemmen en tegenstemmen die om elkaar heen wervelen. Gloedvol roept Penelope vanachter haar weefgetouw de goden aan.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4449

.

En het zijn niet alleen meisjes die mee willen spelen en zingen in de voorstelling. Sommige jongens kiezen voor toneel maar hebben zelden of nooit gezongen. Allemaal staan ze er met evenveel overtuigingskracht en enthousiasme. Al zingend steken ze elkaar, als de vrijers die het paleis van Ithaka bevolken, de loef af.

phoca_thumb_l_20150409_wvdlugt_4354

.

Vorig jaar kwam ik ook al een andere oud leerling van mijn eigen school tegen. Toen verraste ze iedereen met haar heldere stem tijdens verschillende 3-stemmige stukjes. Het afgelopen jaar zag ik haar vaker. Ze had de smaak te pakken gekregen en zangles genomen bij Jan. In de Odyssee krijgt ze de rol van de moeder van Odysseus toebedeeld. Ze zingt vanuit de onderwereld haar lied van verdriet om de verloren zoon. En ze doet dat met zoveel inlevingsvermogen en gevoel dat de tranen me in de ogen schieten. Wat heeft ze veel geleerd en wat een muzikaliteit. ‘Hoe doe je dat toch?’ zegt ze zelf tegen Jan, ‘zulke mooie muziek componeren’. Om dan met een tegendraadsheid die ik nog van haar ken te vervolgen: ‘Ik snap niet dat je niet allang beroemd bent. Dit is toch veel mooier dan al die troep op You Tube!’.

 

.

In ons huisje in de duinen hebben we het over authentieke kunsteducatie. Volgens Jan zou je zo’n voorstelling dan heel anders aanpakken: ‘Je moet de leerlingen zelf laten improviseren en componeren, werken met spreekkoren en ritme-instrumenten en zo.’ Ik weet het niet. Het kan natuurlijk maar door een stuk en muziek te schrijven zonder concessies te doen, zonder te bedenken dat het vooral voor ouders, broertjes en zusjes leuk moet zijn en door samen te werken met professionele musici ervaren de leerlingen hoe het er in de wereld van de kunst aan toe gaat. Toch ook een belangrijk uitgangspunt van authentieke kunsteducatie. Bovendien organiseren de leerlingen alles zelf, van de  belichting en het geluid tot de financiën. En als ik de aanstekelijke betrokkenheid, het enthousiasme en de samenhorigheid zie, denk ik dat het zeker gelukt is een voorstelling neer te zetten zoals dat ook in de ‘echte wereld’ gebeurt.

Wie leert van wie?

.

‘Hoe gaat ‘t met je cursus?’ was meestal de eerste vraag die mijn dochter stelde wanneer we elkaar zagen. Voor het eerst gaf ik een cursus aan volwassenen. Het ging goed en was erg leuk. Soms bedacht ik me dat ik zelf misschien wel meer leerde dan m’n cursisten. Ja, dat herkende ze wel. Ook zij leerde veel toen ze practicum begeleidde op de UVA. Je moet bedenken wat je wilt vertellen. Wat is belangrijk en waarom en hoe hangt alles met elkaar samen? Sabine Plamper en ik hebben er menige verhitte discussie over gevoerd. Het gaf onverwachte inzichten. En dan …, hoe breng je dat over? In de cursus probeerden we theorie en praktisch werken af te wisselen. Sabine stelde voor om een klein ‘Postkaarten-project’ op te starten. Iedere cursusdag voor de lunch tekenden de cursisten met een zwarte fineliner op een blanco postkaart terwijl ik een kort verhaal voorlas. Ook vroegen we hen om hetzelfde te doen in de eigen werksituatie. Met mijn eigen volle kleutergroep leek me dat eigenlijk vrij ingewikkeld. Hoe kreeg ik al die 32 kinderen aan een tafel en dan aan het tekenen terwijl ik ook nog voorlas? Maar een van mijn cursisten vond het geen probleem. Gewoon de kinderen op hun knieën voor de bank of stoel in de kring. In een halve minuut gepiept. Het zag er prachtig uit. Tja, ook daar kon ik wat van leren.

