Maandelijks archief: april 2014

Wat willen we weten en meten in een kleuterklas?

Hij is dé grote initiator van uitgebreide bouwprojecten in de klas. Soms zie ik hem zitten en voor zich uit kijken. Dan denkt hij na. Zijn vrienden wachten geduldig af. Totdat hij opstaat en zijn plannen ontvouwt. Er worden vragen gesteld, er wordt uitleg gegeven, ieder voorstel van de vriendjes wordt gewikt en gewogen, dan verdelen de mannen de taken en gaan aan de slag. Eigenlijk doe ik niet veel meer dan af en toe materiaal, tijd en ruimte  bieden. Vorig jaar was het de vraag of Jort naar groep 3 zou gaan. In december zou hij 6 worden, dus het kon. De CITO-toetsen taal en rekenen deed hij niet slecht en ook met allerlei voorbereidende taal- en rekenen-activiteiten in de kleine kring had hij weinig moeite. Maar zodra het kon spurtte hij weg voor het ‘echte werk'; spelen en bouwen met zijn vrienden, die allemaal nog een jaar bleven omdat ze net 1 of 2 maanden later jarig waren. Nu zijn we blij dat we toen hebben besloten hem nog een jaar te laten ‘kleuteren’. Jort verdiept al spelend zijn kennis en vaardigheden, ook t.a.v. taal en rekenen,  hij geniet van iedere dag op school en bovendien inspireert hij met zijn enthousiaste plannen de anderen.

..

IMG_5532

IMG_5634

Een paar weken geleden lieten een paar kinderen hun Skylanders zien. Kleine poppetjes met indrukwekkende wapens en magische krachten. Zelfs de meisjes vonden ze leuk met al die kleurige attributen. Je bleek er ook op de WII mee te kunnen spelen. Ik kon me er niet zo goed een voorstelling van maken. De jongens legden uit dat je een bepaald poppetje op je WII kon zetten en er dan mee vechten. Ik begreep dat er in het spel verschillende landschappen bestaan, zoals vulkanen, rotsachtige bergen en woestijnen of oceanen waarin iedere Skylander weer zijn eigen speciale krachten kan benutten. Met elkaar besloten we dat we de poppetjes zouden fotograferen en de foto’s afdrukken (natekenen vonden de jongens teveel werk) en dan zouden ze de landschappen nabouwen zodat ik kon zien hoe dat er uitzag op de computer. Gek eigenlijk, dat ze er  zonder het te vragen vanuit gingen dat een WII op school natuurlijk niet kon. Als ik de betrokkenheid en creativiteit zie, is werken met computergames wel iets om over na te denken. Jort nam de leiding, selecteerde de poppetjes die gefotografeerd moesten worden, ik deed voor hoe ze de foto’s uit konden knippen en rechtop konden laten staan en samen bouwden ze met allerlei bouwmateriaal verschillende landschappen. Een week lang werd er aan gewerkt en mee gespeeld. Toen was het klaar en werden de fotokopieën verdeeld en mee naar huis genomen. Toch bleek het Skylander-thema nog niet uitgewoed. Dat had de toekijkende Jonathan sneller begrepen dan ik. Midden in de klas was op een kleedje een nieuw bouw-project ontstaan. Met bouwkistjes waren hoge bergen en diepe ravijnen gemaakt, water stroomde in de vorm van blauwe kleedjes van boven naar beneden en daartussen stonden gekleurde poppetjes van het 100-bord in verschillende formaties opgesteld. Andere kinderen liepen er een tijdje keurig omheen maar steeds vaker kwam het tot botsingen. Daarom maakte Sill een stopbord: Een vel papier met daarop een cirkel met een streep erdoor. ‘Wil je vragen of iedereen stil is en zeggen dat dit betekent dat ze er niet doorheen mogen lopen?’ Ik liet het vel papier zien maar de betekenis was niet voor iedereen meteen duidelijk. Jonathan, bijna een jaar jonger dan Jort en ogenschijnlijk ver van de grote jongens verwijdert, keek op van zijn werk en vroeg toen vrij achteloos of hij misschien even een tekening zou maken om het uit te leggen. Binnen 5 minuten was de tekening klaar, samen met het stopbord werd hij op een bouwkistje gehangen. Pas als de kinderen naar huis zijn bekijk ik de tekening van Jonathan nog eens goed. De schematische pionnetjes van het 100-bord zijn veranderd in Skylanders die op bergen en in dalen op elkaar schieten (want daar gaat het natuurlijk allemaal om). Ik zie dat hij de kistjes precies heeft weergegeven zoals hij ze gezien heeft vanuit de plek waar hij zat. En ik bedenk wat een ontwikkeling Jonathan dit jaar heeft doorgemaakt. Van een jongetje dat nog geen herkenbare voorstelling tekende, dat met lijm de alleen voor hemzelf zichtbare armen van zijn zwarte pietje maakte, dat nooit iets wilde tekenen als het een opdracht was, is hij een kind geworden dat een kloppende voorstelling kan maken van een bouwverhaal dat hij alleen vanuit de verte heeft gevolgd. Hij begrijpt de schematische voorstelling van een stopbord en zijn betekenis, hij snapt dat sommige kinderen dit nog niet begrijpen en dat hij hen daarom uit moet leggen wat er op het kleedje gebeurt, hij weet hoe hij ruimtelijke vormen weer kan geven op het platte vlak en ook hoe hij mensfiguren kan tekenen die een bepaalde handeling verrichten. Ook Jonathan is een jongetje dat laat in het jaar jarig is en waarvan we moeten kijken of hij er al aan toe is om naar groep 3 te gaan. Terwijl ik naar de tekening kijk vraag ik me af waar ik dat soort beslissingen eigenlijk op baseer. Op de resultaten van een toets? Op lijstjes waarop ik afvink of kinderen al hoeveelheden onder de 6 in 1 keer kunnen overzien en of ze kunnen rijmen en begin en eindklanken in woorden kunnen onderscheiden? Of is het eerder zo dat iedere keer dat ik nadenk over een kind een momentopname is. Dat het zien van een tekening alle eerdere observaties door elkaar gooit en in een ander licht zet. En dat ik dan voor me zie hoe dat verder zou kunnen gaan in een kleutergroep of zie ik hem eerder aan een tafeltje in een groep 3? Wat heb ik hem nog te bieden? Welke vragen zou ik kunnen stellen? Welke activiteiten zou ik kunnen aanbieden? Welk materiaal zou hem verder helpen? En hoe belangrijk is dan de letterkennis van een kind en heeft dat ruimtelijk inzicht of de werkhouding niet heel veel te maken met wat het in de bouwhoek of aan de tekentafel deed? En willen we niet weten wat een kind goed kan en waar het van houdt, wie zijn vrienden of haar vriendinnen zijn, hoe het daarmee speelt en praat en hoe betrokken het is?

