Maandelijks archief: maart 2014

In het hart van het onderwijs

IMG_5501

 

‘Kijk’, vertelt Anne Lotte tijdens het opruimen, ‘ik heb de bolletjes precies getekend zoals in het echt. De worteltjes die zag je niet maar ik heb ze wel getekend en met verf heb ik het een beetje doorzichtig gemaakt. Nu zie je het toch.’ Ze lacht en kijkt nog een keer naar haar schilderijtje. ‘Handig, he.’ We werken rond het thema ‘Alles groeit’. Op de tekentafel staan verschillende potten met bollen; narcissen, hyacinten en blauwe druifjes. Sommige met dikke knoppen en andere al volop in bloei. Ook in de schooltuin bloeien narcissen. Ik liet de kinderen er een uit de grond graven. Ze ontdekten dat de narcis uit een bol groeit en vonden onder de bol kleine, kronkelende worteltjes. Voorzichtig maakten we de narcis met bol los uit de aarde. Om alles goed te kunnen bekijken legde ik de hele bloem met bol en worteltjes op de tekentafel. Jill probeert de verleppende narcis in het potje te zetten naast het krokusje en de sneeuwklokjes die ik, ook met de bolletjes en worteltjes er nog aan, uit mijn eigen tuin meenam. Ze fluistert: ‘Dood, helemaal dood, oh jee, jullie worden nooit meer levend,’ terwijl ze probeert de stengels stevig in elkaar te vlechten. De aarde stampt ze aan, om later opnieuw te kijken naar de worteltjes onderaan de bollen. Dan werkt ze weer verder aan haar tekening. Ik vroeg de kinderen te tekenen wat er onder en wat er boven de grond groeit. Jort begint met het tekenen van een lijn dwars over het midden van zijn blad. Helemaal onderaan komt een bolletje. Dan trekt hij langzaam een lange lijn omhoog. ‘Ze groeien en groeien en groeien, mijn bloem die groeit …..’ Net boven de lijn is hij er. Daar komt een grote bloem.

De worteltjes zijn een beetje doorzichtig.

De worteltjes die je toch ziet.

Net boven de grond komt een grote bloem.

Mijn bloem die groeit.

..

..

..

..

..

..

..

..

..

Later, tijdens een overleg met een kunstinstelling, ICCers, schooldirecteuren en een onderzoekster moet ik denken aan de betrokkenheid waarmee deze kinderen aan de tekentafel kijken, praten, tekenen, denken en leren.  Cultuuronderwijs staat in het hart van het onderwijs‘ was een van de ambities die de kunstinstelling formuleerde. Daar waren niet alle directeuren het direct mee eens. Het maakt natuurlijk veel uit wat je verstaat onder cultuuronderwijs. Is dat de tekenles of het halve uurtje muziek in de week? Of worden kunst en cultuur, zoals op een OGO-school, verbonden met de thema’s waarmee gewerkt wordt, net zoals de techniek-lessen, wereldoriëntatie, een gast in de klas of onderzoeksvragen op een vanzelfsprekende manier een plek kunnen krijgen binnen het thema? En wat is cultuuronderwijs eigenlijk? Zijn dat de lessen beeldende vorming, muziek, drama en dans? Is het een ontspannen en leuke onderbreking van het gewone lesprogramma of zijn het activiteiten die gerelateerd zijn aan wat er in de echte wereld van de kunst gebeurt? Horen taal en rekenen eigenlijk ook niet bij cultuuronderwijs? En is kunstonderwijs dan misschien een andere, meer zintuigelijke manier van reflecteren, een manier om de wereld en jezelf te leren kennen maar dan met specifieke middelen? De kinderen die tekenen wat er onder en boven de grond groeit, denken na over hoe de wereld in elkaar zit. Hun tekeningen geven vorm aan hun gedachten. Zo worden deze zichtbaar, voor henzelf en voor anderen. Ondertussen praten ze met elkaar en ontwikkelen hun taalvaardigheid en woordenschat. Ze moeten goed kijken en ze zullen nadenken over hoe ze dat wat ze zien in het platte vlak kunnen weergeven, dat raakt alweer aan allerlei rekenvaardigheden. En tenslotte vraagt het ook heel wat van de motoriek om zulke precieze tekeningen te maken. Bovendien gaan echt alle kinderen met veel plezier aan de slag. Ik zie een enorme betrokkenheid. Ik kan dus wel zeggen dat het tekenen helemaal geïntegreerd is in de rest van het onderwijsaanbod en op die manier in het hart van het onderwijs staat.