Ik heb een echte jongensgroep. Het laatste half jaar meldt zich bijna geen enkel meisje voor onze kleutergroepen. Zo’n klas vol jonge jongetjes betekent dat activiteiten meestal ontvangen worden met een wild en onstuimig enthousiasme. Het betekent dat alles met grote nieuwsgierigheid en een enorm kabaal wordt onderzocht, dat er altijd beweging en actie is. Af en toe vind je een groepje woeste jongetjes als een stel jonge hondjes boven op elkaar op de grond. En regelmatig word je door een klein prinsje het hof gemaakt. Maar het is best moeilijk om iedere dag de energie op te brengen om positief te reageren op al die springerige, onverwachte incidenten. Als je bijvoorbeeld drie jongens met hun meegebrachte kiepwagens ‘even’ naar de open plek vlak voor de net opgeruimde huis/thema-hoek dirigeert, moet je niet verbaasd zijn als je na een paar minuten enthousiaste kreten hoort: ‘Juf, kijk, kijk, we hebben een vuilnisbelt gemaakt!’ Als je dan aanschouwt hoe ze in die paar minuten alles, echt alles wat er te vinden was aan potjes, pannetjes, plastic eten en poppen op een grote berg hebben geveegd, is het best knap dat je al je ergernis weet te onderdrukken en rustig zegt dat dit niet echt de bedoeling was, dat we bijna vakantie hebben en of ze alvast maar willen beginnen met opruimen. Dat opruimen gebeurt dan natuurlijk met dezelfde kiepwagens en er wordt druk gegraven, gekiept en nog hoger gestapeld. Al snel is iedereen alweer vergeten dat we aan het opruimen waren, bovendien blijkt dit zo leuk dat er in plaats van drie nu zes jongens aan het ‘opruimen’ zijn. Als je dan alle kiepwagens en graafmachines vertwijfeld bovenop de kast zet en de één een woedeaanval krijgt en de ander wegloopt omdat het nu toch niet interessant meer is, weet je weer dat je het zo niet aanpakt in een jongensklas. Toch neem ik me voor om op een middag te beginnen met een klein postkaarten-project. We werken rond het thema ‘post’ van kleuterplein en ik heb het idee om de kinderen te laten luisteren naar het versje over de rode brievenbus van Annie M.G Schmidt, gezongen door VOF de Kunst. De ochtend verloopt jammer genoeg niet helemaal zoals gepland. Gijs heeft sinds hij op school zit eigenlijk maar één groot doel en dat is vrienden maken. Dat begon aardig te lukken nu ook Storm op zoek was naar een maatje. De afgelopen week liepen de twee nieuwe vrienden regelmatig innig gearmd door de klas. Maar helaas is Nick vanochtend teruggekomen van vakantie. En Nick blijkt net iets meer de beste vriend van Storm te zijn. Met z’n drieën hebben de jongens heel wat uit te vechten. Bovendien heb ik de ‘time out-plek’ van Camilo verplaatst naar een plek tussen twee kasten omdat de oude plek zich wel erg dicht bleek te bevinden bij de tafel waar meisjes met lijm en glitter aan de gang gingen.  Voor alsnog helemaal fout natuurlijk. Als ik vraag of Camilo eerst maar even rustig moet worden op zijn kussen voordat hij samen met ons in de kring komt zitten, doet hij dat braaf maar stuitert er ook net zo snel weer vandaan. Aan het eind van de ochtend is mijn geduld op en dirigeer ik hem hardhandig naar zijn ‘zitzak’. Dit leidt tot een jongetje dat bovenop de kast klimt en daar alles wat hij te pakken kan krijgen de klas in slingert.

de brievenbus wou niet meer

de brievenbus wou niet meer

.

‘s Middags ben ik nog steeds aan het uithijgen en zijn mijn verwachtingen tot nul gereduceerd. Ik vertel de kinderen dat we iets uit gaan proberen en leg uit wat de bedoeling is, ze gaan luisteren naar de ‘brievenbus die niet meer wilde’ en mogen tekenen wat er in hen opkomt. Dat kan een brievenbus zijn maar ook iets heel anders.  Ik deel de blanco kaartjes en zwarte fineliners uit en dan voltrekt zich een klein wondertje. In opperste concentratie zitten ze knie aan knie voorover gebogen aan de banken en hun stoeltjes. Vergeten zijn alle incidenten en al het tumult. Twee keer laat ik het liedje van de brievenbus horen. En de kinderen tekenen. Ik kijk naar de reïntegrerende leerkracht, vanmiddag bij mij in de klas, en we kunnen een opkomende giechel bijna niet onderdrukken. De kinderen hebben nergens anders oog voor dan voor hun tekening. Ik zie brievenbussen op het kaartje verschijnen maar ook stippen, strepen en krassen, vrolijke poppetjes en letters. Pas als het liedje voor de 2de keer bijna op zijn eind is, beginnen de kinderen te kijken naar degene naast hen. En als ik de kaartjes ophaal is het ‘Kijk! Kijk, wat ik heb gedaan!’ niet van de lucht.

IMG_1362IMG_1357

IMG_1360IMG_1359IMG_1358IMG_1363

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

‘Ga met een lijn uit wandelen’, zegt Sabine altijd. En dat hebben de kinderen gedaan. Ik vertel ze hoe trots ik op ze ben.

Een bazige juf

IMG_6234.