Tja, wat willen we eigenlijk weten en meten in een kleuterklas? En waarom willen we dat? En hoe gaan we dat dan doen?

Filosoferen met kleuters, kan dat?

IMG_5447_1024

Filosoferen met kleuters. Altijd als ik daarover lees luister ik weer met andere oren naar de kinderen. Dit keer raak ik geïnspireerd door de Praxis-uitgave ‘Leren doordenkenvan februari. Na een heldere inleiding over het hoe en waarom van Fabien van der Ham beschrijft Marja van Rossum hoe je met een groep 1/2 het begrip natuur kunt onderzoeken vanuit eigen ervaringen en gedachten. De afgelopen weken hebben de kinderen in mijn groep gewerkt rond het thema ‘Alles Groeit’. We keken buiten naar bloeiende bomen en uitbottende takken. We zagen krokussen, sneeuwklokjes en narcissen. We zaaiden tuinkers en merkten hoe snel de plantjes groeiden. En in de klas volgden de kinderen hoe uit de kleverige knoppen van kastanjetakken prachtige blaadjes te voorschijn kwamen. Ook las ik het verhaal van kikker en pad en de tuin voor. In dat verhaal zaait pad de zaadjes die hij kreeg van kikker maar ze groeien niet. Pad denkt dat dat komt omdat het bange zaadjes zijn. Ik besluit met de hele groep te praten over het groeien van zaadjes. Als inleiding laat ik in de kring verschillende zakjes met zaad en een netje met bloembollen rondgaan. Ik gebruik de vragen uit het artikel van Marja van Rossum over ‘planten en de natuur’ als start van het gesprek.

Weten jullie welke plantjes er uit deze zaadjes komen?

Het worden tomaten.

Hoe weet je dat?

Want dat zei Levi.

Levi: Ja, dat zag ik op het plaatje van het zakje.

Nee, het worden radijsjes. Dat lijkt op tomaten, op het plaatje. Maar dat is het niet.

