Blog

Spel is het werk van de kinderen

IMG_0750

Vivian Gussin Paley – A Child’s Work; the importance of fantasy play – “A richly detailed reminder of the enormously important role of imaginairy play”

 

.

De herkenbaarheid is hartverwarmend. Een zevenentachtig jaar oude kleuterjuf, aan de andere kant van de oceaan, vertelt waarom het zo belangrijk is dat kinderen spelen. Vertelt hoe kinderen superhelden en prinsessen worden, overstromingen het hoofd bieden, branden blussen, drankjes brouwen, baby’s redden en spelen dat ze wilde dieren, poesjes en slechteriken zijn of vogels die rond het nest vliegen en een fonkelende boom zien. Maar vooral beargumenteert deze nieuwsgierige en onderzoekende leerkracht waarom verbeeldend spel de lijm is die alle activiteiten in een groep 1/2 samenbindt, inclusief de activiteiten die kinderen voorbereidt op lezen, schrijven en rekenen. Het is aan de ene kant geruststellend te lezen dat kleuters 60 jaar geleden eigenlijk hetzelfde spel speelden als nu. Dat ook 30 jaar eerder een leerkracht die begreep dat ‘play is the work of children’ toch haar geduld kon verliezen als dat spel te heldhaftig en heroïsch werd. De theorie is mooi en inspirerend, de praktijk soms luid, rommelig en onvoorspelbaar. Maar het is ook verontrustend om te lezen hoe het spel zijn vanzelfsprekende plek in het leven van jonge kinderen verloor. Vivian Paley beschrijft hoe ergens halverwege de jaren ’80 steeds vaker geprobeerd werd het spel van kinderen te transformeren in door leerkrachten bedachte projecten en leeractiviteiten, in de illusie dat de spelers het verschil niet op zouden merken. Zelden werden daarbij thema’s uit het spel van de kinderen geleend. Toch bleven de kinderen hun verhalen uitspelen. Veel leerkrachten zagen hoe de kinderen leerden van spel en het evenwicht tussen de bedoelingen van de leerkrachten en de ideeën van de kinderen bleef bestaan.  Totdat steeds vaker brokken met letters en cijfers van de naburige ‘first-grade territory’ de kleuterklas in kwamen rollen. Lesjes, toetsen en testen verdrongen het spel van zijn centrale plek. De kleuterleerkrachten hadden weinig verweer tegen zoveel goed geïnformeerde en onderbouwde tegenstand. En eind jaren ’90 was spel een bedreigde activiteit geworden.

Herkenbaar?

.

Ik heb twee lange weken vakantie en voor het eerst in tijden betekent dat echt even niets doen. Mijn klas, het geven van een cursus, het aanvragen van subsidie, het bedenken van nieuwe projecten of onderzoek; alle deadlines zijn voor nu gehaald of voorbij. En ik kijk vanaf de bank naar donkere wolken of grijze luchten, fiets door jubelend groene weilanden en langs bermen waarin de bloeiende grassen vol verwachting uit hun schulp kruipen. Ik lees en praat en denk en kijk en zoek. En langzaam verbinden de ervaringen van de afgelopen tijd zich met elkaar. Ik ben als een stoofpotje waarin alles gezellig ligt te sudderen. De theorie van Cultuur in de Spiegel bijvoorbeeld en het idee dat kinderen van 5, 6 jaar een sterke voorkeur hebben voor de ‘culturele vaardigheid -verbeelden-‘ en dat ze ‘denken met dingen’, dat ze denken terwijl ze handelen met iets concreets dat je kunt zien en horen en dat ze betekenis geven. Dat een verhaal is, eigenlijk. En hoe dat zich verhoudt tot de gerichtheid in onze cultuur (en dus ook het onderwijs) op het denken in concepten. Ik herinner me de verhalen van de kinderen in mijn klas, die ze dicteerden de afgelopen weken en die we daarna uitspeelden. De verhalen van de jongens waarin wilde en gevaarlijke dieren met allerlei bijzondere krachten uit hun kooien ontsnapten naar het diepe bos en voorbij de grote, donkere bergen en die dan al of niet weer gevonden werden. En de verhalen van de meisjes over paleizen en koninginnen en prinsessen die lieve lammetjes, paardjes, kikkers of een prins vonden buiten in de tuin van het paleis. En ik lees over Learning Story’s; een manier van observeren en volgen van kinderen in de vorm van een verhaal.

Dat is ook wat Vivian Paley doet in haar boeken: verhalen vertellen. En die verhalen onderzoekt ze, ze bekijkt ze van alle kanten, deelt ze met collega’s en met de kinderen. Zo vertelt ze bijvoorbeeld hoe een groepje kleuters in de huishoek de verjaardag van Sneeuwwitje viert met een stoelendans. Alleen ….. ze doen het niet zoals het hoort. Iedere kind heeft zijn eigen stoel, al zingend lopen ze om de stoelen en als het liedje uit is gaan ze zitten. Zonder erbij na te denken begint ze de kinderen uit te leggen hoe je stoelendans eigenlijk moet spelen. Ietwat argwanend horen de kinderen haar aan, zíj spelen juist de ‘echte stoelendans’. Toch volgen ze schoorvoetend haar instructies op maar het plezier lijkt verdwenen. Paley heeft meteen spijt van haar ondoordachte ingrijpen. Als Sneeuwwitje degene zonder stoel blijkt te zijn en de kinderen verontwaardigd zeggen dat dat niet eerlijk is want het is tenslotte haar verjaardag, zet ze snel de stoelen terug en geeft de kinderen gelijk. Jonge kinderen spelen stoelendans op een heel andere manier dan oudere kinderen. In de eerste plaats moet het spel gespeeld worden in de vorm van een verhaal, in de tweede plaats moet niemand ooit zijn stoel verliezen. Later beschrijft ze deze gebeurtenis voor kinderen uit groep 4 (second-grade). ‘Saai,’ concludeert een jongen, ‘het doen zoals het hoort is niet moeilijk, toch? Soms verlies je, soms win je.’ ‘Ja, voor ons,’ reageert een meisje, ‘maar niet voor kleine kinderen. Mijn kleine broertje …., we doen dingen altijd anders met hem zodat hij niet denkt dat er iets ergs gebeurt. Zoals wanneer hij moe is en we moeten ergens naartoe lopen, dan zeggen we hem dat hij moet doen alsof hij een puppy is en wij met hem gaan wandelen. Dan is hij gelukkig.’ ‘Kijk,’ besluit ze, ‘je speelt met ze.’ Ook een stagiaire zegt dat doen alsof altijd beter werkt, het is het meest interessante dat ze leerde in een kleuterklas: ‘als ik wil dat de kinderen luisteren zeg ik gewoon dat we gaan doen alsof we gaan opruimen of dat we gaan doen alsof we de mooiste en stilste rij maakten die er ooit was.’ En op de opmerking van een ouder dat de kinderen toch moeten leren om het gewoon uit zichzelf te doen, dat je de kinderen zo niet serieus neemt, antwoordt ze dat het juist op het tegenovergestelde gestelde lijkt. ‘Het voelt alsof ik de kinderen veel meer respecteer, ik houd rekening met hoe zij denken en voelen.’ Ook Vygotsky beweert dat jonge kinderen op een hoger ontwikkelings- niveau functioneren als ze spelen. Als ze zich voorstellen dat ze iemand anders zijn. Zoals de twee zusjes die samen op straat lopen en zeggen; ‘zullen we doen dat we twee zusjes zijn en dat we samen gingen wandelen?’ En je kunt je afvragen wat het met kinderen doet als we willen dat ze leren en ontwikkelen door ze van te voren zeggen wat ze gaan leren, ze instructie te geven, te laten oefenen en ze weer te vragen of ze nu weten en kunnen wat jij wilde dat ze zouden weten en kunnen. Hoe sluiten ‘opbrengstgericht werken’ en ‘Actieve’, ‘Directe’, ‘Interactieve’, ‘Gedifferentieerde’ of zelfs ‘Expliciete’ Instructiemodellen aan bij de verbeeldende en speelse manier waarop jonge kinderen zich ontwikkelen?