‘We vinden je een bazige juf’, triomfantelijk kijkt Jonathan me aan. ‘Ja’, beaamt Lore, ‘eigenlijk speel je altijd de baas’. Samenzweerderig zitten ze naast elkaar in de kring toe te kijken hoe ik kinderen naar het kiesbord dirigeer, zorg dat daar netjes zonder duwen en trekken op de beurt gewacht wordt. Terwijl ik ondertussen de kleine kring in de gaten houd en nog snel even een paar boekjes neerleg zodat ze iets te doen hebben voordat ik tijd heb om, met mijn ‘niet-storen-ketting’ om, een leerzame activiteit op te starten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze zitten. En voor ik er over nagedacht heb, hoor ik mezelf zeggen: ‘Ja, zo werkt dat op school’. Ik denk er zelfs achteraan dat ze nog wel zullen merken hoe het is om bij een echt bazige juf in de klas te zitten. Gelukkig zeg ik dat laatste niet hardop. Ik zie ook in één oogopslag dat ze helemaal niet geïnteresseerd zijn in mijn commentaar. Ze hebben eigen plannen gemaakt.

Al een aantal weken spelen en werken we over het thema post. Alle kinderen maakten een brievenbus en ik richtte een tafel in waarop ze kaarten en brieven kunnen tekenen, knippen, plakken en schrijven. ‘Moet jij geen brievenbus?’ vroeg Jonathan die ochtend. Ondertussen pakte hij meteen maar het lege houten kistje dat vóór mij op een plank in de kast stond. ‘Deze kan wel’. En ja, die was inderdaad heel geschikt. Ik plakte er de letters  J U F  op en het goede nummer van onze ‘Raamstraat’.

IMG_6239IMG_6238

Een paar keer die middag vraagt Jonathan of ik al in mijn brievenbus gekeken heb. Pas als de kinderen naar huis zijn vind ik de tijd om dat rustig te doen. En dan zie ik waar Lore en Jonathan de hele middag zo hard aan hebben gewerkt.

Jonathan is mateloos geïnteresseerd in het ‘bijna’ echte geld in ons postkantoor. Eerder vertelde Lore dat je ook brieven met geld kunt krijgen. Dat overkwam haar toen ze haar A-diploma haalde. Van Jonathan krijg ik een envelop met € 30 en een fijn paasfeest gewenst voor een vriend (de i is hij even vergeten). En dat de bazige juf toch best lief is vermoedde ik al toen hij steeds de volgende letter kwam vragen van de woorden die hij wilde schrijven. Eigenlijk had hij al eerder besloten dat hij de liefste juf had die hij kende. ‘Ken je er al veel?’ vroeg ik. En met de zelfverzekerde toon van een kenner: ‘Ik heb al héél veel juffen gezien’.

Ook Lore denkt regelmatig na over haar juf en wat die allemaal bedenkt en initieert. Altijd wil ze weten waarom we doen wat we doen, om vervolgens te vertellen dat het misschien wel veel beter en helemaal anders kan. Laatst keek ze me onder het tekenen ineens onderzoekend aan: ‘Waarom ben je eigenlijk juf geworden?’ Ik antwoordde dat ik het leuk vond om met kinderen te werken, voor te lezen en dingen te verzinnen om te tekenen, te maken en te spelen. ‘Ja’, beaamde ze, ondertussen alweer met haar aandacht bij haar tekening, ‘daar ben je ook heel goed in’. Ook van Lore krijg ik paas-post. Ze heeft vol overgave het adres op de envelop geschreven.

IMG_6242IMG_6240IMG_6241.

.

.

.

Ik ben trots op de kinderen die bij mij in de klas niet bang zijn om te vertellen hoe ze over de dingen denken, die plannen maken, die bespreken met elkaar en tot uitvoer brengen. Ze zijn een voorbeeld voor de jongere 4 jarigen, die, net op school, hun draai nog moeten vinden. Bijvoorbeeld voor Marieke die een tekening gemaakt heeft voor Camilo. Ze wil hem wel in zijn brievenbus stoppen. En als ik vraag of we er iets op zullen schrijven gaat ze er eens goed voor zitten.

lieve Camilo

Camilo, jij zit in mijn vriendenboekje

lieve Camilo, jij bent bij mij geweest

lieve Camilo, ik hou super veel van jou

einde

kus van Marieke

.

De volgende dag in de kring stelt Anne ineens verbaasd vast dat ze verliefd is op de hele klas. ‘Op alle kinderen.’ En daar kan ik me nou helemaal in vinden.

De kleur van een wijd bos

IMG_6094

.