Kun je zeker weten dat die plantjes uit de zaadjes komen?

Ik weet dat zeker omdat ik het een keer heb gedaan. Toen had ik ook zo’n zakje met zaadjes. Toen kwamen er heel veel radijsjes en ook worteltjes. Want die hadden we ook.

Anne Lotte vertelt uitgebreid hoe dat allemaal ging toen zij radijsjes en worteltjes zaaide. Ik vind het mooi om te horen hoe de kinderen tot hun ideeën komen: omdat iemand anders het zegt, omdat het ergens op (een plaatje) staat of omdat ze het hebben meegemaakt.

..

Weten de zaadjes zelf welke plantjes eruit moeten komen?

Ja, zaadjes weten dat want anders zouden er helemaal geen bloemen en groente in mijn tuin zijn. Dan moest je alles in de winkel kopen. Je moet ze water geven, net zoals ik doe. En een beetje zonlicht en dan groeien ze.

En weten de zaadjes ook wanneer ze wel of niet moeten groeien?

Ja, omdat ze dat voelen, dan krijgen ze dorst en gaan ze water drinken met hun worteltjes en eten van de bacteriën uit de grond.

..

De zaadjes uit het verhaal van kikker en pad waren te bang om te groeien. Kunnen zaadjes bang zijn?

Zaadjes kunnen niet bang zijn want ze hebben een bolletje om zich heen en ze zitten lekker warm in de aarde.

Maar wel voor de bliksem. Dat zie je aan het plantje; dan is ‘ie helemaal verlept.

En voor als ‘ie vertrapt wordt en voor vuur.

De kinderen blijven allerlei dingen opnoemen die gevaarlijk kunnen zijn voor zaadjes en bolletjes. Ik vat het samen door te zeggen dat iedereen dus denkt dat zaadjes bang kunnen zijn en vraag of iemand het daar misschien niet mee eens is. Dan blijkt dat de kinderen beter geluisterd hebben dan ik. ‘Levi vond dat zaadjes niet bang kunnen zijn’, zeggen ze. En nu begrijp ik dat ze de vraag anders begrijpen. Ze denken na of er reden is om bang te zijn, niet of zaadjes zoiets kunnen. Maar dan vraagt Lore zich hardop af:

Maar ik snap het niet. Zaadjes hebben geen mond en geen ogen en oren. Hoe kunnen ze het dan weten? ………. Ze kunnen ook niet bewegen. Ze leven eigenlijk niet. Ze kunnen alleen groeien.

Maar als ze vertrapt worden dan is er een grote voet boven en dan kunnen ze dood gaan.

Misschien merken ze dan dat er geen licht is. Omdat die voet erboven is, dan is er geen licht.

Verschillende kinderen noemen weer hoe bang zaadjes moeten zijn voor onweer en bliksem en vuur en wat er dan allemaal kan gebeuren. Gijs vertelt hoe een bosbrand ontstaat en hoe dat alle planten en bomen kan verbranden. 

Ik heb wel eens een boom gezien waar de bliksem in was geweest. Die was helemaal zwart en dood.

Levi gaat door op zijn eerdere gedachte of het nodig is om bang te zijn. Dit keer gaat het over bomen:

Maar bomen zijn heel sterk, die kunnen niet bang zijn.

Dan zie ik Jonathan nadenken en geef hem het woord:

Maar zaadjes die hebben geen hersens.

Nadja vraagt wat dat dan zijn; hersens?

Dat zit in je hoofd. Dan kun je denken. En dan weet je wat je moet doen. En dan kun je bewegen en kijken en horen. Alles kun je dan.

..

Het is een geanimeerd gesprek waaraan zowel net 4 jarigen als 6 jarigen deelnemen. We zitten alweer bijna een half uur in de kring en sommige kinderen weten van geen ophouden. Maar er ontstaat ook steeds meer onrust. Niet omdat de concentratie weg is maar ….., ik weet niet, misschien omdat het kleuters zijn die nog niet zo lang stil kunnen zitten. Daarom rond ik het gesprek af. De volgende dag lees ik voor wat ik heb opgeschreven. De kinderen zijn zeer geïnteresseerd. Ze vertellen me welke opmerkingen ik vergeten ben, voeren nieuwe argumenten aan en geven andere voorbeelden.

Het was een mooi gesprek met een heel aantal aanzetten om filosofisch op door te denken. Dat gaan we zeker doen. Filosoferen met kleuters is ontzettend leuk en hartstikke leerzaam.