.

 

Nu is het niet zo dat Vivian Paley er voor pleit om kinderen maar gewoon te laten spelen. Of om te wachten totdat ze in de volgende fase zijn en wel instructie gestuurd kunnen leren. We zouden zoveel kansen laten liggen. Kinderen die verbeeldend spel spelen, spelen met ideeën. Ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, wie ze zelf zijn en wie hun vriendjes zijn. En ze willen niets liever dan ons deelgenoot maken. Paley ontwikkelde de werkwijze Story Acting & Telling waarbij de kinderen hun verhaal aan de leerkracht dicteren en later met de hele groep het voorgelezen verhaal uitspelen. Het geeft de leerkracht veel nieuwe mogelijkheden voor begeleiding. De laatste weken voor de vakantie starte ik weer met het vertellen en spelen van verhalen. En het is prachtig! Verschillende kinderen vragen al bij binnenkomst of zij vandaag aan de beurt zijn. Iedereen zit op het puntje van zijn stoel, ik net zo goed als de kinderen. Dit is een ernstig spel. Het neemt de eigen interesses, de kennis en vaardigheden van de kinderen serieus.  Een leerkracht uit Boston betoogt hoe het vertellen en spelen van verhalen een brug kan slaan tussen de taal van jonge kinderen, die concreet is en gericht is op het hier en nu, en de geschreven taal die abstract is en niet vanzelf intonatie bevat; je kunt een tekst niet voelen, pakken of ruiken. Kinderen met goede ‘verhalende’ vaardigheden leren beter lezen en schrijven. En doordat de woorden die de kinderen in hun verhalen gebruiken direct betekenis hebben  ontwikkelt de woordenschat. Niet zelden vragen kinderen zelf om de betekenis van woorden. Bovendien  is het goed voor de sociale en emotionele ontwikkeling. En is dat niet waar voor- en vroeg-schoolse educatie vooral over gaat? Het vertellen en uitspelen van verhalen is een activiteit met een open einde. Ook de leerkracht in Boston ziet een enorme opbloeiende creativiteit.

Aarzelend piept de zon door de wolken. Het laat al het jonge groen voor mijn raam glanzen en schitteren. Ik heb zin om de verhalen van de kinderen te horen volgende week. En neem mij voor om weer vaker te schrijven over wat al die ideeën van mijn kleuters zouden kunnen betekenen.

.

Lees ook: Ik was de gouden T-rex met de giftige tong! en vrij spel

Atelier in school

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Iedere groep bij ons op school werkt in ieder geval één keer in het jaar een periode in het atelier. Wat begon als het eenmalige kunst-educatieve project BOUWPLAATS is uitgegroeid tot een vast onderdeel van het lesprogramma. De ateliers zijn een soort laboratorium geworden waar de kinderen onderzoeken, experimenteren, waar ze zich verwonderen, samenwerken en hun eigen verhalen en ideeën vormgeven. Een aantal kunstenaars ondersteunen en begeleiden iedere keer weer de kinderen en de leerkrachten en hun manier van denken en werken worden voor iedereen steeds vertrouwder. Toch denk ik soms; wat doe ik mijn (overbelaste) leerkrachten aan om naast alles ook nog van ze te vragen in het atelier te werken met de kinderen. De leerkracht van groep 4 bijvoorbeeld, die zich met moeite staande houdt op haar wankele, net geopereerde, nieuwe knie. ‘s Ochtends vroeg vertelt ze me met enige paniek in haar stem dat de invalster aan haar had gevraagd of ze nog een keer in het atelier wilde werken met haar groep. ‘Maar ik weet niet wat ik met ze moet doen. Ze zei laat ze maar afmaken waar ze mee bezig zijn. Maar het ziet er niet uit. En het moet ook nog tentoongesteld worden ……..’

Tijdens de afsluiting van de kinderboeken-week; een ochtend met oudhollandse spelletjes, spurt ik even weg om koffie voor de ouders te halen. Vanuit een vrolijke, drukke, dynamische kleuterbende kom ik ineens in een oase van rust terecht. De leerkracht zit in een hoekje op een stoel te schrijven. Alle kinderen zijn bezig. Ik vraag hoe ze dat nou voor elkaar heeft gekregen. Tja, ze had gewoon gezegd; wie iets af wil maken mag het afmaken en anders begin je maar met wat nieuws. Verbaasd had ze gezien hoe binnen een paar minuten iedereen aan het werk was. ‘En nu zit ik dus al 3 kwartier de kinderen te observeren. Maaike die helemaal alleen super geconcentreerd zit te werken. Jonathan die iedereen helpt, alle problemen oplost en tussendoor ook nog complimentjes uitdeelt en daar dat groepje; ze overleggen, proberen iets uit, beginnen opnieuw en er valt geen onvertogen woord’. Ik kijk rond en zie een paar kinderen uit mijn oude groep 1/2. Jonathan die, met een grote lap stof als een mantel om zich heen, rustig kijkt hoe het project van zijn vrienden vordert, Maaike die nog net als toen precies weet wat ze wil en geconcentreerd plakt en knipt en bouwt, ze zijn tegelijkertijd nog precies hetzelfde als toen en toch zo gegroeid. Als ik samen met mijn collega sta te kijken voel ik me trots. Trots op de kinderen, trots op mijn collega’s die het vaak helemaal niet makkelijk vinden en trots op hoe we dit met elkaar toch steeds weer voor elkaar krijgen.