‘Het Wijde Bos, ik bedoel dat het het bos is en daar omheen is het zo …. wijd, zo kijk ……’. Hij gebaart met grote armgebaren om zijn plastic bekertje heen. Het bekertje is gevuld met behangersplaksel, daarin drijven kleine stukjes broccoli en af en toe een flardje rood van rode besjes. De kinderen maken kleuren uit groente en fruit in het atelier. En ik heb gevraagd om voor die kleuren namen te bedenken. De kleine groene miniboompjes in het witte doorzichtige plaksel, de rode accenten; het geeft een wijds gevoel. En buiten het bekertje loopt die wijdsheid alleen nog maar door. Oneindig wijd. Ik schrijf de naam op een stukje tape en plak ‘m op het bekertje. Eigenlijk zou ik er een blog over moeten schrijven, schiet het door mijn hoofd zoals vaker de laatste tijd. Maar door de volle werkdagen, het voorbereiden van mijn cursus en die vervelende maar doorzeurende griep komt het er niet van. Ik denk het ook als ik zie hoe geweldig mijn 2 nieuwe onderbouwcollega’s met hun kleutergroepen aan het werk gaan in het atelier.  Zonder een uitgebreide instructie, alleen door samen materiaal te verzamelen en het atelier in te richten en soms zelfs dat niet eens, gaan ze enthousiast aan de slag. Ze genieten van de kinderen en van deze manier van werken. Lijken zelfs een beetje verbaasd dat dit ook zomaar kan en mag in deze ‘opbrengstgerichte’ tijd.

In de voorjaarsvakantie kijk ik al de foto’s nog eens door. Eindelijk tijd om een verslag te maken van het werken in het atelier tijdens het thema eten van Kleuterplein. De eerste atelierdag maakte fotografe Sabine Plamper foto’s. Lees hier het verslag. En kijk hier hoe het verder ging in het atelier en in de klas.

Nascholing

Kunsteducatie-cursus

 

Het is zover. Samen met Sabine Plamper heb ik een nascholing ontwikkeld voor de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Je kunt je nu inschrijven voor de 4 daagse training die start in januari 2015.

Ook kunstenaars koken met water

Van dertig identieke werkjes naar eigen verhalen, verbeelding en onderzoek

Welke plek heeft kunst in een kinderleven? Wat kun je doen met meel, water of een oude knoflookpers? Hoe begeleid je creatieve processen? Hoe wordt kunst en cultuur een volwaardig onderdeel van het onderwijs?

In deze vierdaagse cursus zijn materiaalonderzoek, ervaringen en verhalen van kinderen het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een inspirerende vorm van authentieke kunsteducatie die past binnen je eigen onderwijspraktijk. Praktijk en theorie zullen elkaar afwisselen en versterken. Met opdrachten die je eigen creativiteit aanspreken ervaar je zelf de meerwaarde van het doormaken van een rijk creatief proces.

Deze praktijkscholing focust op beeldende kunst en geeft een helder theoretisch kader waarbij nieuwe inzichten uit de vakliteratuur en atelierpraktijk aan bod komen. Cursisten worden uitgenodigd om gebruik te maken van elkaars expertise en samen te werken aan plannen voor de eigen beroepspraktijk.

Voor wie?

De cursus is bedoeld voor leerkrachten en beleidsmakers in het basisonderwijs en de kinderopvang, afgestudeerde kunstvakdocenten, BIK’ers, PABO-docenten en andere professionals die werken met kunsteducatie en kinderen.

Door wie?

De cursus wordt gegeven door Sabine Plamper en mijzelf.

Sabine Plamper (1972) is cultuurpedagoge en (mede)auteur van het boek Begrijpen met je handen, een andere kijk op kind en creativiteit. Ze heeft ruim vijftien jaar ervaring met het werken met kinderen in ateliers en geeft trainingen en lezingen op het gebied van kind en creativiteit.

Hanneke Saaltink (1961) is beeldend kunstenaar, leerkracht in het primair onderwijs en blogger over kunst en onderwijs. Sinds 2007 zet zij kunsteducatieve projecten op. In 2011 haalde zij haar master Kunsteducatie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Wil je meer weten of je inschrijven? Klik hier voor de digitale flyer: AHK-MK-Nascholing-def-druk

