Maandelijks archief: mei 2013

Grote vragen

Scannen0005Buiten geniet ik, weggedoken in mijn jas, van een spaarzame zonnestraal. Lore komt voorbij gerent, lacht, en kruipt dan tussen mij en de stagiaire in op het bankje. ‘Weet je nog dat je op het wenskaartje voor nieuwjaar zei dat je een jongetje wilde worden?’ vraag ik. ‘Net als je 3 broertjes?’ ‘Ja’, zegt ze, ‘maar dan is mama alleen. Dan is ze alleen een meisje.’ ‘Wil je nog steeds een jongetje worden?’ ‘Ja’, knikt ze terwijl haar paardenstaart met lange bruine haren heen en weer zwiept. ‘Maar eigenlijk wil ik een dolfijn worden’. ‘Ja, een dolfijn, dat is ook leuk. Weet je hoe dat moet; een dolfijn worden?’ Lore denkt na. Haar blik keert naar binnen. Met haar hand wrijft ze over het ruwe hout van het bankje. Het is een tijdje stil. Dan kijkt ze me vragend aan. ‘Hoe weten dieren dat?’ ‘Hoe weten dieren wat?’ ‘Hoe weten ze hoe ze een dolfijn moeten worden?’ Ik weet niets anders te bedenken dan een nieuwe vraag. ‘Hoe ben jij een meisje geworden?’ Lore weet het antwoord meteen: ‘In mama’s buik werd ik een meisje!’ ‘Misschien werd een dolfijn ook wel een dolfijn in de buik van de mama,’ antwoord ik. Maar het moment is alweer voorbij, Lore laat zich licht en vlug van het bankje glijden en huppelt naar een groepje jongens op een kar.

Aanschouwelijke biologielessen

Voor de 2de keer was de eend midden in de patiotuin gaan broeden. Helemaal vergeten dat al haar kroost 2 jaar geleden door de aangroeiende meeuwenkolonie is opgevreten. Als er 11 pulletjes uit de eieren zijn gekropen besluiten een leerkracht, de conciërge en de onderwijsassistente maatregelen te nemen. Om half 9 verschijnt er iemand van de dierenambulance. Hij heeft 2 plastic bakken mee. Eén voor moeder en één voor haar kroost. Nu eerst de moedereend te pakken krijgen voordat ze in paniek wegvlucht. De onderwijsassistente had er zelfs van gedroomd. Maar het lukt dit keer wonderlijk snel en goed. Nu alle 11 pulletjes nog, wat er uiteindelijk 12 blijken te zijn. Meester Willem komt helpen, ademloos gadegeslagen door aan de ene kant zijn groep 5 en aan de andere mijn kleuters. ‘Wat zijn ze toch aan het doen?’ vraagt een vader die zijn dochter wegbrengt. Ik vertel over het wat en waarom van de reddingsactie. ‘Maar zo gaat dat toch gewoon in de natuur, jonge dieren worden opgevreten, dan leren de kinderen dat ook meteen’. Maar ja, dat vinden wij dan weer wat al te realistische biologielessen.

De meeuwen eten niet alleen pulletjes maar geven ook veel overlast. Op het dak bouwen ze nesten, het worden er steeds meer en met jongen kunnen de meeuwen behoorlijk agressief worden. ’s Middags zien we ineens de directeur met megafoon en paraplu, gevolgd door de conciërge, ook met paraplu, over het natte dak schuifelen. Elk nest dat ze tegenkomen wordt omgekeerd of weggehaald. De 6 jarige Annelotte staat samen met de andere kinderen te kijken wat de directeur daar toch zo ingespannen aan het doen is. Dan zegt ze: ‘nou, hij neemt het wel serieus, he’. Later legt de directeur zelf uit aan de kinderen dat dat kwam omdat het dak zo glad was, dat hij heel goed zijn best moest doen om er niet af te vallen. Ook vertelt hij dat de meeuwen hier komen broeden omdat er steeds meer vossen zijn in de duinen. En die vossen eten weer graag jonge meeuwen. Wij willen niet dat ze denken dat het op onze school een goede plek is om met z’n allen te komen wonen. Daarom halen we de nesten weg. Dan gaan ze ergens anders een betere plek zoeken. De 4 jarige Lore denkt lang na. ‘Maar vossen bestaan toch niet in het echt?’ ‘Nee’ zegt ook Siem ‘alleen in andere landen’. Ik vertel dat er echt vossen wonen in de duinen, dat ik er zelfs wel eens eentje gezien heb. ‘Oh’ concludeert Lore, ‘dan bestaan heksen ook echt’. ‘Nee, heksen bestaan weer niet echt, alleen in verhalen’. En zo hebben we heel wat ingewikkelde dingen geleerd vandaag.

 

Een atelier in school

Ooit zei iemand na het zien van een tentoonstelling van Toeval Gezocht; ‘ach ja, zo zijn kleuters gewoon, altijd friemelen en frutselen en bezig maar of dat nou zo bijzonder is?’

Kleuters aan het werk in een atelier. Elk kind is doelgericht bezig. Samen en alleen, pratend, dromend, bouwend, tekenend, aandachtig, vrolijk of nadenkend. Het stroomt. Als in een dans bewegen twee meisjes samen boven een groot vel papier. Als twee zwaantjes bijna. Gewoon kleuters maar toch …. als je goed kijkt gebeurt er zoveel.