In januari begint weer de 4-daagse cursus Ook kunstenaars koken met water. Naast dat het heerlijk is om kennis en ervaring te delen, is het ook een plek waar ik zelf weer geïnspireerd vandaan kom. Bijvoorbeeld door het idee van een klein ‘postkaarten-projectje‘. Er zijn nog een enkele plekken vrij. Dus heb je tijd en zin om kunsteducatie in je eigen praktijk een nieuwe impuls te geven, schroom niet en meldt je aan.

Ik was de gouden T-rex met de giftige tong!

IMG_7167

Het verhalenboek van onze groep

.

Hij begint al te praten voordat hij zit. ‘De spelers van mijn verhaal zijn ….’, met zijn armen maakt hij vechtgebaren, zijn lijf wordt groot en sterk om dan ineens in een schijnbeweging onderuit te duiken. ‘…… het gaat over een gouden T-rex met een giftige tong. En over een superheld. En de derde speler is de cheeta. Ze gingen naar het bos toe om de mensen te redden van het vuur.’ Zo snel als ik kan probeer ik mee te schrijven. Af en toe om verduidelijking vragend terwijl ik tracht de woeste woordenstroom wat in te dammen en samen te vatten.

Dries en Thomas zijn vandaag aan de beurt om een verhaal te maken voor ons verhalenboek. Later die dag zullen we de verhalen in de kring uitspelen terwijl ik de gedicteerde tekst voorlees. De verteller verdeelt de rollen, het speelveld is de ruimte binnen de kring en met elkaar maken we afspraken over hoe en waar de plekken en de handelingen uit het verhaal uitgebeeld worden. De werkvorm is geïnspireerd op de werkwijze van de Amerikaanse onderwijzeres en onderzoeker Vivian Paley. Juist de duidelijke en eenvoudige vorm geeft de kinderen veel vrijheid. De betrokkenheid van de kinderen op elkaar is enorm. En het is iedere keer weer een klein wonder om zo vanzelfsprekend een inkijkje te krijgen in wat de kinderen bezighoudt, waarover ze fantaseren, waarvoor ze bang zijn en waar ze enthousiast van worden.

De gebeurtenissen in het verhaal van Dries buitelen over elkaar heen. Soms stopt hij met praten om een denkbeeldig ‘groot lichtzwaard’ te pakken, zich te verdedigen met een schild of te schieten met een kruisboog. Dan weer kijkt hij rond om alvast te kiezen wie er allemaal mee mogen spelen in zijn verhaal.

Na Dries is Thomas aan de beurt en bij hem gaat het heel anders. Rustig komt hij bij mij aan tafel zitten. Als ik vraag hoe zijn verhaal begint denkt hij lang na. ‘Ik weet het nog niet’. ‘Over wie gaat jouw verhaal?’ vraag ik na een tijdje. Dat weet hij wel meteen: ‘Het gaat over de cheeta, een panter, en een nachtluipaard. En ook nog over een tijger en een zebra en een paard. Ze waren in het wild in Afrika’. Dan stopt hij weer en met zijn blik schuin naar boven kijkt hij van me weg. Het wordt spannend, ook voor mij. Alsof hij ergens wel weet wat hij wil vertellen maar er niet helemaal zeker van is of het wel mag. Ik moet mijn vragen zo stellen dat het lijntje niet breekt en ik hem genoeg ruimte en vertrouwen geef om zijn eigen ideeën te volgen. Veel verhalen voor het boek gingen de afgelopen tijd over wilde dieren die ontsnapten uit de dierentuin. Steeds vaker werden die dieren niet meer gevonden en leefden ze verder in het oerwoud. Als Thomas heel lang stil blijft vraag ik voorzichtig of ze het fijn vinden in het wild. ‘Ja!’ En dan met snelle schichtige blik, ‘want dan konden ze dieren dood maken. Ze konden heel veel dieren doden.’ Op mijn vraag hoe dat dan ging praat hij iets rustiger verder: ‘Het was in de avond. Ze waren wakker geworden. En toen zagen ze een zebra.’ Hij vertelt hoe er een val gemaakt werd voor het paard en hoe de dieren zich in groepjes verdeelden om de zebra te vangen. Uiteindelijk worden zowel het paard als de zebra gevangen en opgegeten. Thomas zegt er meteen bij dat als we dat gaan spelen de kinderen elkaar niet aan moeten raken. ‘Je kan gewoon in de lucht happen … kijk zo …. dat je niks voelt’. Later in de kring zie ik met verbazing het groepje roofdieren, allemaal jongetjes die regelmatig moeite hebben hun eigen gedrag te begrenzen, voorzichtig om elkaar heen bewegen. Ze klauwen met gevaarlijke, scherpe poten in de lucht. Happen in het luchtledige en rennen zonder elkaar aan te raken; snel maar toch zachtjes, achter de prooien aan. Dat wat ze nog niet kunnen in het echt lukt wel in het spel. En dat spel is het spel van de hele groep geworden. Alle toeschouwers zitten ze op het puntje van hun stoel. Sommige kinderen grommen als een cheeta of maken de bewegingen van het nachtluipaard. Maar dan krijgt Mirte, het meisje dat de zebra speelt, het benauwd. Doodstil staat ze tussen de grommende roofdieren. Dan holt ze naar mij: ‘Juf, ik wil niet meer!’. Ik zet het spel stil en geef de roofdieren een compliment. Wat deden ze het voorzichtig en toch waren het zulke echte roofdieren dat Mirte er bang van is geworden. Meteen steken een aantal jongens hun vinger op; zij durven wel.

Als we het verhaal van Dries spelen vraag ik eerst wie hij zelf wil zijn. Hij is niet een van de superhelden, zoals ik verwacht had, maar degene die de baas van de bandieten ging halen. Het waren gemene bandieten die kanonnen afvuurden op de helden. ‘Toen ging de T-rex op de eerste bandiet tegen zijn schild aan met een pijl schieten en toen ging de bandiet dood. Toen kwam de baas van de bandieten en die had een groot lichtzwaard meegenomen en ze probeerden allebei te smijten maar dat lukte niet en bij het goede team wel.’ Nick, eerst opgetogen omdat hij de bandietenbaas mag zijn, valt stil. ‘Dus ik ga dood?’ Eerst denk ik dat hij het niet zal doen. Nick wil altijd winnen en de sterkste zijn. Maar dan zegt hij: ‘Oké’. Dries vindt dat het bos onder de tafel in de kring is. ‘Is dat wel handig?’ vraag ik hem. ‘Moeten al die bandieten en helden dan onder de tafel vechten?’ Na even te hebben nagedacht beaamt hij; ‘juf je hebt gelijk, het bos is overal in de hele kring’. Zo wordt ook het verhaal van Dries gespeeld. Volgens samen bedachte regels. Er wordt voorzichtig gevochten en Nick valt aan het eind dood neer en blijft bewegingsloos liggen. Terwijl we naar buiten lopen jubelt Gijs boven alles uit: ‘Ik was de gouden T-rex met de giftige tong!’