Ook samen leven moet je oefenen

IMG_5934

Bijna terloops komt hij me het bloemetje brengen dat hij plukte aan de rand van het schoolplein. ‘Voor jou, juf.’ En natuurlijk zeg ik hoe blij ik er mee ben. Dat is leuk en hij plukt er nog een paar. De nieuwe bloemetjes legt hij rond het met krijt getekende hart voor mijn voeten. Raijv, net op school en altijd bereid om te doen wat Jelle doet, komt helpen. Een tijdje werken de jongens als galante prinsen door, genietend van de complimentjes die ze krijgen. Dan wordt het hart weggeveegd door springende en rennende voetjes, worden de bloemetjes weggevaagd door rijdende karren en net zo snel weer vergeten. Maar even ervoeren de jongens weer hoe het is om aardig te zijn en lief gevonden te worden. Dat hoeven ze niet te leren, dat gaat helemaal vanzelf. Er is alleen maar iemand nodig die het opmerkt en er blij mee is. En toch; als er woorden aan gegeven worden moeten we het er steeds opnieuw over hebben wat die woorden ook al weer betekenen. Het is de eerste van de acht gouden regels die we samen maakten: –We zijn lief voor elkaar-  Dat is troosten als iemand pijn heeft, weten ze. En zeggen dat een ander mee mag spelen. Maar ze kunnen vooral vertellen wat niet lief is. Schoppen en slaan bijvoorbeeld en iets afpakken waar je heel graag mee wil spelen. En wat is het moeilijk om je daar aan te houden.

We zijn lief voor elkaar

We zijn lief voor elkaar

De vier jarige Nick is, net als Raijv, nieuw op school. Overweldigd door alles wat er op hem af komt kiest hij vaak voor de directe aanval. Overal om hem heen blijken jongetjes te zijn die zeggen dat ze sterker, ouder of groter zijn dan hij. Dat kan hij niet zomaar laten gebeuren. En als hij voor de klapdeuren moet wachten tot hij naar de overblijf gaat, slaat en schopt hij wild om zich heen. De leerkracht van groep 3 probeert in te grijpen maar dat maakt weinig indruk. Met een worstelend en grommend jongetje komt ze mijn lokaal binnen. Ik vraag wat er gebeurde. ‘Ze denken dat ze groter zijn maar dat is niet zo!’ zegt hij tussen woeste snikken door. ‘En toen liet je zien hoe sterk jij was? Weet je nog wat de afspraak was?’ Ja, hij weet wel dat hij niet mag slaan maar zij zeggen dat. En hij wil dat gewoon niet. Ik zucht, ‘dan hebben we wel een probleem’. Een beetje verbaasd kijkt hij me aan. ‘Oh, wat dan?’ ‘Nou ja’, zeg ik, ‘nu zitten wij hier en alle anderen eten fijn samen een broodje. Maar bij de overblijf mag je niet slaan, ook niet als kinderen iets doen wat jij niet leuk vindt, dus daar kun je niet heen.’ Even kijkt hij voor zich uit. ‘… maar ik wil ook naar de overblijf’. ‘Ja maar als kinderen nou iets tegen je zeggen wat niet leuk is?’ ‘Dan ga ik het tegen jou zeggen’. Ik ben er tijdens het overblijven niet bij maar samen vertellen we de overblijfjuf van zijn voornemen en nog nasnikkend eet hij zijn broodje tussen alle anderen.

Nick is niet het enige stoere, sterke, grote jongetje dat zijn plekje moet vinden in de klas. Dit jaar heb ik een heel clubje vooral 4 jarige ‘stuiterballetjes’ die voortdurend de strijd met elkaar aangaan. Dat gebeurt buiten op het plein, binnen tijdens het spelen en werken en ook in de drama-lessen die ik samen met de vakdocent Joke de Heer geef. In het speellokaal spelen we tijdens die drama-lessen verhalen van de kinderen uit. De laatste les heb ik de leiding en volgt Joke van de zijlijn wat er gebeurt. Langzamerhand is er bij de kinderen een ‘vlucht-vecht-vang’ stramien ontstaan in de verhalen. Eigenlijk wil ik daar wel vanaf. Als Nienke graag een verhaal wil dicteren hoop ik dat ze als meisje een andere input zal geven. Ze gaat er eens goed voor zitten. Maar al gauw wordt ook hier gevochten, gebeukt en laten de dieren zien hoe sterk ze wel niet zijn:

De ezel lag te slapen. Toen kwam er een eend voor de deur. En een muis voor de deur. En toen deed de ezel de deur open. En toen schrok hij zich een hoedje. Het was geen aardige eend en het was geen aardige muis. Ze keken boos. Vet boos. Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze. Toen kwam er een eekhoorntje aan. En Raai de Kraai die boven ons daar in het nest zit. Toen was Raai de Kraai boos. Hij ging ze allebei in elkaar beuken en toen waren ze dood. Toen kwamen alle dieren: de ezel, het eekhoorntje, Raai de Kraai en het varkentje natuurlijk. Ze gingen een feestje vieren. Een heel grappig feestje natuurlijk. Een beetje gek doen, zoals je tong uitsteken. En ezeltje bleef nog lang gelukkig omdat hij nog heel springerig is. En hij bleef nog heel lang levend. 