Nu is het voor mij heel vanzelfsprekend om beeldende activiteiten zinvol aan te bieden. Dat gaat min of meer vanzelf, het is mij, zeg maar, op het lijf geschreven. Maar kunstonderwijs of cultuureducatie is natuurlijk meer dan dat. Laatst besloot ik een les uit de methode waarbij de kinderen een verhaal moesten uitbeelden een andere invulling te geven. Ik was geïnspireerd door de manier waarop Vivian Gussin en Jente Baeyens kinderen hun eigen verhalen laten spelen. In de kring vroeg ik wie er een verhaal wilde vertellen. Nadja wilde dat wel. Ik schreef het verhaal op, Nadja verdeelde de rollen en terwijl ik het verhaal opnieuw voorlas speelde de kinderen het uit. Onmiddellijk zaten alle kinderen op het puntje van hun stoel. De spelende kinderen gebruikten al snel het hele lokaal en pakten allerlei spullen die toevallig in de buurt stonden. Het publiek  wilde daar natuurlijk achteraan. Het was een leuk en spannend intermezzo maar de volgende keer zou ik het toch iets beter moeten structuren. Een paar weken later vroeg ik Jonathan of hij een verhaal wilde vertellen voor het ‘verhalenboek’ dat we inmiddels gemaakt hadden. Ja, dat wilde hij wel en hij begon meteen. Jonathan weet alles over de natuur, buiten vangt hij wurmen, vlinders en andere kleine beestjes. Hij weet allerlei planten, bloemen en dieren bij naam en kan daar van alles over vertellen. Het sprak vanzelf dat zijn verhaal over dieren zou gaan. Maar Jonathan is ook een echte jongen, altijd in beweging, hij klimt in de hoogste bomen, wil overal en altijd de sterkste, de snelste, de beste zijn en doet dat het liefst met zoveel mogelijk lawaai. De liefelijkheid van zijn verhaal verbaasde me. Ook het thema groeien en bloeien kwam terug in zijn verhaal, net zoals eerder bij Nadja trouwens. Het spelen van het verhaal deed ik de volgende dag in het speellokaal. Ik grensde een duidelijk speelveld af door daar banken omheen te zetten. Vanaf het moment dat de kinderen weten dat we het verhaal van Jonathan gaan uitspelen ontstaat er een bijzondere dynamiek in de klas. Ze weten nog precies welke rollen er te verdelen zijn en bestoken Jonathan al in de klas met verzoeken om een bepaalde rol te mogen spelen. In het speellokaal lees ik het verhaal nog eens voor, het publiek luistert super geconcentreerd. Jonathan verdeelt heel concentieus de rollen. Zowel meisjes als jongens en zowel jonge als oudere kinderen krijgen een rol. Het verhaal gaat over een poesje, een hondje, en een konijntje die elkaar ‘ontmoeten’ in de wei. Daar spelen ze samen. Ik vraag Jonathan hoe ze dat doen; dat spelen. ‘Nou gewoon, achter elkaar aanlopen. Zo ….’ En hij doet het voor op handen en knieën. Even later kijk ik enigszins verontrust naar de kluwen kruipende, grommende en piepende kinderen op de grond. Het publiek miauwt en blaft enthousiast mee. Ik vraag me af hoe ik hier weer orde in moet krijgen. Voor Lore is dat geen enkel probleem. Ze roept: ‘Hé, dat kan niet, het konijn loopt achter de hond aan.’ ‘Ja’, reageert Jonathan meteen, ‘het konijn loopt ook weg!’ Onmiddellijk hupt het konijn naar de bank en kan ik het verhaal verder voorlezen. Ik denk dat ik al bijna bij het eind ben maar vergeet het stukje waarin de bij en de vlinder bij de bloemen in de wei komen. Terwijl ik anders als leerkracht altijd degene ben die het meeste grip heeft op het verhaal is dat nu andersom. Voortdurend wordt ik gecorrigeerd, aspecten van het verhaal die voor mij onduidelijk zijn worden door de kinderen prima begrepen. Ook weten ze precies hoe ze iets uit moeten beelden en alles gaat met een vaart die ik bijna niet bij kan houden. Na een paar minuten zijn we alweer aan het eind van het verhaal. De net vierjarige Yindee staat heel stil en vol overgave, met haar handen gracieus omhoog, als bloem te bloeien in de wei. Terwijl rond haar de bij zoemt, de vlinder fladdert en de hond, de poes, de muis, het konijn en het molletje met elkaar spelen. Niet lang daarna zijn we allemaal weer terug in de klas en kijk ik terug op een kort, heftig en wervelend gebeuren. Alsof ik even een glimp opving van een kinderwereld die anders altijd verborgen blijft.

Ik weet niet of dit uitspelen van verhalen iets te maken heeft met het vak ‘drama’ of met ‘kunstzinnige oriëntatie’ of met kunst en cultuuronderwijs. Wat ik wel weer heb ervaren is dat de eigen verhalen van kinderen een krachtige bron zijn voor ontwikkelen en leren. Het is niet altijd gemakkelijk en druist misschien wel in tegen de meetcultuur in het huidige onderwijs maar de kinderen laten heel veel betrokkenheid zien en kunnen ineens ook echt meer dan wanneer ik bedenk waar het over moet gaan.

Het liefst zou ik dus de eigen verhalen en ervaringen van kinderen in het hart van mijn onderwijs zetten. En dan is het heel gemakkelijk om de verbinding te maken met kunst en cultuuronderwijs.

..

Meer lezen?

het-begint-met-kijken-en-luisteren---jenthe-baeyens[0]

9780226645032

De kleur van een voorjaarsvakantie

IMG_5390

 

..

De kleur van sneeuwklokjes in wittig groen gras onder een blauwe lucht, de paarse en lila krokusjes overal. Veel zon en langs waaiende wolken, grijswit, blauwgroen. Eten op de houten tafel onder het zachte licht van de lamp met vrienden, alle kleuren worden warm en gloeiend dan. Het licht door de gekleurde glas-in-lood ramen in de sauna in Amsterdam en de knalgroene supergezonde smoothy na afloop. En dan alle kleur in de foto’s uit het atelier die ik de afgelopen tijd maakte. Af en toe achter de laptop: kijken en plakken en schrijven. Proberen al die kleine verhalen te vertellen. Het zijn er te veel. En het zijn er natuurlijk altijd nog veel meer. Zie hier het resultaat. De kleur van een voorjaarsvakantie.