Zie ook Vrij spel.

Gezag

foto

.

‘Klopt het dat Jort met z’n rugzak op buiten loopt?’, vraagt de stagiaire.

Het is kwart voor negen in de ochtend. De laatste ouders zijn weg gedruppeld. Ik heb mij samen met Jack geïnstalleerd aan een tafeltje in een hoek van de klas om te kijken hoe het gesteld is met zijn leesvoorwaarden. De stagiaire ontvangt de kinderen met allerlei activiteiten die klaar liggen op de tafels maar nu zien we dus hoe Jort dwars over het grasveld naar de weg toe loopt. En dat is zeker niet de bedoeling.

Jort is een slim, nieuwsgierig jongetje. Hij was de eerste in mijn groep 2 die dit jaar 6 werd. Vorig jaar vond ik hem nog te speels en te weinig taakgericht om al naar groep 3 te gaan. Dit jaar stort hij zich vol overgave op allerlei kleine en grotere projecten waarbij hij mij vaak vertelt hoe hij het heeft aangepakt, wat hij heeft geleerd en wat hij verder nog voor plannen heeft. Maar het meest opvallend is Jort’s gevoel voor humor. Regelmatig schiet ik in de lag om zijn opmerkingen, zijn verhalen of om zijn spel. Soms is hij echter onstuitbaar. Dan moet ik voor hem gaan staan, hem even beetpakken, aankijken en zeggen dat hij nu echt moet stoppen. Altijd voel ik dan een moment van twijfel. Een klein stukje duizelig makend vacuüm. Wat als hij het niet doet? Wat als hij de grens die ik trek niet accepteert? Op welke gronden beslis ik eigenlijk dat dit nu te ver gaat? Maar altijd komen we even later weer in de samenwerkingsmodus.

Deze ochtend kwam Jort met gebogen hoofd binnen. Hij wilde niet naar school. Hing snikkend aan zijn moeder. Op mijn vraag of er iets was gebeurd hoorde ik niet meer dan dat hij niet naar school wilde. Gedachteloos trok ik de conclusie dat hij toe is aan groep 3. Moeder beaamde dit en niemand lette verder meer echt op Jort die met zijn armen over elkaar in een hoekje ging staan mokken. Later zie ik hem vanuit mijn ooghoek op de gang zijn vest aandoen, dat is niet vreemd, het is best koud vandaag. Maar daarna loopt hij dus op het grasveld. Mijn stagiaire rent naar buiten , terwijl ik mijn toets-papieren orden en kijk of het goed gaat met de rest van de klas. Als ze na vijf minuten nog niet terug is begin ik me zorgen te maken. Tien minuten later staan ze voor de inmiddels dichte schooldeur, een luid snikkend en schreeuwend kind tussen twee volwassenen; de stagiaire en een te hulp geschoten ouder. Ik moet hem naar binnen trekken, hij is één brok onwil en verzet. Verder dan de hal gaat hij niet. Aan de ene kant voelt het als een kind dat een spel speelt. Het spel van het verdrietige, boze jongetje dat onrecht is aangedaan. Aan de andere kant lijkt het ook te gaan over iets echts, maar wat dat echte dan is weet ik niet. Ik registreer het maar gun mezelf niet de tijd om het uit te zoeken. De toets-papieren liggen wanordelijk op tafel, Jack zit te wachten, er is een klas met kinderen die moeten gaan opruimen. Bovendien voelt het ook als een ondermijning van mijn gezag. De weliswaar nooit uit uitgesproken maar toch wel heel fundamentele afspraak is dat ik zorg dat de kinderen een bepaalde tijd op school zijn en zich niet zomaar aan mijn toezicht onttrekken. Ik zeg dat Jort moet vertellen wat er aan de hand is, dat we het dan kunnen oplossen, dat weglopen geen zin heeft en dat hij nu niet naar huis kan. Als ik voor de derde keer voorstel om maar even een slokje water te drinken zodat we daarna kunnen praten roept hij vertwijfeld uit: ‘ik wil geen slokje water en ik wil niet praten, ik wil naar mijn moe-oe-oe-der!!’ Dan kruipt hij in een hoekje naast de kast op de gang, vouwt zijn armen rond zijn benen en legt zijn hoofd tussen zijn knieën. Jort doet even niet meer mee.

Eigenlijk ben ik geïrriteerd. Ik had een plan voor deze ochtend, ik heb geen tijd voor onwillige jongetjes en geen zin in een machtsstrijd. Met een nauwelijks onderdrukte zucht zeg ik Jort dat ik zo bij hem kom. In de klas regel ik het zo dat ik even weg kan. Met mijn inmiddels lauw geworden kopje koffie loop ik de gang weer op.

Langslopende leerkrachten en leesouders werpen bezorgde blikken op het inmiddels weer aandoenlijk snikkende jongetje. Ik denk na over een strategie. -Nooit alleen praten met jonge kinderen-, herinner ik mij, -altijd ook iets doen-. Maar wat? Ik kijk naar het kopje koffie in mijn hand en begin hardop te praten. ‘Mijn koffie is koud, ik ga even kijken of er nog koffie is. Misschien kan ik wel nieuwe zetten. Ga je mee?’

Is het omdat ik eindelijk met mijn aandacht bij hem ben? Of is het omdat Jort gewoon op dit moment besloten heeft om uit het machtsspel te stappen? De metamorfose is zo compleet en zo onverwachts dat ik in de lach schiet. In een fractie van een seconde verandert het mokkende kind in het sociale, nieuwsgierige jongetje dat ik ken. Want koffie zetten dat kan hij heel goed. Dat doet hij weleens als hij ontbijt op bed maakt voor zijn vader en moeder. Dat is wel lastig want het mag eigenlijk niet en het moet dus heel zachtjes wat weer niet zo makkelijk is want eerst moeten de koffiebonen gemalen worden. Natuurlijk wil hij mee koffie zetten, dan kan hij laten zien hoe goed hij dat al kan. Gezellig pratend lopen we richting keuken. Misschien heb ik de eerste aanzet gedaan maar Jort heeft ervoor gezorgd dat we uit de machtsstrijd kwamen, uit het gebied waar gezag iets is wat een leerkracht heeft en waardoor kinderen luisteren, ongeacht wat er aan de hand is.