In de klas spelen we het verhaal eerst uit in de kring. We bespreken hoe je dat doet: doen alsof je iemand in elkaar beukt. ‘Nepvechten’ noemen de kinderen het. En dat is nog best moeilijk in de vuur van het spel. In het speellokaal vraag ik, zonder erbij na te denken, 3 meisjes om te laten zien hoe je ‘nepvecht’ zonder elkaar pijn te doen. ‘Mooi’ zegt Joke, ‘maar nu wil ik wel eens zien of ook sterke, stoere jongens dat kunnen’. Dat is moeilijker. Vooral Jonathan laat zich niet zomaar dood beuken en loopt zo hard rondjes dat Nick, als Raai de Kraai, hem alleen met heel veel moeite een heel klein tikje kan geven. Toch ben ik al lang blij dat de jongens niet met elkaar op de vuist gaan en geef ze daarvoor een complimentje. Maar Joke is minder tevreden. ‘Zagen jullie verschil tussen hoe de meisjes het speelden en de jongens?’ vraagt ze de kinderen. Ja, ze kunnen meteen en goed het verschil aangeven. ‘Ja maar ….’ legt Jonathan uit, ‘ik ben gewoon veel sneller en sterker dan Nick’. ‘Dat maakt helemaal niet uit’, antwoordt Joke. ‘Jij bent de eend en in het verhaal is Raai de Kraaier sterker’. Jonathan moet er even over nadenken, het is een hele openbaring. ‘En ik wil het niet zo’, vult Nienke aan. ‘En het is mijn verhaal’.

Ze waren boos. Vet boos.

Ze waren boos. Vet boos.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

Omdat ze hem in elkaar kunnen beuken zowat, zo sterk zijn ze.

 

 

 

 

 

 

 

..

En toen waren ze dood.

En toen waren ze dood.

..

In het speellokaal creëren we verschillende plekken waar de kinderen in kleine groepjes het verhaal uitspelen. De volgende dagen merk ik dat ze buiten veel meer en gevarieerder rollenspel spelen waaraan zowel jongens als meisjes en oudste als jongste kleuters meedoen. Het ‘nepvechten’ wordt een begrip onder de kinderen. Niet dat het altijd goed gaat. Soms gaat het zo vaak mis en komen er zoveel huilende, boze, woeste kinderen bij me dat ik al het vechten en stoeien verbied. Toch denk ik dan weer aan Joke’s opmerking dat je moet laten zien hoe je het hebben wilt. Als Iza na het buitenspelen huilend in de kring zit omdat ze van de glijbaan geduwd werd spelen we de hele situatie uit. Twee jongens renden lekker hard de glijbaan op, gleden naar beneden en dan weer opnieuw en opnieuw. Totdat daar ineens een meisje heel rustig boven op de glijbaan een beetje om zich heen zat te kijken. Toen duwden de jongens haar zonder na te denken opzij en vervolgden hun weg. Ze moeten allemaal lachen als ik dat samen met Iza naspeel. En weten ook best hoe je dat anders kunt doen. Nick laat het zien. Zachtjes tikt hij op de schouder van Iza. ‘Kan je even opzij?’ Met veel plezier oefenen we dat met steeds andere kinderen.

En dat oefenen blijven we doen, ieder dag opnieuw. Ik net zo goed als de kinderen. Soms kijk ik met plezier hoe fijn Nick samen met de timide Raijv met de knex aan het bouwen is. Het volgende moment staat Raijv in tranen bij me, Nick er boos naast. Hij heeft geslagen en de knex-auto van Raijv kapot gemaakt. ‘Hoe kwam dat nou?’ vraag ik. ‘Ik ….., hij ….., hij is …..’ Dan ineens wat bedachtzamer: ‘Hij is …. verlegen. En dat vind ik niet leuk.’ Het blijkt dat Raijv dan wel verlegen is maar toch een hele mooie auto kon maken. ‘Misschien was je jaloers op die mooie auto van Raijv?’ Met z’n drieën maken we nog precies zo’n auto. En de jongens spelen verder. Ze hebben woorden gegeven aan ingewikkelde gevoelens en een probleem opgelost. En ook ik heb weer wat geleerd over de binnenwereld van 4 jarige jongetjes.

Wat is dat eigenlijk: vrij spel?

