Maandelijks archief: april 2013

Kleutertoets

Vanavond zal het programma ‘de slag om Nederland’ gaan over de kleutertoets.  In de maatschappij van vandaag moet je presteren. Scoor je onder de maat dan tel je niet mee, lees ik in de aankondiging. We kunnen daarom niet vroeg genoeg beginnen met meten, toetsen en testen. Zodat ieder kind dat zich niet ontwikkelt volgens de norm zo snel mogelijk bijgespijkerd kan worden.

Een herinnering van bijna 50 jaar geleden. Koninginnen-dag. Ik loop met mijn moeder als nog geen 4 jarige op een grasveldje met allerlei spelletjes. Het is al laat in de middag en de schaduw maakt alles vochtig en kil. Ineens zie ik iets wat ik herken. Een waslijn, knijpers en was. Dat heb ik met mijn moeder gedaan. Op het balkon, in de zon, eerst de poppenkleertjes wassen en ze daarna op de waslijn te drogen hangen. Het volgende moment sta ik midden in een kring van mensen en ik hang alle kleren uit het mandje met knijpers op de waslijn. Maar er is iets niet goed. Iedereen kijkt en lacht. Mijn moeder maakt gebaren die ik niet begrijp. Misschien moeten de sokken andersom? Misschien moeten er meer knijpers aan de broek? Of hangen de kleren niet recht? Ik begin opnieuw, draai de sokken om, begin weer opnieuw. Maar het helpt allemaal niets. Steeds meer mensen kijken en lachen in een kring rond mij heen. Het lijkt uren te duren. Nu weet ik dat het concept van een ‘wedstrijdje’ mij toen nog volkomen vreemd was. Ik wist nog niet dat goed soms ook ‘zo snel mogelijk’ kon zijn.

Hoe gezellig ik het afnemen van de CITO-toets voor mijn kleuters ook probeer te maken, hoe vaak ik ook zeg dat je best iets fout mag doen; steeds zie ik weer kinderen die heel goed snappen dat er een prestatie van hen gevraagd wordt maar niet weten welke prestatie dat dan is. Ik zie een niet begrijpende blik terwijl ik alleen  de zin uit het boekje nog 1 keer mag oplezen. ‘Maar ik snap niet wat je bedoelt’, zegt Anne en mijn zwijgen maakt de paniek alleen maar groter. De situatie is ook zo anders dan normaal in de klas. Altijd zeg ik dat ze elkaar  moeten helpen en nu mag dat niet. Gijs weet meteen de goede antwoorden en kijkt dan om zich heen hoe de anderen het doen. Luid begint hij de fouten van vriendjes te corrigeren. Als ik daar iets van zeg legt hij uit dat ze het echt niet goed hebben gedaan en zegt meteen ook even waarom niet. Eens had ik Collin vlak naast mij aan tafel. Bij de vraag welke letter hetzelfde was als voor de streep kruiste hij meteen het goede antwoord aan en daarna in een moeite door ook alle andere letters die hij kende terwijl hij zachtjes zei: die ken ik ook, dat is de A en die ook, dat is de K.  Weer een antwoord dat ik fout moet rekenen. Gelukkig blijven sommige kinderen gewoon de kleuter die ze zijn. Ze gaan gezellig met z’n allen een boekje maken waarin je van alles mag schrijven en tekenen. Een rondje zetten om dat lieve hondje dat zo alleen voor het raam zit. Een paar appels erbij tekenen zodat in iedere bak evenveel appels zitten. Maar … wel veel foute antwoorden!

Wat zie je aan de uitslag van deze CITO-toets? Het zegt zeker iets over hoe een kind leert. Of het al rijp genoeg is om onderwijs te volgen waarin klassikale instructies worden gegeven. Waar je taken uitvoert op papier. Waar het gaat om goede antwoorden en een af product waar je niets meer aan verandert. Maar ik weet niet of het meet wat het zegt te meten. Of het meet of een kind kan rijmen, hoe het staat met het getalbegrip of de letterkennis. Terwijl dat wel is waar ik het onderwijsaanbod voor al die kinderen die niet goed genoeg hebben gepresteerd op af moet stemmen. Letterlesjes, rijmoefeningen, tel-, weeg- of meetlesjes. Zodat de leeropbrengsten verhoogd worden en de kinderen zo snel mogelijk door kunnen stromen naar groep 3. Het zou vast en zeker helpen om te oefenen met het maken van toetsen. Het is bijna verleidelijk om te doen. Maar het zou ten koste gaan van de tijd die kinderen krijgen om te spelen en zich samen, met elkaar te ontwikkelen. Om de wereld te ontdekken in een rijke, uitnodigende omgeving. Waarom maken wij er een wedstrijdje van waarin een kind zo snel mogelijk taal en rekenen moet leren? Terwijl het nog maar de vraag is of het dat niet veel beter leert als wij het de tijd geven. Ik heb tenslotte ook geleerd wat een wedstrijdje is, wanneer ik aan dat wedstrijdje mee wil doen en dat het soms om ‘zo snel mogelijk’ gaat en soms gewoon niet!