Als we later aan tafel zitten, ik met warme koffie en hij toch met een glaasje water en we samen de koek delen van een jarige leerkracht, vraag ik wat er toch aan de hand was vanochtend. Hij begint weer zacht te snikken. ‘Ik wilde naar huis, naar mijn moeder’. ‘Vind je het niet meer zo leuk in de klas?’, vraag ik. Maar dat is het niet. Zijn moeder moet vaak werken, veel vaker nog dan zijn vader. Daardoor is hij maar heel soms samen met haar. Zelfs het oefenen voor zijn C diploma doet hij met zijn vader. Dat komt door het werk van zijn moeder, ze moet vaak allerlei dingen opzoeken en dat dan weer op de computer opschrijven. Vandaag is zijn moeder thuis aan het werk. Dus kan hij eigenlijk best naar huis gaan en gezellig thuis spelen terwijl zijn moeder doorwerkt. Ik vraag of hij dat wel eens heeft verteld aan zijn moeder en vader. ‘Ja, wel een beetje maar het helpt niet zo erg omdat het ook niet kan.’ Ik stel voor om een brief te schrijven naar mama. Hij is meteen enthousiast. Er zit namelijk nog een uitnodiging in zijn zak met een envelop, die envelop heeft hij niet meer nodig dus die kan hij mooi gebruiken. Voor we naar buiten gaan schrijft hij in opperste concentratie de door hemzelf gedicteerde en door mij genoteerde woorden na: Lieve mama, ik wil wat vaker bij jou zijn. Van Jort. Eigenlijk zou hij willen dat de postbode nu meteen kwam om de brief onmiddellijk bij zijn moeder te bezorgen. Als ik uitleg dat het zo niet helemaal werkt accepteert hij dat vrijwel meteen. Misschien is dit ook gezag. Een vorm van gezag die niets met macht te maken heeft. Gezag die Jort mij geeft. Omdat ik beter weet hoe het werkt in de wereld en meer ervaring heb.

Aan het eind van de dag herinner ik hem nog even aan de envelop. Ik voeg daar aan toe dat hij niet meer zomaar naar huis moet gaan. Dat het een beetje gevaarlijk is als ik niet meer weet waar alle kinderen zijn. Maar dat is helemaal geen punt. Hij doet ook al zelf een boodschap en dan kan hij heel goed uitkijken bij het oversteken. Ik zeg hem dat ik dat niet wist, dat ik het ook niet van alle kinderen weet. En als hij zomaar naar huis gaat, dan doen de anderen het misschien ook. Hij denkt lang na. ‘Goed, ik zal dat niet meer doen.’

Moeder is ontroerd door de brief. Samen hebben ze naar oplossingen gezocht. Maar ze vertelt ook dat ze die ochtend waar de kinderen bij waren slecht nieuws kreeg over een vriendin. Het verdrietig snikkende kind van die ochtend krijgt dan toch weer een andere betekenis. Speelde hij het niet helemaal begrepen maar wel aangevoelde verdriet van zijn moeder uit?

Ook gezag begint misschien wel met kijken en luisteren.

Woensdagavond 15 juni is er in Driebergen weer een onderwijsavond van HetKind. Dit keer met Joop Berding en Wouter Pols: ‘Wie denk jij wel dat je bent?! Over het gezag van leraren’.

‘Ook kunstenaars koken met water.’

In april start voor de 2de keer de nascholingscursus ‘Ook kunstenaars koken met water’. Er zijn nog enkele plaatsen vrij.

Welke plek heeft kunst in een kinderleven? Wat kun je doen met meel, water of een oude mixer? Hoe begeleid je creatieve processen? Hoe wordt kunst en cultuur een volwaardig onderdeel van het onderwijs? In de vierdaagse nascholingscursus van de master Kunsteducatie zijn materiaalonderzoek, ervaringen en verhalen van kinderen het uitgangspunt voor het ontwikkelen van een inspirerende vorm van authentieke kunsteducatie die past binnen je eigen onderwijspraktijk.

Praktijk en theorie zullen elkaar afwisselen en versterken. Met opdrachten die je eigen creativiteit aanspreken ervaar je zelf de meerwaarde van het doormaken van een rijk creatief proces. Deze praktijkscholing focust op beeldende kunst en geeft een helder theoretisch kader waarbij nieuwe inzichten uit de vakliteratuur en atelierpraktijk aan bod komen. Cursisten worden uitgenodigd om gebruik te maken van elkaars expertise en samen te werken aan plannen voor de eigen beroepspraktijk.

Voor wie? De cursus is bedoeld voor leerkrachten en beleidsmakers in het basisonderwijs en de kinderopvang, afgestudeerde kunstvakdocenten, BIK’ers, PABO-docenten en andere professionals die werken met kunsteducatie en kinderen.

Door wie? De cursus wordt gegeven door Sabine Plamper, Titia Sprey en Hanneke Saaltink.

Bekijk voor meer informatie en inschrijving de brochure: Brochure 2016 AHK

All in the game

Ik wil niet een wedstrijd, of een beloning. Ik vind

het niet leuk dat ze zeggen: “Wie het het mooiste

heeft gemaakt krijgt iets”.

Nadine uit groep 4 over werken in het atelier.

.

Een wedstrijd; eigenlijk ontloop ik het meestal. Dat heeft vast veel te maken met winnen en verliezen. Meestal maakt het me niet zoveel uit of ik nou glorieus de eindstreep haal of al eerder uitgeschakeld word. Alleen verliest het spel dan al snel zijn betekenis. En die enkele keer dat ik me wel in de flow van de strijd laat zuigen blijkt het vaak net weer even anders te gaan dan ik in gedachte had. Dan hang ik als 3 jarige tijdens koninginnen-dag zo netjes mogelijk de was met 2 knijpers aan een lijntje maar dan blijkt het alleen te gaan om zo snel mogelijk je wasmandje leeg maken. Niet dat dat verliezen erg was, ik herinner me vooral de angstige, ongemakkelijke verbazing om al die lachende omstanders. En daarna won ik zo vaak een tekenwedstrijd, om niet begrepen redenen, dat ik het niet kon geloven toen ik die ene keer eens niet won en dacht dat mijn opgestuurde werkstuk vast was kwijtgeraakt.