 

Magisch is het, iedere keer weer. Jonge kinderen die opgaan in hun spel. Het is alsof je even een glimp opvangt van dat wat anders altijd verborgen blijft. Een paar net vierjarigen bijvoorbeeld. Het ene moment zie ik twee schuchtere meisjes. Er komt geen woord over hun lippen, met gebogen hoofd staan ze de chaotische wirwar van kinderen te bekijken, alsof ze vastgeplakt zijn aan de vloer, daar waar ze toevallig zijn achter gelaten door een bezorgde ouder. Dan komt Camillo langs. Hij heeft een vergrootglas gevonden en al van ver roept hij dat hij de politie is en dat hij de boeven gaat zoeken. Als bij toverslag verandert alles. De drie, die elkaar kennen van de peuterspeelzaal, duiken onder de tafel en turen door het vergrootglas. Ze lachen en fluisteren samen. Roepen naar elkaar: ‘daar is de boef, ik heb ‘m!’ Een paar minuten later zijn het poesjes geworden die luid miauwend rond kruipen. Alle schuchterheid is verdwenen. Ook de meisjes weten precies wat ze willen. Ze blijken heel veel taal tot hun beschikking te hebben. Ze stralen, alledrie. Ze spelen een rol en in de rol kunnen ze ineens veel meer, alles eigenlijk.

Of Nadia, nu in groep 3, die tussen de middag met haar vriendinnen vaak nog even langskomt. ‘Weet je dat ik heel hard kan rennen’, vertelt ze. ‘Want ik ben aan het oefenen om te vliegen, ik kom al een beetje van de grond.’ ‘Goh’, ik ben onder de indruk. ‘En hoe hoog wil je dan vliegen?’ Niet zo’n beetje zweven, dat wil ze niet. Ze wil echt vliegen in de lucht. Later als we samen buiten zijn op het schoolplein laat ze me zien hoe hard ze kan. Ze geeft zich helemaal. Haar witte staartjes strak naar achteren. Haar benen gooit ze naar voren en ze schieten onder haar door. Ik zeg haar hoe hard het ging. Dat het bijna leek of ze zweefde. Maar ze is niet tevreden. ‘Ik denk dat ik wel heel lang moet oefenen. Want ik wil echt boven de wolken vliegen.’ Ze zucht. Marieke heeft staan kijken en luisteren. ‘Of naar de planeten, dat kan ook, boven de planeten vliegen’, vult ze enthousiast aan. Marieke is 2 maanden geleden bij ons in de klas gekomen en als we buiten spelen is ze meestal een paard. Ze briest, proest en hinnikt als een paard, ze rilt, beweegt met zachte schokjes haar paardenhoofd en praat over zichzelf als het paard waar Marieke af en toe op mag rijden. Ze doet dat zo levensecht dat al verschillende collega’s mij vroegen of ik me geen zorgen maak. Als we naar binnen gaan vraagt ze me of het paard ook mee mag. Ik zeg dat het binnen niet zo leuk is voor paarden en dat ze daarom maar gewoon als Marieke naar binnen moet. ‘Wat een goed idee, juf!’ antwoordt ze meteen. Ze blijkt dus heel goed het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid te kunnen maken en ik maak me geen zorgen.

In de documentaire Alphabeth stelt Erwin Wagenhofer dat verbeelding een unieke menselijke kwaliteit is. Maar dat het onderwijs deze kwaliteit systematisch vernietigt. Een prikkelende stelling. En ik denk weer aan de drie jonge kinderen bij mij in de klas die met een vergrootglas onder tafels doorkropen op zoek naar de boef. En aan de energie, de betrokkenheid en de verbeeldingskracht waarmee ze dat deden. Toch dirigeer ook ik dat spel naar de huishoek, het poppenhuis of de bouwhoek. Gesprekjes over hoe hoog je zou kunnen vliegen vinden plaats in verloren momenten. En het paardenspel komt alleen echt tot ontwikkeling als we even niet doelgericht aan het leren zijn. Ik baken het af in tijd en ruimte.

Maar als onze drama-docent voorstelt om, geïnspireerd door de ideeën van Vivian Gussin en Jente Baeyens,  verhalen van de kinderen te verzamelen en uit te spelen ben ik meteen enthousiast. We werken rond het thema -thuis- en de eerste les laten we de kinderen in het speellokaal huizen bouwen. Er ontstaan huizen met zolders en kelders. Kleine huizen onder doeken of wijde open huizen op matten en sommige huizen worden een soort vergaarbak van spullen. De kinderen slapen en eten in de huizen, Jort heeft een plek gemaakt voor zijn woeste krokodillen waar hij omzichtig overheen moet springen en alleen hij kan de krokodillen voeren. Ik maak foto’s van de verschillende bouwwerken en vraag de kinderen later in de kring wat er zou kunnen gebeuren in hun huizen. En dan gaat het mis. Ze willen allemaal graag vertellen maar komen niet verder dan een opsomming van de kinderen die meededen of hoe ze het huis maakten. Ik zie vragende blikken -wat bedoel ik toch?- Als ik voorstel om er een verhaal van te maken dat bijvoorbeeld begint met ‘er was eens …’, bedenkt Lore de formulering ‘het was een verhaal en het was echt..’  …. en dan stopt het. Heel anders dan vorig jaar toen ik de verhalen die de kinderen dicteerde opschreef en het gevoel had dat ik een onuitputtelijke bron aanboorde. Dus de week daarop begin ik opnieuw. Zonder foto’s, zonder commentaar, alleen met de vraag wie er een idee heeft voor een verhaal. Heel veel vingers gaan de lucht in. Lore begint. Ze denkt even na, kijkt als het ware naar binnen. En terwijl de anderen geconcentreerd luisteren en ik alles opschrijf, maakt Lore haar verhaal.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht. En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.  Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’  En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.  De beer en de kat renden voor altijd weg.