 

Samen spelen en delen in het atelier

IMG_3744

Bouwplaats is een kunsteducatief project waarbij in onze school 2 ateliers ingericht zijn. Van bijna alle leerkrachten hoor ik regelmatig hoe geweldig de kinderen samenwerken in het atelier, hoe vanzelf dat gaat en hoeveel taal zij daarbij gebruiken. Heel anders dan in de klas.

Als ik de kinderen van mijn groep 1/2 vraag wat ze hebben geleerd tijdens het thema ‘Dieren en hun Bouwplaats’, waarbij we veel in het atelier werkten, is het opvallend dat ze allemaal over ‘wij’ praten.

We kunnen nu dinonesten bouwen. En vogelnesten met een beetje modder en stokjes en met blaadjes. We weten nu dat een krokodil in de dierentuin woont. Ja, en ook in een soort dam met een beetje groen, zoals een bever. We weten hoe we een nest van een ooievaar moeten maken; takken neerleggen, heel groot, stenen voor eieren en de sinaasappelnetjes gebruiken voor de eieren warm te houden. En zachtjes zegt Lotte: Samen spelen, samen delen. Samen spelen, samen delen? Ja, in het atelier gaan we samen spelen.

Als ik voorstel om op een middag nog een keer in het atelier te gaan werken beginnen de kinderen meteen afspraken te maken. Zullen wij straks samen op de Bouwplaats? Ja maar ik ga al met iemand anders, zullen we dan met z’n allen? Ook worden er met elkaar alvast plannen bedacht over wat ze zullen gaan maken vanmiddag.

 

Het is iets wat ik steeds weer zie als er in een school een atelier ingericht wordt waarin de kinderen met elkaar beeldend kunnen werken, spelen, onderzoeken en creëren. De meeste kinderen willen heel graag samenwerken, ideeën en gedachten worden gedeeld en razendsnel van elkaar overgenomen. Ze overleggen, maken samen plannen, stellen de plannen weer bij als er een ander idee langskomt en dat gebeurt bijna zonder ruzie. Ook kinderen die liever alleen werken vinden zonder problemen een plekje in het geheel. Is dat omdat de kinderen belang hebben bij de samenwerking, zoals iemand eens opperde? Ze kiezen zelf wat ze willen doen, hoe ze dat doen en met wie. Ze kiezen zelf het doel en kunnen de samenwerking ook weer stoppen of uitbreiden als ze dat willen. De kinderen lijken voortdurend uit op communicatie; met elkaar en met hun omgeving. Het is een steeds veranderende stroom met een heel eigen dynamiek die soms uitmond in wat een leerkracht eens ‘dan gaat het zoemen’ noemde.

Als we er nu eens voor zouden zorgen dat iedere basisschoolklas een atelier tot zijn beschikking had waarin de kinderen regelmatig op deze manier samen konden werken, zou dat niet veel effectiever zijn tegen pesten dan alle anti-pest-protocollen en –methoden die je nu om de oren vliegen? Al is dat natuurlijk niet de belangrijkste reden voor een atelier in school.

Denken met je handen?

IMG_3951

Erica Veld fotografeert Armando in ‘De Handen van de Meester’.

 

Material thinking … Kunst als zintuiglijke reflectie ….

Als ik in het Cobramuseum de schilderijen van Armando zie weet ik het ineens weer. Niet in woorden. Het is eerder een denken in verf, in gebaren, in ruimte en aanraking. Alsof ik de verf kan ruiken terwijl er niets te ruiken valt. Het kijken valt samen met mijn eigen herinnering. De sporen van zijn handen op het doek, het kneden en duwen, de eerdere lagen die  door de bovenlaag heen kieren. De kleur die in elkaar smeert. Het afstand nemen en kijken, gebaren maken met je handen in de lege ruimte en dan  weer dicht op de huid van de verf. Zoals dansers zeggen iedere beweging mee te maken in hun hoofd als ze naar een dansvoorstelling kijken. En het is wonderlijk om te bedenken dat Armando helemaal niet meer heen en weer kán dansen voor het doek. Dat hij in zijn stoel gezet wordt vlak voor het schilderij, dat hij moet vragen of iemand het doek verzet. Een zeeschilderij wordt pas als je op grote afstand staat grijsgroen water waarin het licht op de opspattende golven reflecteert. Dat kun je waarschijnlijk alleen zo schilderen vanuit de herinnerde ervaring van de duizenden keren dat je afstand nam.

 

Is dit denken in materie, in verf? Is dit een zintuiglijke manier van reflecteren?

Woorden als ‘schuldig landschap’ of de ‘schoonheid van het kwaad’. Het past. Maar het is ook een vertaling van iets dat je al wel begrepen had op een andere manier.