Toch gleed ik deze zomer bijna ongemerkt in de ‘challenge’ van onze nieuwe school. Nooit bedacht om een school op te richten, helemaal niet bedacht om dat juist nu te doen en toch greep ik deze ‘kans’ met beide handen aan. Gaandeweg bleek de uitdaging toch ook een echte wedstrijd met afvalrondes, pitches en teams die alleen strategisch samenwerkten en de sterke punten van hun plannen voor elkaar verborgen hielden. Iedereen geloofde in de eigen plannen, iedereen wilde dat zijn school werkelijkheid zou worden en iedereen wilde winnen. Wij ook!

Afgelopen dinsdag hoorde we dat we niet tot de 4 initiatieven hoorden die doorgaan naar de ‘kraamkamer’. Jammer! Even overheerste de teleurstelling. Zo veel werk voor niets ….. Hadden we de spelregels weer niet goed begrepen? Hoe kon het dat niet gezien was hoe mooi ons plan was? En toch ….. Zonder deze wedstrijd hadden we nu geen uitgewerkt plan op tafel liggen. Hadden we niet met zoveel mensen gesproken. Hadden we niet zo ver doorgedacht over een atelier in het hart van het onderwijs. Het plan ligt er nu, er zijn contacten gemaakt, aspecten die nog meer aandacht behoeven worden helder; het schoolplan kan de komende tijd alleen maar beter worden.

Woensdag was de feestelijke bekendmaking van de winnaars. Ik moest werken maar Marike was erbij:

12628644_1269963396364067_5555509306473819730_o

Met wel een bos bloemen van de wethouder en een vermelding in het Parool (als 1 van de initiatieven die het net niet haalden), gaan we nu op eigen kracht verder met onze plannen voor Basisschool De Vrijplaats. Het plan is te mooi geworden om nu te stoppen. Iedereen die ons geholpen heeft en die ook droomt van een basisschool met een autonoom atelier voor alle kinderen: dank je wel voor je steun!
Citaat uit het advies rapport:
“De commissie is onder de indruk van de tijd die alle initiatiefnemers in het uitwerken van hun voorstellen hebben gestoken en de passie die in de voorstellen doorklinkt voor inspirerend en goed onderwijs”

Over De Vrijplaats: “Het plan biedt naar de mening van de adviescommissie een interessante invalshoek op (ander) onderwijs met de nadruk op kunst en cultuur en het centraal stellen van de ervaringen van de leerlingen om van te leren.” En…”de commissie vindt de duidelijke keuze voor kunst en cultuur in combinatie met Freinet en Reggio Emilia goed uitgewerkt”

Blijf ons volgen op onze Facebook-pagina en op website De Vrijplaats.

 

Begrijpen met je handen 2

DSC05345

 

.

Onze Nieuwe School is een zoektocht van de gemeente Amsterdam naar schoolmakers die de verwachte leerlingengroei in Amsterdam kunnen opvangen. Iedereen met een idee of plan voor een nieuwe school kon reageren. Met de kreet ‘Het atelier is het hart van de school’ lanceerde Marike Hoekstra haar plan op Facebook. En op zo’n school zou ik meteen willen werken. Een aantal verkiezingsronden en presentaties verder belandden we samen aan een tafel in het Springhouse  tijdens een zogenoemde ‘Incubator-dag’. Rond ons veel tekst met prachtige volzinnen. En toch bleef het vaag. Was dat allemaal niet van toepassing op heel veel scholen. Wat was er nu zo uniek aan ons idee? Het atelier is het hart van de school. Hoe zou dat er uitzien? Zou het een ruimte zijn die zich door het gebouw slingerde? We begonnen te tekenen. Nee. Wat als het zich echt in het hart van het gebouw zou bevinden? Een rond gebouw waar de lokalen omheen geplaatst werden. Al schetsend dachten we verder. Marike herinnerde zich een filmpje van een rond kinderdagverblijf in Japan. Als we van de lokalen nu eens kleine stamgroep-ruimtes maakten die weer uit zouden monden een werkplaats? Alles begon te stromen. Freinet, het autonome atelier, de werkwijze in de kindercentra uit Reggio Emilia; het kreeg ineens een heel vanzelfsprekende plek in de plattegrond van onze nieuwe school. We dachten al tekenend. We begrepen met onze handen.

Het idee dat jonge kinderen leren met hun hele lijf is algemeen aanvaard. Als ik mijn groep rondkijk zie ik weinig kinderen stil op een stoel zitten. Lisa maakt een puzzel maar doet tussendoor steeds een dansje en Olaf huppelt meteen mee. Bij Emilio had ik nog geen interesse in letters opgemerkt. Totdat de letter K centraal stond. Bij iedere letter leer ik de kinderen ook het bijbehorende gebaar. Die van de K is mooi duidelijk. Je duim tegen je keel en tijdens het uitspreken van de K klikken de vingers naar beneden. Al gebarend probeert hij uit welke woorden echt met de K beginnen. Al gauw nemen de andere kinderen het over. En ze blijven het doen, de hele dag door. Yindee weet niet zo goed welke woorden er bij het woordweb horen. Totdat ze kan tekenen. Eerst begint ze te schetsen en dan noemt ze het woord. En als Douwe oppert dat het apparaat dat juf meeheeft misschien wel een breimachine is, laat Emilio meteen al bewegend zien hoe dat dan werkt.

Ooit tijdens een kunsteducatief project bekeek ik met een groepje kinderen een aantal opgezette dieren. Het 7 jarig meisje op de foto’s hierboven was gefascineerd door de eend. Met haar handen taste ze steeds opnieuw het zachte lijf af. Heel voorzichtig want eigenlijk mochten de dieren niet worden aangeraakt. Ondertussen vertelde ze over het verschil tussen dode en levende en opgezette dieren. Want alhoewel de eend niet leefde, dood was ‘ie ook niet. Toen de kinderen daarna gingen kleien zag je hoe goed ze de vorm van de eend met haar handen begrepen had. En niet alleen de vorm maar ook haar eigen gevoel en haar gedachten over dood en leven.

Ook oudere kinderen leren door te maken, te bewegen en zingen of door te bouwen en tekenen. ‘Ik zou als je in de klas iets leert over Napoleon daar iets over willen maken. Bijvoorbeeld hoe ze toen er uitzagen. En wapens uit die tijd. Anders ga ik misschien gewoon pistooltjes maken en daar heb je niks aan,’ vertelt een jongen uit groep 8. En: ‘Als je gaat bouwen helpt dat met rekenen in de klas. Door het “puzzelen“ met de stukken hout weet je wat er bij elkaar hoort en als je dan later gaat rekenen in de klas zie je het voor je. Dan weet je precies: drie rode blokken en als die vier blauwe er bij zijn, dan heb ik zeven. En je leert meten en uitrekenen.’ ‘Ieder kind heeft zijn eigen manier van leren,’ vinden ze.