Er was eens op een dag …..: zat een muis te slapen en voor zijn deur zat de beer. En hij was slecht. En er zat ook nog daarnaast een kat erbij. De kat was ook slecht.
En toen deed muis de deur open. En toen ging muis heel snel wegrennen en toen gingen de beer en de kat erachteraan.
Z’n vriendje, een konijn, zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘Er komt een beer achter mij aan en een kat!’
En de uil zei: ‘Waarom ren je nou weg?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’ ‘Wat zeg je?’ ‘De beer en de poes komen achter mij aan!’
Ze gingen snel in konijns holletje en de uil vloog naar boven.
De beer en de kat renden voor altijd weg.

.

Het is mooi om te zien hoe allerlei verhalen en gebeurtenissen in de klas een plek vinden in het verhaal. In de klas staat een verteltafel van het verhaal ‘Kleine muis zoekt een huis’ waarin de muis ook hard wegloopt voor de beer. De volgende verhalen borduren voort op hetzelfde thema. Steeds is er een dier dat ligt te slapen in zijn huis en dan staat er voor zijn deur een slecht of gevaarlijk beest waaraan hij nog maar net kan ontsnappen. Josse gebruikt in zijn verhaal het idee dat een beer nooit in een konijnenhol past (zoals in het verhaal van Kleine muis). Ik vind het bijzonder om uit de mond van de kinderen te horen hoe zij de activiteiten in de klas eigenlijk beleven. En het is opvallend hoe betrokken ze zijn bij elkaars verhalen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond. Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.  De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend.  En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien. Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

Er was eens een konijn. En de beer stond voor de deur van het konijn. Het konijn woonde in een holletje onder de grond.
Het konijn kwam uit zijn holletje en de beer rende er achteraan omdat de beer het konijn wou pakken. Maar het konijn was veel sneller dan de beer. Hij ging naar de eikenboom want daar had hij een holletje gezien waar hij precies in paste. De beer paste er niet in want hij was veel dikker.
De beer struikelde over een grote steen en hij viel in de bramen waar scherpe punten bij zaten, omdat die punten de bramen konden beschermen, de beer viel er recht in. Toen hij er recht in was gevallen kon hij er bijna niet uit. Toen hij er toch uit was zag hij dat het konijn was weggerend. En toen struikelde de beer weer over een tak die hij niet had gezien.
Het konijn was op het nippertje in zijn holletje. En het verhaal was afgelopen.

.

Dat jonge kinderen zich ontwikkelen en leren door spel is een wijdverbreide gedachte. Toch vonden Lillard e.a. (2012) weinig bewijs dat (verbeeldend)spel invloed heeft op de ontwikkeling en het leren van kinderen in de onderzoeken die de afgelopen 50 jaar zijn gedaan. In een commentaar op Lillard e.a. vraagt Doris Bergen (2013) zich echter af of wat door onderzoekers (of leerkrachten) spel wordt genoemd niet vaak ‘speels werk’ is. Een leuke speelse introductie, het spel in de huishoek waarbij de leerkracht meespeelt en terloops allerlei reken en schrijfvaardigheden introduceert, de door leerkrachten ingerichte speelhoeken die bepaald spel moeten uitlokken. Het is heel herkenbaar. Echt vrij spel, wat is dat eigenlijk? Gebeurt dat niet heel vaak buiten het zicht van volwassenen? En, vraagt Bergen zich af, wat is eigenlijk de invloed van (verbale)instructie op het tot ontwikkeling komen van vrij spel? Zou onderzoek niet moeten proberen door te dringen in authentieke voorbeelden van verbeeldend spel?  Zonder daarbij te kijken of het al of niet academische vaardigheden bevordert.

In ieder geval lijkt het uitspelen van de door de kinderen gedicteerde verhalen een krachtig middel om dat wat bij de kinderen leeft zichtbaar te maken. Zeker als dat zonder uitgebreide verbale instructie gebeurt waarmee je allerlei bedoelingen hebt. Het geeft mij als leerkracht een inkijkje in de belevingswereld van de kinderen. En ook de kinderen worden op een intensieve manier deelgenoot van elkaars verhalen. Bovendien zie ik tijdens het vertellen en uitspelen veel taal, sociaal/emotionele ontwikkeling, inlevingsvermogen en vooral plezier!