Lees verder in ‘Wij hebben ook een wereld, kijk maar!’

Waar?

dat is een bever een hol van zacht hij is een beetje verstopt omdat het heel eng is het was ook in het enge bos

dat is een bever
een hol van zacht
hij is een beetje verstopt
omdat het heel eng is
het was ook in het enge bos

 

Van luisteren naar verhalen en van het samen lezen en kijken in prentenboeken kunnen kinderen ontzettend genieten. Allereerst natuurlijk  omdat het leuk en spannend is om even in een andere wereld te zijn en daar van alles mee te maken.  Maar op school moet geleerd worden en wat er precies geleerd moet worden is vooral voor taal en rekenen nauwkeurig omschreven. Voor bijvoorbeeld de aanvankelijke geletterdheid heeft het SLO onder andere het volgende tussendoelen geformuleerd.

Kinderen weten dat de meeste verhalen zijn opgebouwd uit een situatieschets en een episode. Een situatieschets geeft informatie over de hoofdpersonen, de plaats en tijd van handeling. In een episode doet zich een bepaald probleem voor dat vervolgens wordt opgelost. 

In alle groepen 1/2 bij ons op school hangt een lijstje met pictogrammen. Een poppetje met daaronder het woord ‘wie?’, een huisje met ‘waar?’, een uitroepteken met de vraag ‘wat is belangrijk?’ en een klok met het woord ‘wanneer?’ Het lijstje hangt goed zichtbaar in de kring maar zoals met alles wat je iedere dag ziet valt het niet meer op en vergeet ik er iets mee te doen. Als ik met de kinderen een verteltafel ga maken naar aanleiding van het boek ‘Samen kunnen we alles’, besluit ik de pictogrammen er maar eens bij te pakken.

Met een klein groepje vijf- en zesjarigen ga ik aan de slag. De vraag over wie het boek gaat is makkelijk; over bever, egel en beer natuurlijk. En al verschillen de kinderen erover van mening toch kunnen ze goed aangeven wat zij het belangrijkste vinden dat er  in het verhaal gebeurt. Maar de vraag waar het verhaal zich afspeelt stuit op heel veel onbegrip. ‘Waar zijn bever en egel en beer?’ vraag ik. ‘Hier’, antwoorden de kinderen. Of; ‘in het boek’. ‘Waar zijn ze in het boek?’ ‘Nou, hier?’ en er wordt gewezen waar ze te zien zijn op de bladzijde. ‘Maar waar zijn egel, beer en bever in het boek? Zijn ze dan op het strand of op de maan of in de stad?’ Steeds grotere vragende ogen. Ik zie de kinderen denken wat ik toch van hen wil weten, welk antwoord wil ik horen? En ik realiseer me hoe abstract en ingewikkeld het idee is dat een verhaal met plaatjes zich afspeelt op een bepaalde plek. Dat de illustraties wel verwijzen naar die plek maar de plek niet zijn. Als we later de verteltafel maken is het geen enkel probleem meer om op de plek aan de rivier, in het bos de beverburcht te bouwen, precies zoals in het boek.

Om het begrip ‘plek’ nog wat concreter te maken vraag ik alle kinderen een diertje te tekenen en daarvoor met karton en allerlei ander materiaal een plekje te maken waar het zich fijn voelt. Na afloop vraag ik weer waar het dier is. Lore verwoordt heel mooi het probleem van een afbeelding als verwijzing en de letterlijke aanwezigheid van het gemaakte ding:

Hij slaapt nog in z’n hol. Hij weet niet dat ‘ie hier op school is. Hij wil niet naar huis toe. En hij wil niet slapen maar hij doet ’t toch. Het is natuurlijk een konijn.

Sietse moet lang nadenken over wat hij heeft gemaakt. ‘Het is een ….’ begint hij. En dan weer opnieuw; ‘een ……’. Ondertussen lijkt hij bij zichzelf naar binnen te kijken en woorden te zoeken voor het beeld dat hij ziet. Bij de derde keer vul ik hem voor ik het zelf door heb aan; ‘het is een wurm?’ Gelukkig corrigeert hij mij meteen: ‘nee! …’

Dat is een bever, een hol van zacht, hij is een beetje verstopt….

En nadat hij weer lang na heeft gedacht:

…. omdat het heel eng is, het was ook in het enge bos.

IMG_4062

IMG_4072

IMG_4065

 

 

 

 

 

IMG_4066IMG_4067IMG_4074

 

 

 

 

 

Omdat we de laatste tijd veel plekken hebben gebouwd. Onder andere met grote en kleinere stenen kijk ik met de kinderen naar een stukje van de film River and Tides over de kunstenaar Andy Goldsworthy. We zien een man op een strand met kiezels en keien. ‘Een oerwoud!’ zegt een kind. ‘Nee, het is geen oerwoud want er zijn geen bomen’. ‘Ik weet het, ik was daar ook wel eens, op vakantie, het is in Frankrijk.’  Maar hoe komt hij daar? Met een boot misschien? En dan zijn ze het erover eens: hij is op een eiland, een eiland in de zee. En nu kunnen ze verder kijken wat hij daar eigenlijk aan het doen is; die ‘hoofdpersoon op de plaats van handeling’.