Sommige volwassenen doen het ook nog zo. De architect die voor ons een studio in de tuin ontwerpt, heeft altijd een schetsboekje bij zich. Al tekenend laat hij zien of hij onze wensen goed begrijpt. En ooit had ik een vriend waarmee ik voortdurend toneelstukjes opvoerde, we begrepen elkaar prima. Maar niet altijd is werken met je handen echt begrijpen. Tijdens deze vakantie vertelde mijn broer hoe hij mij ooit vroeg een voorkant voor zijn scriptie over de ‘doordringings-coëfficiënt van het grondwater’ te maken. ‘Want ja, ik was toch zo creatief, zat op de kunstacademie enzo …’ Het resultaat had niets te maken met zijn scriptie. Waarschijnlijk had ik me uitgeleefd in mooie lijntjes, belletjes en vlekjes. ‘Het was een complete chaos,’ herinnert hij zich. ‘Ik dacht; zo zien gewone mensen dat dus’. Hij zei het met iets van spijt, dat mensen niet de moeite namen zich echt te verdiepen in wat hem bezig hield. En wie weet wat het had opgeleverd als ik dat wel had gedaan.

Toch wordt een atelier in school vaak eerder geassocieerd met ‘mooie kunstwerkjes’ dan met ontdekken, onderzoeken of leren door te maken en te doen. En dat is nu juist wel onze opzet. In het atelier is ruimte voor onderzoek, experiment, nieuwsgierigheid en spel. Er is aandacht voor diversiteit, contextualiteit en multidisciplinariteit. Kinderen zullen er heel vanzelfsprekend de verbinding vinden met bijvoorbeeld techniek, beweging/dans, wetenschap, natuur, literatuur of drama. Het autonome atelier wordt zo een vrijplaats in de school en wellicht ook in de buurt.

Met het maken van een plattegrond waren we er natuurlijk nog lang niet. Maar het was wel een belangrijke stap in ons denken. Ook het schrijven en herschrijven, het praten en bevragen van experts en uiteindelijk het vormgeven van een website, scherpte het plan steeds verder aan. En nu is het plan voor onze nieuwe basisschool De Vrijplaats dus klaar en ingeleverd. En wachten wij met spanning af of we doorgaan naar ‘de kraamkamer’ om onze school werkelijkheid te laten worden.

Lees meer op onze website:

Basisschool De Vrijplaats

.

IMG_0406

 

Begrijpen met je handen

IMG_6738

..

Hij was 4 en speelde het liefst in de bouwhoek. Daar verzamelde hij zo veel mogelijk vrienden én blokken om zich heen om er vervolgens zo hoog mogelijke stapels van te maken. Zowel van de blokken als van de vrienden! Ook in de huishoek, met de duplo of het poppenhuis stapelde hij alle spullen die hij kon vinden op tot zo hoog mogelijk bergen. En natuurlijk eindigde dat regelmatig in een woeste stoeipartij. Daarom besloot ik de zandtafel te vullen met stenen en grind, nu mócht er gestapeld worden. Ik legde er grote en kleine PVC-buizen, koppelstukken, grote lepels en bakken bij. Toen voltrok zich een klein wondertje. Iedere dag weer veroverde hij zich een plekje aan deze stenentafel. Als een ware onderzoeker keek hij samen met zijn vriendjes hoe de stenen en het grind zich gedroegen in de buizen. Er werd geschept, gegoten, gestapeld en het gewicht werd geschat. Er werden machines gebouwd waar de stenen en het grind moeiteloos doorheen gleden. Nu was er geen tijd meer voor stoeipartijen of ruzietjes. De kinderen waren aan het werk, er moesten problemen worden opgelost, plannen gemaakt en conclusies getrokken.

Ook in het nieuwe schooljaar maken we een stenenbak. Er wordt opnieuw vol overgave in gespeeld. Je ziet de kinderen bijna denken met hun handen; met hun hele lijf. Kijken, doen, praten soms. Met hun volle aandacht onderzoeken ze wat materiaal kan en doet. ‘Hoe werkt het?’ ‘Waar komen de stenen vandaan? Waar gaan ze naartoe? En hoe kun je er invloed op uitoefenen?’ Al handelend en pratend wordt er ontzettend veel geleerd. Door de meisjes net zo goed als door de jongens. Dit leren heeft niet, zoals zo vaak in het onderwijs, als startpunt de taal. Ik heb de kinderen niet van te voren verteld wat ze vandaag gaan leren, ik vink geen leerdoelen af en heb niet precies geformuleerd welke kennis er ontwikkeld moet worden. Het is een leren dat is gegrond in waarneming en fysieke actie. We weten niet precies welke kant het op zal gaan en ik ben ervan overtuigd dat er ook een hoop gebeurt dat ik nooit zal weten. Gewoon omdat ik net mijn aandacht even op iets anders richtte. Wat ik wel zie is de enorme betrokkenheid en af en toe ben ik getuige van een nieuw inzicht dat doorbreekt.

Steeds vaker zie ik jonge kinderen die op school komen met een grote taalvaardigheid en een enorme woordenschat maar met heel weinig stuur over hun eigen lijf en bijna geen ervaringskennis. Ze kunnen prima vertellen wat evenwicht is maar wat ze moeten doen met een balansweegschaal weten ze niet. Moeiteloos sommen ze alle regels voor samenspelen op maar hoe je dat dan doet met je vriendjes? Geen idee. Een potlood vasthouden, knippen, plakken maar ook klimmen, rennen, vallen of spelen met een stokje in een regenplas ….. ze hebben het weinig of nooit gedaan. Het is of al die gekende woorden heel weinig inhoud hebben. Alsof al die begrippen leeg zijn. En juist deze kinderen hebben een enorme honger naar fysieke ervaringen. Ze willen alles voelen, beetpakken en onderzoeken. Ze willen stoeien, rennen, klimmen, sjouwen. En ze willen spelen. Ik denk dat daar tegenwoordig een belangrijke taak ligt voor het onderwijs aan (jonge) kinderen. We moeten een rijke omgeving creeëren waarin de kinderen veel  sensomotorische ervaringen kunnen opdoen, waar ze samen spelen, waar ze conflicten en problemen samen oplossen. Zo worden woorden en begrippen doorleefd en begrepen. De kinderen gaan begrijpen met hun handen. In de stenenbak bijvoorbeeld.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Een troosttekening

IMG_1624

.

Hoe ik om moest gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende, onderzoekende en creatieve kleutergroep met 20 jongens en 10 meisjes had ik al eens helemaal uitgedacht. Veel doen, weinig praten. Niet 3 kwartier zitten in de kring maar bewegen en spelen. En veel structuur, rituelen en routines.

Maar dan wordt alles ineens helemaal anders. Op zondagavond hoor ik dat een van onze collega’s die middag verongelukte in een klimhal. En ik kan het niet geloven. Zo’n energieke, jonge man vol plannen. Hij werkte nog maar een jaar bij ons op school. Verving een leerkracht die ook al plotseling overleed. Hij heeft een zoontje van 2, een net zwangere vriendin. Dat kan gewoon niet! Mijn lijf snapt echter veel eerder dan mijn vluchtende geest wat dit betekent. Het is alsof ik een baksteen heb opgegeten. Zwaar zinkt iets onverteerbaars naar beneden.

De volgende ochtend hoor ik Abe, net als andere ochtenden, al van ver zingend en roepend aan komen lopen terwijl hij naar iedereen grapjes maakt, want dat kan hij goed. Het voelt ineens misplaatst. Net stonden we hier nog koortsachtig met gedemte stem te praten. Wat was er gebeurt en hoe ging het nu verder? Hoe moest het met die groep 7 van hem? Hoe vertel je dit op een school met 450 kinderen, 800 ouders en 3 locaties? Ik leg een hand op de schouder van Abe. Maan hem wat zachter te praten. En hij voelt het aan. Rustig gaat hij naar binnen. Veel stiller dan anders kiest hij een activititeit en gaat aan het werk. Een vader zegt: ‘Nog niet helemaal wakker juf? Zwaar weekend gehad?’. Ik kom niet verder dan een flauwe glimlach. Dan begint de dag. De kinderen stromen binnen, gewoon net als anders. En ik denk dat ik doe wat ik anders ook altijd doe. Maar dat is niet zo. Vergeten is het -veel doen en weinig praten-. Als vanzelf volg ik mijn eigen voorkeuren. En dat is praten. Net iets langer in de kring zitten dan goed is. Niks oplossen met een knipoog of een grapje maar vragen of het stil kan zijn, zeggen dat de handen en voeten bij jezelf moeten zijn en blijven, eisen dat ze netjes in de rij staan, zonder geduw, zonder getrek en vooral stil! Het gevolg is onrust en ruzie. Mirte die voor het eerst in tranen uitbarst en zachtjes blijft herhalen dat ze bij haar moeder wil blijven. Emilio die als een dolle de klas rondrent en Kai die iedereen duwt en stompt. Niet allemaal, maar een aantal kinderen lijkt te voelen dat er iets anders is, dat ik anders ben. Ze weten niet wat en hoe maar ze reageren. Drie dagen later vraagt een moeder of ik iets meer kan vertellen over het incident. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Graaf diep in mijn geheugen maar kan niets vinden. ‘Ja’, zegt ze, ‘het was wel heel erg, je zag de tandjes in zijn schouder staan. Douwe zei dat hij wel 2 bekertjes water moest drinken voordat het over was’. En dan zie ik het weer voor me. In de deuropening staat mijn bouwcoördinator. Als ik naar haar toe loop komt Douwe hard huilend op mij toegerent, daarachter de beschaamde Nick. Met mijn aandacht al bij de bouwcördinator vraag ik wat er gebeurde. Er wordt sorry gezegd en getroost. Dat gebeurt al jaren met een glaasje water. Ondertussen hoor ik dat alle ouders van groep 7 zijn gewaarschuwd en naar school komen. Dat de kinderen horen wat er gebeurd is in het bijzijn van hun ouders. Dat de directeur daarna langs alle klassen van de betreffende locatie gaat. En dat alle andere ouders via de mail worden geïnformeerd. In die volgorde.

De begeleidster van de voorschoolse opvang roept het over de hoofden van de kinderen heen. ‘Kijk eens wat Abe meeheeft! Zo mooi!’ Ik buig voorover en krijg een tekening, zorgvuldig opgeborgen in een doorzichtig hoesje. Het is een troosttekening voor groep 7. ‘Mijn vader heeft verteld wat er met de meester is gebeurd. En toen heb ik een tekening gemaakt voor de kinderen van groep 7.’  Die kinderen zijn daar heel erg blij mee. ‘Ze wilden meteen naar jullie toe’ vertelt de leerkracht die deze dagen voor de groep staat. ‘Vooral toen ze lazen dat zijn zusje ook een tekening maakte. Want die wilden ze dan ook zien, natuurlijk.’

In de weken daarna herneemt het leven in de klas weer zijn gewone gang. Bijna als daarvoor. Niet helemaal. Op een of andere manier lijkt het alsof de wereld net een stukje verschoven is. Alsof ik niet meer helemaal weet hoe het moet. En als ik denk aan zijn kleine gezin, zijn familie en ook aan de collega’s die met hem in hetzelfde gebouw werkten, wordt het mij koud om het hart. Toch is er ook Abe’s troosttekening.

En deze herfstvakantie zet ik opnieuw op een rijtje hoe ik ook al weer om moet gaan met mijn lieve, woeste, ondernemende en creatieve donderstenen.

Het atelier is het hart van onze nieuwe school

atelier..

Twee maanden geleden zette Marike Hoekstra een berichtje op Facebook. ‘Het atelier is het hart van de school’. Amsterdam zocht schoolmakers en vroeg iedereen om mooie plannen te delen. Ik was meteen enthousiast. Stel je voor dat een atelier het hart van de school zou zijn. Een ruimte waarin kinderen op een andere manier kunnen leren en zich ontwikkelen. Waar ze kunnen spelen, ontdekken en de wereld onderzoeken. Waar plannen gemaakt worden, verhalen vertelt, gebouwd, gedanst en samen gewerkt. Een atelier waar de deur voor de kinderen altijd open staat. Waar kinderen op eigen initiatief met kunstenaars kunnen samenwerken en van elkaar kunnen leren. Wat een verrijking voor het onderwijs zou de voortdurende uitwisseling tussen de ateliersituatie en het werken in de klas kunnen zijn.

Marike Hoekstra, Tanja Kerkvliet en ik werkten het plan verder uit en zette het op de site van de ‘Nieuwe School’.   naast alle andere grote, kleine, slimme of bevlogen plannen. Deze week kan er gestemd worden. Wil jij ook dat ons initiatief werkelijkheid wordt, breng dan je stem uit op plan 41. En deel dit met zoveel mogelijk mensen.

Stem hier!

Niet alleen omdat je kinderen hebt die je graag in Amsterdam naar een fijne school zou laten gaan, of omdat je als leerkracht, kunstenaar of schoolleider zou willen werken op zo’n school. Maar gewoon omdat je goed (kunst)onderwijs een warm hart toedraagt en omdat deze school een inspiratiebron zou zijn voor heel veel andere scholen.